blog titels

Blog

In een doortochtflatje

In afwachting van de roem die mij ten deel zal vallen als schrijver, heb ik mijn keukenvloer laten egaliseren opdat ik van mijn handen – en van een bepaald orgaan – een afdruk kan achterlaten in mijn flatje, dat na mijn verscheiden zal uitgroeien tot bedevaartsoord.

leesbarenaamfoto
Klaar voor de Eeuwigheid

Met de crematorium-look

Graag even uw likes voor mijn spiksplinternieuwe inrichting. Heb ik wel verdiend. Zoals u ziet heb ik gekozen voor een strakke maar stemmige ambiance, waarbij zwartlederen zitcomfort, haagbeuken laminaat en asgrijze vitrages warmte en verdieping krijgen dankzij een nauwlettend gecomponeerde foto-impressie van watervallen en een salontafel vervaardigd van duurzaam tropisch hardhout. Ook heb ik me laten verleiden een televisie aan te schaffen (uiteraard in gelijksoortige stijl), om meer verbinding met de maatschappij te voelen. Home is where the heart is!

Hoe graag had ik dit stukje zo willen beginnen. Helaas. This is not my beautiful house. Ik leef in een leugen. Waar ik over een week alweer uit moet. Het is een zogeheten logeerwoning, waarin ik moet bivakkeren tot mijn eigen flat opgeknapt is. Alsof dat iets zal helpen.

Want waar ik ook woon, altijd oogt mijn thuis alsof er net is ingebroken. En zelfs dat niet. Komt allemaal door mijn voorkeur voor pragmatische inrichting. Lees: troosteloze meuk die je bij het grofvuil van een TBS-kliniek verwacht. Die neiging naar ongezelligheid is een keuze, zo maak ik mezelf graag wijs. In een huis dat zijn best doet zou ik me ongemakkelijk voelen. ‘Als het maar werkt’ is mijn devies. ‘Je woont in een werkhok!’ verzuchtte mijn ex toen ze na een weekendje logeren toch wel erg opgelucht was dat ze weer mocht vertrekken. Ze bedoelde natuurlijk ‘woonstudio’. Omdenken, dat geeft zoveel gemoedsrust.

Maar niet voldoende. Want de enkele keer dat er een loodgieter over de vloer komt of de laatste Jehova’s getuige zijn voet tussen de deur wringt, staat het schaamrood me op de kaken. ‘Ja, ik ben aan het opknappen,’ begin ik dan ongevraagd, ‘de vorige bewoners hebben het compleet uitgewoond!’ Vrienden ontvang ik zelden aan huis. Liever maak ik een afspraak in het café, waar ze de leuke Rein treffen, in plaats van de manisch typende mood swinger die ‘IS HET HIER GODVERDOMME NOG NIET GEZELLIG GENOEG!’ brult als zijn ex een kaarsje wil aansteken. Terwijl mijn flat volgens haar zó’n potentieel heeft. Zeeën van ruimte! Schitterend uitzicht op het kanaal! Fonkelende lichtinval!

Dus. Genoeg is genoeg. Over een week gaat het roer om. Dan moet en zal ik aarden, voor het eerst in veertig jaar. Sterker, van de woningbouwvereniging heb ik al nieuwe keukenkastjes moeten uitzoeken. En een beukenhouten aanrechtblad. En kekke douchetegels. Mijn gezelligheidsdetector sloeg uit alsof ik lamellen ophing in de living van Tsjernobyl. Jammer dan. Ditmaal zet ik door. Groots genieten ga ik van mijn nieuwe thuis. ‘Het begint al!’ hoor ik Kamagurka’s Bert zeggen.

Voor nu echter mag ik nog even mijzelf zijn in deze logeerwoning. Woonideeën opdoen. En smullen van de dure chocolade die de woningbouwvereniging heeft achtergelaten om de verbannen bewoner welkom te heten. Merci! Niet dat ik gepaaid hoefde te worden, want ik voelde me direct thuis in de crematorium-look. Alsof ik een woonmagazine ben binnengestapt, of andermans bestaan heb gekaapt. Niets dat me aan mijn eigen leven herinnert! Er hangt zelfs een onpersoonlijk luchtje. Zouden er spuitbussen bestaan met Neutrale Mensengeur, zoals ze ook nieuwe auto’s allemaal hetzelfde luchtje meegeven?

Woongenot is een keuze
Het begint al!

Van Sjors

‘NNN*UKENNNN!!’ gromde Sjors boven het zoveelste fluitje Heineken, zijn snijtanden ontblotend. Behoorlijk dreigend klonk dat, terwijl deze veertiger met zijn corduroy jasje, Rien Poortvlietsikje en dwars gekamde haar toch vooral op een leraar biologie leek. Het waren zijn ogen die afweken. Die loerden de kroeg rond als een roofdier. Niet op zoek naar iets neukbaars, maar naar iets provoceerbaars; een studentje met bekakte praatjes of een koppelbaas met sterke verhalen. Stuk voor stuk werden ze door hem op de korrel genomen. Niemand had zo’n grote lulkoekdetector als Sjors.

Zijn geld verdiende hij met olieboren in Arabië. Dat deed ie een paar maanden non-stop om er dan de rest van het jaar op te teren. In onze stamkroeg om precies te zijn. Daar zoop hij alle fluitjes op die er in het fust zaten. Toch, zat heb ik hem nooit zien worden. Sjors had geen kwade dronk nodig voor zijn misantropie.

