columns over tv titels

Stones-stalker zuigt aan bluesgigant John L. Hooker

Boudewijn Büch is een abjecte televisiepersoonlijkheid. Tot deze conclusie kwam ik een paar jaar geleden toen hij in zijn programma auditie deed bij Mick Jagger. Toegegeven: Büch staat bekend als Stones-fanaat en moet dus zenuwachtig zijn geweest, maar dat kon geen excuus zijn voor het emotioneel exhibitionisme waaraan Büch zich overgaf: hakkelend en stamelend begon hij als een loopse PR-teckel verbaal tegen zijn idool op te rijden met vragen als: "Mik, zoe yoe noow I hef bien a Stoonsfan for mor zan 25 yeers!?", "Mik, hauw dos it fiel zoe be ze greetest rokkenrolzinger in ze wurlt?", et cetera et cetera.

Zijn T-shirt raakte doorweekt, en oplettende kijkertjes konden piesplekken in zijn jeans bespeuren. Slechts een luide angstscheet had ontbroken. Weerzinwekkend.

Sinds dit pornografische interview ben ik er altijd in geslaagd om Büch te ontlopen. Een kwestie van behoedzaam zappen. Maar vorige week werd ik tijdens een avondje buizen bij een kennis opnieuw geconfronteerd met Boudewijn's oksel-dampen: hij was op zoek naar 'Ze Roets of Bloes' in Mississippi. Hemeltje lief. Dat Büch s niets van rock 'n roll begrijpt, weten we sinds zijn lachwekkende 'essay' over de popmuziek, maar dat hij sjoege heeft van blues is net zo waarschijnlijk als dat Frank Boeijen een raphit scoort in de Bronx.

Büch was stuitend als vanouds. Eerst maakte hij zichzelf belachelijk als historisch reisleider op de katoenplantages ("Daar is Ze Bloes dus begonnen") om vervolgens het geboorteschuurtje van wijlen Muddy Waters te ontheiligen. Büch is helemaal geen kenner of liefhebber van Waters' muziek, maar verafgoodt de man omdat The Stones zich naar een nummer van Waters vernoemd hebben.

Dat deed 'ie dan ook letterlijk: hij knielde voor het schuurtje en begon een ode aan Waters te brabbelen: "Beste Muddy, bedankt voor..." Ironie? Nee, gewoon wansmaak. Waters draaide zich schuimbekkend om in zijn graf, en ikzelf sloeg met mijn kop tegen de muur. Dood moet die vent.

Een andere bluesgod die in Büch's boobytrap stapte, was nog in leven en kon dus van zich afbijten: John Lee Hooker. John, inmiddels dik in de honderd maar nog zo geil als een klipgeit, was net van plan om een minderjarige groupie te betasten, en had dus weinig trek in een domme witte Europeaan met domme witte vragen. Hij hield hem daarom lekker kort.

Büch: "Mistur Hoeker, vaai are yoor bluessongs alwees so sad?" Hooker: "They're about whiskey and women. That's not sad." Büch: "Mistur Hoeker, vaai zoe yoe alvees wraait abaut cars?" Hooker: "I never write about cars." Er volgde een pijnlijke stilte. Zo pijnlijk dat zelfs Büch even zijn mond hield. En Hooker moest grijnzen. En Waters vond weer rust.