blog titels

Blog

En de eenoog

Het bibliotheekboek was al maanden te laat. Ik had het kapot gebladerd. Elk van de 83 foto’s zat op mijn netvlies gebrand. Ik heb het over The Americans, het eerste echte straatfotografieboek van Zwitser Robert Frank. Gepubliceerd in 1958, toen America zich nog the beautiful waande, verslaafd was aan Coke en geloofde in Cadillac.

Zo niet de States van Frank. Hij zag armoede, racisme, kapitalisme en consumptie. Zijn visie is nog steeds rauw als steak; de korrel oogt grof door de lichtgevoelige film, de motion blurr overdadig doordat de sluiter Franks oog niet kon bijhouden. Gezichten kijken somber, hautain, argwanend, afwezig. Expressies die ik herkende als ik met mijn verrekijker uit het raam vierhoog vóór gluurde (of als het raam mijn smoel reflecteerde). De mens en zijn alledaagse wanhoop. Daar moest ik wat mee.

Eind jaren zeventig was ik twintig. Ik had mijn atheneum op zak en wilde fotograaf worden. Althans, dat dacht ik. Mijn portfolio zat nog in het hoofd. Bij het toelatingsgesprek namen de docenten van de academie me vertederd op. Ik hield mijn blik beschaamd op het fotoalbum vol kiekjes. Een Frank was ik nog niet nee. Eenmaal afgewezen ben ik gaan studeren, om tijdens het college uit het raam te staren, dromend van een wild bestaan als straatfotograaf.

Anno 2021 ben ik zo goed als blind aan mijn linkeroog. Het rechter houdt fier stand. Daarmee blader ik Google Images kapot met de beeldenhonger van een academiestudent. Want het internet is uitgevonden om ouderen een retrospectief te bieden van hun popculturele verleden. Zo kan ik dode helden nieuw leven inblazen – met het risico dat ze door de mand vallen. Ook Franks werk passeert de revue, want het bibliotheekboek heeft de verhuizingen niet overleefd.

Tot mijn opluchting staat The Americans nog steeds als een huis. Niet zozeer door de politieke context die de foto’s wederom tot hit maakt, maar door het poëtische commentaar dat Frank ermee levert. Hij toont de mens op zijn naaktst, met oog voor diens aangeboren onvermogen. Frank fotografeert zoals ik probeer te schrijven.

Hij blijkt trouwens van oorsprong een keurige modefotograaf. Maar dan wel een met een even brutale als onopvallende verschijning. Dat vermoedde ik al in ’79. Wat ik toen niet wist is dat ie de 83 foto’s uit 28.000 contactafdrukken heeft geplukt. Zo wist Frank De Amerikaan te destilleren uit een waterval van impressies, om hem te maken tot een tijdloze Mensch.

En nu schettert Miles uit mijn boxen. Ga ik voor het eerst prat op mijn bouwjaar uit de fifties. En laat ik mij voor een laatste maal meeslepen door Franks duistere lust for life. Door zijn anti-perfectionisme, vrij van angst voor onscherpte of overbelichting. Het vertelt zoveel meer dan autofocusbeelden. De houtskoolschetser versus het kopieerapparaat.

Ik besef nu ook dat ik nooit straatfotograaf had kunnen worden. Omdat ik de onbeschaamdheid mis en een muggenzifter ben. Maar mocht het ooit mogelijk worden om via een implantaat met de ogen te fotograferen, dan kies ik voor het linker. Dat kiekt met een defecte lens, maar kijkt daardoor met de brutaliteit van een academiestudent.

De naaktfotograaf
America the Beautiful

En de eeuwige sneeuw

Ik weet ’t. Ze is gitzwart en dat brengt ongeluk. Het betonnen trappenhuis oogt grimmig. De lichtinval is als die in een crematorium. En buiten liggen vervuilde sneeuwresten die nooit lijken te verdwijnen. Ik heb nog een lange weg te gaan qua poezelige kattenfoto’s. Maar onze liefde is onmiskenbaar.

We hebben elkaar een jaar geleden leren kennen. Steeds als ik mijn fiets uit het hok haalde of hem opborg, kwam ze me mauwend tegemoet. Spontaan, alsof ze iets in me herkende. Dat kan kloppen. Net als ondergetekende is ze een ongegeneerde vrijkous. Liefst wordt ze opgetild en uitgebreid gekroeld. Daar trek ik wel een kwartier voor uit. Langer durf ik niet, omdat de buren dan misschien een BOA bellen. Anderhalve meter!

Ik heb haar Poesje gedoopt. Nee, bijster origineel is dat niet. Maar onze liefde heeft geen poespas nodig. Soms, als de eenzaamheid op de bagagedrager mee naar huis is gefietst, één arm om mijn middel geklemd, en mijn hart van steen lijkt, word ik door haar bij het hok opgewacht. Dan mag ze mee naar boven. Krijgt ze melk van me, die ze gulzig soldaat maakt. Daarna gaat ze op mijn beddensprei liggen, in een verleidelijke pose, als une chatte fatale. Dan moet ik sterk zijn. En haar met zachte hand de deur uit werken.

Want ik vermoed dat Poesje al samenwoont met een ander. Ze is te weldoorvoed voor een zwerfkat. Te aanhankelijk. Natuurlijk, de verleiding is groot om die chip uit haar te peuteren en haar een halsband om te doen met een fotootje van haar nieuwe vriendje. Maar onze liefde moet onbezoedeld blijven. Liever neem ik naast haar plaats in het trappenhuis, om samen naar de eeuwige sneeuw te turen. Zwijgend, zoals geliefden dat kunnen. Tot mijn hart niet langer van steen is.

Catwoman
Niets zo romantisch als een betonnen trappenhuis

In de kelder

Ik houd van strenge vorst. Niet omdat ik iets met Elfstedentochten, après ski of Glühwein heb, maar omdat ik bij de huidige temperatuur normaal lijk. Omdat het dragen van twee truien even legitiem is. En iedereen zich een kelderbaby voelt.

Volgens de Medische Encyclopedie uit 1959 – de door mij geheel herziene editie – bestaan er twee uitersten op het gebied van baby’s: de smoorbaby en de kelderbaby. De smoorbaby heeft van zijn moeder te veel warmte gekregen. De liefde was overdadig, verstikkend zelfs. Eenmaal volwassen krijgt deze persoon het snel benauwd. Hij slaapt ’s winters met het raam open, is verslaafd aan outdoor actie, gaat vaak vreemd en heeft een drang om carrière te maken.

De kelderbaby is een resusaapje. Dit kind heeft zo weinig knuffels van moeder gekregen dat er een chronische, emotionele onderkoeling is ontstaan. Eenmaal volgroeid is deze persoon immer op zoek naar een vaste relatie, maar wantrouwt hij de liefde evenzeer. Hij draagt te warme kleding en slaapt onder te veel dekens, omdat die hem de illusie van koestering bieden. In de maatschappij stelt hij zich liefst verdekt op, tot de IJsstorm des Levens is uitgeraasd.

Als ik zie hoe uitgebreid mijn moeder mijn jeugd heeft vastgelegd, moet ik haast wel een smoorbaby zijn geweest. Honderden dia’s, foto’s en beschrijvingen heeft ze me nagelaten. In tegenstelling tot veel Facebookvrienden, die nauwelijks materiaal van hun jeugd rest omdat hun ouders niet op het idee kwamen of niet creatief waren. Ik ben verwend! Dus waarom heb ik dan twee truien aan?