Waarom ik hem mocht weet ik niet meer precies. Misschien omdat hij de enige van het meubilair was die nooit sociaal wenselijk probeerde te doen. Of omdat ik een oudere broer in hem vermoedde. Waarom Sjors mij mocht weet ik ook niet meer precies. Misschien omdat ik de enige stamgast was die wel eens een normaal gesprek met hem aanknoopte. Dan liet hij iets doorschemeren van de doodeenzame ziel die er achter dat sarcasme schuilging. Scheelden we meer dan twintig jaar, als we samen aan de toog hingen leken we overlevenden van eenzelfde disfunctionele familie.

Zo tegen sluitingstijd liet Sjors steevast een taxi bellen. Bestemming: Katendrecht. Want dat NNN*UKENNN!! deed ie natuurlijk niet met een vriendin, maar bij de hoeren. Eenmaal vroeg hij me mee naar de Kaap. Niet om van bil te gaan, daar was ik veel te bleu voor, maar voor een afzakkertje. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Als enige kaaskoppen belandden we in een pikdonkere Surinaamse kroeg. Was grootverbruiker Sjors hun roomblanke mascotte, ikzelf voelde me minder op mijn gemak, en probeerde die angst te overschreeuwen door de loftrompet af te steken over mijn held Chuck Berry - getetter dat normaal gesproken direct door Sjors op de korrel genomen zou worden. Maar toen mijn bravoure niet gewaardeerd werd door de clientèle en er zelfs iemand met me op de vuist wilde, hoefde Sjors slechts te grommen om de gemoederen te bedaren. We zijn heelhuids thuis gekomen.

Bij Sjors wel te verstaan. Hij had een tweekamerappartementje op de Brielselaan, zo mogelijk nog deprimerender dan mijn eigen schimmelhok in Oud West. En zo apart. Nog voordat ik dronken op zijn sofa in coma viel vroeg ik hem waarom hij in godsnaam beide kamers een stofzuiger in aanslag had staan. ‘Dan hoef ik minder moeite te doen,’ antwoordde hij met een blik alsof ik naar de allerbekendste weg vroeg. Zulk een rücksichtslos doorgevoerd pragmatisme maakte een onuitwisbare indruk op me.

Nu ik mijn sporen had verdiend als kroegpuppy vroeg hij me ook een keer voor een klus. Samen met wat andere stamgasten auto’s van A naar B rijden. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Rillend van de katerpaniek zat ik de volgende dag achter het stuur, me bij iedere af te leggen meter afvragend of de auto gestolen was, hoeveel lijken en drugs er in de kofferbak lagen, of ik nog te veel alcohol in mijn bloed had en of je al rijdend een blackout kon krijgen. Helemaal niets gebeurde er. En toen ik een paar uur later een zakje zwarte centen in mijn knuist gedrukt kreeg in het crimineelste café van de Brielselaan, voelde ik me bijna een Sjors jr.

Onze stamkroeg sloot voorgoed haar deuren. Ik verloor Sjors uit het oog. Pas jaren later trof ik hem in een nieuwbakken bruin café te IJsselmonde. Hij ontblootte onmiddellijk zijn geelgerookte roofdiertanden. Wat een weerzien! Maar wat zag hij er… apart uit. Zijn dwarsgekamde haardos was gereduceerd tot enkele slierten, zijn wolvenogen staarden flets voor zich uit. Hij nipte aan zijn fluitje in plaats van het achterover te klokken. Olie boren, daar deed hij niet meer aan. Naar de hoeren ging ie evenmin meer. Hij woonde nu samen. Met een vrouw die carrière maakte. Ware liefde! Misschien had hij daarom geen zin om met haar te NNN*UKENNN!! Ik knikte begripvol. Bestelde nog een fluitje voor hem, wenste hem alle lust van de wereld en verdween voorgoed uit zijn leven.

Een Sjors geworden ben ik niet, al vermoed ik ergens een fanatiek olieboorder en notoir hoerenlopen deep down inside of me. En als ik nu foto’s van Sjors bekijk flitst het wel eens door me heen dat hij misschien vooral een triest geval was, een barfly die zijn levenslust verloor toen hij probeerde te aarden. Maar ik pas voor dat soort tijdreisarrogantie. Voor mij blijft Sjors de enige kroegwolf die twee stofzuigers in aanslag had. En gezegend was met de grootste lulkoekdetector van Rotterdam Zuid.

De stofzuigers
Sjors on a roll

Van Central Park

Central Park, New York City, ergens halverwege jaren negentig. Op een bankje zat ik, in het vroege ochtendzonnetje met mijn pocketboekje. Mijn maat lag zijn roes uit te slapen in het vlooienhotelletje, maar ik moest van mezelf zo nodig genieten. Ik zat er helemaal klaar voor, in dat zonnetje met dat boekje. Het begint al! hoorde ik mezelf iedere tien seconden denken.

Nadat ik een kwartier krampachtig in mijn boekje gestaard had kwam er een man aanlopen. Jaar of veertig was ie, rasta-look, relaxte glimlach en kuierende pas. Dat was pas iemand die genieten kon! Hij hield in toen hij mij zag zitten. Keek me opeens aan met doordringende blik – de target lock van een roofdier! flitste het door me heen. Snel drukte ik mijn neus weer in het boekje. Terwijl ik me nog zo voorgenomen had om aan mijn wantrouwende natuur te werken!

