blog titels

Blog

En de raaf

Als mensen het over hun middelbareschooltijd hebben wordt dat óf een zwelgen in nostalgie óf een wentelen in drama. Toch kunnen de meesten zich wel een leraar herinneren die favoriet was. Een zielsverwant die hem of haar erdoor gesleept heeft. Op het Rotterdamsch Lyceum was dat een hele uitdaging. De leraren waren er conservatief, opgebrand, cynisch. Het afvoerputje van pedagogisch Nederland, een enkele uitzondering daar gelaten.

Niet dat het mij wat uitmaakte wie er voor de klas stond. Op opstellen schrijven na was ik in geen enkel vak geïnteresseerd. Eigenlijk koesterde ik maar één ambitie: met zo laag mogelijke cijfers en een zo klein mogelijke marge mijn atheneum zien te halen. Als ik al opviel, dan kwam dat door mijn onopvallendheid. Toch was er één docent die een uitgesproken hekel aan mij had. K. zullen we hem noemen, leraar Engels. En wat voor een.

K. gaf geen les, hij brieste het. Hij praatte manisch, keek manisch, bewoog manisch; banjerde heen en weer voor het schoolbord als een hyena op amfetaminen. Zelfs autorijden deed ie manisch, zonder gordel omdat ie ooit bij een ongeluk door het open dak van zijn Eend gelanceerd was en zonder een schrammetje in de berm was beland. Als ie extra opgefokt was begon hij spontaan The Raven van Edgar Allan Poe te citeren. Integraal, uit het hoofd, met veel gesticulatie. Toch een dikke duizend woorden.

Razend populair was K. bij zijn leerlingen. Niet alleen vanwege zijn gepassioneerde doceerstijl, maar vooral omdat hij rondjes gaf in de kroeg tegenover de school, Café van Rhijn. Die tent was afgeladen met uitvreters van het Rotterdamsch, leerlingen die aan het eind van hun zakgeld urenlang in hetzelfde kopje koffie zaten te roeren. Dus als big spender K. ten tonele verscheen met een ‘Pils voor de hele zaak!’ klonk iedereen spontaan op K.’s gezondheid. Spraken boze tongen van vriendjes kopen, hij wist onmiskenbaar leven in de brouwerij te brengen.

Twee dingen zijn er tussen K. en mij voorgevallen. In de eerst plaats had ik een opstel geschreven over de zoon van het monster van Frankenstein dat hij gé-ni-aal vond. Alsof ie de nieuwe Poe had ontdekt, zo stond hij me voor de klas te bejubelen. Ik wantrouwde die lyrische, bijna exhibitionistische lof. Alsof het vooral over hem ging. Een aansteller, dat vond ik hem.

Toen kwam het eindexamen. Opnieuw kregen we een opdracht voor een opstel, uiteraard met een ander onderwerp. Wat K. zich niet realiseerde, was dat mijn werkelijke vernuft schuilt in het bouwen van bruggetjes tussen schijnbaar ongerelateerde zaken. Zo ook met dit onderwerp (god mag weten wat het was), dat ik sluw wist om te buigen naar mijn stuk over Frankenstein. Dat kende ik zo’n beetje uit mijn hoofd – toch een dikke duizend woorden! – en de recycling sloot naadloos aan bij mijn streven naar de marginale marge. Dat heb ik geweten.

Ziedend was ie. Hoe ik dit had durven flikken! Waar ik het lef vandaan had gehaald! Of ik soms dacht hem te kunnen naaien! Lager dan een acht had ie me niet kunnen geven, maar liefst had ie er een nul van gemaakt. Ik zat te trillen in mijn schoolbank, maar er speelde een sarcastische glimlach om mijn mondhoeken. Up yours, Mr. Raven.

Mijn atheneum heb ik gehaald met een marge van een tiende punt. K. trouwde met een leerlinge. En veertig K.-loze jaren zouden verstrijken. Tot het voorval me te binnen schoot en ik er een stukje over wilde schrijven. Laat ik nou diezelfde dag vernemen dat K. overleden was. Voodoo writing, bestaat zoiets? Naar zijn crematie ben ik niet gegaan. Een zaal vol oud-leerlingen die hun lof uiten over deze eigenzinnige, zeg maar anarchistische geest deed me onwillekeurig huiveren. Voor mij was ie vooral een frustraat die met andermans werk dweepte om eigen persoonlijkheid inhoud te geven.

Toch is zijn passie me bijgebleven. Misschien wel omdat er zoveel agressie in doorklonk. Een redeloze woede naar het universum waar ik me helemaal in kan vinden. Ik vermoed dat K. zelf net zo weinig trek had in de crematie als ik. Dat ie liever met mij een biertje was gaan drinken in café Van Rhijn, om daar nog eenmaal luidkeels The Raven te citeren, terwijl ik hetzelfde zou doen met The Monster’s Son, elkaar overschreeuwend op een steeds heviger brandend bruggetje.

De bruggenbouwer
Zegt de raaf, hij zegt...

Of gouden strop

Zoals sommigen van jullie weten ben ik inmiddels zo’n twee jaar bezig met een boek over mijn krankzinnige moeder. Het wordt een rariteit want amalgaam van roman, biografie, geschiedschrijving, documentaire, egodocument en vooruit, detective. De vraag is of ik het tot een eenheid heb weten te smeden, of dat het riekt naar overijverig gestookte moonshine.

Volgende week weet ik meer. Maandag stuur ik het manuscript naar een aantal vrijwilligers; bladenmakers, schrijvers, journalisten en gewoon kritische lezers. Die natuurlijk wel wat beters te doen hebben dan tekeer gaan met hun rode viltstift. Daarom heb ik hen gerustgesteld met de 45.000 woordjes die het telt. Je leest het in één ruk uit, liefst tijdens de grote boodschap. Wat ik er niet bij vertel is dat er nog 12 delen volgen.

