blog titels

Blog

leesbarenaamfoto

- Zeg, wat krijgen we nu? Moet jij niet allang in dromenland zijn? Het is bijna 10 uur!
• Kannie slape… *wrijft in oogjes*
- Wat kijk je sip. Heb je weer enge schaduwen op de muur gezien?
• Ja…
- Nou, trek je vestje over je nachtpon aan en kom maar op schoot zitten.
• *geeuwt, trekt vestje aan en kruipt op schoot voor de computer* Ben je mee bezig?
- Ik ben een boek aan het schrijven. Voor kinderen. Niet aan de toetsen zitten hoor.
• Waar gaat het over?
- Een spookje. Wat heb jij een koude voetjes zeg!
• Maar spoken bestaan toch niet?
- Dit spookje wel hoor.
• Waarom dan?
- Gewoon, omdat ik dat wil. En het is een bijzonder spookje. Hij is bang in het donker én voor mensen. Een heel angstig geestje.
• Is ie ook bang dat ie niet bestaat?
- Dat zou zomaar kunnen. Hij woont op een zolder waar ook een meisje slaapt. Op een nacht probeert ie haar bang te maken door ‘boehoeoeoe’ te roepen en enge bewegingen te maken, omdat spoken dat nu eenmaal horen te doen. Maar eigenlijk durft ie dat helemaal niet. Het wordt een heel zachte ‘boehoeoeoe’ en ook zijn gebaren zien er niet dreigend uit. Hij lijkt meer een uilenjong dat probeert uit te vliegen, of een slaperig kind dat een knuffel wil. Het meisje schrikt niet van hem. Integendeel; ze vindt het fijn gezelschap te hebben. En het spookje is enorm opgelucht dat ze hem niet bang maakt.
• Heeft het meisje geen broertjes of zusjes?
- Nee. Ze is een wees. Ze woont bij haar oma op een oude donkere boerderij. En die grootmoeder gaat altijd met de kippen op stok. Op zolder is het wel erg stil, vindt het meisje. Alsof ze alleen op de wereld is.
• Heeft ze geen vriendjes?
- Nou, ze is een beetje anders dan andere kinderen. Ze houdt meer van wegdromen dan van spelletjes doen. En van Barbie moet ze al helemaal niets hebben. Daarom is ze meestal in haar eentje.
• Ja. Jij bent ook vaak alleen hè?
- Eh… dat is wel zo ja. Maar ik heb zat vrienden hoor. Die zie ik liever in de stad of zo, want mijn flat is een ongezellig werkhok. En voor schrijven heb je eenzaamheid nodig. Als ik aan het boek werk lijkt het of de héle wereld in mijn hoofd zit. Dan houdt iedereen me gezelschap.
• Ja… Wanneer is het af?
- Geen idee. Misschien wel nooit.
• Dan wordt het een echt spookboek!
- Dat heb jij goed gezien. • Voor wie schrijf je het?
- Voor jou natuurlijk! Iedere keer als ik eraan werk, kom jij even spoken. Zullen we dat afspreken?
• Ja!
- Maar luister, het is de hoogste tijd.
• Kom je me nog even instoppen? En lees je me dan voor uit het boek? Pleasepleaseplease.
- Vooruit, één hoofdstukje. Waarin het meisje en het spookje elkaar leren kennen.
• Morgen ook een hoofdstukje?
- Net zo vaak als jij komt spoken. Tot je niet meer bang bent in het donker.
• Maar…
- Maar? Waarom kijk je nu weer sip?
• …misschien besta ik zelf wel helemaal n…
- Doe niet zo gek! Natuurlijk wel! Als wij dat willen!
• *geeuwt een glimlach en steekt armpjes uit*

Het Gezicht van Hoog Catharijne

Zolang ik me kan herinneren is lachen mijn manier van aandachttrekken geweest. Hele foto-albums heb ik vol gegrijnsd. Zelfs op peuterkiekjes lijk ik een tweedehandsautoverkoper. En toen mijn gezicht in de puberteit geteisterd werd door acne, leidde het ivoor af van de ravage.

Inmiddels slijt mijn gebit buitensporig hard doordat ik in mijn slaap knars, een bitje ten spijt. Waarom ik dat doe mag Joost weten. Iets met vroeger? Iets met zelfbeeld? In ieder geval iets met frustratie. De tandarts heeft het geheel een paar millimeter opgehoogd. Dat kunnen ze tegenwoordig. Een dure ingreep, maar vakkudig uitgevoerd. Nu heb ik weer de grijns van een jongeman. En belangrijker: zo komen de zenuwen niet over vijf jaar bloot te liggen.

Soms vind ik al dat gelach storend. Op Facebook word ik zelden geraakt door foto’s van vrienden waarop zij poseren als een politicus-op-campagne. Liever zie ik hen zoals zij zich werkelijk voelen: verdrietig, geïrriteerd, verveeld, zorgelijk, schuldig. Zoals mensen kijken die zich onbespied wanen. Maar authenticiteit is zelden a pretty picture. Slechts een enkele keer wordt ons Ware Gezicht opgeluisterd door een spontane glimlach of de slappe lach. En je zal zien, dan is het rolletje op.

Dus waarom liever één moment van verstild chagrijn dan tien schaterende Insta-kiekjes? Omdat waarachtigheid een geheim wapen herbergt, een X-factor die we in elkaars blik herkennen en die ons minder intrinsiek eenzaam doet voelen. Hij zet onze interne PR-machine even op pauze, laat ons echt contact maken. Helaas wordt deze X-factor sinds de uitvinding van de selfie met uitsterven bedreigd. Het is een kostbaar kleinood geworden, nu we op social media allemaal een fantastisch leven leiden. Was het vroeger dan tóch beter?

Gelukkig hebben we de foto’s nog. Of in iedere geval één. Deze pasfoto stamt uit begin jaren ’90 en is gemaakt in zo’n automaat van Hoog Catharijne. Dat was toen nog een groezelig winkelcentrum waarvan ik vreesde dat het mijn voorland was. De pasfoto is een van de weinige beelden waarop ik niet lach. Hij oogt zo beduimeld als het spiegelglas van de automaat. Ik koester hem omdat hij me ivoorloos weergeeft. Moe. Depressief. Katerig. Maar vastberaden als een junkie. Het Gezicht van Hoog Catharijne.

Van pensioneren in een kartonnen doos is het niet gekomen. Maar de ironie wil dat er nog geen maand na de ‘cosmetische’ renovatie van mijn gebit een kies getrokken moest worden. Een unicum! Het geld is op, dus een implantaat zit er niet in. Het zwarte gat maakt mijn grijns wat dakloos, maar ik voel me door het tonen van het verval meer mijzelf, minder wannabe reality star. Niets zo onaantrekkelijk als de zucht naar perfectie.

Over imperfectie gesproken, wat zou het een verademing zijn als we allemaal onze profielfoto op Facebook vervingen door een kiek waarop we niet hoeven te stralen. 2,89 miljard chagrijnige smoelen… zie je het voor je? Dat deze muiterij het einde van het smoelenboek zal inluiden lijkt me onvermijdelijk, maar dan hebben we elkaar toch even écht gezien, voordat het licht uitgaat in dit lachspiegelpaleis. En wie weet, houd ik dan op met knarsen.

De afstand

Steeds als ik plaatsneem in de wachtruimte van de oogpoli moet ik glimlachen. Onder iedere stoel is een bordje aangebracht dat ‘stoel’ leest. Nog niet zo lang geleden moesten die voorkomen dat we contact met elkaar maakten, tenzij je al een paartje vormde natuurlijk. Nu de crisis bezworen is lijken de bordjes eerder thuis te horen in een kunstgalerij of in een absurde cartoon. Bovendien zijn ze onleesbaar voor het gros van de doelgroep.

Ik ben vaste klant van de poli omdat mijn ogenzenuwen sinds een jaar of 15 aangetast worden door glaucoom. Eigenlijk is dat een ouderdomsziekte. En normaal gesproken leidt het tot uitval van de periferie van het gezichtsveld. Bij mij heeft het in het centrum huisgehouden, waardoor het linkeroog onbruikbaar is geworden. Voor het rechteroog brand ik een kaarsje. Maar wees gerust, deze blog gaat niet over ziekte.

In de wachtruimte word ik steevast omringd door bejaarden. Echtparen die elkaar al jaren niet meer kunnen zien of luchten, maar zich zichtbaar aan elkaar vastklampen, als de dood om de eenzaamheid van het bestaan te incasseren. Vroeger observeerde ik hen met dedain, achtte ik mijzelf vreselijk onafhankelijk. Tegenwoordig voelt mijn autonomie als valse romantiek. En vraag ik mij af of het leven niet juist draait om de wrijving die afhankelijkheid met zich meebrengt. Zou de essentie van het bestaan mij zijn ontgaan? Gelukkig kan ik de glaucoom de schuld geven van mijn blinde vlekken.

Vandaag is de wachtruimte verlaten. De oudjes zijn en masse door het virus geveld. Nee, geen cynische opmerkingen over dor hout. Mijn praatjes zijn verstomd. Daarbij, het volgende piekerpunt dient zich aan: welk zintuig zou bij uitval de mens het meest isoleren? Common sense zegt dat dit ‘zicht’ is, aangezien blindheid afhankelijk maakt. Toch lees je vaak dat doofheid het sterkst doet vereenzamen.

