blog titels

Blog

In de schaduw van de dom

Bij een zonovergoten dag als vandaag passen geen praatjes. Daarom deze dia uit 1967, het gezin patatduiven voerend op het Piazza del Duomo, met vader nu eens achter de camera en rechts van oma de bestgeklede zakkenroller van Milaan.

Verzadigde nostalgieAlsof geënsceneerd

Naast het treintoilet

Als ik met de trein reis ga ik liefst naast het toilet zitten. Daar worden mobiele wauwelaars overstemd door mechanisch lawaai en gezelligheidszoekers afgeschrokken door vieze luchtjes. Een oase van rust. Zo kon ik zaterdagavond ongestoord genieten van een intercitydeur waarin ik een dia ontdekte van kinderen die in een zomers park spelen. Geen sluikreclame voor Pepsi, niet eens een zelfcomplimentje van de Spoorwegen, gewoon, snotneuzen vereeuwigd in een beduimelde modern day Manet. Niemand die het opviel, terwijl de plee voor de derde maal werd doorgetrokken door een blowende zwartrijder. Het enige wat nog ontbrak aan mijn idylle was een klaptafeltje met schoteltje voor kleingeld.

Beduimeld impressionismeo
Finger painting by Manet

A.k.a. Lone Wolf

Stikjaloers was ik op die lui. Op die kerels die op wildvreemde vrouwen afstapten om hen met vlotte babbel en halve glimlach in te pakken, ongehinderd door zelftwijfel of gêne. Lefgozers! Tuurlijk, als ik hoorde wat voor clichés ze ophoestten maakte mijn jaloezie plaats voor dedain. Losers! Eigenwaarde eerst! - en andere lulkoek om mijn verlegenheid wat op te waarderen.

Daarbij vond ik mezelf meer type lone wolf. Urenlang met filosofische blik aan de toog hangen, turend naar het parallelle universum in de barspiegel, soms een bloknoot trekkend om geniale invallen op te tekenen. Getormenteerd createur! Hoewel ik de pose tot in detail geperfectioneerd had, bleef het magnetische effect uit. He-le-maal niets gebeurde er. Twee verklaringen had ik: mijn zwijgzame charisma schrok de meiden af, of de lone wolf werkte uitsluitend als je een mooie jongen was. Uiteraard hield ik het op ‘t eerste.

Meer indruk maakte ik in een roedel. Omringd door de juiste foute vrienden wist ik mijn verlegenheid te overschreeuwen met scherpe grapjes (=spannend in bed) en galmende schaters (=ontspannen in bed). Tussen het tetteren door hield ik nauwlettend in de gaten of ik wel opgemerkt werd. Of waren dat geïrriteerde blikken? De vruchten van zo’n spontane stand-up heb ik zelden mogen plukken omdat geen buitenstaander trek had in zo’n roedel, laat staan om met de zelfverklaarde alfa te flirten. Eenzaam waren mijn hoogtepunten.

Slechts een paar keer in mijn leven heb ik echt de stoute schoenen aangetrokken. Alleen als ik verliefd was, en uitsluitend na weken van intensief oogcontact mijnerzijds. Zoals daar waren: de joodse godin (denk Maria Schneider, maar dan joods) die direct met een vriendin ging zoenen toen ik haar aansprak. De fluitiste-van-die-bekende-band, die me opnam met wat-kom-jij-in-godsnaam-doen-rukkertje smaal. En die brunette-met-tangokont, die zo ontzettend de andere kant opkeek tijdens ons gesprek dat mijn mojo een verbale vastloper kreeg. Iedere keer zakte ik de Marianentrog dieper in. Toch, worst case scenario’s waren het niet, omdat de dames precies zo reageerden als ik verwacht had. Eager to please, it’s not for me.

Nu heb ik Facebook. Omringd door een roedel verkeerde vrienden kan ik hier de hele dag filosofisch voor me uit typen. Niet dat mijn lezeressen erin stinken (createur = loser). Zelf houd ik ‘t er graag op dat ik de blogs voor mijzelf schrijf, dat ik the other me probeer te versieren met een parallel universum waarin mislukking triomfeert in plaats van torpedeert. Nog even en ik maak misbruik van mezelf - voor één nachtje, dan heb ik het wel gehad met die getormenteerde blik.

Getormenteerde muurbloem


De eenzame wolf loert naar een prooi

Dat ging zingen

Het was tijdens Pandora’s Music Box, een new wave popfestival in 1983, dat ik hem voor het eerst trof. In een achterafzaal in de Doelen, om een uur of twee ’s nachts. Ik had een dozijn ijdeltuitbandje afgewerkt en iedere hoop opgegeven nog iets met kloten te zullen horen. Tot ik de zaaldeur opende. En omvergeblazen werd door een geluidsmuur. Een deinende menigte brulde uit volle borst ‘OLALALAAA!!’ mee met een zanger die, gekleed in driedelig doorzweet Waterloopleinpak, zijn hart uit zijn longen stond te zingen, de microfoonstandaard heen en weer zwiepend als een white trash James Brown. A live one, middenin de impotente jaren tachtig.

