Het voorland in de achterkamer

Bij oma rook het altijd naar spruitjes. Van mijn moeder had ik geleerd dat Hollandse kost smakeloos is. Zij kwam uit Indië en daar hebben ze kruidige cuisine. Maar mijn oma van vaderskant hield van spruitjes met een kuiltje jus. En van Hollandse kneuterigheid. Op haar eettafel lag een kleedje dat, samen met het dikke tapijt, onze stemmen smoorde. De ramen waren gebrandschilderd waardoor daglicht werd verdonkeremaand. Op het dressoir tikte een pendule die de tijd tegenhield. Ik kreeg het benauwd in dat huisje.

Op zondag kookte mijn moeder nooit. Dan sprongen we met vader op de fiets richting oma. Eerst scheepjes kijken op de Parkkade. Soms lag het ss Rotterdam daar uit te hijgen van een trip naar Amerika, Siamese knalpijpen pronkend in de wind. Symbool van Vrijheid! Als het regende waren de kinderhoofdjes spekglad. Een frietje prikken deden we niet, we doken de fietstunnel in. Met zijn kilometershoge, vooroorlogse roltrap leek het alsof je afdaalde in een futuristische onderwereld. Eenmaal op Zuid remden we halverwege de Boergoensevliet af. Oma’s stolpje was gelegen aan een pittoreske singel. Ideaal voor een weduwe.

Oma straalde rust uit. Onverzettelijkheid. Normaliteit. Als artsenvrouw had ze nooit hoeven te werken. Wel had ze drie kinderen opgevoed. Dat kroost was inmiddels dik in de veertig. De jongste, mijn vader, was arts geworden. De oudste, mijn oom, was mislukt. Hij woonde in oma’s achterkamer. Daar rook het naar kippenstront en oude kranten. Kaal, mager en uitgerust met een wilde baard, oogde hij als een post-apocalyptische versie van uw blogger. Hij stotterde verschrikkelijk en droeg, zelfs in de zomer, binnenshuis een winterjas.

In die achterkamer stond altijd een tv te loeien met sport op. Tour de France, Wimbledon,  voetbal. Mijn oom kon alle tijden van alle Olympische Spelen opdreunen. Liever schold hij door de muur op oma. Dan schold oma door de muur terug op haar oudste. Ze hadden een hechte band. Naar mijn vader luisterde hij nooit. Dat deed hij wel naar zijn kindjes.

Zo noemde hij de kippen die hij in een ren in de achtertuin hield. Hij koesterde de beestjes alsof ze zijn kroost waren. Als er een doodging bewaarde hij het lijkje in de koelkast, netjes verpakt in een krant. Als de koelkast vol raakte werden de lijkjes in de achterkamer onder kranten ten ruste gelegd, in de hoop op mummificatie. Volgens de buren was mijn oom een zonderling. Ik vermoed dat mijn buren dat ook wel eens van uw blogger denken.

Mijn moeder ging niet vaak mee naar oma. Ze vond mijn vader familieziek. Maar áls ze met ons op de fiets stapte, gebeurde er ook wat. Zo heeft ze mijn ooms achterkamer een keer uitgemest. Mijn moeder was de enige persoon voor wie hij respect had. Een onverzettelijke artsenvrouw! Alle kippenlijken werden geborgen, tot ook de achterkamer naar spruitjes rook.

Als ik thuis mijn bord niet leeg at, zei mijn moeder altijd dat ik zou eindigen zoals mijn oom. Maar die lange tanden kwamen doordat mijn moeder smakeloos kookte. Dat was haar stil protest tegen het poldermenu dat mijn vader eiste. Ik vond het niet erg om te eindigen als mijn oom. Het was dat normaal-zijn waar ik het benauwd van kreeg. Daarbij, mijn moeder was evenmin normaal, zo zou blijken toen ze het niet meer op kon brengen om spruitjes te koken. Liefst had ze haar drie kinderen onder kranten laten mummificeren. Daarom draagt uw blogger een jas binnenshuis. Alleen in de winter hoor. Onder het mom van energiearmoede.