Geen idee hoe het valt. Of er straks een hoonbulder over de telefoon klinkt of dat ik een week lang met veren in mijn derrière loop te kwispelen. Of toch maar besluit te solliciteren naar junior copywriter (m/v). Het is in ieder geval tijd om pas op de plaats te maken, nu mijn aanslag er met de dag venijniger op wordt. Ik wil licht zien aan het einde van de metrotunnel. Dus als ik hier volgende week wat euforische blurps plaats, doe dan net of ik ze uit de New York Times geknipt heb.

Gouden bergen
Somewhere...

En de achterbuurt

De Utrechtse wijk waarin ik woon wordt grotendeels bevolkt door allochtonen. Als geboren & getogen Rotterdammer heb ik nooit moeite gehad met andere culturen. Zeker de Surinaamse en Antilliaanse levendigheid vond ik schwung geven aan de Nederlandse spruitjesgeest. Die vlieger gaat helaas niet op voor de orthodoxe sfeer die mijn huidige buurt beheerst.

Schotelantennes, zwerfvuil, jakkerende Golfjes, strak naar de straattegels starende hoofddoekjes en een schichtige burka bepalen het straatbeeld. Hanggroepjongeren intimideren achteloos bij de frietkraam, de laatste Nederlandse groenteboer is jaren geleden gevlucht nadat zijn ruiten voor de zoveelste keer ingegooid waren, om plaats te maken voor een beauty shop met witwasbalie. Arische kinderen en opwaaiende zomerjurken zijn een unicum. Mijn wijk is schoolvoorbeeld van mislukte integratie.

Of dit te wijten is aan de woningbouwvereniging die te veel mensen van dezelfde kansarme groep bij elkaar propt of aan etnische factoren zoals autoritaire opvoeding en aangeboren godsdienst, dat kan mij niet zoveel schelen. Na tien jaar achteruitgang is de wijk tot getto verworden, de sfeer zo grimmig dat ie ongewild onder je huid gaat zitten. Vooroordelen voedt. Zo denk ik op misantropische momenten dat de buren alle joden aan het gas wensen, homo’s verachten en het wel best vinden als terroristen cartoonisten om zeep helpen. Of dit ook werkelijk zo is weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is dat vooroordelen lelijk zijn – zelfs als ze kloppen.

Gelukkig is er de sportschool. In mijn gym, iets buiten de wijk, komt zo’n beetje heel multiculti Nederland trainen. Wel tien nationaliteiten heb ik er geteld. Iedereen is er gelijk, want iedereen heeft een lichaam dat sterker wil worden. Drie maal per week kom ik er, niet omdat ik zo van krachtsport houd, maar omdat je met een beetje spiermassa ouderdom afremt. Geen betere motivator dan ijdelheid.

Ze zullen me wel een rare snoeshaan vinden, met mijn kale kop, Charles Manson-baard en spierwitte kuiten. Een soort KKK-hogepriester in ruste. Als ze vooroordelen koesteren, dan laten ze daar niets van merken. Integendeel, de contacten zijn er even aangenaam als oppervlakkig. Hoffelijkheid is de norm. Soms geven ze me spontaan een tip als ik een oefening slordig uitvoer, niet om me de les te lezen, maar om blessures te voorkomen. En sinds kort krijg ik boksles van iemand die de vader van een hangroepjongere zou kunnen zijn. Hij haalt het beste in me boven, als ik mijn frustraties botvier op de bokszak en bij iedere dreun mijn vertrouwen in de mensheid – en in mijzelf – een beetje herstel. Volgende week met puntmuts op.

De bokser

"Een uppercut zei ik!"

Werd vandaag uitgemaakt voor Canadese robbenjager

*gloeit na van trots*

Robbenjager
Altijd prijs aan het kanaal

En het grote zwijgen

Natuurlijk was Fatal Attraction die avond op tv. Een film over een vent die vreemdgaat. We lagen er samen naar te kijken, bij haar in bed. ‘Verschrikkelijk!’ riep ze verontwaardigd uit. ‘Hoe kan iemand zoiets doen! Je lief belazeren! Wat een rat!’ Een overontwikkeld ethisch bewustzijn, dat had mijn vriendin. Tenminste, ze wist altijd precies wat goed en vooral wat fout was. En die avond daarvoor was ik vreselijk fout geweest.

Ik had het met mijn ex gedaan. Zonder het op te biechten. Daar voelde ik me ontzettend schuldig over, maar echt spijt had ik niet. De seks was immers lekker geweest. Vertrouwd én spannend, want verboden. En eigenlijk had ik er ook wel recht op, een beetje aanrotzooien na mijn seksloze puberteit. Slettenbak Rein! Dus waarom nu peentjes zweten?

Als een plank lag ik naast haar. Vroeg me koortsachtig af of ze iets vreemds aan me gemerkt had, iets geroken misschien, of dat ze spontaan telepathisch was geworden. Maar ze had het veel te druk met foeteren op Michael Douglas. Ondertussen verstijfde mijn lichaam steeds verder, behalve daar waar ze dat graag gezien had na mijn inmiddels weken durende ‘koppijn’. Waarom toch die huiver voor ontmaskering? Bang voor een lel? Misschien ook een overontwikkeld ethisch bewustzijn? Of was ik een compulsief biechter, zo’n neuroot die bij de douane spontaan zijn anus aanbiedt voor rectaal onderzoek? Een ziek man, dat was ik zeker.