The devil is in the detail. De dagboeken die mijn moeder bijhield van mijn kindertijd zijn minutieuze, welhaast uitputtende beschrijvingen van elk scheetje dat ik liet. Ze lezen als het logboek van een antropoloog. Niet verwonderlijk. Ze was werkzaam geweest als laborante en blonk uit in toewijding en precisie. Op papier lijkt ze een betrokken moeder. Maar een knuffel kan ik mij niet herinneren. Niet één. Alsof ik voor haar een pedagogisch proefdier was.

Allez, we gaan geen drama maken. Met de jaren heb ik geleerd om begripvol naar mijn ouders te kijken. Hoe strenger het vriest, hoe milder mijn blik. Ze probeerden ook maar wat. Misschien was mijn moeders documentatiedrang een poging om haar gemankeerde liefde te uiten, was ze zich onbewust bewust van haar tekortschieten als ouder en waren die babyboeken de enige optie om haar kroost iets te bieden. Haar manier van smoren. Toch?

Rest de vraag of ik een afstandelijke ouder zou zijn geweest. Een keldervader. Want als ik een verhaal schrijf waarmee ik lezers probeer te raken, moet ik een methodische, bijna kille werkwijze hanteren, die toewijding en precisie vereisen. Anders gezegd: om u wat te laten voelen moet ik te werk gaan als een taallaborant.

Maar voordat u zich nu een proefdier waant, als mijn verhalen en mijn moeders foto’s u iets doen, en ik me bij iedere reactie even een smoorbaby voel, dan is haar gemankeerde liefde toch goed terechtgekomen? Alsof ik een draai heb weten te geven aan de genetische vervloeking. Maar of ik haar dankbaar moet zijn… Allez, we gaan geen therapie doen. Wees blij dat ik een van mijn truien uittrek.

Het proefdier
De dia is gemaakt door Coef Hannik in de zomer van 1966

Toen zijn blijspel over de opwarming van de aarde (‘Lange Zwartgevroren Tenen’) hem niet het beoogde succes bracht, ging de auteur een teruggetrokken bestaan leiden.

Far from the madding crowd
En ja, die iglo is echt, meer dan anderhalve meter hoog

In het zwarte gat

Een vriendin van me heeft een carrièreswitch gemaakt. Ze was eindredactrice, is stemactrice geworden. Geweldig vind ik dat. Jaloersmakend. Want oplezen, da’s een vak waar je uitgebreid in getraind moet worden, en ook nog eens aanleg voor moet hebben. Een combinatie van focus, ontspanning, acteer- en zangtalent. Een sexy stem is mooi meegenomen.

Dat weet ik zo goed omdat ik eind jaren ’80 voor de Utrechtse radio zelfgeschreven filmrecensies voorlas. Iedere week mocht ik een filmhuisdarling of een Hollywooddraak afkraken. Eigenlijk paste mijn strenge toon niet bij de gezellige sfeer van stadsomroep. Ook mijn outfit viel uit de toon. Gekleed in gitzwart Waterloopleinpak vond ik mezelf uitermate cool tussen de pastelkleurige dj’s die Top 40 muzak draaiden. The lonesome critic!

Het radiopraatje werd van te voren opgenomen. Daarvoor moest ik met mijn A4-tje de studio in. Versprekingen, kuchjes en hatsjoes konden achteraf werden weggesneden, dus veel druk voelde ik niet. En belangrijker: de studioleidster vond dat ik een sexy stem had. ‘Met een empathisch timbre,’ voegde ze er flirterig aan toe.

Dat timbre steeg uiteraard naar mijn hoofd. Ik kreeg de ambitie om de woordkunstenaar in mij aan te boren. ‘Laten we het volgende week live doen,’ stelde ik voor. ‘Uit het blote hoofd.’ Ik durfde dat aan omdat ik in de kroeg kon lullen als Brugman. Dan jongleerde ik mijn woorden als een stand-up comedian en stileerde ik mijn intonatie als een method actor. Het empathisch timbre zou de rest doen.

De week daarop zonder tekst de studio in. Live. De eerste paar zinnen gingen wel. Daarna was het gedaan met de improvisatie. Ik begon te stotteren, te hakkelen, te mompelen. Mijn tong raakte verstrikt in volzinnen die zich achterin de keel hadden opgehoopt, mijn timbre verschrompelde tot een benauwd gekreun. Seconden duurden uren. Ik verdween in een gat, zwarter dan mijn pak. Het Grote Niets.

De studioleidster draaide me weg met Top 40 muzak. Ik strompelde de studio uit, het gelaat lijkbleek, het Waterloopleinpak doorweekt. ‘Volgende keer weer oplezen?’ stelde ze voor – zonder te flirten. Ik knikte. En bad dat mijn pastelkleurige collega’s me niet zouden nawijzen. Zelden voelde een critic zich zo lonesome./p>

Kortsluiting in de frontaalkwab, het kan de grootste ouwehoer overkomen. En zo’n black out vergeet je niet. Ook dertig jaar na dato ontsnapt er bij een flashback een benauwd kreuntje aan me. Het achtervolgt me als een schaduw, gaapt vóór me wanneer ik het ’t minst kan hebben. Bijvoorbeeld als ik uitgenodigd word voor een radio-interview, om over mijn boeken te praten. Dan probeer ik van te voren de vragen los te krijgen, zodat ik de antwoorden uit het hoofd kan leren. Klinkt verkrampt, is het ook, maar alles liever dan het Grote Niets.

Wat ik evenmin vergeet zijn de complimenten voor mijn stem. Die heb ik hard nodig, mocht ik een carrièreswitch maken, van schrijver in verteller. Columns voorlezen op YouTube. Maar wat als mijn channel gespot wordt door een oudgediende van de stadsomroep, en hij me in de comments fijntjes aan mijn meltdown herinnert? Of erger: deze online zet, waarop ie viraal gaat! Paranoia, is dat niet de ergste vorm van hoogmoed?

Het Grote Niets
Zonder vangnet

En het linoleum

Mijn lagere school was een nette school. Een plek waar nette kinderen van nette ouders werden klaargestoomd voor het VWO. Niet voor niets stond bovenaan het rapport vermeld wat de leerling voor Gedrag, Vlijt en Netheid gescoord had. Met drie constante achten wist ik mijn totaalscore steevast op te krikken, want ik was een bijzonder nette jongeman.

Dat kon niet gezegd worden van de leerlingen aan de overkant. Hun school werd in de volksmond de Schoffieschool genoemd. De leerlingen daar waren vechtersbaasjes die opgroeiden voor galg en rad. Soms wachtten ze je in de pauze op, verstopt in de struiken, om ferme klappen uit te delen.

In mijn klas zat een jongen die eigenlijk op de Schoffieschool thuishoorde. Deze Cor zag er uit als een jeugdige klokkenluider. Kromgetrokken schouders, hoekige jukbeenderen, ingevallen ogen, flaporen en een bloempotkapsel. Hij droeg zelfs een lederen tuigje dat zijn gestel moest rechttrekken voor een ordentelijk profiel. Ik had medelijden met hem.

Maar Cor deed nooit gezellig mee met de rest van de klas. Bij zangles zat hij op de achterste rij door onze hemelse keeltjes heen te brommen. Als hij een beurt kreeg gaf hij geen antwoord, als de onderwijzer een grap maakte moest hij nooit lachen. Cor werd steeds vaker genegeerd, zelfs door mij.