Naarmate ik ouder word hecht ik vooral aan mijn reukvermogen. Immers, in geuren ligt het archief van onze emoties besloten. Het biedt mij troost om in de avonduren het aroma van de straat op te snuiven, gedragen door een zwoele nazomerbui, overgewaaid uit vervlogen tijden – toen contact nog gewenst was. Het kan geen toeval zijn dat corona juist dit zintuig invalideert.

Indirect tast het er nog een aan: de tastzin. Want de anderhalvemetersamenleving mag dan uit de maatschappij geschrapt zijn, ze is allerminst uit ons systeem verdwenen. We zullen ons nog jaren van elkaar distantiëren, als gevangenen van onze gezondheid. Een afstand die emotioneel uitholt, en dan met name de solisten onder ons. Terwijl ik diezelfde afstand toch vaak vóór het virus zelf gecreëerd heb als een relatie mij begon te benauwen. Zou tast ons meest fundamentele zintuig zijn?

Als je maar lang genoeg in een verlaten wachtkamer doorbrengt krijgt dit soort mijmeringen de ruimte. Met de vergrijzing zal het de komende jaren wel weer aantrekken. Sterker, er komt een dag dat ik zelf zo’n AOW’er ben die de bordjes op het linoleum niet kan lezen. Tot die tijd neem ik een eigen bordje mee, met daarop ‘contact’ in plaats van ‘stoel’. Bedoeld voor die ene andere solist in mijn periferie. Want flirten in een oogpoli, da’s romantischer dan een blind date. Allez, zolang de tastzin nog intact is hè.

Het hoorspel

Eigenlijk is het een voorrecht om uit een tijdperk te stammen waarin weinig werd vastgelegd. Immers, voor oldtimers heeft iedere jeugdfoto een waarde die onvoorstelbaar is voor de huidige smartphone-generatie. Nog fijner is het om – zoals ik – opgegroeid te zijn in de oertijd maar wel in een gezin waarin buitensporig veel werd vereeuwigd. Da’s zoiets als paleontologie in een massagraf van dino’s. Zo vond ik dit kaartje uit 1961. Sweet!

Mijn moeder registreerde het gezinsleven niet alleen met tekeningen, foto’s en in dagboeken, ze maakte ook geluidsopnamen met een bandrecorder. De meeste tapes betreffen huis-, tuin- en keukenwonderen zoals kinderen die Sinterklaasliedjes zingen en over school vertellen. Ook legde ze een van haar baarpartijen (!) vast, waarop uiteraard veel gekreun en gesteun klinkt. Meest intrigerend vind ik een tape zonder titel waarbij ze, zo zal blijken, de recorder liet draaien voor een authentieke impressie van het gezinsleven. Reality radio!

Als ik de ogen sluit en op ‘play’ druk houd ik mijn hart vast. Voor mij is zo’n tijdreisje niet zonder risico. Straks zit ik weer vast in dat spookhuis vol geweld en gescheld. Daarbij, geen grotere angstaanjager dan eigen fantasie, die vrij spel krijgt door gebrek aan beeld. Toch lijk ik er ook naar te verlangen, naar die vroege jeugd, toen de wereld nog klein was en het leven vanzelfsprekend. Verkapte zelfkwelling of oprechte nostalgie?

De huiver blijkt onnodig. Zodra ik mijn moeders bakvissengiechel en mijn vaders gedecideerde rokershoest hoor zit ik weer ‘gewoon’ thuis, op de singel, begin jaren ’60. Mijn ouders discussiëren over halszaken als overblijven en de mazelen, beklagen zich over bekakte ouders en idiote patiënten, gebruiken modewoordjes als ‘mieters’ en maken grapjes over ons favoriete hoorspel Paulus de Boskabouter. Those were the days.

Natuurlijk wordt er ook kattig gedaan, maar da’s normaal in een hectisch gezin. Geen moment hoor ik mijn moeder krijsen, laat staan klappen uitdelen. Sterker, ze praat tegen ons met een vriendelijke, pedagogisch verantwoorde stem. Op de achtergrond klinkt singeltje Deep in the Heart of Texas uit de mono speaker van de pick-up. Alles lijkt in tune met het lieftallige gezinnetje dat ze op het kaartje heeft getekend. Zit de horror dan tussen mijn oren?

Nou… Op een gegeven moment ontstaat er op de tape onenigheid over authenticiteit. Volgens mijn vader heeft mijn moeder de neiging het apparaat uit te zetten zodra ze haar geduld verliest. Wat kan kloppen, want soms hoor ik hoe zij er een pedagogisch zeer onverantwoord ‘RRREIN! SSSCHIET OP! GODVERDEGOD…’ uitgooit en dit bruusk wordt afgebroken. Volgens mijn vader moet mijn moeder ook op die momenten de tape laten rollen. ‘Het enige wat er nog niet op staat is jouw gekijf. Over 25 jaar denkt het nageslacht dat je net zo lief en schattig bent geweest als je nu doet. Ze mogen ook weten hoe erg ik het heb gehad!’

Authentiek of niet, ik luister de tape helemaal af. Mijn uithoudingsvermogen – of is het vertrouwen? – wordt beloond. Want opeens begint het gezin te zingen. Spontaan. Vader Jacob. Een canon! We klinken net zo vals en uit de maat als de dieren van kabouter Paulus, maar ik geniet met volle teugen van onze gemankeerde harmonie. Ik moet zelfs iets wegslikken. En weet weer waar ik naar verlangde toen ik het massagraf der dino’s opende.

De tranen van de beul

Volgens Jung en Hemingway proberen sentimentele mensen een wreed karakter te verbergen. Dat is ook mijn indruk, als ik op Facebook weer eens mierzoete emoticons afgewisseld zie worden door hoon en verwensing – afkomstig van dezelfde reaguurder. Maar naar anderen wijzen, da’s niet chic, ook niet als zij naar anderen wijzen. De vraag is hoe wreed ikzelf ben. Want ik smelt bij dit beeld van een vader die zijn verklede zoontje naar een partijtje begeleidt.

Mijn idee van vaderschap is ontegenzeggelijk sentimenteel. Sterker, als kinderloze senior ben ik ervan overtuigd dat niets zo bijzonder is als opvoeding. Terwijl ik uit ervaring weet dat stiefvader spelen op middelbare leeftijd geen rozengeur en maneschijn is. Maar je eigen vlees en bloed, da’s toch anders, houd ik mezelf graag voor. Illusies moet je koesteren als je een gesmoorde kinderwens dragelijk wilt houden.

De volgende vraag is wat voor ‘natuurlijke’ vader ik geweest zou zijn. Als twintiger vermoedelijk zo een die zijn kroost slaat. Immers, volwassenen die als kind mishandeld zijn hebben de neiging dit geweld door te geven. De truc is om jezelf vóór die tijd door-en-door te leren kennen. Daar heb ik jarenlang groepstherapie voor nodig gehad. Verwerken deed ik er niets, maar de feedback werkte confronterend. Er bleek een boos mannetje in mij te zitten.

Wreedheid is echter een tandje erger. Dat ik daar aanleg voor heb bleek tijdens mijn jeugdjaren. Kan me herinneren hoe ik een meelworm in de fik stak om te zien hoe het dier zou reageren. Hoe ik een muisje dat op een plakstrip crepeerde in een emmer water verdronk. Hoe ik, gefrustreerd omdat het meisje waarmee ik was niets met me wilde, een roodborstje met een luchtbuks doodschoot. Terwijl ik me de grootste dierenvriend van Rotterdam waande.

Sommige mensen zullen dergelijke kleine gruweldaden wegwuiven als jeugdzonden. Ik niet. Niet met mijn jeugd. Niet na al die therapie. Voor mij waren het alarmsignalen. Ik vermoed dan ook dat het een kwestie van instinct is geweest, dat ik mijn vaderschap nooit verder heb laten komen dan fantasie. Hoezeer ik ook naar kroost verlangde.

Het is ook weer niet zo dat ik me dagelijks zorgen heb gemaakt om mijn inner Rein the Ripper. De afschuw direct na de daden én het rotgevoel bij flashbacks spraken voor zich. Daarbij, ik ben met de jaren misschien een onmogelijke partner gebleken, geen wrede. En als stiefpapa deed ik het lang niet slecht. Wel moet ik bekennen dat ik mijn zakdoek vol snoot als we familiefilm Little Miss Sunshine bekeken. Met die gevoelens loop ik liever niet te koop.

Alhoewel. Bij deze foto van het joch in zijn rode, welhaast idiote en daardoor hartverwarmende tenue, geëscorteerd door zijn doodserieuze en daardoor hartverwarmende vader, smelt ik. Het cameraatje van mijn Samsung doet hetzelfde, want dat begint ijverig te aquarelleren als ik de foto opblaas. Wat toch nodig is, aangezien ik vader & zoon niet te dicht wilde naderen. ‘Papa, we worden achtervolgd door een enge opa!’ hoorde ik de smurf al bijna zeggen. Als de vader mijn gegluur had vastgelegd, had ie me dezelfde dag nog op Facebook zwartgemaakt als pedo. Om me na het lezen van dit stukje onder de hartjes te bedelven. Soms verbergt een wreed karakter een sentimentele inborst.