Maar hoe deden normale mannen dat dan, dat zwijgen en liegen als ze vreemd waren gegaan? Zouden die meer afstand bewaren? Hun lief zien als een wezen van Venus waar je nooit echt contact mee kunt krijgen maar wel lekker mee kunt seksen? Nee, dan ik. Van iedere nieuwe vriendin had ik mijn beste vriend gemaakt. Geen wonder dat ik al na een paar maanden geen zin meer had om het te doen. Kameraadschap en geilheid, het bijt elkaar.

Opgebiecht heb ik het niet die avond. Ook niet de volgende dag. Zelfs niet toen het uit was. Pas jaren later volgde een confessie, op een feestje. Vier keer was ze vreemdgegaan, vertrouwde ze me toe. Met vier verschillende mannen. Niet voor de seks natuurlijk, maar om los te komen van mij. Ze trok mijn grillen niet. Wilde meer afstand. Ik knikte begripvol, nam een teug van mijn pijpje en zweeg glimlachend. Die hele avond heb ik mijn gezicht in de plooi weten te houden. En me voorgenomen om met een kilo cokebolletjes in de endeldarm mijn pokerface te testen bij de douane van Schiphol. Echte mannen kunnen hun bek houden.

Pokerface
Talkin' to me?

Met een opgevoerde stadshorzel

Ons plan was even roekeloos als ambitieus: met z’n drieën op twee brommers in drie weken naar de Pyreneeën. Heen en terug. Woehaa! Zelfs mijn maten, toch iets ouder want goed in zittenblijven, hadden nooit zo’n trip aangedurfd. Gelukkig was de oudste gezegend met een even onbevreesde als technische persoonlijkheid. Hij stelde voor om onze stadshorzels, een Yamaha en een Zündapp, ongenadig op te voeren en uit te rusten met speciale nummerborden waardoor we, eenmaal in België en Frankrijk, de B-wegen aldaar onveilig konden maken. Dat hebben we geweten.

Hoe aerodynamisch verantwoord we ook op onze tankjes lagen, bij iedere heuvel van meer dan 10% werden we ingehaald en afgesneden door luid toeterende Eenden en Snoeken die de wijsvinger op het voorhoofd drukten. Ook de elementen stelden ons op proef. Omdat het 20¾ dagen van de 21 dagen plensde en onze regenkleding waterabsorberend bleek, moesten we van vuilniszakken duikerspakken improviseren en onder druipende bomen tegen bliksem schuilen. Eenmaal in Zuid-Frankrijk waren we zo verkleumd dat we in een jeugdherberg onderdoken, waar we urenlang de slappe lach kregen van een schilderijtje van een ondergesneeuwd boerenlandschap. Zô’n vakantie.

Maar zelfs campings vielen buiten ons budget. Hadden jonge goden als wij niet nodig. Wildkamperen! Overal plempten we ons tentje neer. Soms strandden we in het pikkedonker in the middle of nowhere (vooral als ik kaart had gelezen) om bij het krieken vergejaagd te worden door een luid scheldende hooivork (‘Merrrde! Des campeurrrs!’). Steevast arriveerden we te laat voor de bank of supermarché, zodat we de zondagen moesten overleven op een slapgeregend kontje stokbrood of ons gedrieën moesten bedrinken met één pijpje bier. Survival, lang voordat dat een bedrijfsuitje werd.

Maar uiteindelijk bereikten we dan toch dat Baskenland. En wat was het er ruig! En mooi! En groen! En wat moesten we er in godsnaam doen, daar in de Pyreneeën! We gingen maar wat in het gras liggen, naar de wolken kijken, naar roofvogels die ongetwijfeld adelaars waren. We bakten verdacht ruikende eieren en dronken uit heldere beekjes waardoor we aan de dunne raakten. We lieten verbrande koppelingen afkoelen, vervingen geblakerde bougies, verankerden rammelende knalpijpen. Het enige wat ontbrak waren Baskische schonen die we achterop onze horzels tot ongekende hoogtepunten zouden rijden. Maar na één snipperdag wachtte de terugreis alweer op ons. Bovendien, na anderhalve week tien uur per dag losgetrild te zijn op een zadeltje zo smal als een trapleuning vielen we als vanzelf in coma, om slechts even wakker te schrikken van een grizzly die aan de scheef opgezette buitentent snuffelde.

Niets is er gebeurd, deze drie spannendste weken van mijn leven. Rijden deden we. Rijden, rijden en nog eens rijden, op onze knetterende mannelijkheden. We doken heuvelkommen in als de Rode Baron, ruftten berghellingen op als Evil Knievel, genoten van de spaarzame zon op onze (stiekem) helmloze koppen, onze lichamen tot op het bot vervuild maar badend in eeuwige jeugd. Zonder vangnet hebben we ons in het avontuur gestort. Uiteraard heb ik deze jongensdroom nooit meer kunnen evenaren, een dikke Harley en gevulde portemonnee ten spijt. Soms geeft het leven je even precies wat je nodig hebt wanneer je dat nodig hebt.

Rein and the Art of Moped Maintenance
Zonder vangnet

Says no cheese

Met maat Hans en nog twee Rotterdamse vrienden naar het Fotomuseum op de Kop van Zuid geweest. Genoten van de expositie ‘175 jaar fotografie in Rotterdam’. Wat me opviel was dat men op foto’s van eind 19e / begin 20e eeuw zelden lacht. Een verfrissend contrast met de manische positiviteit van onze eeuw, al vermoed ik dat die grimmige blikken vooral te danken zijn aan de ellenlange sluitertijden, een chronisch vitaminetekort en een flinke portie syfilis. Hoe dan ook, het inspireerde Hans tot dit staatsieportret.

Helaas moest ik de indrukwekkende beeldenreeks vooral rennend tot me nemen wegens een gemene voedselvergiftiging, waarvan ik de gevolgen op het toilet heb vastgelegd met een lachvrije selfie die nu ingelijst op eigen toilet prijkt.