Zo ook die middag toen hij een vinger opstak. Eerst met zijn rechterarm, daarna met de linker. De onderwijzer deed alsof zijn neus bloedde. Na een kwartier van opgeheven vingers begon het lokaal zich te vullen met een doordringende stank. De oorzaak werd al spoedig duidelijk: onder Cors bankje had zich een poel van diarree gevormd, die met gestage golven uit de pijpen van zijn korte broek op het linoleum gutste. Cor keek voor zich uit met onheilspellende grijns, alsof hij net een mitrailleur op ons had leeg geschoten. Zijn wraak was van korte duur. Na een moment van stilte werd hij bedolven onder een lachsalvo. Ik schaterde niet mee, maar had evenmin medelijden met hem.

De volgende dag verscheen Cor niet op school. De dag erna ook niet. In de wandelgangen werd gefluisterd dat hij verbannen was naar de Schoffieschool, om daar in de klas te poepen en door klasgenootjes in elkaar geslagen te worden. Maar in de struiken troffen we hem niet. We zouden niets meer van Cor vernemen.

Iets van een jaar later was het mijn beurt. Ik had schoolmelk gedronken die verkeerd viel. Dus ik stak benauwd mijn vinger op, maar de onderwijzer was verzonken in de leerstof. Cors meltdown indachtig wachtte ik niet af. Ik stormde de gang op, rende naar het toilet en smeet de bril naar beneden. Voordat ik mijn riem kon losmaken had de ramp zich voltrokken. Met de staart tussen de benen ben ik terug gelopen naar de klas. Toen ik het ongelukje opbiechtte weerklonk er een lachsalvo. Maar naar de Schoffieschool werd ik niet gestuurd.

Helemaal safe zat ik evenmin. Soms werd ik door klasgenootjes spottend aan mijn ongelukje herinnerd. Dan wist ik hen te overstemmen met verhalen van Cor. Hoe vies en raar die was! Meestal sorteerde de afleidingsmanoeuvre effect, want het is makkelijker een verbannen zonderling belachelijk te maken, dan een nette leerling die naast je in de schoolbanken zit.

Maar de 8 voor Netheid op mijn rapport zou voortaan een 6 worden. En mijn middelbare schooltijd nadien werd een ramp. Om over mijn werkende leven maar te zwijgen. En nu, iedere keer als de kerkklokken in mijn buurt geluid worden, haast ik me naar mijn veel te nette toilet dat zich dan vult met een doordringende stank, terwijl de figuurtjes in het linoleum onheilspellend naar me grijnzen.

De klokkenluider
De foto is gemaakt door Coef Hannik in het najaar van 1962

En de vinger

Al in de prehistorie werd het dagelijks leven door kunstenaars vastgelegd. Beroemd zijn de grotschilderingen van mens, dier en de jacht, vaak vakkundig gestileerd, soms wel 500 meter diep verborgen. De taferelen prikkelen mijn fantasie. Hoe zou dat toegegaan zijn, als nomadische stammen elkaar ontmoetten? Deden ze vriendelijk? Waren ze voorzichtig? Nieuwsgierig? Of sloegen ze elkaar gelijk de hersens in?

Minder bekend dan de schilderingen zijn de tekens. Paleo-antropoloog Genevieve von Petzinger doet onderzoek naar 32 terugkerende prehistorische symbolen die op zeer uiteenlopende plekken in Europa zijn aangetroffen. 32 constanten in een tijdspanne van 30.000 jaar, dat is moeilijk te verklaren. Kunnen we spreken van grafische communicatie, tenminste 5000 jaar vóór het vroegste schrift? Zo ja, hoe wist de bezoeker dan wat de ‘original poster’ met een symbool bedoelde? Hadden hun grootouders misschien op dezelfde school in Afrika gezeten? En boden de tekens nieuwkomers een helpende hand, of waren het dreigementen?

We gaan fast forward naar de moderne mens. Die heeft niet alleen het schrift geperfectioneerd, ook de drager. Daar maken we met z’n allen een paar miljard keer per dag gebruik van. Niet om informatie uit te wisselen, maar om elkaar te overtuigen van eigen gelijk, in een grot die Twitter heet. De Common Sense-stam versus de Progressieve Geluiden-clan.

Ikzelf mag de grot niet in (geen account), maar gluur af en toe naar binnen. Om te huiveren. En te herkennen. Want ik heb jarenlang mijn geld verdiend met columns en recensies die krom stonden van de mening. Ook vandaag de dag nog vind ik van alles over van alles. Maar in tegenstelling tot de Twitteraars realiseer ik me dat op social media niemand wil luisteren.

Online transformeren we namelijk als bij toverslag in ‘zenders’, op zoek naar – op z’n best – de eigen parochie, en op z’n slechtst naar andersdenkenden, om die de mond te snoeren met verwensingen. Zo weten we de 32 constante tekens die we 30.000 jaar gekoesterd hebben in no time terug te brengen tot één symbool: de opgestoken middelvinger.

Dus hoe moet dat straks. Als de mens met een schok – want zo gaat dat soms – in Homo sapiens 2.0 evolueert. In de postmoderne mens. Die geheid telepathisch wordt. Krijgen we dan meer begrip voor elkaar? Wordt het de Weg naar Verlichting? Of weerklinkt er een kakofonie van miljarden verwensingen in ons hoofd, omdat we een collectief bewustzijn ontwikkelen?

In het laatste geval evolueer ik liever achterstevoren, into de primitieve mens. Om me terug te trekken in mijn man cave en muurschilderingen te maken van een fictief berglandschap, als een Bob Ross in berenvel. En mocht een clangenoot een symbolische vinger op de grotwand willen aanbrengen omdat hij een andere stam ‘fout’ vindt, dan zal ik hem een happy accident bezorgen. Want ik blijf natuurlijk wel een mannetje.

Meer weten over prehistorische symbolen? Bekijk deze Tedx met Genevieve von Petzinger (duur: 12 min.)

Man cave
Genevieve von Petzinger

En de stille kracht

Ik kom er niet doorheen. Door die tv-serie die opgediend wordt als een spookverhaal maar meer wegheeft van een ordinair familiedrama. Hij is niet griezelig genoeg. Terwijl ik toch een bijzonder lage angstdrempel heb als het om spoken gaat. Sterker, ik hoor ’s nachts wel eens gekraak bij de kapstok op de gang.

Dat komt doordat ik ben opgegroeid in een herenhuis. Zo’n monumentaal pand vol duistere hoeken. Mijn ouders trokken er in 1957 in, twee jaar later werd ik geboren. ’s Nachts droomde ik dat er geesten kwamen. Ze waarden rond, beneden in de woonkamer. Ze kreunden op de gang. Zuchtten bij de kapstok. Azend op prille zieltjes, om zich te laven aan de kinderangsten.

Als ik uit zo’n nachtmerrie ontwaakte werd ik door mijn vader getroost. Mijn moeder moest altijd grinniken om mijn verhalen over spoken. Ze vond dat ik er een levendige fantasie op nahield. Of lachte ze iets weg? Een stille kracht?

Ik heb nu bewijs gevonden dat het inderdaad niet pluis was in het ouderlijk huis. Kijk maar eens goed naar deze foto van het pand op de Heemraadssingel, door mijn moeder gemaakt in het voorjaar van ’57, kort voordat mijn vader het huis met artsenpraktijk overnam. Ik trof de kiek onderin een doos aan. Hij ontbreekt in alle familiealbums. Heel verdacht.