De maskers

Hij was de spannendste filmster van dat moment. Een acteur met maximaal charisma en minimale techniek. Een sekssymbool zonder zijn best te doen. En ook nog eens een rebel op de set. Maar het spannendste aan Mickey Rourke was dat een vriendin had gezegd dat ik op hem leek. Zolang ik glimlachte tenminste. Ik geloofde haar op d’r blauwe ogen. Alles liever dan mijzelf zijn – alsof er een gefrustreerd acteur in mij huisde.

Rourke is bekend van jaren ’80 filmhits als 9½ Weeks. Voor dat soort chick pics haalde ik mijn neus op. Ik was onder de indruk van zijn Motorcycle Boy, een filosofische straatbendeleider in cult classic Rumble Fish. Rourke wist precies hoe je tegen muren moest leunen en naar verdwijnpunten moest staren. De keren dat hij zijn Motorcycle Boy liet praten was dat fluisterend, gevolgd door een glimlach waarin een teder machismo doorschemerde. Ik was vastbesloten me zijn method acting eigen te maken. Voor in de kroeg.

Ik schafte ook zo’n vlooienmarktcolbertje aan en ging met mijn rug tegen de toog leunen, om glimlachend voor me uit te staren. Een kwestie van tijd tot de dames voor me zouden vallen! In theorie dan. In de praktijk hield ik de pose nog geen vijf minuten vol. Te beweeglijk van aard, bovendien meer van de zelfspot dan van de ongenaakbaarheid. Wel bleef ik meer glimlachen dan strikt noodzakelijk. En besloot ik de carrière van mijn idool te volgen.

Rourke bleek een anti-ster. Hij torpedeerde zijn loopbaan met onmogelijk gedrag op de set. In interviews zei hij geen respect te hebben voor zijn metier, en al helemaal niet voor Hollywood. Maar nog het minst voor zichzelf, las ik tussen de regels door. Alsof hij zijn good looks als een slechtzittend masker ervoer. Gedesillusioneerd door de filmwereld liet hij zich als pro bokser in elkaar slaan. Tot ie niet meer gecast werd.

Dertien jaar zou hij op de bank zitten. Pas in 2008, de zelfmoord nabij, kreeg ie de rol van zijn leven aangeboden: een uitgerangeerde worstelaar in The Wrestler. Geen personage waar ik me aan kon spiegelen, maar wat een drama! Voor deze rol had Rourke geen method nodig, en al helemaal geen geleun of gestaar. Hij speelde zijn kwetsbare zelf. Het masker was transparant geworden. Rourke maakte er een hartverscheurende comeback mee.

Sindsdien gaat het weer bergafwaarts. Op Instagram volg ik hem als een bezorgd broertje. Hij job hopt van de ene pulpfilm naar de andere. Als ie nu stoer doet komt ie wannabe over. Een schaduw van zijn Motorcycle Boy! Thuis laat hij zich omringen door Chihuahua’s aangekleed als kleuters, op straat kletst hij met paparazzi die hem de illusie geven dat ie nog een ster is. Zijn kale schedel wordt gemaskeerd door een pruik, zijn gezicht is zo vaak verbouwd dat het tot leatherface is verworden. Vrouw en carrière zijn verdwenen. Het nulpunt is bereikt. Maar hij straalt zielenrust uit. Rourke heeft geen masker meer nodig.

Ik heb evenmin nog de behoefte om in zijn colbertje te kruipen. Sterker, ik hoop stilletjes dat ik niet meer op hem lijk. Toch kan ik wel een beetje van zijn zielenrust gebruiken. En op onbewaakte ogenblikken mag ik nog graag tegen een toog leunen. Uiteraard met een glimlach waarin een teder machismo doorschemert.

De ballon

‘Het is mijn kíndje!’ jammerde ze, ‘het is mijn kíndje!’ Mijn oma zat voorovergebogen in onze skailederen fauteuil, de handen voor de ogen gevouwen. Het was voor het eerst dat ik haar zag huilen. Ze had er alle reden toe, want mijn moeder was opgenomen in een inrichting nadat ze een zelfmoordpoging had ondernomen. Oma’s kindje wilde niet meer leven.

Het was niet de eerste keer dat bij ons thuis een volwassene ‘brak’. Mijn moeder huilde van woede als ze ruzie had met mijn vader, mijn vader huilde van ontroering toen hij een brief voorlas van een studievriend die zijn steun betuigde. Ouderlijke tranen hebben impact op kinderen. Ze staan niet alleen voor verdriet, ook voor onmacht. Ze forceren het kind eigen gevoelens te onderdrukken. Met iedere snik dringt de volwassenheid zich verder op.

Meer nog dan mijn oma’s tranen maakten haar woorden indruk op mij. Ze repte over ‘kindje’. Voor het eerst besefte ik dat mijn moeder iemands dochter was. Dat ze gebaard was, een baby-peuter-kleuter-puber geweest moest zijn, mogelijk zelfs schattig was bevonden. Ik kende haar als een bitch die schold en sloeg, nu bleek ze ook een weerloos wezen. Dat beeld was nog angstaanjagender dan dat van de bitch.

Overigens moest ook mijn oma het ontgelden als mijn moeder een rotbui had. Niet met klappen of gevloek, maar door kattig tegen haar te doen. Respectloos vond ik dat. Maar vooral onbegrijpelijk, want oma was de liefste grootmoeder ter wereld. Zachtaardig, goedlachs, begripvol. Bovendien had ze de hele bieb gelezen en was ze fan van Koot & Bie! Niemand kon zo goed verhalen vertellen als zij. Oma was heilig.

Natuurlijk was zij dat niet. Toen ik mijn moeders dagboeken doorwerkte voor biografie Coef, leerde ik een andere oma kennen. Een die niet bestand was tegen het tropische leven in de Oost. Die de hele dag op bed lag te jammeren en de opvoeding aan baboe overliet. Die, toen haar man gesneuveld was, in het Jappenkamp veel te veel op haar 12-jarige dochter steunde, waardoor Coefje veel te snel een Coef moest worden. Die, eenmaal gerepatrieerd, het aanlegde met de lover van haar inmiddels 18-jarige dochter. Een oma die nooit echt moeder was geweest voor mijn moeder. Althans, als we mijn moeder mogen geloven.

En dat mogen we. Want hoe verknipt ook, mijn moeder had een neus voor character flaws. Ze wist feilloos door de zwakke plekken van oma’s salonfähige persoonlijkheid te prikken. Maar wat dan nog. Het is niet zo dat oma haar kinderen mishandelde. Of uitkafferde. Daarbij, als je maar vaak en vinnig genoeg om je heen prikt, blijkt ieder mens een ballonnetje met gebakken lucht. De truc is om de ballon met zwier in de lucht te houden. En oma zat vol zwier.

Dus ook na de ontnuchterende dagboeken blijft ze een beetje heilig voor me. Ik eer haar met deze 92 jaar oude foto, genomen in het ouderlijk huis te Dordt. Ze poseert naast het portret van haar echtgenoot die een jaar eerder naar Indië is afgereisd en met wie ze zojuist met de handschoen is getrouwd. Ze glundert verwachtingsvol, onwetend van de rampspoed die haar wacht. Als moeder was ze misschien niet solide, maar ik had me geen fijnere oma kunnen wensen. Dus als het laatste restje inspiratie van mijn ballonnetje is vervlogen, dan hoop ik dat zij het is die mij opwacht aan Gene Zijde – mocht mijn moeder het weer eens laten afweten.

Het krot van de vastgoedkoning

Soms kijk ik naar YouTube om andermans leven te leiden. Dan volg ik mensen die dingen doen die ik zelf had willen doen in een ander bestaan. Het balkon omtoveren tot mini-zoo, een motor restaureren in de schuur, een horrorfilm regisseren zonder budget. Nog liever volg ik mensen die iets doen dat niet bij mij past. Zoals heel veel geld verdienen. Ben is er zo een.

Ben koopt verloederde hotels op voor een prikkie en knapt ze vervolgens op om uit te baten. Dat levert hem miljoenen op. Hij mag zich de ongekroonde vastgoedkoning van Florida noemen, al wordt hij vermoedelijk versleten voor male chauvinist capitalist pig. He certainly looks the part! Ben heeft een enorme pens onder een nog grotere mond, snackt non-stop zoutjes en kettingrookt mentholtjes. Geen wonder dat ie al vóór zijn 60ste 3 hartaanvallen achter de rug heeft. Een survivor met een hang naar zelfvernietiging.

In Life for Sale volgen we hem als hij samen met zijn zoons opgekochte hotels en nieuwe projecten inspecteert. Terwijl hij een kingsize zak popcorn leeg vreet vertelt hij over de fijne kneepjes van het vak. Ik hang aan zijn lippen en waan me een vastgoedprins. Dat komt door Bens zwarte humor, typisch Joodse ‘wit’ uitgerust met een overgevoelige bullshit-detector. Hij wisecrackt als Brugman. In een ander bestaan was ie stand-up comedian geweest.