De Reus van Rotterdam
No cheese for Hans!

Met de monsters

Vijf jaar na ons afscheid eindelijk weer eens uit eten met S. en de monsters. Voelde me een ex-bajesklant die ondergedompeld werd in stomende jacuzzi. Gelukkig heb ik er de porem voor.

Borgtocht
Je ex-familie is toch altijd de beste familie

En de vulpen

Het is mijn grootste angst sinds ik mijn VWO-diploma op zak heb: uitgenodigd worden voor een schoolreünie. Een zaal vol ambitieuze klasgenoten die carrière gemaakt hebben, gruwel! Niet dat ik jaloers zou zijn, maar zou me zo misplaatst voelen - ben iemand die zich altijd één stap van de kartonnen doos in Hoog Catharijne waant.

Gelukkig kan het altijd erger. Zo had ik in atheneum vijf een klasgenoot die maar niet wilde deugen. Onmiskenbaar een slimme gozer, deze S., haalde moeiteloos hoge cijfers, maar lachte de leraren in hun gezicht uit en kon ontzettend driftig worden. Soms schreeuwde hij het uit, alsof ie recht had op goed onderwijs! Uiteindelijk werd ie van school getrapt omdat ie een vulpen naar de eenogige conciërge had gegooid, die vlak naast diens schedel in het schoolbord bleef steken om daar een volle minuut na te trillen. Met S., zoveel was duidelijk, zou het nog eens slecht aflopen.

En zo geschiedde. Toen ik een paar jaar later over de Nieuwe Binnenweg richting kroeg slenterde werd ik aangeklampt door een junkie. Nog voordat ie zijn zwamverhaal kon afsteken, stopte ik een gulden in zijn rouwrandhand en vervolgde mijn weg naar het lustoord. ‘Bedankt, Rein!’ hoorde ik hem achter me zeggen. Ik draaide me om, en verdomd (u voelde ‘em al aankomen), het was S.! Onherkenbaar door vette haren en vervuilde kleren. Een zwerver. Mijn voorland! dacht ik onmiddellijk.

Maar zelfs dat niet. Want voor drugsverslaving heb je toch een soort doorzettingsvermogen nodig, voor dakloosheid een zekere roekeloosheid. S. had de stap naar de kartonnen doos durven maken die voor mij altijd te groot was geweest. De kracht om overtuigend te mislukken, radicale levenslust, die moet in je zitten. Dat bleek toen ik S. een tweede keer trof. Op televisie.

Hij zat in zo’n programma over een schoolreünie, een soort Klasgenoten maar dan zonder BN’er. En nee, ik zat er zelf niet in. De opnames waren gemaakt in het lyceum waar S. zijn diploma gehaald had, met negens uiteraard. Om het programma de nodige jeu te geven was gekozen voor een klas met een spraakmakende Onbekende Nederlander: een wapenhandelaarster. Lekker politiek incorrect! Toch was het niet de sexy gun slinger die de kijkcijfers stal. Het was zwerver S. die, aanvankelijk opgenomen met argusogen, zijn bourgeois klasgenootjes wist te veroveren met verhalen over de straat. Een potentiële BN’er?

Graag denk ik dat S. zijn street wise charisma te danken heeft aan die gulden van mij. En aan mijn vertrouwen in zijn mislukking, lang nadat ik eigen kartonnen droom had opgegeven. Maar ik ben bang dat ie gewoon meer kloten heeft. Dat ie straks doorbreekt met een portie vreselijk authentieke schreeuwpoëzie (‘Verslaafd aan de Straat’) die gelijk bekroond wordt (Heleen van Royenbokaal). Om dan, ten overstaan van atheneum 5, gerehabiliteerd te worden in Klasgenoten, luidkeels citerend uit eigen bundel, met helemaal op de achterste bank, in het donker, wapenverzamelaar Rein die in een kartonnen doos naar een vers geslepen vulpen graait.

De loser
Hogeropgeleid zwerven

En de onder-onder-onderbuurman

Mijn onder-onder-onderbuurman is van het type dat de doodstraf graag ingevoerd ziet worden - mits ie ‘em zelf mag uitvoeren. Iemand met een diepgeworteld rechtvaardigheidsgevoel zogezegd. Ik kon het gelijk met hem vinden toen ik tien jaar geleden in de flat kwam wonen. Niet dat we er eenzelfde levensbeschouwing op nahielden, maar hij was allerhartelijkst in de omgang. Een warm bad in het overigens zo kille getto.

Als ex-Sterrenwijker was ie bovendien behoorlijk zelfredzaam, zo bleek tijdens de grand tour in zijn werkhok. Tussen de uit-vrachtwagens-gevallen-flatscreens toverde hij een Tel Sell slagersmes te voorschijn. ‘Om inbrekerhandjes mee af te hakken,’ zo verzekerde hij me met een knipoog die het ergst deed vrezen voor de sukkels die zijn Temple of Doom zouden betreden. Chop chop als de nieuwe buurtpreventie.

Dat zijn assertiviteit geen grootspraak was bewees hij tijdens zijn vete met de Snor, een overbuurman uit de flat achter ons. Deze ex-gerechtsdeurwaarder, een beul van een vent met Stalinistische gezichtsbeharing, was ontslagen wegens alcoholmisbruik, cokeverslaving en gemankeerde agressieregulatie. Een klotsend vat nitroglycerine. En omdat mijn onderbuurman zich beklaagd had over diens blaffende honden, had de Snor een ware urban war ontketend.