Te meer omdat de twee vrouwen mij onbekend zijn. Terwijl ik toch diep in de familiegeschiedenis ben gedoken. En waarom kijkt die oudere vrouw zo sinister in de lens? Waarom lacht de jongedame zo naargeestig? Ze lijken niet in de opname thuis te horen. Alsof ze pas na het ontwikkelen van het negatief manifest zijn geworden. Ik zie dat soort dingen.

Vermoedelijk is het de echtgenote van de daar nog woonachtige arts, samen met haar dochter. Zo’n taart met een beroerd huwelijk, die haar kind verbood om met mannen om te gaan. ‘Ik wil niet dat je ons te schande maakt met je vunzigheden!’ beet ze de jongedame toe als die uit wilde gaan. Iedere avond kreeg het meisje huisarrest. Tot er iets in haar knapte. Bij de zoveelste ‘vunzigheden!’ vloog ze haar moeder naar de keel. Waarop die, uit hetzelfde hout gesneden, haar dochter bij de strot pakte. Geen van beiden liet de wurggreep verslappen.

Zo kon het zijn dat de arts hen bij thuiskomst aantrof in de Greep des Doods: de lichamen rechtopstaand in rigor mortis, met gestrekte armen elkaar in evenwicht houdend, als een uitgeklapte keukentrap. Een fysiologisch wonder? Een natuurkundig mirakel? Een familiedrama was het zeker.

Even overwoog de arts de autoriteiten te verwittigen. Maar met negatieve publiciteit zou hij het huis nooit kunnen verkopen. En eigenlijk was hij opgelucht van de krengen verlost te zijn. Hij maande zich tot kalmte. Broedde op een plan. Liep naar de schuur waar een voorhamer, bakstenen en specie gereed lagen voor laatste werkzaamheden aan het huis.

Een nacht later waren de lijken achter de gangmuur naast het toilet gemetseld. Rechtopstaand, met verbeten blik, de handen nog om elkaars strot gevouwen. Tevreden met zijn stucwerk schroefde de arts er een kapstok voor. Alsof die er altijd gehangen had.

Natuurlijk gaat u mijn vermoeden niet doodchecken in de annalen. Heus, ergens in een NRC van 1957 staat de kop ‘Artsenvrouw en dochter vermist op statige singel’. En geen gegrinnik om mijn ‘levendige fantasie’ als ik na een spookfilm niet naar het toilet durf. Ik voel krachten die gewone stervelingen voor een ordinair familiedrama verslijten.

De keukentrap
Smile!

En zijn vader

zoon: Jezus pap, moet dan nou?
vader: Hoor eens, als ik zelfs dood niet mag roken, wanneer dan wel! Bovendien, we wandelen in de buitenlucht, dus je moet niet zo piepen.
z: Dat was ik bijna vergeten, dat je zo’n hork kon zijn. Meneer-de-dokter-die-recht-heeft-op-genot-omdat-ie-zo-hard-gewerkt-heeft.
v: Door dat harde werken kon jij anders studeren tot je een ons woog!
z: Alsof dat me wat heeft opgeleverd. Allemaal flutbaantjes.
v: Wou je mij daar de schuld van geven? Je dominante pa die het altijd gedaan heeft! En anders je gekke moeder wel. Had je me niet wat minder buik kunnen geven?
z: Ik vond het leuk om je even oud te maken als ik nu ben. Minder buik zou geschiedvervalsing zijn geweest. Wees blij dat ik je na 13 jaar weer tot leven wek.
v: Je gaat me toch geen woorden in de mond leggen hè?
z: Natuurlijk niet. Ik verzín je niet, ik zet je ‘aan’ in mijn hoofd. Bij een schrijver komen personages als vanzelf tot leven.
v: Personáges!? Je edelmoedige vader zal je bedoelen! En waarom zet je me eigenlijk aan? Ik dacht dat je opgelucht was van me verlost te zijn.
z: Ben ik ook. Maar soms mis ik je.
v: O ja? Vertel.
z: Nou. Ik mis je gezelligheid. Je luisterend oor. Je bullshit detector. Je trotse blik als ik je aan het lachen had gemaakt, waardoor ik me minder mislukt voelde.
v: Da’s fijn om te horen, ventje.
z: ‘Ventje’… da’s lang geleden, dat ik zo genoemd werd.
v: Vind je het kleinerend?
z: Neenee. Ik moet even slikken, that’s all. Maar ik heb je gereanimeerd om me gezelschap te houden tijdens mijn wandeltochten. Zodat ik een ander geluid hoor dan mijn eigen gemaal.
v: Wist je dat Dickens dat ook deed, lange wandelingen maken? Soms wel 20 mijl per dag. Door het stinkende Londen van de 19e eeuw.
z: Dat bedoel ik nou! Zoiets had ik zelf nooit geweten.
v: Ik zie je wel lopen hoor, langs het kanaal, met die zorgelijke blik. Meer marcherend dan mijmerend. Waarom neem je geen vriendin op sleeptouw, of een kameraad? Vroeger bracht je de leukste meiden mee naar huis. En je had een vrachtlading vrienden.
z: Die vriendinnen hebben nu allemaal een normale vriend, pap. En mijn vriendenkring is verpieterd sinds ik al mijn energie in schrijven steek.
v: Waarom is dat zo belangrijk voor je? Toch niet vanwege je vader?
z: Ha! Als je eens wist hoe vaak ik heb gedroomd van jouw teleurgestelde zucht! Maar dat schrijven doe ik vooral voor mijzelf. Ik wil dat er iets wezenlijks uit mijn handen komt. En als ik in mijn eentje wandel, kan ik op verhalen kauwen.
v: Samen met je dooie vader. Gaat het eigenlijk wel goed met je?
z: Jawel. Ik heb leren leven met mezelf.
v: Kijk eens even aan. Hoe doe je dat?
z: Door contact te maken met mijn lezers. Een boek schrijven kost me járen van eenzaam zwoegen, en als het dan eindelijk gelezen wordt, merk ik daar weinig van. Daarom schrijf ik nu weer verhalen voor Facebook. Dan weet ik gelijk of er iemand ontroerd wordt of moet schateren. Ik geniet van die reacties – alsof ik weer een vrachtlading vrienden heb.
v: Klinkt goed, ventje.
z: Hé, nu kijk je me aan zoals dat je vroeger deed, als ik je aan het lachen had gemaakt.
v: En jij kijkt nu net als je moeder, met die fonkel in je ogen.
z: Besef je wel hoe angstaanjagend dat compliment is?
v: Count your blessings! En ik moet terug naar het Hiernamaals. Heb God beloofd naar zijn spit te kijken. Die man is erger dan mijn ergste patiënt. Vind je het goed als ik een laatste sigaretje opsteek?
z: Ik heb zelfs een vuurtje voor je.
v: Fijn. Boven hangen overal bordjes met ‘rookvrije eeuwigheid’. Ik had goddomme voor de hel moeten kiezen. Daar zit je moeder en die heeft de grootste lol naar het schijnt.
z: Weet je dat ik ook wel eens een peuk opsteek? Bij een glas wijn op een terrasje. Als ik wil mijmeren in plaats van kauwen. Niet tegen God zeggen hoor. Zelfs een schrijver heeft recht op genot.
v: Volgende wandeling weer samen doen?