Ook Bens zoons zijn zwaarlijvig. Hij zit hen achter de vodden omdat ze het vak nog onvoldoende beheersen. Toch hoor ik in zijn sarcasme vooral genegenheid doorklinken. Zijn vrouw is een Mexicaanse-met-billion-dollar-grijns die verslaafd is aan shoppen. Ze is overigens met Ben getrouwd vóórdat ie binnenliep. Off-camera zullen ze het Ming servies naar elkaars hoofd gooien, je ziet dat ze bij elkaar passen.

Ben lijkt niet erg te genieten van zijn weelde. Zijn gezin raakt zoek in het wanstaltige woonkasteel, zijn Rolls is onverkoopbaar geworden door de nicotinewalm, en de $250 miljoen die uit zijn spaarvarken puilt brandt in zijn zakken omdat hij koortsachtig op zoek is naar de volgende deal. Geen zielenrust voor Ben. Maar ik heb een zwak voor deze mistroostige bulldozer omdat hij met iedereen, van toiletjuf tot big shot, op even directe als hilarische wijze contact maakt. Ben behandelt zijn medemens als zijn homie. Omdat ie zelf van de straat komt.

Wie de moeite neemt deze capitalist pig beter te leren kennen kan het best de aflevering over zijn roots bekijken. Daarin zien we hem met bedrukte blik voor het ouderlijk huis staan, een krot in Brooklyn. We maken kennis met zijn moeder, een monster dat little Ben regelmatig het ziekenhuis in heeft geslagen. We horen hem zuchten als ze op hem kankert. We begrijpen waarom hij al op zijn 12e is gaan werken, vastberaden de uitzichtloosheid te ontvluchten. The American Dream als brandende touwladder.

Of Ben ooit invalide omaatjes uit hun huis heeft laten zetten, weet ik niet. Wil ik ook niet weten. Hij raakt me omdat ik iets herken. Ik schrijf stukjes om iets moois te maken van een nare jeugd, hij doet hetzelfde door verwaarloosde hotels op te knappen. Twee zielen die op totaal verschillende manieren proberen te ontsnappen aan herinneringen, dondersgoed beseffend dat je ’t kind misschien uit de moeder kunt halen, maar de moeder niet uit ’t kind.

Bekijk Bens roots op YouTube

 

De verrekijker

Rein Jr.: ‘Hallo. U spreekt met Reintje Hannik.’
Rein Sr.: ‘Dag Reintje. Je spreekt met Rein Senior.’
Jr.: ‘…’
Sr.: ‘Ben je daar nog, Reintje?’
Jr.: ‘Ja. Bent U misschien mijn opa?’
Sr.: ‘Nee, Reintje. Opa Rein is dood. Die is gesneuveld in de oorlog. Daarom woont hij in het verleden. Ik woon in de toekomst. Ik ben een soort oudere broer van je.’
Jr.: ‘Maar ik heb helemaal geen broer.’
Sr.: ‘Dat weet ik, Reintje. We doen maar alsof. Het is een beetje ingewikkeld uit te leggen. Ik vond zo’n antieke, bakelieten telefoon op de rommelmarkt en dacht: laat ik ons oude nummer op de singel eens bellen. Zien of er iemand opneemt. Krijg ik jou aan de lijn!’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Hoe gaat het met je?
Jr.: ‘Ik ben jarig geweest.’
Sr.: ‘Gefeliciteerd! Hoe oud ben je geworden?’
Jr.: ‘Zes.’
Sr.: ‘Heb je mooie cadeaus gekregen?’
Jr.: ‘Ja. Een verrekijker.’
Sr.: ‘Wow! Wat spannend! Dan kun je zien hoe het leven elders verloopt hè.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Maar je klinkt niet zo vrolijk. Is alles wel goed?’
Jr.: ‘…’
Sr.: ‘Reintje?’
Jr.: ‘Mijn moeder is weer boos op me.’
Sr.: ‘Wat naar om te horen.’
Jr.: ‘Ze schreeuwde tegen me dat ik aandacht zit te trekken. Dat ik een rotjong ben.’
Sr.: ‘Ach…’
Jr.: ‘Ze heeft me geslagen.’
Sr.: ‘…’
Jr.: ‘Daarna moest ik naar boven. Maar ik ben bang op zolder, want daar zitten spoken.’
Sr.: ‘Ik weet het. Wat rot voor je. Je moet maar denken: mamma is een beetje ziek in haar hoofd. Probeer je maar niet te veel van haar aan te trekken. Eigenlijk houdt ze van je.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Weet je wat je moet doen als je weer bang bent?’
Jr.: ‘Nee.’
Sr.: ‘Dan doe je je ogen dicht en stop je je vingers in je oren. En probeer je je voor te stellen dat je ergens anders bent. Bij oma bijvoorbeeld. Die slaat je nooit hè?’
Jr.: ‘Nee.’
Sr.: ‘Is papa al thuis?’
Jr.: ‘Nee, die is op bezoek bij zieke mensen.’
Sr.: ‘Maar papa is toch vaak lief voor je? Die knuffelt je.’
Jr.: ‘Jawel. Maar hij geeft me straks een pak slaag als hij hoort dat ik een rotjong ben geweest.’
Sr.: ‘Ik weet het. Maar hij geeft je ook een zoen voor het slapen gaan.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Zodat jij lekker kunt dromen dat je ergens anders bent. Daar ben jij goed in. Alsof je door je verrekijker tuurt.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Laat je niet kisten hoor! Er komt een dag dat je van al die klappen en spoken iets moois zult maken.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Goed zo.’
Jr.: ‘Maar ik moet nu ophangen. Mamma zegt dat ik niet met de telefoon mag spelen. Dat ik mijn bek moet houden.’
Sr.: ‘Ja Reintje. Ik vond het fijn met je gepraat te hebben. Zullen we dat va…’
Jr.: *klik van hoorn op haak*
Sr.: ‘Reintje?’
Jr.: *telefoontoon*
Sr.: ‘Reintje?...’

The Birdman of Alcatraz

Als ik mijn dagelijkse wandeling door de wijk maak, mag ik mij graag voorstaan op mijn beschaafde verschijning. Verzorgd, hulpvaardig, vriendelijk. Zou me niet verbazen als ik tot Burger van de Maand word uitgeroepen. Toch denk ik dat de buren over mij roddelen. Niet vanwege mijn uitstraling, maar omdat mijn appartement niet oogt zoals het hoort. Niet gezellig genoeg. Zeg maar gerust grimmig. Het ontsiert de rest van de flat.

Zo ontbreken de begonia’s op het balkon. Er hangt evenmin een waslijn met olijk gekleurde onderbroeken. De gordijnen zijn afdankertjes die ik gesloten houd om me te concentreren op schrijfsels. Er brandt licht op onchristelijke uren omdat ik voor dag en dauw opsta. Om de haverklap smijt ik het keukenraam open om poepduiven met een supersoaker te verjagen. En kwade tongen beweren dat er naargeestig gekrijs door de muren klinkt. Zou me niet verbazen als mijn hok Alcatraz wordt genoemd.

Een kwestie van tijd voordat de buurtregisseur, ingeseind door ‘bezorgde’ bewoners, bij mij aanklopt om te polsen hoe verward mijn beschaafde verschijning eigenlijk is. Waarom ik geen vrolijke slips aan de waslijn heb hangen. Wanneer ik de gordijnen eens opentrek. Of ik wel voldoende verbinding zoek met de overige flatbewoners. Ik zal hem zeggen dat ik niet aan huis ontvang.

Mijn smoes is dat ik midden in een opknapbeurt zit. Wat waar is. Wat ik verzwijg is dat die beurt al járen duurt. Toen ik hier kwam wonen ben ik halverwege het schilderwerk opgehouden. Geen fut meer na elf verhuizingen. Terwijl die beurt toch echt nodig was, want de vorige bewoners waren ook te vaak verhuisd. En je weet hoe zoiets gaat: als je het niet gelijk afmaakt, komt het er niet van. Drukdruk. De verfblikken hunkeren nu dagelijks naar een kwast. Ik wil het niet weten. Doortypen! klinkt het in mijn achterhoofd. Ik ben gevangene van mijn creativiteit geworden.

Maar de ware reden waarom ik geen indringers over de vloer wil is meer sinister van aard. De flat is met nestkastjes en klautertakken ingericht als volière voor de Vijfde Colonne. Ik kweek er halsbandparkieten. Deze exoten, die menig fluisterstil wandelpark hebben omgekrijst tot kromsnavelhel, zijn helemaal niet exotisch. Ze komen uit mijn flatje. De terrorist is home-bred! Waarmee mijn verbindingsoffensief een feit is. Want er huist een Professor Lupardi in deze Burger van de Maand.

Aanvankelijk bedoeld als geheim wapen tegen de poepduiven, hebben de parkieten de binnenplaats van mijn flat geannexeerd. Ik trommel ze op met een hondenfluitje en laat ze als een squadron Green Barons duikvluchten maken naar glurende buren, waarop de roddels verstommen. Rest de vraag of ik na deze verbinding die Manschaft ook kan africhten om de kwast ter klauw te nemen en mijn appartement met junglekeuren op te luisteren. Zodat Alcatraz eindelijk het warme nest kan worden dat ik er ooit van heb willen maken.

