blog titels

Blog

Bij de tuin der folteringen

Het was een jaar of twintig geleden dat ik van carrière switchte. Mijn columns en filmrecensies brachten te weinig geld in het laatje, dus ik had besloten copywriter te worden. De reclame in! Daar zat immers het grote geld. Maar eigenlijk had ik als freelancer vooral behoefte aan collega’s. Een vaste baan, dat moest een warm nest zijn met schouderkloppende buddy’s, flirtende secretaressen en een vaderlijk glimlachende baas.

Dus. Open sollicitatie rondgestuurd. En jawel hoor. Binnen een week werd ik aangenomen. Bij een bureau aan een chique Amsterdamse gracht. Solliciteren, daar ben ik een kei in. Maar dan de baan zelf. Die leek in de verste verte niet op die in mijn fantasie. Het loon was karig (zelfs voor een overjarige junior copywriter), de collega’s maakten sarcastische grappen en de baas kampte met woedeaanvallen. Een kruising tussen het studentencorps en de Albert Cuyp leek het. Geen plek om onbezonnen te brainstormen.

Mijn eerste opdracht was een echte uitdaging: schrijf een pay off voor een grote, internationaal opererende drukkerij. Ik kreeg een zolderkamertje tot mijn beschikking, met uitzicht op een veel te goed onderhouden achtertuin. Binnen vijf minuten had ik de pay off op papier staan: ‘For lasting impressions.’ Geniaal! vond ik zelf. Voldaan leunde ik achterover in mijn bureaustoel. Reclame moet een beetje filosofisch van toon zijn, bedacht ik me, starend naar de strak aangeharkte begonia’s. Poëtisch zelfs.

Het probleem met copywriting is dat je met meerdere voorstellen moet aankomen, zodat de opdrachtgever niet de indruk krijgt dat hij duizenden guldens betaald heeft voor 5 minuutjes werk. Dus ik kauwen op alternatieven. Maar creatief zijn op commando, da’s als seks met een dubbelloops tegen je slaap gedrukt. Uren en uren heb ik uit het raam getuurd, dromend van een baan met schouderklopjes, biddend om een wonder.

Dat kwam na iets van 18 maanden. Sinds mijn komst was de klantenkring danig geslonken, het bureau dreigde om te vallen - alsof ik bij mijn aantreden het noodlot had meegebracht. Last in, first out. Ik werd ontslagen. God, wat voelde dat goed. Alsof ik bevrijd werd uit de ambassade in Teheran.

Het baantje zou mijn laatste functie in de reclame worden. Maar de copywriter in mij was ontwaakt. In mijn fantasie won ik het ene Lampje na het andere. Dagdromen, daar ben ik een kei in.

De afgelopen twintig jaar ben ik geen enkele reclame-uiting tegengekomen die ook maar in de buurt kwam van mijn geniale ‘For lasting impressions’. Tot ik van de zomer op dit bord stuitte. ‘Bel voor een wonder’ leest het. Het betreft een tentoonstelling over wonderen in het Catharijne Convent. Hoe poëtisch! bedacht ik me. Vast opgetekend door een copywriter die veel uit zolderramen heeft gestaard. Ik heb het nummer onder een sneltoets gezet.

wonder
Onder de sneltoets

In het museum

Het zijn grimmige tijden. Rouwadvertenties vullen de kranten. Crematoria draaien overuren. Ook de schier onverwoestbare Gerard du Prie is ons ontvallen. Du Prie was zo’n powerlifter met bierbuik en Nico Haak-snor. In 1979 deed ie mee aan de Sterkste Man van Nederland wedstrijd. En hoe. Ieder onderdeel wist ie te domineren Slechts één ronde eindigde hij als laatste: telefoonboeken scheuren. Niet één kreeg ie doormidden. Toegegeven: telefoonboeken in die tijd waren erg dik omdat iedereen erin stond. Maar Gerards tegenstanders scheurden erop los. En al werd ie uitgeroepen tot Sterkste Man, het leek alsof er iets in hem geknapt was.

Ik moest aan Gerard denken toen ik een filmpje van de NOS bekeek, pre-corona. Het ging over een tentoonstelling in een boekenmuseum. Normaal gesproken kun je hier stoffige lapjes perkament bezichtigen, maar om wat publiciteit te genereren werd er specifieke lectuur voor het voetlicht gebracht: het foute boek.

Van de Bijbel tot de Koran, van Mein Kampf tot het Rode Boekje en zelfs Darwins werk, alles was uit de kast gehaald. ‘Boeken die door sommigen als goed beschouwd worden en door anderen als fout,’ verduidelijkt de NOS-verslaggever. Hij heeft een bierbuik en Nico Haak-snor. ‘Dat is het leuke van de tentoonstelling, dat je daar hier je eigen gedachten over kan vormen.’

Al gauw blijkt dat we die eigen gedachten met een korreltje zout moeten nemen. De journalist vindt niet alleen alle tentoongestelde boeken fout, hij vindt ook nog eens dat wíj dat moeten vinden. ‘Zo doen we dat tegenwoordig toch niet meer,’ verzucht hij bij Kuifje in Afrika en Sjors & Sjimmie. Ook vergeelde pornoboekjes zijn volgens hem taboe sinds MeToo. Zelfs de Bouquetreeks moet eraan geloven. ‘Het gaat over de relatie tussen seks en geweld, en seks en macht, in een tijd dat dat nog heel gewoon was.’ En de vaderlandse literatuur? Hartstikke fout. ‘Turks Fruit is op sommige punten heel vrouwonvriendelijk.’ De verslaggever kijkt ons streng aan in de camera. ‘Je kunt er lacherig over doen, maar het gaat om racisme en seksisme. Wat vroeger goed was, is nu fout.’

Zo fout dat het museum haar bezoekers in de gelegenheid stelde om foute pagina’s uit de foute boeken te scheuren en deze op een wall of shame te prikken. Een soort kruising tussen een boekverbranding en een schandpaal. De journalist verzaakt dit laatste te melden, wellicht omdat het museum huiverig is voor een buslading activisten die een heilig boek komt verscheuren.

Voorouders veroordelen om je eigen verlichting te etaleren, het is niet chic. Maar de tentoonstelling is vooral een gemiste kans. Waar hij over had moeten gaan is waarom boeken door de jaren heen als fout bevonden worden. Zodat duidelijk wordt hoe relatief ons oordeel is. En we beseffen dat onze huidige correcte overtuigingen over veertig jaar net zo hard veroordeeld zullen worden door onze nakomelingen. Juist in een museum verwacht je een relativerende kijk op tijdsgeest. Ook op de huidige.

Dan Gerard du Prie in 1979. Boze tongen beweren dat hij de techniek ontbeerde om de telefoonboeken doorgescheurd te krijgen. Misschien lag het subtieler. Misschien kon Gerard het gewoon niet over zijn hart verkrijgen om als een barbaar boeken te vernietigen. Zeker het telefoonboek, waar we toch ooit allemaal in stonden. Toen we nog allemaal fout waren.