Ventje
Deze dia is gemaakt door Coef Hannik in de zomer van 1962

2021
It's a bird! It's a plane! It's...

En de voyeur

Eén miljoen Nederlanders leeft onder de armoedegrens. Ik bungel er net boven, want kan sparen voor een camera waarmee ik ga filmen. Mijzelf om precies te zijn. Een vlog waarin ik blogs voorlees of zo. Minder ijdel en meer Kerstachtig is mijn voornemen iets maatschappelijks met de camera te doen. Daarvoor heb ik inspiratie opgedaan bij het Amerikaanse YouTube-kanaal Soft White Underbelly, dat miljoenen onzichtbaren een stem geeft.

De Underbelly bestaat uit interviews met straatmensen, waaronder veel daklozen. De setting is even simpel als doeltreffend: ergens in een metropool heeft de filmer een beeldvullend doek opgehangen, een camera met microfoon opgesteld en zijn gast van een stoel voorzien. Aan de omgevingsgeluiden te horen zitten we midden in de urban jungle.

De daklozen vertellen hoe het zover heeft kunnen komen. Wat ze dagelijks moeten doen om te overleven, waarom het onmogelijk is om op straat vrienden te maken, hoe mensvijandig bureaucratie kan zijn. Er zitten ook hogeropgeleiden tussen. Die niet drinken, niet gebruiken, niet psychotisch zijn. Mensen zoals u en ik, die pech hebben gehad.

Zoals te verwachten zijn de verhalen vrij van het geblaat dat weerklinkt als je (ver) boven de armoedegrens verkeert. Geen kreten als ‘uitdagingen’ of ‘verschil maken’. Het gaat over menselijk tekort en maatschappelijk falen, over leven & dood. Confronterende kost die op iedere school vertoond zou moeten worden. De stars & stripes wapperen boven een derdewereldland dat alleen nog in de media onbegrensde mogelijkheden kent. Ons voorland?

Een van de gesprekken is opbeurend. Terwijl het met Jerry niet veel slechter had kunnen aflopen. De helft van zijn gezicht is eraf geschoten. Maar hij komt helder over. En belangrijker: hij is de mildheid zelve gebleven. Een joie de vivre die je zelden treft als je (ver) onder de grens verkeert. Zijn tandenloze lach doet me blozen om mijn zelfbeklag. Én mijn voyeurisme. Want ik luister zo aandachtig naar zijn levensverhaal om me met Kerst een mensenmens te voelen. Jerry zelf heeft niets aan mijn empathie. Lijkt die ook niet nodig te hebben.

Gaandeweg voel ik er steeds minder voor een Nederlandse Onderbuik op te zetten. Om te beginnen omdat Hollanders niet kunnen lullen zoals Yanks dat doen. Arm of rijk, in de States is iedereen een verteller. In Nederland wonen vooral zeurpieten zoals ondergetekende.

Belangrijker is dat ik zulke interviews helemaal niet kán afnemen, omdat ik mijzelf dan in die stoel zie zitten. Als ik in the American Dream had gewoond, was ik gegarandeerd dakloos geworden. Niet omdat ik drink, gebruik of hallucineer, maar omdat mijn manier van schrijven – ieder woordje wegend – me kansloos maakt in een Darwinistische cultuur. Mijn creatieve drive maakt me tot een grensgeval, zelfs in een welvaartsoase als Nederland.

Verwacht met deze Kerst dus geen filmpje over sloebers in Hoog Catharijne. Ik houd het bij een vlog in de McDonald’s. ‘Het ging mis toen ik een veel te dure camera kocht,’ vertel ik dan aan mijzelf, boven de omgevingsgeluiden uit, een frietje in de mayo dippend, turend naar de grens waar ik inmiddels onder bungel. 1.000.001 gaat mijn kanaal heten.

De onderbuik van Kerstmis
De voyeurs onder u klikken natuurlijk op de foto om deze te vergroten

Van Gene Zijde

Dit is de droomkamer van S. Trouwe lezers kennen haar van mijn blogs. Ze is de 17-jarige dochter van mijn goede vriend P., die in 2009 overleed aan verlate complicaties van een harttransplantatie. Haar moeder trof P. onderaan de trap aan, naast zijn brommer. Levenloos, terwijl hem 15 jaar extra beloofd was.

Uiteraard verkeerden moeder en dochter lange tijd in shock. Maar het leven ging door. En gaat door. Moeder heeft er het beste van gemaakt, van het éénoudergezin. Het resultaat mag er wezen. S. is een bijzondere meid geworden. Dat weet ik zo goed omdat ik op haar verzoek over haar vader ben komen praten.

Ter inspiratie bekeken we eerst wat oude foto’s en video’s. Op mijn vraag of die beelden poorten in haar geheugen openden, antwoordde S. even nuchter als verdrietig: ‘Ik zie het als een bewijs dat ik ‘een’ vader heb gehad, het voelt niet als ‘mijn’ vader. Ik denk dat ik de meeste herinneringen aan hem gefabriceerd heb, op basis van verhalen.’

Aan verhalen geen gebrek die middag. Ik vertelde hoe P. en ik bevriend waren geraakt doordat we ons beiden graag verdiepten in zaken die door anderen worden weggelachen. Zo stortte hij zich op de multi-toepasbaarheid van tie wraps, waarmee je van alles kunt verbinden. Hij werkte een strategie uit om de bank van het casino te laten springen. Bouwde een door mij gefinancierde high-tech miniwietplantage op, die in de kiem gesmoord werd. De meest idiote dagdromen had ie, tot en met een rijdende pizzeria. Steeds miste hij de energie om door te zetten. Maar P. wist wel zijn cardiologen te verbluffen met professionele kennis van zijn hartziekte. Eigenlijk was hij nog onaangepaster dan ik ben.

Of toch niet. Want P. werd vader. Zo een die dochterlief voorop de brommer in het kinderzitje achter het windscherm plaatste, zodat hij zijn prinses de wijde wereld kon laten zien, als in een Roman Holiday. Een pa die in tijdschrift Groter Groeien een column schreef waarin hij samen met S. op hilarische wijze aan het kokkerellen slaat. Een geboren opvoeder die veel te vroeg gestorven is.

En nu voortleeft in zijn dochter. Als S. straks haar HAVO op zak heeft, gaat ze een oriënterend jaar volgen op de kunstacademie. Want verbeelden, dat kan ze. Kijk maar eens naar deze miniatuur, een kopie van haar eigenlijke kamer, waarin ze de natuur boven haar hoofd laat groeien en de branding tot aan haar pantoffels laat spoelen. Alles gefabriceerd van spulletjes die thuis rondslingerden. Het werk van een dagdromer met de mentaliteit van een aanpakker.

Waarmee we bij de laatste herinnering komen. Toen S. en haar moeder op een middag thuiskwamen, niet lang na P.’s dood, troffen ze een onverklaarbaar schouwspel aan. Verspreid over de trappen en gang lagen… honderden tie wraps. Terwijl ze die netjes in een keukenlade opgeborgen hadden. ‘Papa is langs geweest!’ kraaide de toen zesjarige S. Verdomd. Helemaal des P.’s om zich niet zomaar neer te leggen bij zijn verscheiden, maar een signaal af te geven dat hij over zijn meisjes waakt. Zoals hij zijn vrouw vóór de transplantatie beloofd had. Sommige herinneringen zijn te mooi om gefabriceerd te kunnen worden.