Gelukkig had hij minder last van vooroordelen. Hij sprak me aan over de Martin Amis die ik aan het lezen was, Money getiteld. We raakten in gesprek over literatuur, over het verschil tussen Engelse en Amerikaanse literatuur, het leven in The Big Apple en andere cultuurdingetjes. Hij was een bereisd man. Kende Utrecht, wist zelfs van de beruchte FEBO snackautomaat. Na een half uur kletsen nam zijn verhaal een trieste wending. Hij kampte met acute geldproblemen. Of ie een tientje van me kon lenen. Voor een paar uur, dan zou zijn broer terug zijn en kon hij het mij terugbetalen.

Ik keek hem nog eens goed aan. Wantrouwend als ik mag lijken (thuis krijgen collecteurs van het Kankerfonds geheid een taser op hun bus), dicht ik mezelf toch vooral mensenkennis toe. Een zesde zintuig voor authenticiteit zeg maar. Zo’n detail als die FEBO, dat verzin je niet! Ik WIST gewoon dat deze man deugde. Trok mijn portemonnee, wilde er tien dollar-biljet uit trekken, aarzelde even, pakte een twintigje, om dat weer terug te stoppen en uiteindelijk vijftig dollar tevoorschijn te toveren. Ik gaf hem het geld met een relaxte glimlach. Zei dat ie me die middag om vijf uur in de kroeg bij mijn hotel café kon vinden. Zóveel vertrouwen had ik in hem. En in mijn zintuig.

De man moest even slikken. Hij bedankte me, stak het biljet bij zich en vervolgde zijn pad, om zich nog even om te draaien en twee duimen omhoog te steken. Ha! Het genoegen was geheel mijnerzijds. Ik kon weer genieten van het zonnetje, en vooral van mijzelf. Dit was nou wat ze bedoelden met making a difference! Ik had iemands vertrouwen in de mensheid hersteld!

Uurtje later trof ik mijn maat in de kroeg bij het hotel. Vertelde hem mijn verhaal met enige terughoudendheid, want verwachtte de nodige scepsis en wilde dat goede gevoel nog even vasthouden. Pas na lang doorzeuren wist hij me de details te ontfutselen. ‘Vijftig dollar? VIJFTIG DOLLAR!? JIJ HEBT EEN WILDVREEMDE VIJF-TIG DOL-LAR GELEEND?!’ Zó hard moest hij lachen dat ie bijna de kroeg werd uitgezet. Vijftig dollar! Hij bleef maar doorhinniken, zeker toen ik nog even over die FEBO begon. Een loeiende cash cow, dat was ik! Zo een die de staart opsteekt om eens goed genaaid te worden! Ik mompelde iets over een zesde zintuig en bestelde boos een biertje. Maar toen de klok eenmaal vijf uur geslagen had werd ik toch wat onrustig. Kwartiertje vingertrommelen later trok ik wit weg. Om half zes werd ik zo stil dat mijn maat bijna medelijden kreeg. Geen rasta te bekennen.

Gods wegen wegen zijn echter ondoorgrondelijk, om maar niet te spreken van onzorgvuldig, zo zou een paar dagen later blijken toen mijn reisgenoot wat traveller’s cheques inwisselde bij een bank. Direct nadat hij de transactie voltooid had siste hij mij in de mijn oor: ‘Wegwezen hier!’ Drie blokken snelwandelen verderop legde hij me uit wat er aan de hand was. De bankemployee had hem – je verzint het niet – honderd dollar te veel uitbetaald. Honderd dollar! Goddelijke interventie! ‘Maar,’ wierp ik tegen met een frons, ‘moet dat straks niet uit de zak van die slordige bankemployee komen? Of erger: wordt ie nou niet ontslagen? Zijn huis uit gezet? Central Park in gejaagd!?’ Welnee. Volgens mijn maat was het risico geheel voor de bank. En hij kon dat weten, want had ooit bij het grenswisselkantoor gewerkt. ‘Werd je daar niet ontslagen?’ probeerde ik nog. ‘Niet zeuren!’ was het antwoord. Ik hield mijn smoel al, zeker toen hij me een vijftig dollar-biljet toestopte. Pleister op mijn hevig bloedende zelfdunk.

Uitgegeven heb ik het biljet nooit, al brandt het soms in mijn zak. Het voelt als behekst. Steeds als ik het in de bus van de kankercollectant wil stoppen, gaat er een alarmbel af in mijn kop. Want wij stervelingen mogen dan graag een verschil willen maken, Onze Lieve Heer is toch vooral van het natuurlijk evenwicht. Geheid dat als ik die vrijwilliger de dag van zijn leven bezorg, er elders op aarde iemand luid loeiend genaaid wordt.

De FEBO-man van Central Park
Iedere gelijkenis met de persoon op de foto berust op louter toeval. Grapjes worden niet op prijs gesteld.