Sinds die avond heb ik Arno Hintjens en zijn TC Matic gevolgd. Ieder optreden gaf ie een performance weg alsof zijn leven ervan afhing. Dat hij zo voor zijn show leefde kwam niet alleen doordat ie verslaafd was aan adrenaline. Hij kon ook echt niet zingen. Studio viel ie door de mand met zijn afgeknepen, nasale stem; in interviews zei hij zich dood te schamen voor eigen keeltje. Sterker, hem was regelmatig geld geboden om in godsnaam zijn bek te houden. Een zanger die noodzakelijkerwijs performer was geworden.

De te meer reden voor mij om Arno tot role model te maken. Ik was namelijk ook bezig met een bandje en kon net zo slecht zingen als hij. Succes is een keuze! Ik leerde mezelf zwiepen met een microfoonstandaard en jatte zijn gypsy chic look (behalve als ik naar een concert van TC Matic ging uiteraard, want wilde niet versleten worden voor ordinaire fan). Nu nog beroemd worden.

Want Arno was de darling van de media. Met zijn vermoorde onschuld en meedogenloze stotter wist ie iedere talkshow host in te pakken. Dat zou ook mijn forte worden, interviews geven! Toch leek er een uitgekookte strateeg te schuilen achter deze rock ’n roll clochard. Hintjens was ontzettend ambitieus. Zozeer dat ie zijn TC Matic liet vallen, solo verder ging. Waarop de muziek steeds minder muur werd en steeds meer levenslied. En Arno steeds minder ging luchtneuken en steeds meer probeerde te zingen. Zelfs prestigieuze prijzen won. Schrijnend, zo’n teloorgang.

Inmiddels is Arno alweer heel wat jaartjes role model áf. Ik heb hem gedumpt toen ik ophield met mijn eigen bandje. Gestopt op het hoogtepunt van mijn roem (1995, 31 man publiek, waarvan 28 gegijzelde vrienden) omdat ik mijn stem niet zuiver kon krijgen. Althans, dat is de officiële versie. Eigenlijk was ik bang zo te eindigen als mijn idool, anno 2015 een pensioengerechtigde barkrukzanger met pens en onderkin die de Tom Waits onder de Jacques Brels uithangt (niets zo genant als authenticiteit!). Maar soms, als ik een slok op heb, dan mag ik weer even. Dan doe ik de gordijnen dicht, trek ik mijn driedelig Waterlooplein aan, haal ik de ondergestofte microfoonstandaard uit de kast, zet ik mijn koptelefoon op, klik ik een TC Matic-hit aan, en word ik het ergste podiumbeest dat er tussen de schuifdeuren heeft huisgehouden. O la la la! Het podiumbeest
Foto: Danny Willems, Arno Hintjens te Montmartre, 1987

In de Maastunnel

Bijna waren we onderuit gegaan. Met de Honda 550K3, in de bocht van de Maastunnel, spekglad door regen en olie en bierhoofd. Met acrobatische toeren had ik de motor overeind weten te houden, maar ‘t scheelde weinig of we waren een berichtje in de Havenloods geworden.

Zo’n bijna-doodervaring verbroedert natuurlijk. Terwijl we al goede vrienden waren. In de kroeg schaterde zij altijd om mijn grapjes, ik kon uren in haar slaapkamerogen turen. Maar eigenlijk was ik zo’n goede vriend die meer wilde dan verbroederen. Zeker op de avond dat we bijna dood waren gegaan.

Gelukkig bleek ze samen te wonen met d’r ‘ex. Dat was verknipt genoeg voor mij om me er gelijk thuis te voelen. Haar ogen loodsten me richting slaapkamer. Vijf minuten later in het tweepersoonsbed trok ik de stoute schoenen aan. Zij deed lief, ik deed stoer. Zij had ervaring, ik had er veel over gehoord. Soms is lust mooier dan liefde, zeker als je het voor het eerst doet.

‘t Is niet bij die ene maal gebleven, maar een relatie zat er niet in. Misschien omdat we nooit meer dronken op de motor zaten, misschien omdat zij netjes op zichzelf ging wonen. Volwassen worden en seks, dat bijt elkaar een beetje. Maar indruk heeft ze gemaakt. Nog steeds bedrijf ik de liefde ‘t liefst als alles aan een zijden draadje hangt. Dan voelt iedere keer alsof het de laatste is. Of de allereerste. La petite mort
Met vier uitlaten!

Op de singel

Eigenlijk mis ik het meer dan ‘t haar zelf. Het gefluister van de schaar, het aroma van goedkope aftershave, het geritsel van de leesportefeuille vol guilty pleasures. Goede herinneringen, vooral aan mijn jeugdkapper.

Hij zat twee panden verderop op de Heemraadssingel, dus ik kwam er vaak. Aan de wand hing een langgerekte foto van de ss Rotterdam die zich lui door sleepboten de haven liet uit trekken. Vermoedelijk was de singel een te dure plek voor de kapper, want hij werkte zich hellemaal ‘t schompes in zijn eentje. Heel West liet zich er knippen, snel en zonder fratsen. Voor trendy coupes moest je elders wezen.