Aanvankelijk werd die vooral verbaal gevoerd. In de zomermaanden kon de hele buurt meegenieten als de kemphanen elkaar vanaf hun balkons uit volle borst verwensingen toeschreeuwden. ‘KRIJG DE GRAFKANKÉÉÉÉÉR!’ weergalmde het dan over het binnenplaatsje terwijl de kindjes beneden onverstoorbaar touwtjesprongen. Soms verstonden ze elkaar niet en vroegen ze om de laatste verwensing even te herhalen: ‘WÁT ZEG JE!? MOET ÍK DOOD?! NEE JIJ MOET DÓÓÓÓÓHÓÓÓÓÓHÓÓÓÓÓD!!”

Al spoedig ging de Snor over op meer invasieve guerrillatactieken, zoals hondenstront en vuurwerk in de brievenbus proppen. Mijn onderbuurman wist van geen wijken: iedere vrij moment stond ie klaar bij de brievenbus om eventuele poephanden af te hakken. Een veilig gevoel, zo’n stadsridder, als je trappenhuis onder vuur komt te liggen.

Overigens was hij niet het enige mikpunt van de Snor. Zo’n beetje de hele buurt werd geïntimideerd. Alleen mij sloeg ie over omdat ik er pas woonde en dan voelt terroriseren een beetje raar. Uiteindelijk is ie door de woningbouwvereniging uit zijn flat gezet. Een enorme vernedering natuurlijk, voor een ex-gerechtsdeurwaarder. Hij zwoer wraak, dreigde ons hele trappenhuis in de fik te steken.

Daar is het niet van gekomen. Wel scheurde hij jarenlang ‘s nachts over de kade om met piepende banden voor onze flat te stoppen en verwensingen naar mijn onderbuurman te schreeuwen. Die stapte dan doodgemoedereerd de straat op om met honkbalknuppel de voorruit van de Snor in te slaan. Ook had hij een camera op de gevel gemonteerd, niet om bewijsmateriaal te verzamelen, maar om de volgende dag nog eens na te kunnen genieten van de actie op zijn flatscreens. Zozeer ontspoorde de vete dat ie het lokale nieuws haalde. Als YouTube toen al wortel geschoten had, was het filmpje viraal gegaan.

Sinds een paar maanden is mijn onder-onder-onderbuurman verdwenen. Niet vermoord of ontvoerd door de Snor, maar er vandoor met (eigen) schoondochter, zo vernam ik van zijn vrouw. Ook zij is iemand met een diepgeworteld rechtvaardigheidsgevoel, want ze heeft hem nu de oorlog verklaard. Dood moet ie! Een advocaat zal hem uitwringen. Daar is mijn ex-onderbuurman niet blij mee. Dus scheurt ie ’s nachts over de kade om met piepende banden voor onze flat te stoppen en verwensingen naar mijn onder-onder-onderbuurvrouw te schreeuwen. Rest de vraag of hij de Snor wel op de hoogte heeft gebracht van zijn verhuizing, of dat ze straks schouder aan schouder hondenpoep staan te proppen, terwijl de onderbuuv toeslaat met haar Tel Sell. Chop chop!

De dakloze deurwaarder
DÓÓÓÓÓHÓÓÓÓÓHÓÓÓÓÓD MOET JE!

Met hemellichaam

Selfverduistering
Zonder handen!

In de schaduw van de dom

Bij een zonovergoten dag als vandaag passen geen praatjes. Daarom deze dia uit 1967, het gezin patatduiven voerend op het Piazza del Duomo, met vader nu eens achter de camera en rechts van oma de bestgeklede zakkenroller van Milaan.

Verzadigde nostalgieAlsof geënsceneerd

Naast het treintoilet

Als ik met de trein reis ga ik liefst naast het toilet zitten. Daar worden mobiele wauwelaars overstemd door mechanisch lawaai en gezelligheidszoekers afgeschrokken door vieze luchtjes. Een oase van rust. Zo kon ik zaterdagavond ongestoord genieten van een intercitydeur waarin ik een dia ontdekte van kinderen die in een zomers park spelen. Geen sluikreclame voor Pepsi, niet eens een zelfcomplimentje van de Spoorwegen, gewoon, snotneuzen vereeuwigd in een beduimelde modern day Manet. Niemand die het opviel, terwijl de plee voor de derde maal werd doorgetrokken door een blowende zwartrijder. Het enige wat nog ontbrak aan mijn idylle was een klaptafeltje met schoteltje voor kleingeld.

Beduimeld impressionismeo
Finger painting by Manet

A.k.a. Lone Wolf

Stikjaloers was ik op die lui. Op die kerels die op wildvreemde vrouwen afstapten om hen met vlotte babbel en halve glimlach in te pakken, ongehinderd door zelftwijfel of gêne. Lefgozers! Tuurlijk, als ik hoorde wat voor clichés ze ophoestten maakte mijn jaloezie plaats voor dedain. Losers! Eigenwaarde eerst! - en andere lulkoek om mijn verlegenheid wat op te waarderen.

Daarbij vond ik mezelf meer type lone wolf. Urenlang met filosofische blik aan de toog hangen, turend naar het parallelle universum in de barspiegel, soms een bloknoot trekkend om geniale invallen op te tekenen. Getormenteerd createur! Hoewel ik de pose tot in detail geperfectioneerd had, bleef het magnetische effect uit. He-le-maal niets gebeurde er. Twee verklaringen had ik: mijn zwijgzame charisma schrok de meiden af, of de lone wolf werkte uitsluitend als je een mooie jongen was. Uiteraard hield ik het op ‘t eerste.

Meer indruk maakte ik in een roedel. Omringd door de juiste foute vrienden wist ik mijn verlegenheid te overschreeuwen met scherpe grapjes (=spannend in bed) en galmende schaters (=ontspannen in bed). Tussen het tetteren door hield ik nauwlettend in de gaten of ik wel opgemerkt werd. Of waren dat geïrriteerde blikken? De vruchten van zo’n spontane stand-up heb ik zelden mogen plukken omdat geen buitenstaander trek had in zo’n roedel, laat staan om met de zelfverklaarde alfa te flirten. Eenzaam waren mijn hoogtepunten.