En zijn geheim

Iedere keer als het treinverkeer lam ligt denk ik even aan Leo. Dat is nogal eens het geval, terwijl ik Leo maar eenmaal ontmoet heb. Op de slotavond van mijn stamkroeg in Rotterdam–Zuid. Leo was een twee meter lange gozer in een veel te nieuw spijkerpak achter zo’n meekleurende bril die je een ziekelijke oogopslag geeft. Hij hield zijn schouders opgetrokken en huiverde steeds, alsof hij zich chronisch onbehaaglijk voelde.

Hij vertelde me dat ie, net als ik, vegetariër was. Niet omdat hij zo van dieren hield, maar omdat ie het een smerig idee vond om dierenlijken te eten. Dat sprak me wel aan, deze lugubere variant! Dus toen de kroeg haar deuren sloot, ging ik op zijn uitnodiging in om bij hem nog een pintje te vatten.

Zijn huis was een vrijstaand kraakpand aan het spoor en bestond bijna geheel uit een werkplaats volgestouwd met elektronica, met in een hoekje een slaapzak en een koffiezetapparaat. Leo was specialist op het gebied van plus & min, zo vertrouwde hij me toe, en werd door de Spoorwegen regelmatig ingeschakeld bij complexe problemen. Daar verdiende hij zijn geld mee. Maar zijn passie lag elders.

Hij was namelijk anarchist. Het ontregelen van de maatschappij, dat was zijn ding. Afbreken die corrupte structuren! Ik keek er niet van op, want eind jaren zeventig beweerde zo’n beetje iedere snotneus dat. Alleen was Leo helemaal niet punk. Hij was een échte anarchist – zo een die erover nadacht! En belangrijker: hij had een boek liggen waarin uitgelegd werd hoe je een bom kon maken. Tegenwoordig weet zo’n beetje ieder huishouden-met-internetaansluiting dat wel, toentertijd moest je voor zo’n handboek heel wat tweedehandsboekenkrochten afstruinen en tussen de Mein Kampfs grabbelen. Het was de eerste keer dat ik even slikken moest.

Leo had een lading hasj liggen, want dat ontregelde natuurlijk ook. Hij stopte zijn waterpijp vol en ik lurkte stoer mee, al kon ik eigenlijk niet goed tegen een ontregeld brein. En door dat bommenboek zat ik er niet echt ontspannen meer bij. Leo evenmin. Hij zei dat ie ergens enorm mee zat, zonder te willen vertellen waarmee. Steeds als ik er naar vroeg, trok hij zijn schouders op en huiverde hij. Waardoor ik het nog meer op mijn heupen kreeg. Zou ie wat crimineels op zijn lever hebben? Iemand koud gemaakt hebben, met een elektrische stoel? Mensenvlees eten? De Spoorwegen willen opblazen? Hoe langer ik naar die zelfkleurende bril keek, hoe meer ik een psychopaat zag zitten. Ik probeerde in te schatten of de deur elektronisch vergrendeld was en de ramen onder stroom stonden.

Pas toen er een liter klamzweet over mijn ruggenwervels gegutst was, kwam het hoge woord eruit. Hij was homo, en dan zo een die uitsluitend op hetero’s valt. Ik weet niet meer of ik opgelucht was, of teleurgesteld. Want hoe vaak ontmoet je iemand die Het Systeem wil opblazen? Ik wees hem vriendelijk af, want zelf zo’n hetero die niet op homo’s valt. Maar sinds die nacht denk ik iedere keer als er ergens een trein strandt vanwege een ‘technisch defect’, dat Leo opnieuw afgewezen is. En hij het Systeem even wil laten voelen dat hij tot veel meer in staat is…

De anarchist
Een man met een geheim

voor 2016!

Nieuwjaar 2016
Een jaar vol uitdagingen

Van het troosteloze plein

Iedere ochtend als ik naar de sportschool fiets zie ik hem staan. Op het opgeleukte en daardoor troosteloze pleintje. Bewegingloos, de armen langs het lichaam, hoofd opgeheven, turend naar iets ondefinieerbaars. Bijna als de Februaristaker. Een stil protest tegen de klompendans des levens?

De eerste keer dat ik de Staker daar trof dacht ik: o jee, dat is er weer een. Onze buurt trekt nu eenmaal zonderlingen aan. Alleen al rond mijn blok zwermen er drie. Een werkloze Druipsnor die geen rijbewijs heeft dus met zijn seventies Ford maar heen en weer over de kade kachelt, blauwe walmen uitbrakend. De Klokkenluider, compleet met bochel en Beatles-coupe, die zijn boodschapjes doet in een onderbroekloze legging. En de Capuchon, een zwerver gehecht aan anonimiteit maar vooral aan zijn (vermoedelijk al jaren geleden ingeslapen) Yorkshire, die hij steevast achter zich aan sleept. Tot slot kunnen oplettende lezertjes in het halfschemer hun scribent ontwaren, snelwandelend langs het zwarte water van het kanaal, bij iedere scooteruitlaatknal melding makend van vuurwerkoverlast.

Maar de Staker, die is anders. Ongenaakbaar, zoals hij daar staat. Passerende bouwvakkers kloppen op hun voorhoofd, burgers versnellen hun tred. Het deert hem niet. Hij merkt het niet eens. Ikzelf negeer hem omdat ik niet wil dat hij denkt dat ik denk dat hij een zonderling is. Daarbij, hij lijkt eerder in trance dan krankzinnig. Alsof hij op een teken wacht, een signaal aan de hemel. Op kerstavond hoop ik hem er weer te treffen, samen met de drie zonderlingen uit het oosten, wachtend op een illegale Hongaarse vuurpijl die ons troosteloze pleintje oplicht tot het wonder dat iedereen erin kan ontdekken die maar even durft op te houden met dansen.