Ik kwam er meestal met mijn vader. Die was binnen een minuut klaar want kalend, waarna zijn schedel besprenkeld werd met Dr. Dralle’s Berken Haarwater – toentertijd een beproefd elixer annex wijwater tegen haaruitval. Voor mij was het zaak om er zo min mogelijk af te laten halen. Lang haar was ‘in’ en ik ambieerde slierten tot op mijn schouders. Dat ik voor meisje uitgemaakt werd maakte me niet minder tot rockstar. Maar knippen is een intieme kwestie. En de kapper, in mijn herinnering meer dan twee meter lang en kromgetrokken door zijn werkhouding, was verziend en uitgerust met een enorme gok. Hij zat zó dicht op me dat ik in zijn neusgaten leek te verdwijnen, onderwijl biddend dat hij mijn oren bedekt zou laten.

Bij zo’n herenkapper oude stempel wordt natuurlijk niet geroddeld. Er wordt geouwehoerd. Iedereen hoorde hij uit, maar zelf werd ie ook aan de tand gevoeld. Over zijn zoons bijvoorbeeld, die doorleerden. ‘Dan hoeven ze later geen putjesschepper te worden,’ zei hij trots. ‘Of kapper,’ beet een klant hem toe. Waarop een pijnlijke stilte viel - zelfs zijn schaar hield even op met fluisteren. ‘Of kapper,’ beaamde de kapper, om weer ijverig door te knippen, de hete adem van de hypotheek in zijn nek.

Hoe ouder ik werd, hoe vaker ik verstek liet gaan. Ben zelfs een keer vreemdgegaan. In de discotijd was dat, toen Ineke, de doktersassistente-die-geen-bloed-kon-zien, me verzekerde dat het tijd werd voor een trendy coupe. Dat heb ik geweten. Ik kwam terecht op de Westersingel, bij een coiffeur die uitsluitend op afspraak knipte. Hij nam me op alsof ik door zijn Birmaan was uitgebraakt, duwde me achterover in de stoel en begon… mijn haar te wassen! Nauwelijks bekomen van deze vernedering werd ik bedreigd met een permanentje. Goddank dat ik maar vijf gulden op zak had. Ongeknipt naar mijn eigen kapper gevlucht, om me daar vol overgave door zijn neusgaten te laten opnemen.

Toen ik het ouderlijk huis eenmaal verlaten had was ik chronisch blut. Ik deed een beroep op vriendinnen, die nogal intuïtief te werk gingen maar mijn oren bedekt lieten. Als het uit was moest ik me behelpen met een vakman. Zoals de Ku Klux Klankapper in Utrecht, wiens rondborstige dochter d’r voorgevel in je nek duwde. Aan deze happy cutting hing een moreel prijskaartje, want op cruciale knipmomenten (coupe Jim Morrison of coupe Elton John) werd je mening gevraagd omtrent rassenvermenging. Dan zat ik toch meer relaxed bij de Kukidentkapper op de Twijnstraat. Die was old skool tegen het dementeren aan. Hij liet zijn gebit klepperen op het ritme van de schaar, wat een kalmerend effect op me had. Slechts één onderwerp van gesprek had ie: het reisje langs de Rijn dat ie ooit gemaakt had. Ieder bezoek was het voor mij een uitdaging om nieuwe verhalen over dit avontuur aan hem te ontlokken, en belangrijker, om mijn hoofd zó scheef te houden dat ik zijn afwijking naar rechts kon corrigeren.

Inmiddels ben ik twintig jaar zelfvoorzienend met de tondeuse. Kost niks en zo gepiept. Maar wat zou ik graag nog een keertje aanschuiven op de Heemraadssingel. Donald Duckie erbij, naar de luie ss Rotterdam turen om, eenmaal aan de beurt, ‘de oren graag bedekt houden’ te mompelen tegen de inmiddels 120-jarige neusgaten. En me na afloop te laten zegenen met een halve liter Berken Haarwater.

De stilte van de kapper
De oren graag bedekt houden

En de sneeuwschoenen

‘JE BENT DE ENIGE DIE AAN ME GEWAAGD IS!!,’ schreeuwde ze in mijn oor, om gelijk weer door te gaan met dansen zoals ze altijd danst: wild en sexy, dierlijk en sierlijk. Ik grijnsde en keek om me heen. Ze had gelijk. De dansvloer was gevuld met studentjes die net zo lullig hupten als hun ouders dat deden op de discodeuntjes van weleer: slap en veilig, gespeend van ieder greintje perversie. Dan waren wij toch van een different league. Zelfs met sneeuwschoenen aan.

We hadden elkaar die avond getroffen in het café. Per ongeluk en een beetje expres, want ooit Ons Café. Zo’n wederzien is geladen omdat de seksuele spanning ook na al die jaren niet verdwenen is. En geen onverdeeld genoegen omdat mijn ‘ex in zo’n beetje iedere opmerking het verwijt laat doorklinken dat ik nooit voor haar gekozen heb. Terwijl we toch zo hecht waren! Zestien jaar lang! Knipperlicht of niet! Misschien heeft ze gelijk. Misschien heb ik onze passie onvoldoende op waarde weten te schatten, zoals ik ook het leven nooit echt omarmd heb. En misschien had ik met haar moeten trouwen. Kinderen moeten krijgen, die dan net zo vunzig gedanst hadden als wij dat deden. Maar dat heb ik allemaal niet gedaan.