Op de foto enkele van mijn dapperste piloten die zojuist een wolkbreuk getrotseerd hebben om de buurtregisseur te belagen.

Working class hero

Het kwam allemaal door Charles Bukowski. Die kon aanvankelijk ook niet van zijn schrijfsels leven. Daarom nam hij ’s avonds een baantje als postsorteerder. Ongeschoold werk dat hem behalve aambeien inspiratie zou opleveren voor zijn doorbraak, de roman Post Office.

Werd Bukowski roemrucht vanwege zijn liederlijke drankgebruik, ik bewonderde hem vanwege zijn sobere taalgebruik. Zelf was ik in de jaren ’90 een gesjeesde student die columns schreef voor een universiteitsblad. Dagenlang zat ik ze uit te benen. Het gezwoeg bracht me een cultstatus onder studenten, maar weinig geld. Er moest brood op de plank komen. En bij de PTT zouden veel mislukte intellectuelen werken. Het barstte er van de Bukowski’s!

De afdeling waarin ik terechtkwam verwerkte aangetekende post, expressen en waarden. Het was de PTT-in-het-klein, met vooral sjouwwerk. De Kooi werd ’t in de volksmond genoemd. Een onmiskenbaar alarmsignaal, maar ik kon geen nee zeggen tegen de uren: van 6 uur ’s avonds tot 2 uur ’s nachts. Parttime. Ideaal voor een wannabe writer. Bovendien werd ik niet op de vingers gekeken. Ik waande me een working class hero. Move over, Buk!

Dat het werk stompzinnig was, vond ik prima. Zo kreeg ik alle geestelijke ruimte om op mijn columns te kauwen. Wat de baan zwaar maakte was de muzak. De hele avond stonden er Arbeidsvitaminen op de achtergrond te galmen. Verder bleken mijn collega’s geen hoogopgeleide f*ck-ups, maar ongeschoolde postveteranen die flauwe grapjes maakten. Prima voor een vakantiejob, maar als je de 30 gepasseerd bent, je studies verklooid hebt en te traag typt voor een toekomst als broodschrijver, gaat zo’n Kooi al snel als een gevangenis voelen.

Vijf jaar heb ik me er staande weten te houden. Iedere dienst werd mijn eigendunk wat lager. Meest confronterend was het werkbezoek van een groep studenten. Deze managers-van-morgen, die never nooit zouden sjezen, staarden me aan met onverholen afgrijzen. Ik keek terug aan met mijn grimmigste heldenblik. Maar voelde me een loser.

Na die vijf jaar werd de Kooi onttakeld. De reorganisatie bleek een eufemisme voor degradatie, want nu moesten we elders gewone post verwerken. Ik werd op een kruk voor een sorteerkast gezet en geacht een noodtempo aan te houden, terwijl ik op de vingers gekeken werd door een Stasi. Net als Bukowski. Een kwestie van uren voordat de aambeien zouden toeslaan! De laatste avond heb ik de seconden afgeteld. Mij ziek gemeld. Ontslag gekregen.

Niet getreurd! Gemotiveerd door de ongeschoolde hel zou ik baantjes veroveren als copywriter en webredacteur. Ik werd broodschrijver. Maar de kantoortuinen bleken fnuikender dan de Kooi. Mijn hoogopgeleide collega’s maakten cynische grapjes, en ik werd geacht enthousiasme te faken terwijl me nul geestelijke ruimte restte om op schrijfsels te kauwen. Zelfs de muzak miste ik. Mij wederom ziek gemeld, nu opgebrand als loonsloof.

Niet getreurd! Ik kreeg zo eindelijk de kans om fulltime te werken aan blogs en boeken, zoals een roman over de lost years als arbeider. Nee, mijn doorbraak is Keukendrinkers niet geworden. Nog niet. Daarom koester ik wederom mijn status als cultschrijver, nu onder Facebooklezers. En Bukowski’s aambeien, die zijn me bespaard gebleven.

Het zelfbeeld

Eens, maar nooit weer. Een marteling is het. 5 maanden zonder nootjes, kaas of wijn, zonder een kruimel troost of een druppel escapisme. Iedere dag wandelen en sporten en wandelen en sporten. En honger lijden natuurlijk. Tot je je medeburger wel in de kuiten kunt bijten.

1 maart jl. heb ik mijzelf op een eiwitrijk dieet met belachelijk veel groente gezet. Omdat ik beter uit de covidcrisis wilde komen dan dat ik erin ging. Mijn ouderdomsvet moest eraan geloven. 10 kilo was de inschatting. Zou me 10 jaar levensjaren schelen! Succes is een keuze!

Viel dat even tegen. Toen ik aan mijn ‘journey’ begon, wist ik namelijk niet dat afvallen moeizaam verloopt als je de 60 gepasseerd bent. Je hormoonhuishouding en stofwisseling zijn veranderd. Daarbij hield ik er al een gezond eetpatroon op na, op wat kaas kluiven en nootjes vreten na. Ook deed ik veel aan sport. De kilo’s vlogen er dus niet af, zoals het geval is bij mensen met obesitas die gaan lijnen. En natuurlijk was de verleiding groot. Iedere avond trof ik mijzelf naast het lampje van de koelkast, ingefluisterd door het hongerduiveltje, loerend naar dat aangebroken kuipje Hüttenkäse. Je leert jezelf wel kennen zo.

En dat terwijl ik nooit dun heb willen zijn. Integendeel, ik heb mijzelf altijd het postuur van een outlaw biker gewenst. Zo’n beul met brede schouders, vuistdikke polsen én een bierbuik. Een gezelligheidsdier! Maar ik ben helemaal niet gezellig. Ik ben een driftige tafeltennisser die het niet kan hebben dat ie ouder wordt en niet meer alles kan vreten. Die zichzelf tot maanden hongerhel heeft veroordeeld, zogenaamd omdat ie gezond wil doen, maar eigenlijk omdat ie een ijdeltuit is.

De ironie wil dat ik met dat vet natuurlijk ook wat zuurverdiende spiermassa ben kwijtgeraakt. Daar valt niet tegenop te trainen en te proteïneshaken. Nu lijkt het alsof ik niet 10, maar 40 jaar jonger ben geworden. Ik voel me bijna weer die gefrustreerde want o zo magere jongeman van weleer, maar dan met de kop van een jongere oudere. Ik ben een Mick Jagger geworden, maar dan zonder roem, zonder stem, zonder haar – zonder Keith zelfs! Niks geen ‘journey’, dit is de Wet van Behoud van Ellende.

Toch geeft de mind-over-matter een kick. De kans dat ik de rest van mijn leven op de weegschaal blijf staan is dus groot, ook omdat de laatste vetcellen stand houden als een Gallisch dorpje. Pas als ik mijn streefgewicht heb bereikt mag ik binnen een marge van 1 kilo aanklooien. Dat betekent niet terug naar het oude normaal, wel dat ik me op zaterdagmiddag mag volproppen met geitenkaas en cashewnoten en Aldiwijn, om daarna weer zes dagen streng in de leer te gaan. Zodat ik straks kan sterven als een kerngezonde Narcissus.

Maar niet voordat ik mijn gemartelde verschijning op een sokkel heb laten vereeuwigen. Compleet met waarschuwing voor grijzende genieters die denken wel even wat covidkilo’s af te schudden. Word geen kuitenbijter zoals Rein!

De foto is in 1983 door mijn toenmalige vriendin genomen te Parijs

Les yeux de ma mère

Mijn moeder had een oog voor fotografie. Om met een bard uit Oostende te spreken: Dans les yeux de ma mère, il y a toujours une lumière. Ik mag graag denken dat ik dat oog geërfd heb. Als ik foto’s maak voor mijn blogs, ga ik steevast op zoek naar een strakke compositie, precies zoals zij dat deed. Heel braaf eigenlijk. Soms snak ik naar een scheve horizon of een duim-voor-de-lens, naar een creatieve storm die mijn geest opfrist. Ode aan de imperfectie! Maar mijn rigide werkwijze dient ook als geigerteller voor mijn brein.

Toen mijn moeder in de jaren ’70 werd opgenomen met ernstige angstklachten, zou ze in de inrichting doorgaan met het maken van foto’s. Die werden anders dan de dia’s die ze van het gezin schoot. Tijdens mijn research voor haar biografie ben ik op honderden bizarre afdrukjes gestuit, meest van objecten en personen in haar omgeving, met steeds minder aandacht voor focus en compositie. Aan het eind van haar leven werden de foto’s ronduit nonsensicaal. Meest toegankelijk zijn deze van haar tv’tje, waarop nieuwszender BBC World zoals gewoonlijk met oorlogsbeelden stond te loeien. Wat ging er in haar om?