Mooie staking, beste lezer!

De Staker
De macht van de eenzame staker

Van de herrietent

Ze had lang vet haar, hoge jukbeenderen en miste een snijtand. Vooral dat laatste vond ik waanzinnig sexy. Halverwege de twintig was ze, op een leeftijd dat verval nog voor intrigerend kan doorgaan. Vermoedelijk was die tand er ooit uitgeslagen door een diender, want Yvette was a wild one. Ze woonde in een zwartgeverfd kraakpand, gebruikte speed, at rauwe knoflook, en ging met Jan en Alleman naar bed. Natuurlijk had ze wel een vriend, een boomlange boer uit de Achterhoek die knetterhard gitaar speelde voor halvolle zaaltjes.

Yvette flirtte graag met mij. Niet alleen omdat ik iets van vijf jaar ouder was, me vaderlijk opstelde en daarmee een zekere afstand bewaarde (mijn manier van hard to get), maar ook omdat ik rare grapjes maakte, een faux pas in de grimmige undergroundscene. Als ze diabolisch naar me lachte met haar hoge jukbeenderen had ik zin om even Jan en Alleman te zijn.

Dat had ik zeker toen ik haar die avond met mijn wijnhoofd tegenkwam in de herrietent. Ze was in gezelschap van haar vriend en van haar moeder, volgens de geruchten net zo’n mannenverslindster als dochterlief. Indruk maken op Yvette met wise cracks kon ik wel vergeten in de pokkenherrie. Bovendien stond haar boomlange boer in mijn licht, zijn tong afdalend in haar mond om te bewijzen dat hij meer had dan een harde gitaar. Geen enkele keer lachte ze naar mij. Haar moeder des te meer. Die had beide snijtanden nog, maar kon in de onderbelichte bar doorgaan voor een reuze spannende milf. Ik besloot tot mijn meest bizarre strategie ooit: ik liet me versieren door de moeder om de aandacht te trekken van de dochter.

De kater waarmee ik de volgende ochtend ontwaakte in haar suburb was van de gemeenste soort – de zelfhaatkater. Maar nog voordat ik mezelf kon vervloeken viel mijn oog op het lijstje op haar nachtkastje, waarin een foto van haar dochter, diabolisch lachend met missende snijtand – hetzelfde portret dat ik die nacht op zijn smoel had willen leggen omdat het mijn viriliteit ondermijnde. Na een korte stop op het toilet haastte ik mij, een oprotei naar binnen schrokkend, richting vrijheid terwijl de moeder me een onverstaanbaar telefoonnummer nariep. Zelden liet een tram zo lang op zich wachten.

Blijkbaar had ik toch iets goed gedaan die nacht én was dat onmiddellijk doorgebrieft, want diezelfde avond nog trof ik Yvette in het café met een wel heelveelbetekenende lach om haar jukbeenderen. Zou dit mijn Jan & Allemanmoment worden? Dan moest eerst die boomlange boer het veld ruimen, dacht ik als aspirant diabool. En besloot tot mijn meest overmoedige strategie ooit: ik stelde voor om een potje handje te drukken. Zogenaamd om de kater te verdrijven, maar eigenlijk om mijn alfapositie op te eisen. Zwaar gebouwd als de boer was ik niet, maar drie maal per week met dumbells sjouwen in het krachthonk had me toch een paar knappe biceps opgeleverd. Deze jongen zou dat varkentje wel even wassen! Ik rolde mijn mouw op, spuugde in mijn handpalm en spande mijn spieren aan, onderwijl glurend of ik Yvette’s volle aandacht had.

De doffe dreun waarmee de rug van mijn hand luttele seconden later op het cafétafeltje terecht kwam, werd slechts overstemd door de diabolische schater van Yvette. Natuurlijk lag het niet aan mijn mannelijkheid maar aan de kater, de valse techniek van de boer en de stand van Saturnus. Niettemin had ik me gedegradeerd van intrigerende filf tot wannabe macho. Terwijl de boer triomfantelijk zijn tong in de nahikkende Yvette liet afglijden, vertrok ik met de Noorderzon, ingedeukt ego tussen de benen geklemd. Het was de laatste keer dat ik Yvette zou zien.

In levende lijve dan. Soms google ik haar wel eens. Ze is makkelijk te vinden, want heeft carrière gemaakt als kunstenares. Op elke foto staat ze met die diabolische lach, al hebben de wilde jaren hun sporen achtergelaten – alsof ze naast die snijtand ook de rest van haar gebit is kwijt geraakt. Ik hoop dat zij ook nog wel eens naar mij gluurt. En dan hunkert naar de inmiddels grootvaderlijke biceps van haar favoriete filf, nog steeds niet helemaal hersteld van de toen zo scheef hangende Saturnus.

NB! De jongeman op de foto is niet gePhotoShopt, maar kampt met een genetische afwijking waardoor zijn rechterarm ‘dubbelgespierd’ is, hetgeen hem tot wereldkampioen arm wrestling heeft kunnen maken.