Op zo’n avond bekruipt me het gevoel dat we in het verkeerde universum zijn beland. Althans, dat ik dat ben. Zij heeft inmiddels een nieuwe liefde gevonden. Een vent waar ze op kan bouwen, zo degelijk als een Vinexwijk. Of hij aan haar gewaagd is qua dansvloer durf ik te betwijfelen, maar vreemdgaan doet ze niet, zeker niet met iemand die haar ongelukkig heeft gemaakt – hoe spannend ie ook swingt. Dus toen de Dom drie uur sloeg en we met bezwete wijnhoofden huiswaarts keerden, namen we afscheid zoals dat exen betaamt: pakkerds op wangen, het gesmak gesmoord in de bruine sneeuwblubber. Over en uit. Maar dat beeld van haar, ongeremd dansend in de bierplassen, een glimlach op d’r gezicht alsof het gesternte ook voor haar even perfect stond, betoverde me als een beeldecho van lang vervlogen tijden, opgevangen door een sterrenkijker, voor eeuwig op mijn netvlies gebrand.

De sterrenwacht
En dan uw partner voorzichtig door de lucht gooien...

Wet, windy & sleazy.

Just the way I want her to be.

Sleazy Rotterdam
Juist klappertandend is ze sexy

Vanachter haar oculair

‘Wij geven om u’, verzekert een poster mij terwijl ik de virtuele goudvissen in de virtuele vijver van het UMC voer. Het credo is moeilijk te geloven als je zelf bij de afdeling Leugen & Bedrog van een ziekenhuis gewerkt hebt. Toch denk ik wel eens dat dokter V. echt om mij gaf. En misschien meer dan dat.

Begin dertig was ze, toen ik voor het eerst op haar spreekuur kwam. Kastanjebruin opgestoken haar en een loensblik die extra opviel omdat ze specialist was op de afdeling oogheelkunde. Zelfs haar Limburgs accent vond ik sexy. Maar wat dokter V. voor mij bijzonder maakte was haar engelengeduld.

Ieder kwartaal als ik op controle kwam om mijn oogbaldruk te laten meten in verband met dreigende blindheid, wist ze me gerust te stellen. Dat was hard nodig, want zo’n opmeetapparaat wordt tegen je oog aangedrukt. Een bedreigend, invasief gevoel dat bij mij een afweerreflex opriep. Niet dat ik wild om me heen ging meppen, maar knipperen kon ik moeilijk onderdrukken. Dokter V. was de eerste die mijn spasmen aanvoelde. Ze praatte op me in met haar heerlijke zangstem en bewoog haar apparaat zo soepel naar mijn oogballen toe dat het opmeten op den duur vanzelf ging: het reflex verdween alsof ik nooit afgeranseld was. Born again onder haar meesterhand.

Enkele jaren heeft ons oogcontact geduurd. Iedere afspraak opnieuw was intiem, vooral als ze mijn oogzenuwen op onregelmatigheden controleerde. Welk een souplesse! Eenmaal heb ik haar in het wild mogen ontmoeten. Bij toeval, op de parkeerplaats van een motorzaak. Wat zag ze er stoer uit in dat strakke racepak, en wat stak die bos krullen wulps onder d’r helm uit! Ik leunde nonchalant tegen mijn chopper aan, onderwijl verdrinkend in haar loens. Na wat smalltalk vertrok ze op haar rijstraket, een ronkend rubberspoor achter zich latend.

Maar aan al het moois komt een einde. Op een dag vertelde ze me dat ze zwanger was. Niet van mij hoor. Maar het nieuwe leven was aanleiding om uit te vliegen. Terug naar het Zuiden, zo vermoedde ik. Door het Maasdal racend, op zoek naar nieuwe spastische uitdagingen.

Sinds haar vertrek heb ik een dozijn andere oogartsen versleten. De ene nog professioneler dan de andere. Maar geen van de dames – bijna alle oogartsen in het UMC zijn vrouwelijk – kan mijn oogballen zo subtiel opmeten als dokter V. dat deed. Laat staan dat ze er sexy bij loensen of me met zachte G geruststellen. Als ik nu het apparaat tegen mijn ogen aangedrukt krijg, denk ik maar aan dokter V. Natuurlijk hoop ik dat zij ook nog eens aan mij terugdenkt. En dan niet alleen aan mijn ballen.

Zij geeft om mij
Nog voordat de fotograaf het bewustzijn verl...

Aan het shoppen

Deze foto is nep. Hij bestaat uit twee kiekjes die mijn ouders van elkaar gemaakt hebben. Dat was ergens in ’55, toen ze nog liefdesbrieven schreven (en 25 jaar voordat ze het Boerenbont naar elkaars hoofd smeten). Ik heb ze aan elkaar gephotoshopt omdat er nauwelijks foto’s bestaan waar ze beiden verliefd op staan. En soms fantaseer ik dat ze nog bij elkaar zijn. Hun honderden liefdesbrieven hoef ik gelukkig niet te herschrijven – die zitten vol tederheid. Maar dat is een ander verhaal.

