blog titels

De verrekijker

Rein Jr.: ‘Hallo. U spreekt met Reintje Hannik.’
Rein Sr.: ‘Dag Reintje. Je spreekt met Rein Senior.’
Jr.: ‘…’
Sr.: ‘Ben je daar nog, Reintje?’
Jr.: ‘Ja. Bent U misschien mijn opa?’
Sr.: ‘Nee, Reintje. Opa Rein is dood. Die is gesneuveld in de oorlog. Daarom woont hij in het verleden. Ik woon in de toekomst. Ik ben een soort oudere broer van je.’
Jr.: ‘Maar ik heb helemaal geen broer.’
Sr.: ‘Dat weet ik, Reintje. We doen maar alsof. Het is een beetje ingewikkeld uit te leggen. Ik vond zo’n antieke, bakelieten telefoon op de rommelmarkt en dacht: laat ik ons oude nummer op de singel eens bellen. Zien of er iemand opneemt. Krijg ik jou aan de lijn!’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Hoe gaat het met je?
Jr.: ‘Ik ben jarig geweest.’
Sr.: ‘Gefeliciteerd! Hoe oud ben je geworden?’
Jr.: ‘Zes.’
Sr.: ‘Heb je mooie cadeaus gekregen?’
Jr.: ‘Ja. Een verrekijker.’
Sr.: ‘Wow! Wat spannend! Dan kun je zien hoe het leven elders verloopt hè.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Maar je klinkt niet zo vrolijk. Is alles wel goed?’
Jr.: ‘…’
Sr.: ‘Reintje?’
Jr.: ‘Mijn moeder is weer boos op me.’
Sr.: ‘Wat naar om te horen.’
Jr.: ‘Ze schreeuwde tegen me dat ik aandacht zit te trekken. Dat ik een rotjong ben.’
Sr.: ‘Ach…’
Jr.: ‘Ze heeft me geslagen.’
Sr.: ‘…’
Jr.: ‘Daarna moest ik naar boven. Maar ik ben bang op zolder, want daar zitten spoken.’
Sr.: ‘Ik weet het. Wat rot voor je. Je moet maar denken: mamma is een beetje ziek in haar hoofd. Probeer je maar niet te veel van haar aan te trekken. Eigenlijk houdt ze van je.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Weet je wat je moet doen als je weer bang bent?’
Jr.: ‘Nee.’
Sr.: ‘Dan doe je je ogen dicht en stop je je vingers in je oren. En probeer je je voor te stellen dat je ergens anders bent. Bij oma bijvoorbeeld. Die slaat je nooit hè?’
Jr.: ‘Nee.’
Sr.: ‘Is papa al thuis?’
Jr.: ‘Nee, die is op bezoek bij zieke mensen.’
Sr.: ‘Maar papa is toch vaak lief voor je? Die knuffelt je.’
Jr.: ‘Jawel. Maar hij geeft me straks een pak slaag als hij hoort dat ik een rotjong ben geweest.’
Sr.: ‘Ik weet het. Maar hij geeft je ook een zoen voor het slapen gaan.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Zodat jij lekker kunt dromen dat je ergens anders bent. Daar ben jij goed in. Alsof je door je verrekijker tuurt.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Laat je niet kisten hoor! Er komt een dag dat je van al die klappen en spoken iets moois zult maken.’
Jr.: ‘Ja.’
Sr.: ‘Goed zo.’
Jr.: ‘Maar ik moet nu ophangen. Mamma zegt dat ik niet met de telefoon mag spelen. Dat ik mijn bek moet houden.’
Sr.: ‘Ja Reintje. Ik vond het fijn met je gepraat te hebben. Zullen we dat va…’
Jr.: *klik van hoorn op haak*
Sr.: ‘Reintje?’
Jr.: *telefoontoon*
Sr.: ‘Reintje?...’