Het signaal
Een miniatuur om van te dromen

En zijn sleepboot

Mijn wijk is feitelijk een eiland. Het wordt met het vasteland verbonden door een viertal bruggen. Zo is er over het kanaal een fietsbrug gespannen. Soms, als er een lagereschoolklasje overheen fietst en de koters naar een passerende tanker zwaaien, laat de kapitein zijn misthoorn galmen. Waarop de koters het uitkraaien van plezier. Machtig mooi tafereel vind ik dat.

Mijn buurt is dus rijk aan water. Op dat water wonen rijke stinkerds in speciaal voor hen ontworpen woonarken. Ingenieurs, chirurgen, wethouders. Succesvolle auteurs. Gelukkig worden hun ligplaatsen in de zomer een ware hel. Bij iedere hittegolf trekken ze bakvissen aan die krijsend in de plomp springen, waar dan weer troubadours op afkomen die tot in de kleine uurtje Blowin’ in the Wind over de baren blèren – op steenworp afstand van de arken. Daar moet ik dan om lachen. Binnensmonds, maar niet minder boosaardig.

In de wijk liggen ook enkele echte woonboten. Rijnaken, bewoond door mannen met baarden. Romantische lieden zoals ondergetekende. Ik heb lang de wens gekoesterd om op water te wonen. Liefst in zo’n sleepboot die dienst heeft gedaan in mijn geboortestad Rotterdam. Leuk voor nostalgische trips! Ik zag het al voor me: ieder weekend met mijn binnenvaartsHarley de blits maken in de Rotterdamse Parkhaven om, eenmaal terug in Utrecht, aan te meren voor het terras van café Kanaalzicht, en daar als nautische kamper kopstoten achterover te slaan. Rrrondje van kap’tein Rein!

Maar wonen op water is duur. Te duur voor een sloeber uit een sociale woning. De enige woonboot die ik tot mijn prijsklasse mag rekenen is van het type Tie Wrap, zie mijn foto. Uitgerust met brommobiel op het voordek om tijdens verlof op landrotten te jagen. Woonboten zijn echter niet alleen duur in aanschaf, ook in onderhoud. Eens in de zoveel jaar moeten ze op het droge worden getrokken om het toilet door te spoelen. Er is nog een catch. Je betaalt je blauw aan de ligplaats. Als je er überhaupt een kunt vinden, want in Utrecht zijn alle stekkies al ingenomen door de rijke stinkerds.

Mocht ik in een laatste struiptrekking van mijn midlifecrisis een Tie Wrap aanschaffen, dan zal ik daarmee non stop moeten doorvaren. Als straf voor mijn leedvermaak. Ik zie het al voor me: hoe ik onder de fietsbrug door tsjoeketsjoek, uitgelachen door het lagereschoolklasje, om koers te zetten naar de Parkhaven en daar eeuwig rond te dobberen, als een spookschip op zoek naar de jeugd van zijn kapitein. Gruwelijk mooi tafereel lijkt me dat.

De Terugvliegende Hollander
"Stelletje landrotten!"

En de zweem

Het is mijn manier van onthaasten. Filmpjes bekijken die op straat zijn gemaakt rond de eeuwwisseling. En dan bedoel ik de overgang van de 19e naar de 20e eeuw. Het zijn de eerste bewegende beelden die de mens gemaakt heeft. Én aanschouwd. Dankzij de hedendaagse techniek kunnen ze op een normale snelheid vertoond worden, waardoor de personen niet langer bewegen als figuranten in een slapstick. Ze zijn mens geworden.

Ik kan er uren naar kijken. Naar de kapsels, kleding, oogopslag, motoriek. Dan vraag ik me af of we toen wezenlijk anders waren. Want in die goeie ouwe tijd rotten onze tanden nog weg, waren we verslaafd aan laudanum, crepeerden we aan syfilis en TBC, en waren we op ons veertigste gesloopt door slecht vreten en onmenselijke arbeid.

Wat niet veranderd is, is de bedrijvigheid. Onze voorouders lijken opgejaagd te worden door eenzelfde druktemakerij als die wij in het heden koesteren. Alsof de pauzeknop defect is geraakt. Verder ravotten hun kleuters en huilen hun baby’s zoals moderne hummels dat doen.

The devil is in the detail. De volwassenen kijken argwanend in de lens, alsof hun ziel door de opname gestolen wordt. De enkeling die wél lacht doet dat uit zenuwen voor dat rare apparaat met die slinger. Logisch. ‘Say cheese!’ zal pas vijftig jaar later geïntroduceerd worden, als de consument is uitgevonden en de camera betaalbaar is geworden.

De visuele tijdreis biedt ons een glimp van de mens toen deze nog niet geobsedeerd was met zijn zelfbeeld. Toen we nog niet verkrampt naar het vogeltje lachten of met een selfie onze persoonlijke PR op Instagram plempten. We moesten nog visueel leren liegen. Wel stralen we al een trots uit die we kennen van de fotografie uit die tijd. De triomf van ingebeelde onsterfelijkheid.

Toen ik als knulletje zulke filmpjes op tv zag, waren de jongste figuranten nog springlevend in het bejaardentehuis te vinden. Anno 2020 ligt dat anders. Iedereen op de beelden is nu gegarandeerd dood. Ie-der-een. Ook de ravottende kleuters en de huilende baby’s. Dit besef geeft de bedrijvigheid, meer nog dan bij foto’s uit die tijd, een noodlottige zweem. De hectiek komt bijna absurd over.

Aldus de schrijver vanuit zijn luie stoel in zijn ivoren toren. Kauwend op een kerngezonde maaltijdsalade met een perfect onderhouden gebit. De arrogantie van ingebeelde wijsheid? Ongetwijfeld. De ironie wil dat ik mijzelf vreselijk achter de broek moet zitten om deze blog leesbaar te maken. Wat een druktemaker! zullen visuele tijdreizigers uitroepen, als ze mijn website over 120 jaar opgraven. Ik hoop dat ze mijn pauzeknop dan even willen indrukken.

Meer tijdmachine op YouTube

De druktemakerij
De gestolen zielen

Bij de vissticks

Ze kwamen bij de Aldi aanzetten op eenzelfde type fiets. Ze waren gekleed in uniseks ANWB-jassen en bonden identieke, vrolijk gekleurde mondkapjes vóór. Samen duwden ze hun gedesinfecteerde boodschappenkarretje richting vissticks. De versmelting was compleet – alsof ze elkaar met een 100% match op Relatieplanet hadden getroffen.

Vroeger observeerde ik dergelijke wezens met een antropologisch dedain. Iets in de geest van ‘Jut & Jul go shopping’. Tegenwoordig kan ik mezelf betrappen op een zweem van jaloezie. En denk ik aan onze grootouders, die het doodnormaal vonden om bij elkaar te blijven, door dik en dun. Natuurlijk wilden zij elkaar wel eens vergiftigen en droomden ze van vreemdgaan met de melkboer, maar dat platina huwelijksfeest zou er komen. Misschien was de oorlog hier mede debet aan; als je eenmaal doodsangst ervaren hebt, kun je liefde – hoe gemankeerd ook – beter waarderen.

Dat ligt wel anders bij mijn generatie. Het aantal paartjes uit mijn vriendenkring dat nog bij elkaar is – én het wel eens met elkaar doet – is op één hand te tellen. De rest heeft toegegeven aan de seven year itch. Steeds moest loyaliteit plaatsmaken voor de hunkering naar zelfontplooiing. Want levenservaring, da’s gulden. Toch?