Hm. Daar moet ik toch even van slikken, het idee dat je je ouders weer van elkaar kunt laten houden, lang nadat hun liefde en levens vervlogen zijn. Straks verzin ik nog een verhaal over een platina trouwfeest. Allé, zonder Boerenbont hè.

De geschiedvervalser
Zoek de zeven verschillen

De geschiedvervalser

Master of his domain

Vroeger deden alle pennenlikkers het zo. Niet omdat het gezond was (gezond bestond toen nog niet), maar omdat je staand niet kon indutten tijdens je werk. Tegenwoordig doe ik het ook, staand schrijven. Mijn motief is minstens zo banaal: iedere ochtend word ik wakker met rugpijn door mijn uitgewoonde matras (†1992). Ik moet dus meer bewegen, ook als ik type. Zo maak ik tijdens het schrijven van dit blog de meest obscene heupbewegingen. Maar dat vermoedde u al.

Ik ben niet de enige staande typer. Een heel leger van kromgetrokken ouwe lullen staat in de coulissen te weifelen. Sluwe fabrikanten azen op hun comin’ out door elektrische bureaus op de markt te brengen, stellages die met één druk op de knop naar de gewenste hoogte zakken/stijgen. Onbetaalbare flauwekul natuurlijk, net als ergonomische designstoelen. Daarbij had ik met mijn timmermansoog in no time de perfecte werkpiramide geconstrueerd. Tel uit mijn ruggenwervels.

Volgende stap wordt staand eten, gevolgd door staand poepen - een natuurlijke flow gezien mijn cuisine astronautique. Een grotere uitdaging zal liggen in het rechtop slapen, om maar niet te spreken van geërecteerd gecremeerd worden. Maar wat zál er straks een gezonde as in die urn komen te staan.

Auctor erectus
Tel uit mijn ruggenwervels

Onze correspondent heeft zich verschanst op de vliering met een partij illegale sterretjes en wenst u een behouden Jaar van de Geit!

Sterretjes
Lookin' sharp as ever

Zonder haar

Dankzij de weelderige haardos van zijn nichtje kreeg oom Rein deze kerst een stukje zelfvertrouwen mee om de donk’re dagen door te komen.

Hair extensions
De manifestatie van mijn inner Garfunkel

En de grappenmakers

Mijn schouders te smal. Mijn bouw te fragiel. Mijn schedelhaar te afwezig. Mijn neus – met name de gaten – te groot. Mijn lichaamslengte (1.80) te gering. Mijn baard te grijs. Over elk fysiek aspect waar iets op aan te merken valt, hebben mijn Facebookvrienden wel eens grapjes gemaakt. Dat deden ze omdat ze me mogen, omdat ik zo’n geweldige zelfspot heb en omdat ze jaloers zijn op mijn dierlijke aantrekkingskracht. Zelden zei ik er wat van. Toch vind ik het niet kunnen.

Grapjes maken over andermans uiterlijk is een privilege van je dierbaren. Van je allerbeste vrienden, van je partner en – desnoods – van je familie. Van mensen met wie je zo intiem bent dat je hun sarcasme per definitie als uiting van genegenheid interpreteert. Die intimiteit moet verdiend worden. Kost duizenden manuren aan bekvechten, huggen, lachen, uithuilen, seksen etc. En dan nog.

Zelf maak ik nooit opmerkingen over iemands lichamelijke opvallendheden, zeker niet op Facebook. Omdat ik het niet grappig vind, omdat het een openbare ruimte betreft en omdat ik de meeste vrienden niet goed genoeg ken. Ik weet niet welk leed er achter hun ‘tekortkomingen’ schuilgaat. Dat weet ik bij mezelf wel.

Ben op de middelbare school altijd de kleinste van de klas geweest, tot een groeispurt op mijn zestiende. Werd een decennium lang geteisterd door acne in gezicht, nek en op de schouders. Ben op mijn veertigste het grootste deel van mijn schedelhaar kwijtgeraakt. Tel daarbij nog een scheel blind oog waar ik wel eens een lapje voor doe, en je begrijpt dat ik een olifantshuid heb gekregen. Knappe jongen die mij weet te kwetsen.

Maar belangrijker, ik ben trots op mijn verschijning. Op mijn commandokop met billion dollar smile. Op mijn sportschoolspieren van drie-dagen-beulen-per-week. Op mijn 55 jaar oude maar pensloze profiel want streng met drank en vreten. Dus. Als er iemand op Facebook een grapje denkt te kunnen maken over mijn neusgaten of ooglapje, dan grijns ik terug vanachter mijn monitor met mijn beste Jack Nicholson. En laat ik het van me afglijden. Maar vergeten, dat doe ik nooit.

Quasimodo
De angry young man-kiek is gemaakt rond 1982

... geen verhaal over een moeilijk Toen maar een zatte kiek van een heerlijk Nu.

