De herkenning

Daar zat ik weer. In de boemel. Op het opklapstoeltje naast het toilet, vouwfietsje tussen de knieën geklemd. Zoals ik dat ieder kwartaal deed. Starend naar de grijze weilanden flitste mijn leven langs. Baantjes die ik niet had volgehouden, relaties die ik had getorpedeerd, kinderen die ik niet had gekregen. Pogingen om in een bandje te zingen, om stand-up comedy te doen. Om iemand te worden. En nu weer op weg naar de inrichting. Alsof ik er thuishoorde.

Vier maal per jaar dwong ik mijzelf haar op te zoeken, terwijl iedere vezel in mij zich daartegen verzette. ‘Niet zeiken!’ klonk het dan in mijn achterhoofd. ‘Je gaat gewoon, anders krijg je spijt als ze de pijp uit is.’ Dat vertikte ze, een pakje shag per dag ten spijt.

Ik trof haar op haar kamer. Goddank, want daar mocht ze niet roken, dus kon ik normaal ademhalen zodra ik aan de urinelucht gewend was. Op de achtergrond braakte haar tv’tje oorlogsbeelden op. We deden een gedoemde poging tot small talk. Van een echt gesprek kon geen sprake zijn door jarenlang gebruik van antipsychotica. Ze was op, leefde in reservetijd.

Die teloorgang lette haar niet om haar leven te vervloeken. Zoals ze dat ieder kwartaal deed.

Die Jappen! Die ex-man! Die gekken! Intussen probeerde ik me in de televisieoorlog te verliezen. Tot het tijd was. Ze sprong op, verrassend levendig voor zo’n nicotineus wezen, pakte haar rollator en rende richting Theehuis, een kantine op het terrein van de inrichting. Ik schoorvoetend achter haar aan, als een knul die door zijn moeder wordt meegesleept naar de damesafdeling van de Bijenkorf.

Dat Theehuis was een rokershol. Patiënten, familie, personeel… iedereen zat er te paffen. Zelfs de goudvis in de kom hapte naar nicotine. Ik bestelde koffie en sigaretten voor mijn moeder. Staarde naar ons formica tafeltje met brandgaten van verweesde peuken. Mijn moeder spiedde paranoïde om zich heen. ‘ROTZ***K!’ schreeuwde ze tegen een patiënt die te dichtbij was gekomen. Ik verstijfde alsof ik weer die knul was. Tot het tijd was.

Voor het eerst in een decennium gaf ik me over aan de situatie. Aan de waanzin, aan het gekkenhuis, aan het Theehuis. Sterker, ik begon een praatje met twee bewoners. Een schaker die violist bleek en een gitaarspelende hippie. Ze zeiden dol te zijn op mijn moeder en haar zwarte humor. Terwijl we gezellig zaten te kletsen drong tot me door dat dit haar thuis was. Dat dit haar mensen waren. Haar familie. Dat ik met die bewoners meer gemeen had dan ik in die tien jaar had willen toegeven. Misplaatste trots?

In de boemel terug hield ik mijn fietsje niet langer tussen de benen geklemd. Mijn leven flitste langs, nu zonder dat het een train wreck leek. Integendeel, het oogde kleurrijk en dynamisch, spannend zelfs. Ik besefte dat mijn vriendinnen van mij gehouden hadden zoals ik hen liefhad. Dat die baantjes me gestolen konden worden omdat het echte werk in mijn hoofd zat. Dat mijn levensworstelingen a writer’s goldmine waren. Dat ik verhalen zou schrijven alsof die mijn kindjes waren. Dat ik nooit gek zou worden. Zelfs de weilanden leken groen. Voor even.

De volgende keer dat ik de boemel pakte was dat voor het afscheid. Toen ik het Theehuis aandeed voor een kop thee bleek mijn moeders portret bijgezet in een lijst van alumni. Schoorvoetend maakte zich een geheel nieuw gevoel van mij meester. Gepaste trots?