Slechts een paar keer in mijn leven heb ik echt de stoute schoenen aangetrokken. Alleen als ik verliefd was, en uitsluitend na weken van intensief oogcontact mijnerzijds. Zoals daar waren: de joodse godin (denk Maria Schneider, maar dan joods) die direct met een vriendin ging zoenen toen ik haar aansprak. De fluitiste-van-die-bekende-band, die me opnam met wat-kom-jij-in-godsnaam-doen-rukkertje smaal. En die brunette-met-tangokont, die zo ontzettend de andere kant opkeek tijdens ons gesprek dat mijn mojo een verbale vastloper kreeg. Iedere keer zakte ik de Marianentrog dieper in. Toch, worst case scenario’s waren het niet, omdat de dames precies zo reageerden als ik verwacht had. Eager to please, it’s not for me.

Nu heb ik Facebook. Omringd door een roedel verkeerde vrienden kan ik hier de hele dag filosofisch voor me uit typen. Niet dat mijn lezeressen erin stinken (createur = loser). Zelf houd ik ‘t er graag op dat ik de blogs voor mijzelf schrijf, dat ik the other me probeer te versieren met een parallel universum waarin mislukking triomfeert in plaats van torpedeert. Nog even en ik maak misbruik van mezelf - voor één nachtje, dan heb ik het wel gehad met die getormenteerde blik.

Getormenteerde muurbloem


De eenzame wolf loert naar een prooi

Dat ging zingen

Het was tijdens Pandora’s Music Box, een new wave popfestival in 1983, dat ik hem voor het eerst trof. In een achterafzaal in de Doelen, om een uur of twee ’s nachts. Ik had een dozijn ijdeltuitbandje afgewerkt en iedere hoop opgegeven nog iets met kloten te zullen horen. Tot ik de zaaldeur opende. En omvergeblazen werd door een geluidsmuur. Een deinende menigte brulde uit volle borst ‘OLALALAAA!!’ mee met een zanger die, gekleed in driedelig doorzweet Waterloopleinpak, zijn hart uit zijn longen stond te zingen, de microfoonstandaard heen en weer zwiepend als een white trash James Brown. A live one, middenin de impotente jaren tachtig.

Sinds die avond heb ik Arno Hintjens en zijn TC Matic gevolgd. Ieder optreden gaf ie een performance weg alsof zijn leven ervan afhing. Dat hij zo voor zijn show leefde kwam niet alleen doordat ie verslaafd was aan adrenaline. Hij kon ook echt niet zingen. Studio viel ie door de mand met zijn afgeknepen, nasale stem; in interviews zei hij zich dood te schamen voor eigen keeltje. Sterker, hem was regelmatig geld geboden om in godsnaam zijn bek te houden. Een zanger die noodzakelijkerwijs performer was geworden.

De te meer reden voor mij om Arno tot role model te maken. Ik was namelijk ook bezig met een bandje en kon net zo slecht zingen als hij. Succes is een keuze! Ik leerde mezelf zwiepen met een microfoonstandaard en jatte zijn gypsy chic look (behalve als ik naar een concert van TC Matic ging uiteraard, want wilde niet versleten worden voor ordinaire fan). Nu nog beroemd worden.

Want Arno was de darling van de media. Met zijn vermoorde onschuld en meedogenloze stotter wist ie iedere talkshow host in te pakken. Dat zou ook mijn forte worden, interviews geven! Toch leek er een uitgekookte strateeg te schuilen achter deze rock ’n roll clochard. Hintjens was ontzettend ambitieus. Zozeer dat ie zijn TC Matic liet vallen, solo verder ging. Waarop de muziek steeds minder muur werd en steeds meer levenslied. En Arno steeds minder ging luchtneuken en steeds meer probeerde te zingen. Zelfs prestigieuze prijzen won. Schrijnend, zo’n teloorgang.

Inmiddels is Arno alweer heel wat jaartjes role model áf. Ik heb hem gedumpt toen ik ophield met mijn eigen bandje. Gestopt op het hoogtepunt van mijn roem (1995, 31 man publiek, waarvan 28 gegijzelde vrienden) omdat ik mijn stem niet zuiver kon krijgen. Althans, dat is de officiële versie. Eigenlijk was ik bang zo te eindigen als mijn idool, anno 2015 een pensioengerechtigde barkrukzanger met pens en onderkin die de Tom Waits onder de Jacques Brels uithangt (niets zo genant als authenticiteit!). Maar soms, als ik een slok op heb, dan mag ik weer even. Dan doe ik de gordijnen dicht, trek ik mijn driedelig Waterlooplein aan, haal ik de ondergestofte microfoonstandaard uit de kast, zet ik mijn koptelefoon op, klik ik een TC Matic-hit aan, en word ik het ergste podiumbeest dat er tussen de schuifdeuren heeft huisgehouden. O la la la! Het podiumbeest
Foto: Danny Willems, Arno Hintjens te Montmartre, 1987

In de Maastunnel

Bijna waren we onderuit gegaan. Met de Honda 550K3, in de bocht van de Maastunnel, spekglad door regen en olie en bierhoofd. Met acrobatische toeren had ik de motor overeind weten te houden, maar ‘t scheelde weinig of we waren een berichtje in de Havenloods geworden.

Zo’n bijna-doodervaring verbroedert natuurlijk. Terwijl we al goede vrienden waren. In de kroeg schaterde zij altijd om mijn grapjes, ik kon uren in haar slaapkamerogen turen. Maar eigenlijk was ik zo’n goede vriend die meer wilde dan verbroederen. Zeker op de avond dat we bijna dood waren gegaan.