Meedenken met mijn moeders brein doe ik sinds mijn prille jeugd. Aanvankelijk kritiekloos. Als kind vraag je je niet af of er inderdaad mannen over het dak lopen die je willen ontvoeren, ook niet of je vaders patiënten kwaad spreken over je moeder. Dat was gewoon zo. Het heeft jaren geduurd voordat ik besefte dat deze angsten door haar defecte brein werden aangejaagd. En dat was weer decennia voordat ze eindelijk met paranoïde schizofrenie werd gediagnosticeerd. Dit duurde zo lang doordat de psychiaters liever wegkeken dan dat ze een artsenvrouw voor gek verklaarden.

In BBC World zocht ze vermoedelijk bevestiging van haar wereldbeeld dat de aarde een verzameling van brandhaarden is. Oorlogsverslaggeving gaf haar rust, omdat het ’t tegenovergestelde is van wegkijken. Dans les yeux de ma mère, il y a toujours une guerre. Maar wat zou ze van haar tv-foto’s gevonden hebben? Zou ze die überhaupt bekeken hebben? En zou ze op heldere momenten gedacht hebben: ‘Waarom leg ik dit in godsnaam vast!?’

Misschien was ze niet meer in staat tot die introspectie. En is het vooral mijn hang up om alles tegen het licht te houden wat me voorgespiegeld wordt, als een fotograaf die een negatief inspecteert. Logisch met een jeugd als de mijne. Die onderzoekende aard is nu de motor achter mijn blogs. Hij houdt me scherp. Voor zolang het duurt.

Want met mijn moeders oog heb ik tevens haar oogziekte geërfd. Daardoor ben ik halfblind. Gelukkig kan ik met het goede oog nog fotograferen. Ook haar geestesziekte is erfelijk, maar daar maak ik me iedere dag iets minder zorgen over, aangezien schizofrenie doorgaans op jongere leeftijd toeslaat. Ik hoop zonder waanbeelden mijn kist in te glijden.

Uiteraard is er altijd wel een nieuw piekerpunt te verzinnen. Zo takelde mijn moeder relatief jong af. De schaduwkant van imperfectie! Ik schrijf dat toe aan haar ziekte en de medicatie, maar mocht het ook bij mij toeslaan, dan wil ik dat liever niet weten. Dus als er straks scheve horizonten en rebelse duimen bij mijn blogs verschijnen, kijk dan even weg, dan doe ik alsof er een creatieve storm door mijn brein waait.

Pronken met jezelf ©Lonneke Stulen

Toen social media voor het eerst hun opwachting maakten op internet, was ik sceptisch. Hoe kun je nu via het toetsenbord tot elkander komen! Het leek me iets voor contactgestoorde huismussen. Is het natuurlijk ook. ’t Duurde alleen even voordat ik besefte dat ik zelf ook zo’n mus was geworden.

Pas toen de VPRO haar eigen social medium optuigde, besloot ik het een kans te geven. Dit HappyVPRO had namelijk een ironische ondertoon. En verdomd, het bleek een ideale arena voor mijn wise cracks. Ik werd er graag gelezen. Toch waren er ook lui die zich ergerden aan mijn humor – of was het aan de aandacht die ik ermee kreeg? Met mijn ad rem schrijfstijl had ik weinig te vrezen van deze kniesoren, en ik was van huis uit gewend aan afbrekende kritiek, maar ik baalde van hun weerzin. Ik wilde een schrijver-voor-iedereen zijn.

Een van hen was B., een wat oudere man met Catweazle-sik. B. ging gebukt onder sociale angsten, zo zou ik later begrijpen. Hij deed me denken aan mijn moeder, en niet alleen vanwege haar straatfobie. Veroordeeld tot een virtueel leven, deelde B. graag tikken uit met zijn toetsenbord. Als mensen een taalfout hadden gemaakt, rechtse praatjes uitsloegen, het voor ‘BAH’merika opnamen of onecht deden, werden ze subiet door B. geschandpaald.

Toen HappyVPRO ermee stopte en iedereen naar Facebook verhuisde, verkaste B. mee. Ironisch genoeg moest hij eerst ‘vriend’ van me worden om zich aan mij te kunnen ergeren. Het waren vooral mijn zelfspot en selfies die het moesten ontgelden. Koketterie! meende hij, ijdeltuiterij! Daar kon ik me wel iets bij voorstellen. Toch liet hij zich ook ontvallen dat ie me een ‘geweldig schrijver’ vond en de publicatie van mijn boeken nauwlettend te volgen, met de nadrukkelijke kanttekening dat hij ze NOOIT zou lezen. Zó groot was die weerzin. Of was het verwantschap? B. leek een oudere broer die de ergste klappen van mijn moeder had opgevangen – en daarvan nooit helemaal hersteld was.

Probleem was dat B. zelf niets maakte. Nou ja, hij had ooit een boek geschreven over exhibitionisme, ‘Pronken met jezelf’ getiteld. Dat had de nodige media-aandacht gekregen. Mede daarom volgde hij mijn babysteps als scribent. Verder reageerde hij vooral op posts van anderen. Dat deed ie afwisselend vals en sentimenteel, maar ook grappig en wijs, eerlijk en sociaal onwenselijk (wat immer mijn respect krijgt). Geleidelijk aan werd het stil rond B. Kennelijk had hij me ontvolgd, was ik nog steeds geen schrijver-voor-iedereen. Soms miste ik zijn gevit, zoals ook het gescheld van mijn moeder. Een signaal dat je bestaat.

En toen, opeens, was ie écht weg. Afgereisd naar Gene Zijde. Zijn eigen keuze naar het schijnt. Niet omdat hij ziek was, maar levensmoe. Kon ik me wat bij voorstellen, als je het van online contact moet hebben. Ik was onder de indruk van zijn beslissing, vond het bijna jammer hem nooit ontmoet te hebben. Niet omdat ik de rigoureuze stap uit zijn hoofd had willen praten. Integendeel. Ik had er graag meer over willen weten, in de zin van advies inwinnen bij een oudere broer. Voor als ik straks het pronken met mijzelf moe word. Want dat moment wacht zelfs een schrijver-voor-bijna-iedereen.

Op de foto: B. haalde de krant toen er voor zijn deur een catwalk werd ontrold.

De schitterende foto is gemaakt door Lonneke Stulen: https://lonnekestulen-photography.com.

De zegeningen

Ik ben er weer. In de zonovergoten tuin van mijn ouderlijk huis. Het is er nog mooier dan in mijn herinnering. Met hoog gras, volle bloemen, overweldigende kleuren en de heerlijkste geuren. Ik ervaar het als een kleuter, de zintuigen open en ontvankelijk. Ons Hofje van Eden – daar kan geen zwart-witfoto recht aan doen.

Ik vermoed dat deze terugkerende droom door mijn ziel wordt aangezwengeld als tegengif voor mijn doemdenken. Want iedere keer als ik mijn never ending to-do-lijst bijwerk, betrap ik me erop hoe somber ik in het leven kan staan. Hoezeer ik dan opzie tegen de leukste afspraken met de fijnste mensen. Soms lijkt alles & iedereen een last.

Dus toen de droom weer eens langs was gekomen, heb ik de volgende ochtend mijn to-do-lijstje erbij gepakt en – voor het eerst – opgeschreven wat er goed gaat in mijn leven. Dat was een hele opsomming. Het schaamrood stond me bijkans op de kaken! Vervolgens besloot ik eenzelfde lijst te maken van mijn jeugd, met name van fijne herinneringen aan mijn ouders. Want thuis was het heus niet altijd oorlog. Dus. Wie kijkt er mee door mijn roze bril naar de early sixties?

Mijn vroegste herinnering aan mijn vader is dat hij ons iedere morgen thee-met-melk-op-bed kwam brengen. Dat hij overal en altijd de deur voor ons opendeed en ons voor liet gaan, als een ware gentleman. Hoe hij reflexmatig zijn arm voor mijn torso stak als ik voorin de Rekord zat en hij een noodstop moest maken. Hoe we samen ’s morgens vroeg het raam van de autoslaaptrein opendraaiden om te luisteren hoe de remmen gecheckt werden op het verder doodstille Italiaanse stationnetje. Hoe hij me ’s avonds troostte met een knuffel, ook als ik drammerig had liggen door te dreinen.

Ik herinner me hoe mijn moeder plakboeken maakte met plaatjes van Batman, The Flintstones en Thunderbirds uit de Televizier. Hoe ze onze capriolen in Italië vastlegde met dia’s zodat we ’s winters onze vakanties konden herbeleven. Hoe ze de meest fantastische Sinterklaas-surprises in elkaar knutselde en de kerstboom zo weelderig optuigde dat ie hemels oogde. Hoe ze met engelengeduld mijn modelbouwduikboten afbouwde als ik het na vijf minuten prutsen had opgegeven. Hoe ze trots naar me keek als ik een Tyrannosaurus had geboetseerd, naar ons zwaaide als we in de tuin met Takkie speelden. Hoe ze ons ’s avonds met stemmetjes voorlas uit Jip & Janneke en Pim Pandoer.

Noem het ’t Stockholmsyndroom, voor mij is het troostend om ook over deze herinneringen te schrijven. Ze geven mijn blogs een hart en maken van mijn leven meer dan een reeks trauma’s, grillen en een eindeloze to-do-lijst. Sterker, op papier lijkt het een bestaan waar een ziel naar uitkijkt. Bovendien hoef ik door de blogs niet te vrezen dat de herinneringen op mijn sterfbed vervaagd zijn of afgeraffeld worden, of door de nachtzuster weggewuifd worden met een ‘life is but a dream’. Gun mij m’n Hofje, dan krijg ik weer zin om mensen te zien. Allez, bijna hè.