Dat kan ik weten, want ik heb mezelf een ongeluk ontplooid. Ook qua liefde. Steeds duurde de verkering een paar jaar, om dan vast te lopen op mijn onmogelijke karakter. Steeds kwam ik mezelf tegen in plaats van de ander. Nu lijkt het alsof ik aan mijn taks zit. Zou er een limiet bestaan aan de hoeveelheid liefde die een mens kan incasseren? Niet dat ik spijt heb van al dat aan-zijn en uit-gaan, want veel meegemaakt en trouw gebleven aan mijzelf. Dus waarom voelt het dan als een falen?

En belangrijker: waarom duw ik mijn karretje nog steeds achter Jut & Jul aan? Probeer ik hun het Geheim der Eeuwige Liefde te ontfutselen door exact dezelfde boodschappen in mijn kar te laden? Of wil ik me slechts laven aan hun versmelting bij de vissticks? Soit. Als er weer oorlog uitbreekt maak ik een profiel aan op Relatieplanet: ‘onmogelijke man zoekt dito vrouw met uniseks ANWB-jas’. Dat gaat een 100% match worden.

De versmelting
Het slot vormt een hartje

En de bootcamper

Als er een type sporter bestaat dat ‘bootcamper’ heet, dan ben ik er een. Met een welhaast maniakale zelfdiscipline jaag ik mijzelf driemaal per week naar de sportschool. DO IT REIN! schreeuwt de inner sergeant dan in mijn oor, DO IT! In de gym word ik een echt mannetje.

Ik train niet omdat ik het lekker vind, maar om de fysieke aftakeling af te remmen. Mijn gekreun onder de barbell is een hartenkreet om weer een jonge god te lijken. Een verloren wedstrijd uiteraard. Bovendien: schoonheid is niet wat je in de spiegel ziet, zo weet ik van de eenzame crawlers.

De zwemster op de foto spotte ik half november in het Merwedekanaal. Het was een milde dag, maar het water moet toch bloody cold geweest zijn, zelfs in een wetsuit. Een echte doorzetter. Ze deed me denken aan mijn ex.

Die heeft nooit aan sport gedaan, maar is van de ene op de andere dag gaan duurzwemmen. Meer dan vier kilometer legt ze nu af, achter elkaar, in een plas vol snoekbaarzen. Toch is ze geen bootcamper. Ze doet het omdat ze het lekker vindt. Het zijn ook niet haar meterstanden die indruk op mij maken. Het is haar stijl. Ze crawlt spettervrij. Een schouwspel zó sierlijk, dat het waterballet lijkt. Zij is van het sporttype ‘swan’, zo heb ik besloten.

U voelt hem al hangen. Eigenlijk wil de bootcamper in mij een swan zijn. Want bankdrukken voor de eeuwige jeugd, dat voelt soms wat pathetisch. Alsof de essentie van het leven me ontgaat. Immers, ouderdom is uitgevonden om ons duidelijk te maken dat schoonheid niet draait om de ‘wat’ maar om de ‘hoe’.

Dus als u straks in het plaatselijke sufferdje leest dat er een ouwe lul in een te strakke wetsuit uit het Amsterdam-Rijnkanaal is gevist omdat hij met zijn gespetter te veel golfslag veroorzaakte voor passerende tankers, dan weet u dat deze bootcamper een laatste poging heeft gedaan om, statig gelijk een zwaan, de winter van zijn leven in te glijden. DO IT REIN! DO IT!

De zwaan
Als een mes door...

Aan het einde van de tunnel

Ik houd van de metro. Niet vanwege haar efficiency, maar omdat er niemand voor de lol in gaat zitten. Je treft er zelden dagjesmensen aan, vrolijkheid lijkt er ongepast. Het is een vervoermiddel voor forensen en werklozen. Buiten is het donker waardoor het ochtendhumeur en de avondsomberte onbarmhartig in de ramen weerspiegeld worden. In de metro zien we elkaar zoals we werkelijk zijn.

Áls we elkaar zouden zien. Oogcontact is er taboe, iedereen houdt zijn portable escapisme in de aanslag. Vroeger was dat de krant, tegenwoordig verdwijnen we in de telefoon. Ikzelf heb de neiging om reizigers te tellen die voor zich uit staren; zielen die de eenzaamheid durven te omarmen of zich in een dagdroom verliezen.

Dan denk ik aan de metro van Parijs, met zijn exotische geuren en bulk van warme lucht die door de voorste wagen de halte ingeduwd wordt. Of aan die van Amsterdam, waarvan de intercomdame met een Amerikaans accent probeert te spreken. En die van New York, met zijn vol gekliederde en rammelende wagens, die Manhattan met de getto’s probeert te verbinden. De subway is het domein van de straatfotografie.

Maar dan wel met een rouwrandje. Ontdaan van autoriteit, biedt de metropool er een vrijhaven aan sujetten die zich bovengronds in de schaduw zouden ophouden. Zakkenrollers die loeren op open rugzakjes, straatmuzikanten die te luid spelen om een euro af te dwingen, scootertuig dat de regen mijdt op zoek naar mot. Alsof de mens zich hier een weg onder zijn beschaving heeft gegraven om zijn wortels af te tasten in de klei waaruit we voortkomen. Not a pretty picture.

Het beste zicht biedt een plaats achterin. Daar kun je zien hoe de metro voort dendert als een duizendpoot op steroïden, onwetend van het stille leed der passagiers. Koortsachtig op zoek naar licht, gedoemd om een bestaan in de duisternis te slijten. Tot er metaalmoeheid optreedt. En hij wordt weggesleept voor een roemloos einde op de sloop.

Slechts een enkel exemplaar weet aan zijn lot te snappen. Zoals wagen 6351 richting Spijkenisse. Op het eindstation knalde hij door de stootblokken heen, om opgevangen te worden door de vinnen van een kunstwalvis. Welk een poëtisch wereldnieuws! De bestuurder bleef ongedeerd, reizigers ontbraken. Als die laatsten er nog wel in gezeten hadden, zouden zij niet opgekeken hebben van hun smartphone. Terwijl het mooiste escapisme toch om ons heen gebeurt. Je moet er alleen oog voor hebben.

De ontsnapping
Poëtisch wereldnieuws

Just one more time

Met trillende hand ruk ik een Bud open in de keuken. In één teug drink ik het leeg. De alcohol verdwijnt in een kolk van adrenaline. Ik laat een boer ontsnappen. Dan volgt de stilte voor de storm. Iedere vezel in mij verkeert in staat van paraatheid. Alsof ik mijn hele leven naar dit moment heb toegeleefd. Wegkijken is geen optie meer. Mijn grens is bereikt.

Gisteren zweette ik nog peentjes bij de kassa van de speelgoedwinkel. ‘Voor mijn neefje,’ probeerde ik met een scheve glimlach. ‘Een cadeauverpakking graag.’ Goddank hoefde ik geen ID te tonen. De weg terug heb ik gesnelwandeld, want in mijn buurt willen ze nog wel eens preventief fouilleren, waarbij ze het vooral op oude witte mannen gemunt hebben. Geriatrisch profileren heet dat.

Even later had ik hem toch echt boven mijn open haard hangen, naast de laatste Sumatraanse neushoorn: de Nerf Supersoaker XP100. Bereik: meer dan 12 meter. Op de doos staat een disclaimer: niet geschikt voor kinderen jonger dan 8 jaar. Heavy duty gear. 