Gerard scheurt
Gerard op zoek naar 112

Van de havermoutman

Aanvankelijk dacht ik dat ik voor deze tijden in de wieg gelegd was. Hamsteren, jezelf opsluiten en naar de wereld gluren – het is mijn tweede natuur. Ik was er dan ook vroeg bij met deze crisis. Nog voordat het grauw zich in zijn carnavalstenue had gehesen, sloeg deze jongen al pakken sojamelk en havermout in. Want pap, dat blijft járen goed. En eet gezellig weg, terwijl je je ergert aan YouTubejes van feestbeesten die schijt hebben aan de anderhalvemetersamenleving.

Maar eens in de zoveel weken moet ik nieuwe pap inslaan. Dus vanochtend stond ik om 08:03 voor de Aldi. Da’s voor mij een heel normale tijd, want ook pre-corona meed ik de massa. Maar anders dan voorheen was het er al om 08:05 druk. Daarbij winkelden de klanten alsof ze een soort Rein waren geworden: gehaast, argwanend en doelgericht op jacht naar wc-rollen. De caissières zaten achter plexiglas uit de Bijlmerbajes. De radio klonk als de liftmuziek van de Towering Inferno. Mijn Aldi was de Aldi niet meer.

Er was nog een reden waarom ik me niet op mijn gemak voelde: ik was weer eens verkouden. Dan mag je eigenlijk de straat niet op, volgens het RIVM. Maar straks is mijn pap op. En de Aldi is te goedkoop voor een bezorgerservice. Nood breekt wet.

Terwijl ik me met mijn loopneus en volle kar richting kassa haastte, voelde ik hem opkomen. De nies. Halverwege de afdeling Houdbaar kon ik hem niet langer inhouden. Mijn neus ontplofte, nog voordat ik mijn elleboog gereed had. Een ware snotexplosie was het – mijn coronabacillen waren airborne tot aan de wc-rollen. Zo’n nies waar je 400 euro boete voor krijgt van het RIVM.

De winkelwagentjes in de super kwamen abrupt tot een halt. De muzak viel stil. De kassa hield op met rinkelen. Het grauw nam me met afgrijzen op. Ik deed alsof mijn neus bloedde en legde mijn boodschappen op de band. De caissière, die anders altijd vriendelijk naar me glimlacht, pakte mijn pap op alsof het een volle condoom was. Ik was de eerste persona non grata van de Aldi geworden.

Nu zit ik weer thuis. Maar de crisis is niet meer wat ie geweest is. De quarantaine voelt als een huisarrest. De pap smaakt naar gevangeniskost. En ik verlang naar de tijd dat ik nog een feestbeest was. Als ik nu op YouTube kijk, is dat om te checken of er iemand al een filmpje van mijn nies online heeft gezet. Eenzaam viraal gaan, het is mijn tweede natuur.

De havermoutman
Turend door de ramen die na zestien jaar wel weer eens gelapt mogen worden

Van het zelfmedelijden

‘Van de maan af gezien zijn we allen even groot’. Aan deze quote van Multatuli moest ik denken toen ik vanmorgen vroeg in alle stilte een wandeling maakte. De slagschaduw die mijn persoon over het asfalt wierp deed me beseffen waarom de spreuk zo poëtisch is; Multatuli’s gebruikt niet voor niets ‘groot’ in plaats van ‘klein’.

Een troost in deze tijden waarin een microscopisch klein kwaad de mens nietig doet voelen. Zelden zijn we zo weerloos geweest. Zo kwetsbaar. Zo eenzaam. En al geef ik dat niet graag toe, ook een schrijfsoldaat als ik gaat eronder gebukt. Vooral onder die sociale afstand – nota bene dezelfde afstand die ik mezelf het afgelopen decennium heb opgelegd om boeken te kunnen schrijven. Nu die me wordt opgedrongen heb ik het er moeilijk mee. Verleidt ie me tot zelfmedelijden. En dat is misschien wel de lelijkste emotie denkbaar.

Ter medicatie bekijk ik dagelijks vlogs van het front. Niet van politici of virologen, maar van artsen en verpleegkundigen. In Italië, Spanje, Groot-Brittannië, de VS en derdewereldlanden. Brandhaarden waar zorgsoldaten onomwonden vertellen over het slagveld der IC. Zij hebben geen tijd voor zelfmedelijden, geen ruimte voor ego. Ze werken zich – steeds vaker letterlijk – dood (alleen al in Italië zijn inmiddels 54 artsen in het harnas gestorven). Vanaf de maan lijken we misschien alleneven groot, maar ik kan niet in hun schaduw staan.

Ik rond deze blog af met een link naar een vlog van een Britse arts die inmiddels zelf cornoa heeft opgelopen. Een grimmig verhaal, gespeend van het sentiment en de relativering waarmee wij onze zorgen sussen als we de benen strekken voor een wandeling in de morgenstond van deze schitterende lentedag.

Duur: 5 minuten. https://www.youtube.com/watch?v=0ts8X3HDtPE

Schaduw
Van de maan af gezien zijn we allen even groot

Nu de dood weer een zichtbare plek in onze maatschappij heeft veroverd, leek het me gepast wat verlichting te bieden met deze anekdote over een overleden vriend. De blog is een paar maanden op de plank blijven liggen omdat ik het te druk had met mijn boek.

Hij was zo’n vriend die de gewoonte had om aan te bellen als je net het bovenste knoopje van je vriendin had losgemaakt, of als je net op de toiletbril had plaatsgenomen voor een grote boodschap. Een onfeilbare timing voor het verkeerde moment had ie. Toch was P. een onmisbare vriend. Vanwege zijn vasthoudendheid. Als hij vermoedde dat ik thuis was en mijn snor weer eens drukte achter mijn toetsenbord, monomaan typend aan een meesterwerk, belde hij net zo lang aan tot ik opendeed. Om me uit te nodigen voor een wandeling langs het kanaal. P. kende zijn pappenheimer.

P. is nu meer dan tien jaar dood. Bij trouwe lezers gaat er wellicht een (aanhoudend) belletje rinkelen, omdat ik een blog of twee aan hem gewijd heb. P. was die vriend wiens donorhart werd afgestoten, een jaar na transplantatie. Dat ik hem nogmaals reanimeer komt omdat ie de krant heeft gehaald. Postuum. Zoals alleen hij dat kan.

We gaan terug naar 2002, jaren vóór de transplantatie. S., een wederzijdse vriend, gaat bij P. langs omdat deze jarig is. S. heeft een cadeau meegenomen, uit eigen kast geplukt, een boek waar ie zelf niet doorheen kan komen. Er wordt niet opengedaan. Ook niet als S., geheel in P.’s traditie, driemaal lang, doordringend en aanhoudend op de bel heeft gedrukt. Nou gebeurt dat wel vaker, dat P. de dag verslaapt vanwege zijn opgerekte hart. Dus S. schrijft een boodschap in het boek en keilt het cadeau door de brievenbus.