Café Ari, Rotterdam. (Loco burgemeester J.A Deelder just left the building in zwarte NSB-jas om in aanschurkend pand zijn bedstede te bekruipen.)

Café Ari
Zoek de Deelder!

En de terminale barbaren

Bekende Nederlanders hebben iets tragisch over zich. Dat komt doordat ze zo ontzettend onbekend zijn in het buitenland. Ze zijn afhankelijk van de Lage Landen. Van onze taal, van onze lulligheid, van onze lat. Dat maakt hen wanhopig in hun geldingsdrang. Iedere keer als je ze in de media ziet langskomen bekruipt je het gevoel dat ze beter op de braderie hadden kunnen blijven staan. Met Sky Radio over de speakers.

Van alle BN’ers zijn cabaretiers het meest tragisch. Dat komt doordat ze niet voor Bekende Nederlander versleten willen worden. Zij steken immers de draak met fout, mediageil klootjesvolk. Gewapend met messcherpe woordgrapjes en authentieke gevoelsliedjes sturen ze het morele kompas bij, tot ook de laatste reactionair zich de mond gesnoerd weet. De cabaretier voelt zich een ÜberNederlander.

Slechts eenmaal in mijn leven kon ik een cabaretier niet ontlopen. Dat was toen ik nog als webredacteur werkte in een ziekenhuis, gespecialiseerd in kanker. De hele dag schreef ik stukjes over terminale aandoeningen. Alsof dat niet genoeg was, stond cabaretier F. de J. opeens voor de deur. Nou klopten er wel vaker BN’ers aan om bestraald of besneden te worden, maar niet bij de afdeling Terminale Stukjes. F. kwam ook niet voor een gezwel. Hij was er vanwege een deal met het ziekenhuis; hij had een filmpje mogen draaien in de hal en zou in ruil daarvoor een oudejaarsconference geven in onze kantine. Waren we mooi klaar mee.

Voor dat optreden moest F. zich psychisch opladen. Grappen verzinnen, focussen op de performance. Dat deed hij bij ons op kantoor. Naast mijn bureau om precies te zijn. Terwijl ik stukjes zat te typen over terminale aandoeningen, staarde F. uit het raam naar de ijzige zonsondergang die de stad in haar greep hield, als een Romeins veldheer die een beslissende slag tegen een barbaarse overmacht afwacht.

Toch kreeg ik niet de indruk dat F. zich aan het opladen was. Of grapjes verzon. Hij leek eerder te knarsetanden. Alsof ie met zichzelf in de knoop zat, ervan baalde dat ie deze schnabbel had toegezegd. Optreden in een kantine! Hoe had hij zo diep kunnen zinken!

Een uur knarsen later was het zover. Hij zuchtte diep. Stond op. Knoopte zijn theatercolbertje dicht. Ik wenste hem sterkte, waarop hij glimlachte als een terdoodveroordeelde die te horen heeft gekregen dat het touw lang genoeg is om in één keer de nek te breken.

Lang duurde de conference niet. F. probeerde te scoren met cynische grappen over kanker. Had ie een NRC Next-publiek mee kunnen provoceren, in de loopgraven van een kankerziekenhuis is zwarte humor noodzakelijke voorwaarde om je vak te kunnen uitoefenen. Voor deze zusters & broeders hadden zijn grappen dus een baard. Er werd weinig gelachen. Te weinig voor F.. Korzelig werd ie van deze lauwe ontvangst! Hij had wel wat beters te doen! Zou zó weer vertrokken zijn als ‘t ons niet beviel!

De kantine leek vast te vriezen aan de zinkende zon. F. was geworden wie hij niet mocht zijn. Een gefrustreerde oude man in plaats van een ÜN’er. Een performer die inziet dat hij aan het eind van zijn veel te lang opgerekte carrière is beland.

En toen gebeurde het. Terwijl ik de kantine uitliep om weer een stukje te typen over een terminale aandoening, hoorde ik hem een grap mompelen. Waarop een lachsalvo in het zaaltje weerklonk. Een bevrijdende, Alle-Menschen-werden-Brüder-schater die tegen de muren aan kletterde, een paar keer om zijn as tolde en dan nog minutenlang na-echode. Het soort energie waarmee ziekenhuispersoneel wonderen kan verrichten. De bejaarde veldheer had de barbaren voor zich veroverd. Een moment van internationale allure. In een oer-Hollandsche kantine.

De veldheer
Ijzige humor

En het peertje

Vroeger trof je ze steevast in de keuken van het feestje. Daar hingen ze aan het aanrecht als ware het de bar, zogenaamd om de koelkast vol wijn en de kratten vol bier binnen handbereik te hebben. Maar eigenlijk omdat ze net zo verlegen waren als jij. Of net zo onaangepast. Of als de dood voor small talk, koortsachtig op zoek naar echt contact. Of in ieder geval naar een beter toneelstuk dan dat er in de huiskamer werd opgevoerd. Het feestje-binnen-het-feest.

