columns over tv titels

Ouwe jongens krentenbrood in de verre toekomst

In intellectuele kringen wordt nogal eens neergekeken op science fiction. Terecht. Het genre is doordrenkt van anachronistische ridderromantiek, intergallactisch kolonialisme en para-prietpraat-psycholgie, en wordt tot quasi-wetenschap opgetrokken met een kwak high-tech uit de Kijk. Toch bestaat er een charmante uitzondering: de televisieserie 'Star Trek'. Oftewel: de ruimtereizen van Starship Enterprise.

Zo op het eerste gezicht lijkt Star Trek veel vooroordelen te bevestigen. De pacifistische pionierstocht door het universum vertoont duidelijk imperialistische trekjes, en er vinden regelmatig confrontaties plaats met aliens die met hun Charlie Chan-snorretjes, hun oosterse accenten, hun mongoloïde jukbeenderen en hun (vanzelfsprekend) agressieve houding wel erg veel weg hebben van het Rode of het Gele gevaar.

En toegegeven: ook het populair wetenschappelijke wijsvingertje ontbreekt niet: iedere keer als de Enterprise op een monstrueus ruimtevirus of een telepathisch megabrein stuit, wordt de kijker belaagd met microbiologische of psychofilosofische levensvraagstukken... Maar een kniesoor die zich hieraan stoort. Star Trek is in de eerste plaats een oergezellig Kammerspiel.

Die gezelligheid krijgt een kans omdat schrijver Gene Roddenberry de personages en hun dialogen (zeker naar SF- maatstaven) opmerkelijk speels heeft uitgewerkt: het knettert op de Enterprise. Vooral tussen hoofdpersonages Captain Kirk en Mister Spock. Kirk is een 'born leader' met een onbreekbaar charisma, die door Roddenberry menselijk gehouden wordt door middel van geile trekjes (Kirk heeft de hele Melkweg bij elkaar geflirt), periodieke woede-uitbarstingen en een onweerstaanbaar gevoel voor humor.

Mister Spock, de science officer, is half aards half 'Vulcan', en gezegend met een ultra logisch brein, maar wordt beperkt door een hardnekkig gebrek aan ironie en spontaniteit. Deze twee respecteren elkaar omdat ze elkaar aanvullen: Spocks calvinisme compenseert Kirks emotionele onevenwichtigheid, en Kirks kloten werken besluitvaardig in situaties waarin (Spocks) ratio zinloos blijkt.

Andere sleutelfiguren aan boord van de Enterprise zijn dokter 'Bones' McCoy, een cynische wetenschapper die voortdurend op Spocks betweterij kankert, en machinist Scotty, die met zijn nuchtere, proletarische kijk op het leven alle poeha op de Enterprise relativeert.

Mede omdat de personages de serie decennia lang zijn trouw gebleven (tot en met de vijf bioscoopfilms toe) komen ze over als een hecht, gezellig team. Ze overtuigen. Dat kan jammergenoeg niet gezegd worden van hun opvolgers in de nieuwe Star Trek serie, 'The Next Generation': deze zijn veel te steriel, veel te verantwoord; Kirk is vervangen door een kale schoolmeester, Spock door een robot en Bones door een feministe. Hun acteerwerk is Shakespeariaans, hun dialogen zijn wetenschappelijk gefundeerd, hun verhoudingen zijn gedempt.

The Next Generation voedt de voordelen tegen het genre: uitsluitend voor saaie bèta-freaks die meer geïnteresseerd zijn in een complexe technologische plot, dan in een paar goeie intergalactische grappen.