Fast forward naar de zeroties. Inmiddels is P. overleden. Hij heeft een dochter en een weduwe achtergelaten. Die weduwe stuit, bij het opruimen van zijn spullen, op dat boek van S. Omdat zij er ook niet doorheen kan komen, schenkt ze het aan de Kringloop. Waar het door een Volkskrantlezer op de kop wordt getikt. Die is zo gecharmeerd van S.’s boodschap dat hij het boek opstuurt naar de krant. ‘We komen nooit van hem af,’ zingt het even later rond in P.’s vriendenkring, met deze screemdump als bewijs.

Ik maak graag grapjes over P. Da’s mijn manier om iets anders te zeggen. Wie die omweg niet hoeft te maken is zijn dochter. Ik heb van haar moeder vernomen dat ze eens over haar vader zou willen praten. Met mij, omdat ik hem goed gekend heb. Dat vind ik een mooi idee. Niet alleen omdat ik het stilletjes verwacht heb. Maar ook omdat ze een bijzondere meid is. Eigengereid, koppig. Precies haar pa. Dus als er straks bij mij aangebeld wordt – lang, doordringend en aanhoudend, dan weet dat ik mijn meesterwerk even moet laten voor wat het is. Om de veters te strekken voor een wandeling down memory lane.

Als je meer over P. wilt lezen, ga dan naar deze blog.

P. herrijst in de Volkskrant
P. herrijst in de Volkskrant

Nondeju!

Wil ik na jaren van eenzaam typen en onderliggend lijden eindelijk uit mijn bunker kruipen omdat mijn roman af is, blijkt buiten de pleuris uitgebroken!

Voor de enkele lezer die de rampspoed overleeft en dan zin heeft in een dystopische sfeerschets: het boek ligt in de schappen zodra de drukker uit quarantaine komt. Tegen die tijd zet ik het werkelijke omslag online (plaatje bij dit bericht is gejat van film). Een presentatie zit er niet in - tenzij ik meer dan 100 man weet op te trommelen natuurlijk.

Take care allemaal!

*snuit neus in oksel*

Einde der Tijden
Het Einde der Tijden. Eindelijk!

En zijn manuscripten

Op de valreep een teken van leven. Ik had deze kaart nog liggen, vandaar. Da’s het mooie aan die dingen: je kunt ze ieder jaar met een kleine correctie opnieuw versturen. Net als manuscripten.

Zoals sommigen van jullie weten ben ik de afgelopen maanden offline geweest om mijn roman af te ronden. Met inmiddels drie versies is het een zware bevalling. Dat komt doordat er geen sprake is van een dwingende plot, zoals bij Coef het geval was. Maar ook doordat ik lange tijd niet precies wist waar het boek over gaat.

Wat ik wél wist, was dat het een sfeerschets van Rotterdam in 1979 moest worden. Opgebouwd uit fragmenten, als een caleidoscopische impressie. Ik vertrouwde er blind op dat de flarden uiteindelijk een geheel zouden vormen. Toch moest ik in de slotfase tot bloedens toe schaven en schrappen om het mozaïek zichtbaar te krijgen. Een ‘creatief avontuur’ heet dat met een trendy eufemisme.

Feedback van de uitgever en dat van een proeflezer hebben me geholpen. Soms spraken hun bevindingen elkaar echter tegen. Gaandeweg besefte ik dat je het niet iedereen naar de zin kunt maken. Dat je als schrijver verantwoording moet nemen voor je werk. Een kwestie van volwassen worden. Net zoals mijn held dat moet, in het coming of age verhaal dat het geworden is.

Rest de vraag of het resultaat er wezen mag. Dat moet de uitgever bepalen. De laatste versie ligt ter beoordeling op zijn bureau. Mocht de roman gepubliceerd worden, dan ligt ie voorjaar 2020 in de schappen van IJzer. Duimen jullie voor me?

Ooit hoop ik met een glimlach terug te kijken op het ontstaansproces. Want zo’n intuïtieve werkwijze – noem het gerust een vrije val – heeft ook een louterend effect. Juist omdat ie hachelijk is. Maar nu ga ik eerst een fles zoete witte wijn van de Aldi soldaat maken. Om de nekspieren los te krijgen.

In het nieuwe jaar zullen er weer blogs van mijn hand verschijnen. Wellicht ook filmrecensies. Zolang het maar short copy is. Heerlijk, 400 woordjes met instant reacties in plaats van een oneindig aantal pagina’s in een digitaal vacuüm.

Om de held uit mijn roman te citeren: ‘Enveloppen stempelen. Duizend stuks. Tienduizend. Een miljard. Maakt niet uit hoeveel. In de Zero is kwantiteit een constante, zoiets als het aantal indianen in een John Wayne-film. Er is altijd oneindig veel neer te schieten, nooit is iets af.’

leesbarenaamfoto
ondertitel

In het oog van de storm

Een eerwraak die ontspoord is in een terroristische aanslag? We gaan niet speculeren. Wel vreemd om dit mee te maken in de buurt van je eigen flatje, zo’n dreigingsniveau 5. Politie te water en in de lucht, loeiende sirenes die door de straten scheuren. En een foon vol appjes van bezorgde vrienden. Pijnlijk genoeg word ik juist rustig van dit soort sferen. Misschien omdat ik ervoor ben opgevoed. Maar mijn dagelijkse wandeling voelde toch heel anders met die drone in de lucht, die werkelijk iedere voetstap van me leek te volgen. Alsof er opeens gehandhaafd werd in de wijk.

Wij waken over u
Een veilig gevoel

Is altijd geler

Aan de overzijde van het kanaal, tegenover mijn afbraakflat, wordt een tweeverdienerswijk gebouwd. Duurzame woningen met laadpalen, een parkje en stromend water voor de deur. De droom voor ieder gezin! Als ik er langs loop tijdens mijn zondagse wandeling kan ik een schamper lachje niet onderdrukken. Want ik kijk toch een beetje neer op al dat burgergeluk. Dan vind ik mezelf opeens een heel speciaal iemand, met dat schrijftalent van me. En keer ik zelfvoldaan huiswaarts.

Wat mijn toekomstige overburen niet weten is dat ik een telescoop ga aanschaffen. Ter inspiratie. Om te kijken hoe moeder de vrouw vreemdgaat met de buurman. Hoe de dochter verslaafd raakt aan selfies maken onder de douche. Hoe de zoon zijn geheugen wegblowt. En hoe vader pornosites met Thaise transjes bekijkt. Kortom, hoe er barsten ontstaan in het vernis der normaliteit. Levert me vast een paar mooie blogs op.

Wat ik niet weet is dat het gezin ook een telescoop gaat aanschaffen. Ter vermaak. Want zij hebben gehoord dat er aan de overkant een zonderling woont. Zo’n schrijver die iedere dag idioot vroeg opstaat omdat ie ’s middags een writer’s blok heeft. Die te weinig onder de mensen komt omdat ie voortdurend moet schrijven van zichzelf. Die denkt dat heel veel ijsberen ook heel veel inspiratie oplevert. Die voortdurend YouTubejes zit te bekijken omdat ie nooit zin heeft om te schrijven. Kortom, zo’n getormenteerd kunstenaar die beter een burgermansbestaan had kunnen leiden. Levert vast vermakelijke beelden op.