Gelukkig bleek ze samen te wonen met d’r ‘ex. Dat was verknipt genoeg voor mij om me er gelijk thuis te voelen. Haar ogen loodsten me richting slaapkamer. Vijf minuten later in het tweepersoonsbed trok ik de stoute schoenen aan. Zij deed lief, ik deed stoer. Zij had ervaring, ik had er veel over gehoord. Soms is lust mooier dan liefde, zeker als je het voor het eerst doet.

‘t Is niet bij die ene maal gebleven, maar een relatie zat er niet in. Misschien omdat we nooit meer dronken op de motor zaten, misschien omdat zij netjes op zichzelf ging wonen. Volwassen worden en seks, dat bijt elkaar een beetje. Maar indruk heeft ze gemaakt. Nog steeds bedrijf ik de liefde ‘t liefst als alles aan een zijden draadje hangt. Dan voelt iedere keer alsof het de laatste is. Of de allereerste. La petite mort
Met vier uitlaten!

Op de singel

Eigenlijk mis ik het meer dan ‘t haar zelf. Het gefluister van de schaar, het aroma van goedkope aftershave, het geritsel van de leesportefeuille vol guilty pleasures. Goede herinneringen, vooral aan mijn jeugdkapper.

Hij zat twee panden verderop op de Heemraadssingel, dus ik kwam er vaak. Aan de wand hing een langgerekte foto van de ss Rotterdam die zich lui door sleepboten de haven liet uit trekken. Vermoedelijk was de singel een te dure plek voor de kapper, want hij werkte zich hellemaal ‘t schompes in zijn eentje. Heel West liet zich er knippen, snel en zonder fratsen. Voor trendy coupes moest je elders wezen.

Ik kwam er meestal met mijn vader. Die was binnen een minuut klaar want kalend, waarna zijn schedel besprenkeld werd met Dr. Dralle’s Berken Haarwater – toentertijd een beproefd elixer annex wijwater tegen haaruitval. Voor mij was het zaak om er zo min mogelijk af te laten halen. Lang haar was ‘in’ en ik ambieerde slierten tot op mijn schouders. Dat ik voor meisje uitgemaakt werd maakte me niet minder tot rockstar. Maar knippen is een intieme kwestie. En de kapper, in mijn herinnering meer dan twee meter lang en kromgetrokken door zijn werkhouding, was verziend en uitgerust met een enorme gok. Hij zat zó dicht op me dat ik in zijn neusgaten leek te verdwijnen, onderwijl biddend dat hij mijn oren bedekt zou laten.

Bij zo’n herenkapper oude stempel wordt natuurlijk niet geroddeld. Er wordt geouwehoerd. Iedereen hoorde hij uit, maar zelf werd ie ook aan de tand gevoeld. Over zijn zoons bijvoorbeeld, die doorleerden. ‘Dan hoeven ze later geen putjesschepper te worden,’ zei hij trots. ‘Of kapper,’ beet een klant hem toe. Waarop een pijnlijke stilte viel - zelfs zijn schaar hield even op met fluisteren. ‘Of kapper,’ beaamde de kapper, om weer ijverig door te knippen, de hete adem van de hypotheek in zijn nek.

Hoe ouder ik werd, hoe vaker ik verstek liet gaan. Ben zelfs een keer vreemdgegaan. In de discotijd was dat, toen Ineke, de doktersassistente-die-geen-bloed-kon-zien, me verzekerde dat het tijd werd voor een trendy coupe. Dat heb ik geweten. Ik kwam terecht op de Westersingel, bij een coiffeur die uitsluitend op afspraak knipte. Hij nam me op alsof ik door zijn Birmaan was uitgebraakt, duwde me achterover in de stoel en begon… mijn haar te wassen! Nauwelijks bekomen van deze vernedering werd ik bedreigd met een permanentje. Goddank dat ik maar vijf gulden op zak had. Ongeknipt naar mijn eigen kapper gevlucht, om me daar vol overgave door zijn neusgaten te laten opnemen.

Toen ik het ouderlijk huis eenmaal verlaten had was ik chronisch blut. Ik deed een beroep op vriendinnen, die nogal intuïtief te werk gingen maar mijn oren bedekt lieten. Als het uit was moest ik me behelpen met een vakman. Zoals de Ku Klux Klankapper in Utrecht, wiens rondborstige dochter d’r voorgevel in je nek duwde. Aan deze happy cutting hing een moreel prijskaartje, want op cruciale knipmomenten (coupe Jim Morrison of coupe Elton John) werd je mening gevraagd omtrent rassenvermenging. Dan zat ik toch meer relaxed bij de Kukidentkapper op de Twijnstraat. Die was old skool tegen het dementeren aan. Hij liet zijn gebit klepperen op het ritme van de schaar, wat een kalmerend effect op me had. Slechts één onderwerp van gesprek had ie: het reisje langs de Rijn dat ie ooit gemaakt had. Ieder bezoek was het voor mij een uitdaging om nieuwe verhalen over dit avontuur aan hem te ontlokken, en belangrijker, om mijn hoofd zó scheef te houden dat ik zijn afwijking naar rechts kon corrigeren.

Inmiddels ben ik twintig jaar zelfvoorzienend met de tondeuse. Kost niks en zo gepiept. Maar wat zou ik graag nog een keertje aanschuiven op de Heemraadssingel. Donald Duckie erbij, naar de luie ss Rotterdam turen om, eenmaal aan de beurt, ‘de oren graag bedekt houden’ te mompelen tegen de inmiddels 120-jarige neusgaten. En me na afloop te laten zegenen met een halve liter Berken Haarwater.