De foto is een zegening van mijn moeders hand, geschoten in juli 1962.

leesbarenaamfoto

Je kunt gerust stellen dat hij mij door mijn jeugd heeft gesleept: Michael Palin. Iedere keer als zijn glunderkop op tv verscheen in Monty Python’s Flying Circus, zat ik aan de buis gekluisterd. Palin had een wijsneuzerige uitstraling die de sketches een brutale dimensie gaf.

Pythons absurdisme maakte op mij zo’n indruk omdat de humor niet ‘lekker gek’ was maar geschoeid op logica. De grappen waren uitgekiende mindf*cks, mathematisch van structuur met 180 graden omdraaiingen, uitgebalanceerd en ontwrichtend tegelijk. Het Vliegende Circus jongleerde met onze hersencellen – en gaf mij zo het gevoel dat ik niet gek was.

Hun mindset zou blauwdruk worden voor mijn manier van denken en schrijven. Nog steeds ervaar ik het dagelijks leven vaak als een Python-sketch. Wel merk ik dat de humor in mijn blogs steeds meer ruimte maakt voor melancholie. Alsof het besef van vergankelijkheid met iedere aanslag dieper doordringt.

De zestien jaar oudere Palin zal eenzelfde ontwikkeling doorgemaakt hebben, want zijn werk is met de jaren serieuzer geworden. Eigenlijk al sinds die documentaireserie over zijn wereldreizen, waarin verwondering centraal staat. Die van mij werd geprikkeld toen Palin de achtergrond van de Amerikaanse schilder Andrew Wyeth (1917- 2009) verkende. Hiervoor reisde hij af naar Wyeth’s bakermat, de ruige kust van Maine.

Aanleiding was meesterwerk Christina’s World (1948). Dat toont een vrouw van achteren, turend naar een eenzaam huis op een heuvel. Ze ligt in het gras, haar onderlijf zodanig gevlijd dat het verlamd lijkt. Wat het ook was. De vrouw weigerde gebruik te maken van een rolstoel of zelfs krukken, was dus veroordeeld tot een kruipend bestaan in dat kot, dat ook nog eens gespeend was van stromend water en elektra. Huiselijke horror of idyllische hardcore?

Het schilderij oogt even grimmig als mystiek, even hels als hemels. Voer voor kunstcritici! Maar terwijl Palin met een kenner over het werk praat, betrap ik me erop dat ik wegdroom. Misschien omdat het schilderij op zich al zoveel suggereert en de feiten de magie hinderen. Of is het omdat ik op een Pythoneske wending wacht?

In plaats daarvan voert Palin mij mee naar Wind from the Sea (1947): wapperende vitrages in een zomerbries. Twee maanden moest Wyeth wachten op de juiste windrichting. Indrukwekkend in zijn pretentieloosheid, remt het schilderij mijn malende brein af, doet het mijn ambities verdampen. Ik verlies me in de wind alsof ik een geest ben geworden die het lichaam verlaten heeft. Niet langer kijk ik met de blik van Python, maar met die van Wyeth.

Net als mijn overpeinzingen over de dood al te serieus worden, maakt de wind een U-turn en dient er zich – in mijn achterhoofd – een sketch van Python aan. Uit The Meaning of Life, waarin tafelgasten abusievelijk bedorven zalm hebben genuttigd. Ze krijgen bezoek van Magere Hein die hen allen dood verklaart en zich vervolgens kapot ergert zich aan hun gezwets over het hiernamaals. Als hij het kwekkende gezelschap richting Gene Zijde escorteert, merkt Palin glunderend op dat hij niet eens van de vis gegeten heeft.

Klik hier voor Palins documentaire over Wyeth op YouTube.

De rots

Hij was overleden voordat we afscheid konden nemen. 14 jaar geleden inmiddels. Ik had nog eenmaal willen horen dat ik zijn ventje was, eenmaal willen zeggen dat hij mijn rots in de branding was. Hoe veilig ik me als kind voelde, zittend op zijn schouders in de Méditerranée. Een laatste contactmoment was nodig, juist omdat we zo weinig gemeen hadden.

Mijn vader was een harde werker die van genieten hield. Ik ben meer een ploeteraar op zoek naar zielenrust. Hij stond vaak op mijn antwoordapparaat, verwijtend, omdat ik zo weinig mijn neus liet zien. Hij verlangde naar me. Ik wantrouwde dat verlangen.

Dat kwam mede doordat hij zich ooit had laten ontvallen dat ie zich twee zonen wenste. Eén extra, voor als de ander... Zal wel iets met de oorlog te maken hebben, maar ik voelde me daardoor inwisselbaar. Ik wilde in de illusie leven dat ik uniek voor hem was. Onvervangbaar.

Mijn moeder was dat in ieder geval niet. Hij scheidde van haar toen ze de zoveelste zelfmoordpoging had gedaan. Begrijpelijk. Waar ik moeite mee had was dat ie na die scheiding zo transformeerde. Hij hertrouwde met een collega arts, verwisselde het spookhuis op de singel voor een stolpje in een nette buurt en stopte dat vol opgepoetst antiek. Zonder mijn moeder-de-kunstenares bleek mijn vader een burgerman. Een gastvrije, dat wel.

Het stolpje werd open huis voor vrienden die door mijn moeder altijd geweerd waren. Als ik er aanklopte lagen de wijn en sigaretten gereed. Het genot werd me bijna opgedrongen, alsof hij ook van mij een Bourgondiër wilde maken. Typisch een huisarts! Maar ik voelde me ongemakkelijk in zijn second life. Alsof het bestaan van mijn gekke moeder ontkend werd. En wijn drinken, dat deed ik liever onder vrienden. Intussen genoot mijn vader lekker door. Pas toen zijn gezondheid achteruit holde, drong tot hem door hoezeer zijn rots geërodeerd was.

De crematie werd drukbezocht. Allergisch voor plichtplegingen voelde ik mij niet geroepen om de lange rij rouwenden een handje te schudden en hun condoleances te incasseren. Contact en formaliteit, ze gaan niet samen. Bovendien, ik had al een dijk van een toespraak afgestoken. Liever praatte ik spontaan bij met oude bekenden.

Ik werd zelf ook aangesproken door een onbekende. Een vent van mijn leeftijd. Getrouwd, carrière. Charmant. Vriendelijk. Een soort Rein, maar dan aangepast – en succesvol. Hij stelde zich voor als de buurman van mijn vader. Hij had een hechte band met hem opgebouwd, was er kind aan huis geweest. Gezellig samen borrelen! Mijn vader had hem toevertrouwd dat ie als een zoon voor hem was. Daar moest ik even van slikken.

Toch nam ik mijn vaders woorden met een korreltje zout. Het was vast de drank die gesproken had! En eigenlijk was ik wel opgelucht dat hij die reservezoon gevonden had. Maar waarom vertelde de buurman mij dit? Om mij net zo jaloers te maken als hij kennelijk was? Opeens besefte ik dat ik als ventje, hoe onaangepast ook, een unieke plaats had ingenomen op mijn vaders rots. Geen wonder dat ik me nooit een reservepa had gewenst.

Ik condoleerde de buurman met het verscheiden van onze vader. En nam afscheid met mijn aller charmantste glimlach. Om daarna met vrienden aan de wijn te gaan. Want zonder erosie, geen glans aan het leven.

De stille drinker

Het is zover. De maskers mogen af. De uitbaters hebben hun fusten aangesloten en hun terrasjes tentoongespreid. Ook ik zal aanschuiven, na maanden van geheelonthouding. Graag zelfs. Te graag. Want diep in mij schuilt een stille drinker, screaming to come out. De meest gedisciplineerde alcoholist ter wereld, dat wel.

Dat ik mijzelf als zodanig bestempel komt doordat ik de verslaving niet meet aan de hand van kwantiteit maar van effect. Alcohol maakt mij euforisch. Stressvrij, dynamisch, lustig. Ik kom tot bloei als ik aan de wijn ga. En belangrijker: mijn benevelde alter ego houdt van zichzelf. Dat doet de nuchtere Rein hem niet na.

Als gretig gebruiker heb ik mij decennia lang geërgerd aan gematigde drinkers. Aan genieters die nipten in plaats van zopen en het bij twee eenheden hielden. Voor mij begon het feest dan pas! Ik wilde de hele fles, of meer. Of niets. Een of tweemaal per week. Mits de sfeer de roofbouw waard was uiteraard, met discussies en flirts. Een kater moet je verdienen.

Voor iemand die zichzelf alcoholist noemt ben ik niet vaak laveloos geweest. Black-outs heb ik nooit meegemaakt. Misschien omdat ik als zoon van een schizofreen bang ben om alle controle te verliezen. Wel ben ik van mijn fiets gevallen en op mijn bek gegaan op de dansvloer. Daar kon ik de volgende dag om lachen. Waar ik moeite mee had waren de verwijten van vriendinnen dat ik weer eens het mannetje had uitgehangen, een wannabe stand-up comedian die het gezelschap domineerde met zijn scherpe tong. Zelf leefde ik op zo’n moment in de illusie dat ik onweerstaanbaar was, anderen ervoeren dat soms als onuitstaanbaar. De confrontatie maakte mijn katersmoel er in de spiegel nog beroerder op.