Wat niemand mag weten is dat ik op zondag best wel eens bij mijn overburen zou willen aankloppen. Gewoon, om een bakkie te doen. Even bij te kletsen. We kennen elkaar immers als geen ander! Maar grote kans dat ik dan niemand thuis tref. Omdat het gezin net een wandeling maakt aan de overkant van het kanaal. Als ze daar zo langs de afbraakflats lopen kunnen ze een schamper lachje niet onderdrukken. Want ze kijken toch een beetje neer op al die troosteloosheid. Opeens voelen ze zich een hecht gezinnetje. En keren ze zelfvoldaan huiswaarts.

Het gras van de buren
Een pot duurzaam goud

Doomsday

Vandaag de dag is het precies zestig jaar geleden. Dat dictator Batista werd afgezet door revolutionair Castro. Dat Prins Bernhard aan de dunne raakte van Paraguay’s exotische spijzen. En dat ondergetekende het levenslicht zag, in de vrieskou van vrijdag 13 februari 1959. Ik vond het maar niets, zo buiten die warme baarmoeder.

Precies 525.816 uur later sta ik achter mijn toetsenbord. En vind ik het nog steeds niets. Dit leven zonder succes, kinderen en linkeroog. Bovendien word ik gekreupeld door een aanval van spit. Niet bukken! lees ik op internet. Gewoon doortypen! zegt mijn inner sergeant.

De tijdelijke invaliditeit dwingt me tot een zeldzaam moment van bezinning. Nederigheid. Dankbaarheid zelfs. Ik besef wat een mazzel ik heb gehad. Om geboren te worden in een oase van overvloed en zorg. In iedere andere samenleving was ik tot de bedelstaf veroordeeld, met die afgekeurde persoonlijkheid van mij. Al had ik dan vast geen spit gekregen.

Gelukkig duurt mijn dankbaarheid maar kort. Om plaats te maken voor dat vertrouwde gevoel van onvrede. Want in al die jaren buiten de baarmoeder heb ik me nooit ergens thuis gevoeld. Ook niet toen de aarde digitaal werd en zichzelf Facebook ging noemen, een verchroomde versie van het bestaan die roestplekken moet verdoezelen. Voel me een Fremdkörper tussen artefacten, een conciërge tussen carnavalsvierders.

Graag zou ik die Unheimlichkeit wijten aan de ongelukkige timing van mijn geboorte. Maar dat is onzin. Ik zoek het zelf op, de donkere luchten. Heb afzondering nodig om te kunnen schrijven. Om de juiste glans te vinden. De patina van melancholie oogt nu eenmaal sierlijker dan het geblikker van levenslust. Daarom woon ik in mijn verhalen, waarin ik het anderszijn kan vieren. Laten we het De Kracht van het Wegdromen noemen.

Maar laten we het ook niet mooier maken dan het is. Ik bivakkeer te vaak op de achterkant van de maan. In een duister vacuüm, tastend naar onderwerpen die wringen met de sunny side of life. Heel romantisch. Maar als ik niet oppas ga ik nog in mijn eigen kaalslag geloven. Gelukkig ben ik niet alleen. Gezien de reacties op mijn verhalen komen jullie graag schuilen in mijn schemerbestaan. Al was het maar om je even te laven aan de zwarte humor die het rijk is. Home is where the laughter is.

Over thuiskomen gesproken, nu mijn verjaardag de sfeer van een crematie heeft gekregen, rond ik af met een dankwoord. Zonder jullie was ik allang met typen opgehouden. Had ik mij nog dieper ingegraven in mijn krater. Was ik met een astroïde richting vergetelheid gelift. Had de spit gewonnen. Dus dank voor jullie leeshonger en schouderklopjes. Geeft de schrijver moed. Laten we het De Kracht van het Nog Net Niet Doorgebroken noemen.

Als icing on the cake ga ik nog even een scheve verjaardagswandeling maken. Eerst in het trappenhuis bijkletsen met de kickboksende schoonmaker voor tips bij onderrugpijn. Dan naar de drogist voor de meest verslavende pijnstiller die ze onder de toonbank verkopen. En allez hóp naar de volgende zestig jaar, met de veerkracht van een revolutionair die iets verkeerds gegeten heeft.

XR!

Zestig jaar
In één keer blazen!

Van een junkie

Equilibrium is mijn nieuwe devies. Na jaren van barhangen en kroegtijgeren heb ik mijn wilde haren afgeschud. Ik zoek stabiliteit. Voor mij geen portiekseks meer, geen LSD-trips, geen cocktail binges. Slechts een enkele keer bezondig ik me aan een flesje wijn, vergezeld van een sporadisch sigaretje.

Voor dat laatste haal ik zo eens in het kwartaal bij de sigarenboer een pakje shag (dat ik vervolgens laat uitdrogen in een lade). Ik kom er graag omdat het zo’n familiebedrijfje is met een dorpse sfeer. De dochter verwelkomt me met een ‘Zo, bent u daar weer!’ en lacht me speels toe, wat ik graag interpreteer als een flirt. Achterin de winkel hoor ik haar kettingrokende vader instemmend hoesten.

Dat was ooit. Maar niet weer. Sinds de familie mijn ware gezicht heeft gezien durf ik mijn smoelwerk er niet meer te vertonen. Achter al mijn schone schijn gaat namelijk een consumptiejunkie schuil. Een geldsmijter die in het halfduister van zijn woonkamer de koopgoten van het internet afstruint naar Onmisbare Dingen.

Een antieke leren jas. Een 27 inch 4k monitor. Authentieke mijnwerkersschoenen. Een full frame camerabody. De verleiding is groot omdat het altijd om nuttige spullen gaat. Maar ze zijn veel te prijzig voor mijn knip. Bovendien maak ik mezelf wijs dat ze me gelukkig zullen maken. Dat ik er generaties lang plezier van zal hebben. En vooral: dat ik er recht op heb. ‘Je hebt er recht op!’ hoor ik wijlen mijn moeder in mijn oor krijsen als ik weer eens op ebay zit te loeren. Al gauw wordt ze overstemd door wijlen mijn vader met een bulderend ‘Komt niets van in! Ga jij eerst maar eens je flat opknapp...’ Nog voordat hij zijn zin heeft kunnen afmaken is het kwaad geschied. Online betalen, het voelt zo gratis.

Dat gevoel duurt ongeveer een milliseconde. Dan gaat het duikbootalarm in mijn achterhoofd af. Word ik bevangen door een panisch schuldgevoel, dat escaleert in visioenen van deurwaarders, faillissementen en een ouwe dag als crackhoer in de catacomben van Hoog Catharijne.

Zover zal het niet komen. Ik heb mijn verslaving weten te beteugelen. Door uitsluitend binnen Europa te kopen, en wel bij firma’s die doen aan gratis retourneren. Probleem is dat er zich nu een nieuwe verslaving heeft aangediend: ik ben een retourjunkie geworden. Negen van de tien aankopen moeten terug van mijn hemelende vader, terwijl mijn moeder woedend de hellepoort dichtslaat.