De filf
Rechtsdragend

Van de valse noot

Auto-tune pitch correcting plug-in heet de software. Daarmee kun je valse zangklanken loepzuiver laten klinken. Doet het ook real time, dus nooit meer afgaan tijdens een dronken karaoke. Ik had er goud voor gegeven toen ik nog optrad met mijn bandje. Want ik kon dan aardig componeren, mijn zang klonk nooit echt strak, ook niet na tienduizend keer een cd’tje inzingen. Doorslag gaf een video van een van mijn optredens, gemaakt door een vriend die me er nog regelmatig mee blackmailt. Exit singer/songwriter Rein.

Soms heb ik er spijt van dat ik mijn stembanden aan de wilgen gehangen heb. Zingen is zó veel lekkerder dan schrijven. En laten we wel wezen, er zijn legio popsterren – van Lana del Rey tot Nick Cave – die zich nooit hebben laten weerhouden door een zelfkritisch oor. Of kan het ze gewoon niks schelen? Afgunst Rein, allemaal afgunst!

Overigens had de auto-tune pitch correcting plug-in geen enkele kans gemaakt bij de keizerin van de valse noot, Florence Jenkins. Begin vorige eeuw veroverde deze volstrekt talentloze, maar vermogende sopraan de klassieke podia door het muzikale wereldje van Philadelphia te financieren. Florence zong niet een beetje vals, nee, ze zong BIANCA-CASTAFIORE-GLASBARSTEND-VALS. Een monument van valsheid was ze.

Volgend jaar wordt er een speelfilm over haar gemaakt door regisseur Stephen Frears. Dus voordat ik weer eens keihard in de lach schiet bij 00:11 van bijgevoegde opname, laat ik mezelf dan inpeperen dat zij straks door Meryl Streep vereeuwigd wordt, terwijl ik met mijn plug-in onder de douche sta te blèren.

Tip: zet het volume voluit: Florence op YouTube

Naam Foto
GLASBARSTEND VALS

Van Zuid

Als ik jeugdfoto’s mag geloven ben ik hier ooit als snotneus op de Spido gestapt om betoverd te worden door de almacht van de wereldhaven. Nu als ouwe lul neem ik de waterbus naar de duikbootloods van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij, alwaar ik met vrienden een reconstructie van het bombardement ga bezichtigen. Compleet met maquette, grofkorrelige panorama’s en een opgezette bommenwerper. Mooie aanleiding om in somberheid te zwelgen.

Tenminste, dat is het plan. Al turend naar de stad die ik op mijn zevenentwintigste ontvlucht ben – wég van de eenzaamheid die er door iedere straat leek te tochten – wacht ik op flarden uit de tijd dat overbewustzijn alles verscherpte tot het verpieterde. Maar er komen geen flarden. Niks geen toen. Er is alleen maar nu. En daarin schijnt de zon uitbundig op mijn muts, is het gezelschap even hartelijk als geestig en ligt zelfs het bombardement er kek bij. Wat me het meest verrast is dat het destijds zo onbewoonbaar verklaarde Katendrecht nu bruist van het leven met een markthal zoals de Markthal had moeten zijn; een hippe loods met geïmproviseerde eetplekjes, barbecue, oerpatat, zelfgebrouwen bier en mondharmonicaklanken. Dat is nog eens thuis komen!

Balen dus. Want eigenlijk had ik Rotterdam willen afschilderen als het betonnen verdwijnpunt dat ik gekend heb, het zwarte gat dat zieltjes vermaalde tussen glibberige kinderhoofdjes. Ook had ik iets dieps willen zeggen over eenzaamheid, dat je die niet kunt ontvluchten maar altijd met je meedraagt, in het beste gezelschap denkbaar. Om af te ronden met een dramatisch ‘ooit hoop ik te sterven in deze stad waarin ik niet leven kon,’ gestut door een zwart-witte selfie van getormenteerd gelaat. Helaas. Terwijl ik nageniet van Rotterdams bonzende donorhart, laat ik u deze propagandafoto als bewijs van mijn herboren chauvinisme.

Het donorhart
Lichtmatroos

Van Zuilen

Het was zo rond de millenniumwisseling dat ik er kwam wonen. Ik had mijn twijfels over de buurt, want al rezen de yuppiewoningen er als paddestoelen uit de grond, Zuilen werd toch vooral geregeerd door allochtone straatterroristjes en Utrechts volksgericht. Maar ik was verliefd op het eengezinswoninkje. En wat zag het straatje er netjes uit! Wat mij over de streep haalde was dat het huis ernaast leeg stond. Al enige maanden, zo vernam ik. Tegen beter weten in hoopte ik dat het onbewoonbaar verklaard zou worden wegens loshangend asbest.

Maar een half jaar nadat ik mijn verhuisdozen had uitgepakt stapte er een volks paartje uit een bestelbusje. Job en zijn lief waren mijn nieuwe buren. Job was iemand waar je onmogelijk omheen kon. Met zijn enorme pens, kolenschopschouders, powerliftbenen, blonde staart en Elvis-bril maakte hij een onuitwisbare indruk op me. Holy shit, dacht ik, dat gaat gezellig worden.