Ik ruk een tweede blikje open. Ook dat sla ik achterover. Maar ik laat geen boer. Ik spits de oren. Hoor hoe de gelukszoekers buiten roekoeën. Fladderen. Alles onder schijten. Hoe ze bezit nemen van mijn balkon. Het balkon dat ik van mijn belastingcenten huur.

Ik pak de soaker. Hurk bij het aanrecht onder het geopende raam, de XP100 tegen mijn borst geklemd. Pomp stilletjes perslucht in het waterreservoir. Wacht af, azend op een moment van onachtzaamheid. Dan, als ze het niet meer verwachten, sta ik met een ruk op. Ik pomp nogmaals… richt... en spuit ze met een megastraal van mijn territorium af. PRAY AND SPRAY BABY! EIGEN BALKON EERST! MMBGA!

Make My Balcony Great Again!
Make my day

Hoe een fatoomcoronalijder kan snakken naar een tandartsboor

Natuurlijk ben ik weer de enige die op de fiets gekomen is. Verder zit iedereen veilig in zijn koekblik af te wachten tot ie aan de beurt is. Vier straten tel ik totaal. Die zijn alle vier hard nodig, want volgens een regelaar dienen er zich zo’n 800 zielen per dag aan. Populaire stek.

De gezelligheidsprijs zal de loods echter niet krijgen. Hij staat op een god verlaten fabrieksterrein nabij een god verlaten rangeertraject. Zo’n plek waar criminelen worden geript, gestolen auto’s worden omgekat en tegenstanders van het kartel met een tandartsboor worden doodgemarteld.

Het wemelt er van de zorgpro’s met mondkapjes en plastic schermen. Ze geven instructies aan automobilisten die droog kuchen. De situatie heeft veel weg van de set van een rampenfilm rond een epidemie, zij het met een cameraman die geveld is door het virus.

Aansteller! hoor ik mezelf zeggen terwijl ik opschuif in de rij. Mijn klachten zijn immers verwaarloosbaar. Ik heb geen verhoging. Geen droge kuch. Geen pijn op de borst. Die snotneus en vermoeidheid komen natuurlijk door overijverig trainen in de sportschool. Maar Hannik moet weer iets bijzonders mankeren. De krant halen. ‘Het was puur op wilskracht dat Rein het dodelijke virus wist te overwinnen!’

Als ik aan de beurt ben word er naar mijn burgerservicenummer gevraagd. Het zweet breekt me uit. Moet ik dat uit mijn hoofd weten!? piep ik gesmoord door mijn mondkapje. Welnee. Staat op je ID. Ik slaak een zucht van verlichting die mijn bril doet beslaan. Als de formaliteiten afgehandeld zijn moet ik plaatsnemen op een keukenstoeltje. ‘De elektrische stoel!’ grap ik zenuwachtig. Niemand lacht.

Een verpleegkundige met wattenstaafje nadert me behoedzaam. Hij zegt slijm af te willen nemen in mijn keel en sinus. Wat ie niet weet is dat mijn reflexen anders zijn dan die van gewone stervelingen. Invasieve handelingen doen mij op tilt slaan (een kwestie van een ongewone jeugd). Zo moest er ooit een oogoperatie onder plaatselijk verdoving afgeblazen worden omdat ik me verweerde tegen de chirurg. Aard van het beestje. Ik ben dus meer gespannen voor de coronatest dan voor de uitslag.

Als het staafje achterin mijn keel gestoken wordt moet ik alle zeilen bijzetten om de broeder geen klap te verkopen. Kokhalzend knijp ik in mijn vuisten. Dan begint ie te wroeten in mijn sinus, alsof er een biopt van mijn frontaalkwab afneemt. Net op tijd weet ik in mijn Zero-modus te geraken. Er vallen geen slachtoffers.

Nu zit ik weer op de fiets. Rillend, alsof ik gemolesteerd ben. Is dat wat ze bedoelen met lichamelijke integriteit? Aansteller! hoor ik mezelf hardop zeggen. Kan wezen. Maar bij een volgende epidemie word ik liever getest door een tandarts van het kartel. Heb ik tenminste recht op drama.

PS: De uitslag was negatief. Goed nieuws dus. Een kwestie van wilskracht mag ik aannemen, maar daar hoor je de krant niet over.

De coronatest van het kartel
Gaat u maar lekker zitten...

Van een fantoomcoronapatiënt

Het zelfbeeld slaat meestal toe als ik mijn flatje ontvlucht ben om een wandeling langs het kanaal te maken. Dan zie ik mijzelf lopen: een oudere man in een veel te zware lederen jas die met veel te grote stappen voort marcheert. Op de vlucht voor zijn schaduw? Of voor zijn transformatie?

Want er heeft zich in de loop der jaren een even geleidelijke als onverbiddelijke mutatie aan mij voltrokken. Op mijn twintigste had ik bakkebaarden en ging ik door voor stronteigenwijs. Op mijn veertigste had ik een commandocoupe en werd ik versleten voor uiterst eigenzinnig. Zolang je jong bent, is het spannend om af te wijken. Maar toen ik zestig werd en een baard liet staan, was ik opeens excentriek. Kon dat nog wel doorgaan voor sexy? En wat zal mijn volgende hoedanigheid worden? Een oude zonderling?

Zoals oom Franz dat was. Die had een poolbaard, ging gekleed in een eeuwige winterjas, leefde op chocoladerepen en was gezegend met een uitputtende kennis van de Olympische Spelen. Op de toppen van zijn kunnen wikkelde hij 27 zwerfkattenlijken in kranten om ze voor de eeuwigheid te conserveren. Volgens mijn moeder dreigde ik net zo’n viespeuk te worden. Dus werd 'oom Franz' voor mij een geuzennaam. Tot ik mijn eigen moeilijke zelf werd.

Zo’n zelf die anno 2020 dag in dag uit koortsachtig zit te schrijven in zijn flatje. Iedere dag typ ik iets manischer, iets fanatieker, iets grimmiger. Niet dat de buren veel merken van mijn desintegratie. Zolang de gordijnen van mijn appartement gesloten blijven is er geen sprake van decorumverlies. Zo word ik ook niet afgeleid door het schitterende uitzicht op het kanaal. Eigenlijk is mijn flat een ideale quarantaineruimte voor auteurs met fantoomcorona.

Maar wat te verwachten als ik straks 80 winters heb overleefd? Als mijn zelf te zonderling is geworden voor de maatschappij? Word ik dan als een vergrijsde, ungeheures Ungeziefer uit mijn flatje gezet en in Huize Zonnegloren aan de bingotafel vastgeketend? Zal ik eindigen als oom Franz die gedwongen werd opgenomen omdat zijn kattenmummies begonnen te stinken? (En die – tegen alle verwachtingen in – helemaal opbloeide in de inrichting door alle aandacht die hem daar ten deel viel!?) Planning van je oude dag heet dat.

Laat ik voorlopig vertrouwen op mijn genen. En een zwerfpoes in huis nemen. Een hoogbejaarde, valse kat die allergisch is voor smalltalk. Om haar dan zorgvuldig in kranten te wikkelen en voor de eeuwigheid te conserveren.

PS De foto is mijn profielfoto die verouderd is met Faceapp

Nog 20 jaar wachten
Het foute neefje van Charles Darwin