Ik moet dus om de haverklap bij mijn sigarenboer aankloppen, het dichtstbijzijnde post.nl-punt in de buurt. Maar die winkel biedt de service in de verwachting dat ik me tot een impulsaankoop laat verleiden. Een slof Gauloises. Een Valentijnskaart. Een zakje kauwgomballen. Extreem onnuttige dingen. Terwijl ik er juist kom om geld te verdienen.

Inmiddels verwelkomt de dochter me niet meer als ik een koopzonde kom brengen. ‘Zo, bent u daar weer,’ klinkt het grimmig. Geen speelse lach maar een blik alsof ik op mijn retour ben. Achterin de zaak hoor ik haar vader een longblaasje oprochelen – het signaal dat ik tot ongenode gast ben verklaard.

Nu ben ik genoodzaakt voor iedere retourzending door te rijden naar een ander post.nl-punt, de Gamma. Maar ook daar begint mijn verslaving op te vallen, wordt de druk om een impulsaankoop te doen ondragelijk. Met als gevolg dat ik steeds thuiskom met een pak laminaat. Extreem nuttig! Liefst zou ik ze allemaal retour willen doen. Maar dat mag niet van wijlen mijn vader. ‘Je hebt er recht op!’ buldert hij in mijn ene oor, terwijl ik wijlen mijn moeder in het andere hoor krijsen dat ik weer moet gaan kroeghangen. Equilibrium, ik wou dat ik er nooit aan begonnen was.

Equilibrium
En dan luisteren naar de zang van parende walvissen

Voor verbinding

Het is mijn favoriete orgaan. Niet alleen vanwege zijn afmetingen, maar vooral door zijn functie. Ik kan ermee tijdreizen. Met mijn neus pik ik geuren op die me direct terugbrengen naar Toen. Het reukorgaan ontsluit de kluisdeuren van het geheugen.

Omdat deze flash-backs primair opgewekt worden zijn ze ook nog eens betrouwbaar. Dit in tegenstelling tot het actieve geheugen, dat de neiging heeft om het verleden bij elkaar te fantaseren. Zo heb ik zelf de neiging om mijn leven met terugwerkende kracht negatief in te kleuren. Dat doe ik niet opzettelijk, da’s een erfenis van een zwartkijkende ouder. Aard van het beestje. Geen therapie tegen opgewassen.

Nu zou ik graag beweren dat ik bij iedere snuif beelden doorkrijg van mijn jeugd. Van die vakantie op mijn opgevoerde Yamaha door de Pyreneeën, van die glimlach tijdens de sportdag op de middelbare school, van dat idyllische viswatertje vol zeelten bij Zestienhoven. Maar zo werkt het niet. De flashbacks zijn diffuus, bestaan uit emoties en stemmingen. Wat ze gemeen hebben is dat ze vederlicht aanvoelen. Misschien omdat ik toentertijd nog niet gebukt ging onder de déjà vu’s van het heden. Door veel te ruiken verjong ik mijzelf even.

Jammer genoeg is deze vorm van tijdreizen niet te sturen. Misschien maar beter ook, want dat zou ten koste gaan van de magie. Wel gebruik ik mijn orgaan bewuster. Iedere dag opnieuw. Even genieten van de unbearable lightness.

Ik had dus aangenaam verrast moeten zijn toen de gemeente afgelopen lente een bloempluktuin langs het fietspad naar mijn sportschool aanlegde. Opeens stonden er tientallen plantjes in geuren en kleuren wortel te schieten. Maar licht in het hoofd werd ik er niet van. Integendeel, ik ergerde me er dood aan. Dat had niets te maken met de plantjes zelf. Het waren de spreuken op de bloembakken. Zoals: Jij bent leuk / Kom lekker zitten / Je mag trots zijn op jezelf / Ben blij je te zien / Leuk dat je er bent / Een tuin met alle antwoorden / Wat zie jij er zonnig uit / Pluk de dag / Ik zou niets aan jou veranderen.

Niets mis mee? Alles mis mee. Ze klinken vals. Zalvend. Belerend. Aanmatigend. Therapeutiserend. De bordjes maken mijn gevoelens zwaar. Ze wekken de schijn op van spontane betrokkenheid, maar lezen alsof opgehoest tijdens een brainstormsessie van een reclamebureau, ingehuurd door een wethouder die wil scoren met een project over verbinding. Als je dat in deze buurt wilt bereiken moet je er een wietplantage neerzetten. Of ben ik weer eens negatief aan het inkleuren?

Natuurlijk laat ik mijn tijdreisjes niet ontsporen door een paar aalgladde tegeltjes. Ik snuif stug door met mijn herontdekte orgaan. Iedere keer als ik van de sportschool langs de bakken naar huis fiets, half zwevend op de endorfine, scherm ik mijn ogen af met mijn linkerarm. En ruik ik aan het verse zweet in mijn oksel. In de hoop op dat gelukzalige gevoel van die sportdag, toen zij naar mij glimlachte. Met een beetje mazzel hoor ik haar ook nog zeggen ‘Jij bent leuk!’ Maar dat is dan bij elkaar gefantaseerd.

De Tegeltuin
Ik zou alles aan jou veranderen!

En de blokjes

Soms duurt het even voordat ik helder heb welk verhaal er schuilgaat achter een foto die me inspireert. In dit geval achter een reeks van vier portretten, van mij gemaakt in het voorjaar van 1965. Twee springen er uit. De ene Rein heeft een billion dollar smile, de andere een blik die het ergste doet vermoeden. Ze zitten te spelen met debiliserende blokjes, ongetwijfeld op instigatie van een ongeduldige fotograaf.

Pas na een nachtje marineren begreep ik wat de knulletjes me willen vertellen:

De foto’s zijn nog steeds actueel. Het is een kwestie van volgorde. De bovenste volgorde illustreert hoe ik het leven ervaar, de onderste laat zien wat ik van dat leven probeer te maken door erover te schrijven. Gezien de blokjes is er voor die positieve houding wel een destructieve geest vereist.

De blik
Geen bloksnorretje onder tekenen!

Van onmogelijke liefde

Halverwege de jaren zeventig kwam er een nieuw paartje bij ons op de singel wonen. Eelco & Ferdinand noem ik ze maar even. Eelco was huidarts, Ferdinand zijn assistent. Het klikte gelijk met mijn ouders. Vooral tussen mijn moeder en Eelco. Want hij kwam óok uit Indië. En bleek nét zo kunstzinnig als zij. Smoor was ze. Op haar manier.

Eelco & Ferdinand klopten regelmatig bij ons aan om een partijtje Mayjong te spelen met mijn ouders. Dan namen zij hun Bassett hounds mee, twee kolossale teckels die winden lieten. Terwijl de volwassenen beneden hun spel speelden, lagen wij kinderen boven te slapen. Toch kan ik me herinneren hoe er geschaterd werd in de huiskamer. Dat gebeurde zelden, dat ik mijn moeder ongeremd plezier hoorde maken. Durf te wedden dat ze nog vals speelde ook.