Omdat keukens vroeger klein waren kreeg zo’n samenscholing al snel iets samenzweerderigs. Opmerkingen werden anarchistisch. Ondermijnend. Anti-feesterig zelfs. Alles kon gezegd worden, zolang het maar hilarisch was. Geen toeval dat er in de keukentjes altijd het meest geflirt werd. Er zinderde lust onder dat bleke peertje.

Soms werd het zoenen met die o zo bezette maar o zo gulzige vrouw. Of maakte je vrienden voor het leven vanwege een absurde mind fuck. Kreeg je de slappe lach omdat er stiekem gezopen werd uit de fles 500 jaar oude whisky die onder geen beding aangebroken mocht worden. Geen toeval dat keukendrinkers vaak laatblijvers werden.

Tegenwoordig hebben feestjes open keukens. Daardoor kunnen slechte toneelstukjes zich ongehinderd verspreiden tot aan de koelkast. Gelukkig is het rookverbod uitgevonden, zodat samenzweerders met goed fatsoen naar het balkon kunnen vluchten. Dat vereist het nodige doorzettingsvermogen als het vriest of stortregent, of als je eigenlijk niet rookt. Maar helemaal verdwijnen doet de balkonroker nooit. Ook niet als ie geen andere keukendrinkers meer treft. Gedoemd om de laatste der laatblijvers te worden. Of de sprong te wagen.

De keukendrinkers
Een movie still van keukendrinker Rein aan het zinderen, ergens halverwege de jaren tachtig.

In het kanaal

De dag dat mijn leven bijna veranderde viel op een zondag. 23 januari 2011 om precies te zijn. Het was zo’n dag dat ik er zin an had. Dat ik ontwaakte lang voordat de wekker afliep, opstond met een atletisch sprongetje, me eens obsceen uitrekte, mijn kamerjas en pantoffels aantrok en het gordijn openschoof met de zwier van een man die weet dat ie iets van zijn leven gaat maken. Om, pal tegenover mijn flatje, een lijk uit het Amsterdam-Rijnkanaal getrokken te zien worden. De springer van de Merwedebrug, een maandje terug, zo hoorde ik later. Ik sloeg een kruisje, schoof het gordijn dicht en kroop mijn bed weer in, om de dag te verslapen met de zwier van een man die weet dat je levenslust vooral niet te veel moet aanwakkeren.

Het omen
We gaan er helemaal voor

Van de Heren

Onrechtvaardig eigenlijk. Dat vrouwen alle privacy gegund wordt, terwijl mannen het naast elkaar in pisbakken moeten doen. Ga er maar aan staan, als het druk is op de Heren en tussenschotten ontbreken en je buurman is type brandweerman, zo’n organisme van 200 kilo dat boerend er ruftend zijn brandslang uitrolt om naast je te gaan kletteren als een Niagara. Niet dat Little Rein tekort schiet. Maar het is dan toch even afwachten wanneer Sesam zich opent. Heel genant. Gelukkig is er voor pisbakfoben nu een buddy op de markt. Mr. Friendly is de naam.

Ik leer Mr. Friendly kennen als ik zaterdag wat witte wijn wil wegspoelen in het toilet van het grand café. Het is er uitgestorven. Relaxed dus. Tot ik op een pisbak stuit met ingebouwde monitor plus bewegingsdetector. Zodra ik Little Rein in aanslag breng, floept het tv’tje aan. Gelukkig geen webcambeelden van mijn orgaan op YouTube, het is een marketing tool. Boodschappen van onze sponsor! Dat past wel bij het riool. Maar of het een welkome afleiding is?

Mr. Friendly’s opent zijn voorstelling met een bedrijfsfilmpje van de firma die de pisbak levert. Werklieden die druk bezig zijn in een magazijn vol handdoekrollen, chauffeurs die plankgas geven richting hoogste nood. De vraag die zich onmiddellijk aan me opdringt is: ‘waarom’. Waarom moet ik weten welke mechanismen er schuilgaan achter het pisbakkenfabricagewezen? Verwachten ze dat ik zelf een Mr. Friendly zal aanschaffen, als conversation piece in de huiskamer? De doelgroep is de manager van de kroeg, en die is reeds in zee met de firma!

Uit het lood geslagen door dit kromdenken probeer ik me te concentreren op een commercial. Een fotomodel dat danst bij een stadse fontein. Ze laat zich besprenkelen in de stalende zon, haar dunne jurkje aan de huid plakkend, zienderogen genietend van de golden shower. De eau de cologne is urinekleurig en ook het watergekletter werkt plasbevorderend, maar de close-ups van haar wet t-shirt contest sorteren een averechts effect. Ik slaak een diepe zucht.

Nauwelijks bekomen van de plasseks krijg ik Beyoncé voorgeschoteld. Ook zij probeert een geurtje te pushen, subtiel HEAT gedoopt. Nou, warm heeft ze het. Gehuld in nietsverhullend passierood jurkje met decolleté tot aan de navel, slentert ze hunkerend door een luxesauna, een vinger sensueel over de lippen glijdend. Zweetdruppels parelen op mijn voorhoofd.