Al spoedig sprak ie me aan. Aanleiding was de Harley die ik in de huiskamer had staan en in het weekend uitliet. Toen ik de motor de voordeur uit duwde kwam Job quasi nonchalant kijken. Zelf had hij iets verderop in een garage een ‘trike’ staan, zo verzekerde hij me, zijn pens fallisch vooruit duwend. ‘Met Keverblok en apehangerstuur.’ Voor zo’n driewieler heb je geen motorrijbewijs nodig. En The King had er ook op gereden, in zijn Vegastijd. Vandaar.

Job was een prater. Hij oreerde over de buurt, over hoe die achteruit was gegaan. Steeds platter werd zijn Utrechts. Op een gegeven moment had ie het over de ‘buitenlandse honden’. Even dacht ik dat hij kampte met kynofobie (en dan de xenofobe subvariant). Tot de munt viel. Hij was mij aan het peilen, wilde dat ik kleur bekende. ‘Het maakt mij geen reet uit waar mijn buren vandaan komen,’ antwoordde ik eerlijk en zonder te prediken, ‘zolang ik maar geen last van ze heb.’ Ik betrapte me erop mijn Rotterdams uit de kast gehaald te hebben.

Job was gesteld op mij. Wilde bonden. Buddy's worden. Ik hield de boot zo galant mogelijk af. Toen hij vroeg of ik internet wilde delen, verzon ik een smoes over vastlopend dataverkeer (huiverig dat zijn surfgedrag ooit naar mijn IP-adres zou leiden). Als ie in de tuin stond te barbecueën en me een moddervette plofburger aanbood, mompelde ik iets over parttime vegetarisme. Hij leek oprecht gekwetst toen ik een schutting tussen onze tuintjes optrok.

Om toch op goede voet te blijven kwam ik af en toe bij hem over de vloer om een evergreen van Elvis aan te horen en zijn galmende stereotoren op te hemelen. Dan glunderde hij. En als ik ’s zomers op mijn motor over de Amsterdamsestraatweg hobbelde en Job in de andere richting op zijn trike passeerde, zonder helm want driewieler, zijn pens nu als airbag puilend onder zijn T-shirt, staartje vrijelijk wapperend in de uitlaatgassen, resoluut aan zijn versnellingspook rukkend, dan groetten we elkaar met stevige wuif.

Job zat in de bouw zei hij, maar ik zag hem toch vooral thuis zitten. Bovendien schreeuwde zijn fysiek ‘afgekeurd’. En hij vertelde wel erg graag over zijn rammelende nieren. Dan trok hij zijn T-shirt omhoog, alsof de organen zich in de lawine aan vetrollen zouden manifesteren. ‘Die artsen van het UMC, da’s allemaal tuig,’ zei hij met een blik die naar een genocide aan een onzichtbare horizon tuurde. ‘Die moet je opvoeden. Als ze niet naar me luisteren, dan trek ik gewoon even een kastje van de muur.’ Ik knikte alsof ik zelf nooit anders deed.

Dat Job kapotte nieren had weerhield hem er niet van zijn huisje compleet te verbouwen. Een mini-villa maakte hij ervan, met keukeneiland. Of dat niet zonde was, met zo’n huurwoning? Hij nam me op alsof ik uit de provincie kwam. ‘De enige manier waarop ik nog verhuis is tussen zes plankjes,’ antwoordde hij dead pan. De woningbouwvereniging legde Job bij de verherbouwing geen strobreedte in de weg, ongetwijfeld als de dood dat ie ook bij hen muurkastjes zou komen losrukken. Daarbij was Job een vakman. De opvallend smaakvolle inrichting liet hij over aan zijn lief, een pittige blonde tante met stresswallen onder haar designbril.

Logisch dat Job zijn paradijsje op alle fronten tegen onverlaten probeerde te beveiligen. Rolluiken, tralies, braakbestendige sloten maakten het tot een Fort Knox. Of was het een Alcatraz? Toen er toch een keer werd ingebroken en hij de dief op een haar na te pakken had gekregen, kwam hij bij mij uithijgen. ‘Die heeft mazzel gehad. Ik had zijn schedel op de stoeprand aan pulp getrapt.’ Weer moest ik even slikken. De wijkagent, een oude schoolvriend van Job, fluisterde me in dat ik ‘die bolle’ niet al te serieus moest nemen. Grote mond, klein hartje.

Maar Job was meer dan een grote mond, zo bleek toen zijn autocassetteradio gejat was. Hij wist precies waar ie de dader moest zoeken. Diezelfde avond nog zag ik hem op een groep hangjongeren aflopen, in zijn eentje, zijn pens nu als een stormram vooruit, staart overeind in de nek. Hij sprak de jongens aan, even kalm als gedecideerd. Waarschijnlijk repte hij iets over stoepranden, want even later kon Job in zijn bestelbusje weer genieten van zijn favoriete Elvisbandje. Zonder een klap uitgedeeld te hebben.

Enkele jaren zou het duren tot Jobs nieren definitief waren losgerammeld. Tussen zes plankjes werd hij de villa uitgedragen. Naar de begrafenis ben ik niet geweest, want van een echte vriendschap was het niet gekomen. Maar een goede buur vond ik hem wel. Vooral omdat ik geen last van hem had (op de verherbouwing en een repeterend Heartbreak Hotel na). Maar ook omdat ie iemand was die me leerde mensen niet te beoordelen op hun praatjes maar op hun daden. Job walked the walk. Ik denk ook dat Onze Lieve Heer mild over hem zal oordelen, diens xenofobe kynofobie ten spijt. Ik zie Job al op zijn driewieler over de eeuwige jachtvelden scheuren, rukkend aan zijn pookje, buik vooruit, The King breed grijnzend achterop op de buddyseat.