Wat ik mij niet kan herinneren is dat mijn ouders ons ooit iets uitgelegd hebben over de homoseksualiteit van Eelco & Ferdinand. Die geaardheid was als een vanzelfsprekendheid. Daar waren mijn ouders goed in, het ongewone gewoon te laten lijken, zonder er meer of minder van te maken dan het is. Bij ons thuis was niemand gelijker dan een ander.

Tussen Eelco & Ferdinand is het uitgegaan. Maar Eelco’s band met mijn moeder is onverwoestbaar gebleken. Hij zocht haar op in het gekkenhuis, ook toen ze knetterpsychotisch was geworden en de nachtzuster voor ‘vies lesbisch varken’ uitmaakte. Hij nam haar mee naar musea, ook toen zij zich onmogelijk maakte met paranoïde gekrijs. En eenmaal zelf te ziek om te reizen stuurde hij haar iedere week een kaartje met kunst. Tot aan zijn dood toe. Zo kom je nog eens wat te weten, als biograaf van je moeder.

Natuurlijk wil ik geen verband suggereren tussen Eelco’s loyaliteit en zijn geaardheid. Wel denk ik dat hun vriendschap minder kans had gemaakt als Eelco op vrouwen was gevallen. En mijn moeder geestelijk gezond was geweest. Zij voelde zich veilig bij hem omdat hij niets seksueels van haar hoefde. En hij voelde zich geaccepteerd door haar omdat zij als psychiatrisch patiënte zelf tot een minderheid behoorde. Twee afwijkende zielen die elkaar wisten te vinden tijdens een spelletje Mahjong. Heeft onmogelijke liefde al een eigen zebrapad?

Mahjong match
The Hounds of the Baskervilles

Damn the torpedo's!

2019
Land ahoy!

In een bevroren Schiedam

Ik was getipt door een vriend die de advertentie in de Havenloods had zien staan. ‘Platenverkopers hebben veel sjans,’ beweerde hij stellig. En aangezien ik mezelf beschouwde als een echte muziekkenner, zo een die niet alleen naar Top 40 luisterde maar ook naar klassieke crooners, was ik in de pen geklommen.

De ochtend van het sollicitatiegesprek had ik me verslapen. Ik moest me als de sodemieter aankleden: lange onderbroek, motorjack en ook nog eens mijn knalrode regenpak. Want anno 1979 bestond er dan nog geen gevoelstemperatuur, het vroor dat het kraakte.

Het stukje van de Mathenesserdijk naar Schiedam was zo glad dat ik bij iedere bocht een voet op het asfalt hield. Alsof ik door een Hogere Macht werd tegengehouden. Op een uitgestorven rotonde ging ik onderuit, in slow motion, voortglijdend als een omgewaaide oma op onderbinders. Toen ik mezelf en mijn Honda opgehesen had bleek er een flinke jaap in mijn pak te zitten. Ik zag eruit als een kerstman die door zijn rendieren te grazen was genomen.

Eenmaal bij de winkel aangeland had ik geen tijd meer om mijn pak uit te trekken. Ik deed in vol ornaat de deur open, om getroffen te worden door Paul McCartney’s Wonderful Christmastime. De kersthit van dat jaar, en met afstand de ergste aller tijden. De medewerker achter de balie had een kerstmuts over de oren getrokken, terwijl de platenzaak toch tot tropische temperaturen was gestookt. Ik stelde me voor en maakte duidelijk waarvoor ik kwam. De verkoper knikte. Hij had zwarte kringen onder de ogen. Er schemerde iets van wanhoop door in zijn blik. Was hij bang dat ik hem van zijn troon zou stoten? Kon hij de sjans niet aan? Hij wees me door naar het kantoortje áchter.

Nog voordat ik kon aankloppen werd de deur geopend door de uitbater. Een joviale dertiger met ijdel haar en rode broek. Hij schudde me de hand, schonk thee in en zette de kachel nog iets hoger. Vervolgens begon hij een verhaal af te steken over zijn LP-business. Grootse plannen had ie. Een imperium van platenzaken wilde hij opbouwen. In iedere stad een shop! ‘Zodat iedere dag als kerst voelt!’ Op de achtergrond hoorde ik Paul McCartney opnieuw inzetten.

De platenboer zocht een dynamische medewerker. Een muziekkenner, maar vooral een rasverkoper. ‘Een kanjer die weet what’s hot and what’s not!’ en ‘Een people’s person die de klant warm kan maken voor de nieuwste kersthit!’ Zijn hoofd was rood aangelopen van de emotie, zijn blik zo vurig dat er kooltjes in leken te branden. Hij nam me op alsof hij iets in mij herkende. Misschien kwam dat door mijn dynamisch opengescheurde rode regenpak, waarin ik het knap benauwd begon te krijgen.

De uitbater besloot zijn vlammend betoog met een ‘nu alleen nog even deze vragenlijst invullen’. Het was multiple choice. De vragen gingen allemaal over de Top 40, niet over klassieke crooners. Uit balorigheid heb ik overal keuze A omcirkeld. De platenboer scande mijn antwoorden. Allemaal correct! volgens hem. Hij schudde me de hand. ‘Don’t call us, we call you!’ zei hij met diabolische grijns. Onder mijn regenpak voelde ik een Niagara aan zweet over mijn ruggengraat kletteren.

Terug in winkel weerklonk opnieuw Wonderful Christmastime. Dat was het beleid kennelijk. Ik moest huiveren. De medewerker keek me aan alsof ie ieder moment in tranen kon uitbarsten. ‘NEEM ME MÉÉÉ!!’ las ik in zijn ogen. Even was ik bang dat hij zich aan mij zou vastklampen. Ik gaf hem een bemoedigende knijp in de schouder (zoals je dat doet bij een ter dood veroordeelde), en liet de platenzaak achter me.

De weg terug slipte mijn achterband bij iedere bocht, maar onderuit gegaan ben ik niet meer. Thuis stond de stem van de platenboer op mijn antwoordapparaat. Ik was aangenomen. Kon rekenen op een mooi salaris. Geweldige secundaire arbeidsvoorwaarden. Vette bonussen. Nog diezelfde avond heb ik hem een briefje geschreven. Dat ik afzag van de functie. En van de sjans, dacht ik erbij. De rest van de week heb ik iedere avond Bing Crosby’s White Christmas moeten draaien. Om Paul McCartney voorgoed uit mijn kerstgeheugen te spoelen.

Jingle hell
Simply having a wonderf... PETS!

In de toekomst

Lang geleden, toen ik nog een snotneus was die de Kijk las, bestond er zoiets als de Toekomst. Althans, dat beweerden futurologen. Zij presenteerden hun visioenen in fraaie tekeningen van vliegende auto’s, kolonies op mars en steden op de oceaanbodem. De beelden waren bij voorkeur gedateerd rond de millenniumwisseling, want ‘2000’, dat klonk in mijn jeugd nog als toekomstmuziek.