We ronden af met een stunt van Red Bull. Geen softporno. Erger. Een motorcrosser die van een Empire State Building moet afduiken om op het dak van een lager gelegen wolkenkrabber te landen. Over afknijpen gesproken! Mijn inner door slaat dicht als de kluisdeur van Fort Knox.

‘Mr Friendly’. Het klinkt zo betrouwbaar als ´Mr. Smoothie´, die huurmoordenaar die zijn slachtoffers vanuit een ijscokar beloerde. Een zal-ik-hem-even-voor-je-vasthouden kindvriendelijkheid. Natuurlijk is Mr. F. helemaal niet aardig. Betrokken bij de moeizaamplassenden onder ons evenmin. Integendeel. Hij wil ons inpalmen met beelden die werken als secondelijm op de sluitspier. Opdat we zo veel mogelijk commercials bekijken. En zoveel mogelijk lulkoekproducten kopen. Mr. Friendly stinkt.

Dat laatste wordt onderschreven door zijn eigen slotboodschap. ‘Dit toilet maakt geen water van water. Dankzij deze techniek kan dit café per jaar 100.00 liter drinkwater besparen.’ Een plee zonder water. Blijkbaar hoeft Mr. Friendly zichzelf niet schoon te maken, is vies het nieuwe duurzaam. En zo'n schermpje vol breinvervuiling, dat nodigt vooral uit tot hoogplassen. Maar een droge pisbak is niet plasbaar. Alleen het ruisen van de waterleiding kan onze deuren openen! Mr. Friendly is niet ontworpen door ervaringsdeskundige. Niet eens door soortgenoot. Mr Friendly is ontsproten aan een vrouwenbrein. Het is een Mrs. Friendly. En welke vent wil daar nu in plassen.

Onverrichter zake sluit ik af. Sluip naar het enige afsluitbare toilet. Doe de deur achter me op slot. Om daar, verlost van hete Beyoncé’s en neerstortende brommers, in alle rust te kunnen kletteren, verlangend naar een tijd dat pisbakken nog anoniem waren en marketing tools een anatomisch incorrecte afbeelding van een bromvlieg die je naar hartenlust kon doodpiesen.

Mr. Friendly
Uw straal zo hoog mogelijk richten

Op de Nieuwe Binnenweg

Eigenlijk ben ik er altijd naar op zoek, bewust of onbewust. Een manier om uit mijn lichaam te ontsnappen. Klinkt een beetje Jonestownachtig, maar wie wil er nou niet verlost worden van het harnas van botten en organen dat ons bestaan dicteert. Alleen wil ik het wel erg vaak. Me verliezen in droom, roes of fantasie. Daarom is film voor mij geen kunst. Het is de nooduitgang.

Van alle winkelstraten op aarde is de Nieuwe Binnenweg de plek waar ik het meest naar roes snak. Dat komt deels doordat het er zo verloederd is. Shoarmatenten, nagelstudio’s, coffeeshops, belwinkels en andere witwascentra broeien er in de schaduw van de vooruitgang. Bijna intimiderend, als je net bent wezen ontsnappen in het café. Toch wordt mijn escapisme vooral gevoed door herinneringen aan een bioscoopje met een grootse naam.

Grand, ook wel Studio 62 genaamd, was een nette tent. Daarmee sloot ze naadloos aan bij de Binnenweg zoals ik die dertig jaar geleden achter me liet: een sliert van delicatessen, literatuur, bontmantels, grammofoonplaten, lampenkappen en natuurlijk een speelgoedzaak met twee keurige pedofielen achter de toonbank. De dienstbaarheid droop er van de etalageruiten af.

Omdat de bioscoop bij ons om de hoek zat, kwam ik er vaak om me aan andere werelden te laven, zoals ik ook thuis aan de beeldbuis gekluisterd zat. Als ik nu archieffoto’s bekijk stelt het zaaltje eigenlijk weinig voor - bepaald geen Tuchinsky - maar voor een snotneus was Grand de Sint Pieter van Verbeelding, een onmetelijke ruimte waarin je je gedachten vrijelijk kon laten zweven in ijle easy listening, popelend tot de gordijnen met enorme paradijsvogels zouden openschuiven om je in ander universum te lokken. Een hemelse belofte.

De laatste film die ik er zag was Apocalypse Now! In 1979. Treffender kon mijn jeugd niet afgesloten worden. Een paar jaar later werd de bios geannexeerd door een evangelisch centrum dat evenzeer handelde in het hemelse. Maar hun verlokking was me te voorwaardelijk. Daarbij miste ik de geur van napalm in de ochtend.

De Nieuwe Binnenweg gaat opgeknapt worden, zo heb ik vernomen. Er zou een streng bestemmingsplan klaarliggen. Meestal betekent zo’n opfrisbeurt dat kleine criminaliteit plaats moet maken voor de puivervuiling van grootgraaiers als Blokker en Action. Mij zul je er niet meer zien mijmeren, nu zelfs het Evangelisch Centrum de kuierlatten heeft genomen. Het is verdrongen door iets met lekker wonen. En ik wil niet lekker wonen. Ik wil niet eens vies wonen. Ik wil ontsnappen.

Bioscoop Grand
Lonkende paradijsvogels