De tijden veranderen. Ik ben veranderd. Verouderd. Van een fles wijn word ik niet langer aangeschoten maar dronken. En ik wantrouw dronkenschap meer dan ooit. Omdat ik bij anderen gezien heb wat het met je doet. Dierbare vrienden die in nuchtere staat fijn gezelschap zijn, worden eenmaal dronken infantiel. Ze gaan wauwelen, herhalen zichzelf, donderen van de trap. Niet in staat tot zelfreflectie, zelfs niet in de katerspiegel.

Toch is dit doembeeld niet de reden waarom ik sinds een jaar of tien veel minder drink. Dat doe ik om te kunnen schrijven. Om lezers te ontroeren en te laten schateren. Dat is me meer waard dan de hemelse kegel. En als early bird kan ik kan me geen kater permitteren. Zo heeft het mannetje in mij geleidelijk plaats moeten maken voor een man die niet langer op jacht is naar een high maar naar verdiende trots. Mag ook wel, als je de zestig gepasseerd bent.

Echter. Als ik straks aanschuif op het terrasje, verwacht dan niet dat ik ga zitten nippen aan mijn glaasje wijn. Een brave genieter zal ik nooit worden. Maar het hoogste woord zal ik evenmin voeren. Terwijl iedereen gezellig zit te kletsen, zal ik heimelijk op zoek gaan naar een roes die aanvoelt als een zwoele zomerbries, een troost waarachtiger dan euforie. Zodat de nuchtere en de benevelde Rein tot elkander kunnen komen. Wie weet houd ik het bij twee eenheden. Maar dat zegt iedere stille drinker.

Op de foto een stomdronken Jack Kerouac, auteur van hedonistenbijbel On the Road, tijdens een interview in Milaan in 1966. Hij stierf drie jaar later aan de gevolgen van alcoholisme.

De date

Allemaal leuk en aardig, maar ze heeft enge ogen. Een beetje zoals Linda Blair in The Exorcist. Heel anders dan op het feestje. Zou ze door de duivel bezeten zijn? Dat had ik haar op de dansvloer moeten vragen. Met drank op ben ik hartstikke gevat. Maar om hier nou in het eetcafé om 2 uur ’s middags aan de wijn te gaan, dat staat weer zo verslaafd.

Ze heeft het over haar werk. Ze is manager. Tegenwoordig is iedereen manager. Ik had ook manager kunnen zijn, in de lulkoekverwerkende industrie. Ben vanmorgen naar de sportschool geweest. Speciaal voor haar. Maar een complimentje voor mijn atletische figuur, ho maar.

En dan die kleren. Dat spijkerjasje. Het is gebleekt. Gestonewasht zelfs. Houd ik helemaal niet van. Denim koop je zo donker mogelijk, zodat het naturel kan afslijten. Patina kun je niet kopen. Net zo min als een persoonlijkheid. Na hoeveel minuten mag je opstappen bij een date?

Eigenlijk is ze helemaal mijn type niet. Waarom ik haar dan gevraagd heb voor dit afspraakje mag Joost weten. En Joost is de duivel. Ik moest nog aandringen ook, terwijl ik alles behalve een versierder ben. Komt door die groepstherapie. Ik moet vaker uit mijn comfort zone komen, zeiden ze. Alsof ik die heb!

Ze heeft het nog steeds over haar werk. Ik zal eens over mijn lulkoekcarrière beginnen. Dá’s pas interessant. Of zal ik nog twee thee bestellen? Fokking muntthee. Mooi niet. Ik heb al voor het eerste rondje gedokt. Zeven en een halve gulden voor twee glazen slootwater. En wat zit ze raar te roeren in dat botulisme. Alsof de lepel een crucifix is!

Zucht. Wat doe ik mijzelf aan. Ik wéet dat ik er niet tegen kan, tegen de hel die dating heet. In zo’n verkampte setting kun je onmogelijk flirten. Normale mensen, die hebben een baan of zitten op een vereniging, dan leer je elkaar geleidelijk aan kennen. Zonder druk. Zonder vleeskeuring. Dan krijg je tijdig in de smiezen of je collega demonische lava opbraakt in de lunchpauze. ’t Zijn de kleine dingen die het doen.

Speaking of the devil, zou ze spannend zijn in bed? In het blacklight van dat feestje leek ze wel wat. Maar in het daglicht komen vooral haar exorcistische trekken naar voren. Als ze opgewonden raakt, zou ze dan met een basstem gaan praten? En zou ze tijdens de climax 360 graden met haar hoofd gaan draaien? En wat zou ze met die crucifix uitspoken?

Wát! Zúchtte ze nou? Hoe onbeschoft! Zuchten, dat doe je thuis maar! Op de wc, met de gordijnen dicht! Zuchten is nog erger dan gapen. Gapen is gezond. Dat kan een uiting zijn van ontspanning. Nijlpaarden, die gapen veel. Wát zegt ze? Dat ik haar type niet ben? Dat ze naar HUIS gaat? Dat ze zich VERVEELT!? Maar niemand verveelt zich zo snel als ik! Ik heb patent op verveling! Ik verveelde me al voordat zij geboren was! En mij met dat slootwater laten zitten zeker. Nou, GA dan! Kruip maar terug in je comfort zone! See you in hell baby!

De geoloog

Een zwemdiploma. Een verkeersdiploma. Een atheneum-A diploma. En vooruit, rijbewijs ABE. Dan hebben we het wel gehad met mijn successtory. Voor mijn ouders moet ik een zorgenkind zijn geweest. Hun veelbelovende zoon, die het zo goed deed op de lagere school, die daarna naar het gym ging, die dierenarts wilde worden... Geen studie zou ik afmaken, zelfs de cursus blind typen niet. Gedoemd tot de bedelstaf.

Ik zou graag stellen dat mislukken iets is van mijn generatie. Van Generatie Nix. Dat elke student sjeesde en iedereen een uitkering trok. Dat aanklooien de norm was. Ik zou kunnen beweren dat het aan thuis lag. Gekke moeder! Ruziënde ouders! De waarheid is banaler. Ik had gewoon geen interesse in ‘school stuff’. En als iets mij niet boeit, gaan mijn hersenen in staking. Het enige waar ik talent voor heb is escapisme. Een geboren dagdromer, in de wieg gelegd om het leven interessanter te maken dan het lijkt. Maar zover zijn we nog niet.

We gaan terug naar gym 4, het laatste jaar dat ik veelbelovend was. Mijn vader wilde dat ik het gym met bètavakken zou afmaken. Immers, daar kun je iets wezenlijks mee studeren, een echt vak mee leren. Dierenarts of zo. Er kwamen echter barsten in mijn veelbelovendheid. Ik had moeite met die bètavakken. Exacte gegevens, daar kun je niet mee aanklooien zoals met taal. Ik scoorde onvoldoendes. Wat nu? Degraderen naar atheneum A? Mijn ouders besloten advies in te winnen bij een gerenommeerd bureau. Ik mocht een beroepskeuzetest doen.

Het was in zo’n klassiek pand in hartje Den Haag. Van het onderzoek zelf kan ik me weinig herinneren. Wel dat ik uit verveling een draai probeerde te geven aan mijn antwoorden op de open vragen, door er bruggetjes tussen te slaan, zodat ze gezamenlijk een coherent verhaal vormden. Mooie mindf*ck, vond ik zelf. Verder staarde ik veel naar het plafond dat opgesierd was met ornamentjes. Alsof ik op school zat.

Een maand later was het onderzoek afgerond. En hoe. Volgens de geleerde heren kon ik het beste geoloog worden. Geoloog. Nou ben ik geïnteresseerd in allerhande onderzoek, maar niet in die van stenen. Het moet bewegen. Dingen doen. Elkaar de hersens inslaan. Leven! Sterker, ik heb zo’n hekel aan gesteente dat ik niet eens naar de verkenning van Mars kijk. Geen wonder dat mijn hersens bij scheikunde in staking gingen.

Toch weet ik dankzij die beroepskeuzetest wat ik eigenlijk had moeten worden: een beroepskeuzetestafnemer. Precies het nattevingerwerk waar mijn zwendelhart sneller van gaat kloppen. Ik zou dan strikvragen vol mindf*cks stellen. Maar da’s een beetje kinderachtig. Interessanter is om juist standaardvragen te gebruiken. Om die ene plafondstaarder eruit te pikken, en diens ouders op het hart te drukken dat hun koter weliswaar compleet zal falen in de maatschappij, maar dat die mislukkingen tezamen een boeiend, coherent verhaal zullen opleveren. The stuff that dreams are made of. Bestaat er al een dagdromersquotum?

PS De foto is clickbait want stamt uit 1963 en niet uit 1976 (zó jeugdig zijn mijn genen niet)

Beroepskeuzetest
Klik op de foto om het rapport leesbaar te maken