Bijster origineel of fantasierijk vond ik hun kristallen bol echter niet. Pas later besefte ik waarom. De concepten borduurden voort op al bestaande technologieën. Niets nieuws onder de zon! Bovendien maakte hun Toekomst een wel erg ordentelijke en optimistische indruk. Allemaal brave gezinnetjes, omringd door techniek die de mens dient. Geen spoor van overbevolking, wereldhonger, epidemieën en haves en have nots die elkaar naar het leven staan. De schaduwzijde van de mens, die ik zo goed had leren kennen uit persfotoboekenserie Het Aanzien van Negentienzoveel, zou in de Toekomst geheel en al verdwenen zijn. Zelfs op de zeebodem scheen het zonnetje.

Hoe kortzichtig de futurologen waren blijkt uit het feit dat geen van hen de informatierevolutie heeft voorspeld. In de Kijk nergens een tekening van een Zalando of een Facebook. Natuurlijk oogt zo’n homepage weinig fotogeniek, maar zelfs áls de visionairs het internet voorspeld hadden, dan zouden ze het opgediend hebben als een medium waar ideeën en ervaringen respectvol uitgewisseld worden. Niet als een digitale beerput waarin je kinderporno kunt bekijken, handgranaten kunt bestellen, andersdenkenden de huid kunt vol schelden of je buurman met webcambeelden kunt afpersen. Futuristen hebben een blinde vlek voor het menselijk tekort. Misschien wel een vereiste om in progressie te geloven.

Waar ik sinds de Kijk op wacht zijn journaalbeelden waardoor ik zeker weet dat ik in de toekomst terecht ben gekomen. Geen AH-karretje op Mars, maar aliens die Poetin de tentakel komen schudden. De eerste foto’s van het Hiernamaals, van de menselijk geest, van een droom. Giant-leap-for-mankind beelden. Maar ik kan wachten tot ik een ons weeg. We staan met z’n allen in de File der Vooruitgang, onze koekblikken vol behangen met high tech lulkoek.

Het enige wezenlijke verschil met Vroeger is dat er tegenwoordig tweemaal zoveel mensen zijn. Waardoor het menselijk tekort verveelvoudigd is. De nieuwe generatie futurologen werpt zich daarom graag op als onheilsprofeten die duurzaamheid prediken. Maar hoe duister hun kristallen bol ook, voor het menselijk tekort hebben ze nog steeds geen oog. Want de meeste stervelingen kunnen zich helemaal geen Toekomst veroorloven. Laat staan een duurzame. En de lezertjes van de Kijk zitten niet te wachten op een tekening van de mensheid die wegzinkt in haar plasticsoep van gesmolten poolijs. Hoe fraai de zonsondergang ook.

Gelukkig leven we nog even in het Heden. En daarin is toch één beeld dat indruk gemaakt zou hebben op de snotneus in mij: een stadion vol mensen die tijdens een concert een klein schermpje in de lucht houden. Weer iets wat futurologen gemist hebben. Maar zelfs áls ze de telefooncamera voorzien hadden, dan zouden ze geen tekening gemaakt hebben van filerijders die een gruwelijk ongeluk aan de andere kant van de snelweg vastleggen om er thuis van na te kunnen genieten. Misschien is dat de reden waarom we ons nu blind staren op een duurzame toekomst: we hebben nooit echt naar onszelf durven kijken in het vluchtige Heden. Heb ik het al over de selfie gehad?

Duurzaam tekort
De Kracht van het Nu voor het Straks

En de U van het bakkermeisje

Mijn eerste hoed kocht ik op mijn zestiende. Voor schoolfeestjes. Om interessanter te lijken, maar vooral ouder. Met die hoed op transformeerde ik van een androgyne Smurf in een ruige rocker. Zeker als ik wild op Alice Cooper danste. Zoenen was dan nog een brug te ver, de meisjes zagen me nu in ieder geval staan.

Onlangs heb ik mijn tweede hoed gekocht. Om interessanter te lijken, maar vooral ouder. Niet voor een feestje. Voor het meisje van de bakker.

Het zal zo’n jaar of vijf geleden zijn geweest dat Het Begon. Ik vroeg haar om een halfje volkoren. Zoals iedere ochtend. Waarop zij mij begon te be-U-wen. Voor het eerst. Zonder aanleiding. Niet met een o-bent-u-misschien-die-geweldige-schrijver-die-ieder-moment-kan-doorbreken-U. Nee, het was de hé-ouwe-trekpop-moet-jij-niet-een-halfje-Viagra-U. Dat was even slikken voor mij, na een leven lang stelselmatig vijf jaar te jong te zijn ingeschat. Wat zeg ik, tien jaar, als we mijn moeder meerekenen.

Toch heeft het meisje van de bakker gelijk. Volgens de wc-kalender word ik volgend jaar zestig. Het voelt alsof iemand een practical joke met me uithaalt. Of dat er een vloek over me is uitgesproken. Want geestelijk ben ik steeds nog iets van veertig. Emotioneel zelfs een jaar of zestien. Als ik lang in de spiegel kijk zie ik die knul er nog doorheen schemeren (stadium I van ontkenning). En eigenlijk verwacht ik dat ook het bakkersmeisje hem ziet schemeren (stadium II van ontkenning). Maar dat doet ze niet. Ze vuurt de ene na de andere U op mij af. Dan kijk ik maar wat om me heen, of ze het misschien tegen een échte zestigjarige heeft.

Het komt allemaal door mijn weerzin tegen volwassen worden. Normale mensen, die doen aan levenfasen. Zij doorlopen stadia, groeien na hun zestiende emotioneel dóór, kiezen voor huwelijk en kinderen. Als ze zestig worden, zijn ze opa. Is hun cyclus voltooid. Not me. Ik ben nog steeds op zoek naar het begin van de Cirkel des Levens. Bijna zestig jaar van rondjes rennen, dat doet rare dingen met een mens.

Uit protest tegen de ouwelullen-U’s heb ik besloten me voortaan tien jaar te oud te laten inschatten (stadium III van ontkenning). Dat doe ik door een poolbaard te laten staan. Een anachronistische lederen jas te dragen. En een hoed op te doen. Een Sandeman-from-hell hoed, die instant ontzag afdwingt. Ik zie het al helemaal voor me.

Die dag regent het zoals ’t in geen maanden gedaan heeft. Dikke druppels kletteren op de rand van mijn hoed om van mijn lederen schouders te sijpelen. Ik zwiep de bakkersdeur open zoals alleen een man van statuur dat kan. Mijn silhouet neemt bezit van de deuropening. Er gaat een siddering door de winkel. Moeders nemen hun kinderen in de armen, opa’s maken ruim baan voor me. Met gedecideerde tred stap ik op de toonbank af, die terstond in de bar van een westernsaloon transformeert. Ik grom om een halfje grof volkoren, de overige klanten negerend. Buiten flitst een bliksemschicht en weerklinkt een donderklap. Het meisje van de bakker aarzelt, alsof ze achter de toonbank naar een verbale shotgun zoekt, naar een hier-heb-je-je-zakje-bobo’s-Sandemannetje-U. Maar ik schud langzaam het hoofd. Veeg de druppels van de rand van mijn hoed, die ondanks de hoosbui strak is blijven staan. Het meisje van de bakker moet even slikken. Ze neemt me op zoals ze in jaren niet gedaan heeft. Overhandigt me het brood. ‘Het volkoren is extra grof,’ vertrouwt ze me toe met licht trillende stem. Ik werp haar iets toe wat lijkt op een diabolische glimlach, leg een tientje op de toonbank, tik met mijn wijsvinger tegen de hoedenrand en stap, zonder op wisselgeld te wachten, de winkel uit. Achter me zwiept de deur dicht als de hellepoort, boven me bereikt de zondvloed haar hoogtepunt.