De stilte van de kapper
De oren graag bedekt houden

En de sneeuwschoenen

‘JE BENT DE ENIGE DIE AAN ME GEWAAGD IS!!,’ schreeuwde ze in mijn oor, om gelijk weer door te gaan met dansen zoals ze altijd danst: wild en sexy, dierlijk en sierlijk. Ik grijnsde en keek om me heen. Ze had gelijk. De dansvloer was gevuld met studentjes die net zo lullig hupten als hun ouders dat deden op de discodeuntjes van weleer: slap en veilig, gespeend van ieder greintje perversie. Dan waren wij toch van een different league. Zelfs met sneeuwschoenen aan.

We hadden elkaar die avond getroffen in het café. Per ongeluk en een beetje expres, want ooit Ons Café. Zo’n wederzien is geladen omdat de seksuele spanning ook na al die jaren niet verdwenen is. En geen onverdeeld genoegen omdat mijn ‘ex in zo’n beetje iedere opmerking het verwijt laat doorklinken dat ik nooit voor haar gekozen heb. Terwijl we toch zo hecht waren! Zestien jaar lang! Knipperlicht of niet! Misschien heeft ze gelijk. Misschien heb ik onze passie onvoldoende op waarde weten te schatten, zoals ik ook het leven nooit echt omarmd heb. En misschien had ik met haar moeten trouwen. Kinderen moeten krijgen, die dan net zo vunzig gedanst hadden als wij dat deden. Maar dat heb ik allemaal niet gedaan.

Op zo’n avond bekruipt me het gevoel dat we in het verkeerde universum zijn beland. Althans, dat ik dat ben. Zij heeft inmiddels een nieuwe liefde gevonden. Een vent waar ze op kan bouwen, zo degelijk als een Vinexwijk. Of hij aan haar gewaagd is qua dansvloer durf ik te betwijfelen, maar vreemdgaan doet ze niet, zeker niet met iemand die haar ongelukkig heeft gemaakt – hoe spannend ie ook swingt. Dus toen de Dom drie uur sloeg en we met bezwete wijnhoofden huiswaarts keerden, namen we afscheid zoals dat exen betaamt: pakkerds op wangen, het gesmak gesmoord in de bruine sneeuwblubber. Over en uit. Maar dat beeld van haar, ongeremd dansend in de bierplassen, een glimlach op d’r gezicht alsof het gesternte ook voor haar even perfect stond, betoverde me als een beeldecho van lang vervlogen tijden, opgevangen door een sterrenkijker, voor eeuwig op mijn netvlies gebrand.

De sterrenwacht
En dan uw partner voorzichtig door de lucht gooien...

Wet, windy & sleazy.

Just the way I want her to be.

Sleazy Rotterdam
Juist klappertandend is ze sexy

Vanachter haar oculair

‘Wij geven om u’, verzekert een poster mij terwijl ik de virtuele goudvissen in de virtuele vijver van het UMC voer. Het credo is moeilijk te geloven als je zelf bij de afdeling Leugen & Bedrog van een ziekenhuis gewerkt hebt. Toch denk ik wel eens dat dokter V. echt om mij gaf. En misschien meer dan dat.

Begin dertig was ze, toen ik voor het eerst op haar spreekuur kwam. Kastanjebruin opgestoken haar en een loensblik die extra opviel omdat ze specialist was op de afdeling oogheelkunde. Zelfs haar Limburgs accent vond ik sexy. Maar wat dokter V. voor mij bijzonder maakte was haar engelengeduld.

Ieder kwartaal als ik op controle kwam om mijn oogbaldruk te laten meten in verband met dreigende blindheid, wist ze me gerust te stellen. Dat was hard nodig, want zo’n opmeetapparaat wordt tegen je oog aangedrukt. Een bedreigend, invasief gevoel dat bij mij een afweerreflex opriep. Niet dat ik wild om me heen ging meppen, maar knipperen kon ik moeilijk onderdrukken. Dokter V. was de eerste die mijn spasmen aanvoelde. Ze praatte op me in met haar heerlijke zangstem en bewoog haar apparaat zo soepel naar mijn oogballen toe dat het opmeten op den duur vanzelf ging: het reflex verdween alsof ik nooit afgeranseld was. Born again onder haar meesterhand.

Enkele jaren heeft ons oogcontact geduurd. Iedere afspraak opnieuw was intiem, vooral als ze mijn oogzenuwen op onregelmatigheden controleerde. Welk een souplesse! Eenmaal heb ik haar in het wild mogen ontmoeten. Bij toeval, op de parkeerplaats van een motorzaak. Wat zag ze er stoer uit in dat strakke racepak, en wat stak die bos krullen wulps onder d’r helm uit! Ik leunde nonchalant tegen mijn chopper aan, onderwijl verdrinkend in haar loens. Na wat smalltalk vertrok ze op haar rijstraket, een ronkend rubberspoor achter zich latend.

Maar aan al het moois komt een einde. Op een dag vertelde ze me dat ze zwanger was. Niet van mij hoor. Maar het nieuwe leven was aanleiding om uit te vliegen. Terug naar het Zuiden, zo vermoedde ik. Door het Maasdal racend, op zoek naar nieuwe spastische uitdagingen.

Sinds haar vertrek heb ik een dozijn andere oogartsen versleten. De ene nog professioneler dan de andere. Maar geen van de dames – bijna alle oogartsen in het UMC zijn vrouwelijk – kan mijn oogballen zo subtiel opmeten als dokter V. dat deed. Laat staan dat ze er sexy bij loensen of me met zachte G geruststellen. Als ik nu het apparaat tegen mijn ogen aangedrukt krijg, denk ik maar aan dokter V. Natuurlijk hoop ik dat zij ook nog eens aan mij terugdenkt. En dan niet alleen aan mijn ballen.

Zij geeft om mij
Nog voordat de fotograaf het bewustzijn verl...