Het statuur weet ik vol te houden tot ik weer thuis ben. Dan trek ik mijn anachronistische jas uit. Doe ik een knusse pyjama aan. Zoek ik een YouTubeje van School’s Out. En ga ik wild voor de spiegel dansen. Met hoed op uiteraard. Stadium IV, de slotfase van ontkenning, is misschien wel de mooiste.

Sandeman
Sandeman in actie bij de bakker

Van de dagdromer

Iedereen doet het. In het geniep, want het is niet iets waar je graag voor uitkomt. Sterker, je voelt je er per definitie schuldig over. Vooral Facebookers zijn er verslaafd aan. Uren en uren zijn ze d’r zoet mee. Tijdens het maken van een spread sheet, onder de tafel bij een OR-vergadering, tijdens het invullen van het belastingformulier, bij het installeren van de laserprinter. Over procrastineren heb ik het natuurlijk. Niets zo krachtig als het vluchtgedrag van de digitale uitsteller.

Misschien ben ik zelf de ergste der procrastinanten. Zo heb ik tijdens het schrijven van dit stukje stiekem YouTubejes zitten bekijken over het probleemoplossend vermogen van de octopus, over Charlie Parkers eerste optreden, over Jordan Petersons kijk op Trumps intelligentie, over de oorlogszuchtigheid van chimpansees, over de casting van Elaine voor sitcom Seinfeld, over Jack Kerouacs dronken moeder, over de alien abduction van Travis Walton, over Tom Waits die liedjes zingt aan de keukentafel van Coppola, en over de hink-stap-sprongvlucht van de eerste helikopter in 1907. Iedere seconde ervan heb ik mij schuldig gevoeld.

Met reden. De volwassene-in-mij beschouwt dit als pure tijdsverspilling. Ik had me nog zó voorgenomen om vandaag aan dit stukje voor Facebook te werken! Aan de andere kant, ik ben aan het stukje begonnen omdat ik geen zin had om aan mijn boek te werken. En aan dat boek ben ik ooit begonnen omdat ik het niet langer kon opbrengen om teksten te redigeren. En aan dat redigeren ben ik ooit begonnen omdat me de lust verging om te studeren. En aan die studie ben ik ooit begonnen omdat ik als de dood was voor een baan. Eigenlijk is alles wat ik ooit gedaan of geleerd of gemaakt heb voortgekomen uit een diepgewortelde weerzin tegen datgene wat ik eigenlijk moest doen.

De vraag is of de procrastinant zijn leven wegspoelt aan trivia en social media, of dat ie het er juist mee verrijkt. Want in al dat escapisme kunnen we tegentonen horen doorklinken die de ruis van het alledaagse doorbreken. Frisse lucht in ons maatschappelijk vacuüm. Misschien is de procrastinant dus gewoon een dromer die alleen inspiratie kan putten uit zaken die niet op werk lijken. Zoals de beste seks gepaard gaat met een zekere schaamte, zo begint het grote genieten voor de procrastinant pas als het schuldgevoel toeslaat.

Of zijn er uitzonderingen? Zeker. ‘Invisible People’ op YouTube bijvoorbeeld. Tien minuten durende filmpjes over veelal hoger opgeleide dakloze Amerikanen. Over bad luck, angst, survival, solidariteit, wanhoop en hoop, ons toevertrouwd door onzichtbare zielen. Hun getuigenissen verspillen geen seconde van onze tijd. Misschien omdat hun umwelt ons voorland is, misschien omdat ze ons influisteren dat de rat race voorbij gaat aan de essentie van ons wezen. We zijn niet voor niets allen procrastinant.

Dus. Tijdens de tienduizenden uren die we van ons leven hebben weg geprocrastineerd, hebben we vermoedelijk meer opgestoken van dat leven dan tijdens de momenten dat we onszelf forceerden om wat van het leven op te steken. Maar na dit Facebooktegeltje moet u weer verder met uw hectiek. En ik met mijn roman over een dagdromende schoolverlater. Dat wil zeggen, nadat ik een YouTubeje heb bekeken over de hoogste golf ooit besurft (33 meter, Portugal, 2014). Voel me er nu al schuldig over.

De vlucht naar voren
Invisible surfer

En het afwaswater

Het was nog warmer dan het nu is. De ergste hittegolf sinds mensenheugenis, zei men. We lagen op bed. Naakt. Badend in elkaars zweet. Het raam wijd open, de luxaflex neer. Beneden raasde het verkeer door het lauwe afwaswater van de nacht. Toeterend... bandenpiepend... wegstervend...

We waren dronken, zoals altijd na het uitgaan. We hadden liederlijke seks gehad, zoals altijd na het drinken. Nu smeulden we na als de half verkoolde resten van een veldslag, deinend op de geluidsgolven uit de speakers, de pick-up op repeat voor een hypnotische cadans.

Tegen mijn gewoonte in bleef ik die nacht bij haar. Misschien omdat ik te moe was. Misschien omdat ik besefte dat dit Het Moment was. Dat het nooit beter zou worden dan deze ogenschijnlijk banale, slapeloze droomnacht. Omdat het universum even klopte. Het Lot ons elkaar gunde.

Natuurlijk is het niet ‘aan’ gebleven. Ik was te moeilijk, zij te onzeker. Die obstakels verdwenen alleen met een wijnhoofd. Dan werden we beesten. Lounge lizards die elkaar al in de kroeg in een target lock namen, elkaar onbeschaamd tegen de toog opvreeën tot ze door verbolgen stamgasten en barmannen de tent uit gejaagd werden. Triomf der lust!

Nu is ze met een man die geen drank nodig heeft om te genieten. Hij hoeft niet moeilijk te doen om zichzelf te zijn. Hij is een man met balans. Innerlijke rust. Een man die altijd blijft slapen en haar dan overstelpt met liefde. Bij hem is ze nooit onzeker, hoeft ze nimmer aan de wijn. Met hem klopt het universum. Iedere dag opnieuw.

Tot er een hittegolf uitbreekt.

Dan kan ze de slaap niet vatten. Doet ze het raam wat verder open. Zet ze die ene grijs gedraaide plaat op repeat. Trekt ze een fles wijn open. En deint ze weg op de hypnotiserende geluidsgolf, terwijl beneden het verkeer door het lauwe afwaswater van de nacht raast. Toeterend... bandenpiepend... wegstervend...

De hittegolf
Venetian blinds