Job
Ware klasse is niet te koop

In Dizzy!

Ziehier een gezellig samenzijn van vrienden in het Rotterdamse Ari, vernoemd naar de dochter van dichter J.A. Deelder en zo’n vijftig centimeter van diens huis verwijderd. Wat u niet ziet want (tactvol) buiten kader gelaten is de nachtburgemeester zelf, die op het terras aan een cocktail stond te nippen. Voor zover herkenbaar dan. Want in plaats van gekleed in driedelige stripes onder een streng monocle, had hij zich gehuld in een kort glimmend leren jekkie, claustrofobisch skinny jeans en wrap around shades. Deelder deed een Barry Hay zoals een bejaarde travestiet een Gloria Swanson zou doen voor de garderobespiegel. Ik begluurde hem met een tikje leedvermaak.

De teloorgang van het stijlicoon vond ik des te schrijnender omdat ik hem onlangs in een reportage had zien schnabbelen bij Rotterdamse directiepatsers, vermoedelijk om een knoeperd van een belastingschuld af te betalen. Dat ging hem moeizaam af. Hij stamelde, raffelde, brabbelde, maakte zenuwachtige grapjes. Alsof de amfetaminen zijn dictie en geheugen eindelijk gesloopt hadden. Een schaduw van de oude J.A.. En hij ging maar door.

Terwijl ik in Ari herinneringen ophaalde aan de tijd dat Rotterdam nog een authentiek tochtgat was en we onze verveling wegzopen in café Dizzy waar een autistische Deelder plaatjes draaide uit zijn koffertje, moest ik opeens terugdenken aan dat punkfestival, Rock against Religion in 1979. Jules was toen tussen de pokkeherriebandjes geprogrammeerd als literair (lees: komisch) intermezzo. Dat heeft ie geweten. Van top tot teen onder gerocheld werd ie door een zaal vol punkhuftertjes. De dichter vertrok geen spier. Hij ging maar door, met licht bevende stem, niettemin vastberaden, terwijl het slijm van zijn maatpak sijpelde. Een taalkrijger, dat was ie.

Dus. Misschien moet ik mijn zelfgenoegzame dedain eens uitbenen tot de jaloezie die eronder schuilgaat, en mijn hoed afnemen voor deze self made legende die Rotterdam haar hart heeft teruggegeven en onze literatuur met straattaal leesbaar heeft gemaakt. Al was het maar omdat hij zich kleedde als een heer in een tijd dat dat rebelser was dan alle leren fuck-the-system-jekkies bij elkaar. Laat Jules lekker zijn Barry doen – als ik dan maar niet met hem op de selfie hoef.

Ari
Zoek de nachtburgermeester!

En hun vriendschap

Ware vrienden zijn kameraden die je zo min mogelijk belasten, zo heb ik geleerd in het leven. Zij vragen je niet om mee te helpen bij een verhuizing, je hoeft ze geen logeerbed aan te bieden bij een scheiding en ook niet urenlang aan te horen bij calamiteit. Ware vriendschappen zijn oppervlakkig. Daarom was Harry zo’n goede maat.

‘Een beetje debiel’, zo omschreef mijn moeder hem ooit. Nou vond ze dat van ieder menselijk wezen, maar bij Harry kon je het wel plaatsen. Niet alleen vanwege zijn dikke bril, maar vooral doordat hij ‘de meest rudimentaire sociale vaardigheden’ miste, zoals we dat tegenwoordig zeggen. ‘Meer doener dan denker’ klinkt misschien wat aardiger. In ieder geval geen jongen die gemakkelijk vrienden maakt.

Gelukkig heb je op de lagere school weinig nodig om vriendschap te sluiten. Een paar peperdure Märklinlocomotieven volstaan. En aangezien Harry thuis een indrukwekkende spoorbaan had liggen, was hij per direct mijn beste vriend. Urenlang waren we zoet, hij met de techniek, ik met fantasieën over treinongelukken. Eenmaal op het lyceum merkte ik dat Harry toch wel anders was dan ik. Hij bleef hangen voor zijn baan en luisterde braaf naar zijn ouders, terwijl ik druk was met meisjes, bier drinken en wildplassen. Tenminste, daar droomde ik van, als ik thuis voor mijn aquarium zat.

Bijna iedere dag na school belde hij me op. ‘HALLO REIN DIT IS HARRY!’ (Hij praatte nogal luid omdat ie hardhorend was.) HOE GAAT HET MET JE AQUARIUM? GA JE MEE NAAR DE DIERENTUIN?’ We hadden een abonnement op Diergaarde Blijdorp dus gingen daar wandelen, anders zou het zonde zijn van dat abonnement natuurlijk. Een prima moment voor pubers om het over meisjes, bier of wildplassen te hebben. Maar, zoals gezegd, Har was meer een doener. Hij sjouwde een onbetaalbare 16mm filmcamera mee om dodelijk saaie filmpjes van dodelijk verveelde Blijdorpbeesten te maken. Ieder bezoek bestudeerde ik hem als een antropoloog, en vroeg ik me af waarom ik in godsnaam niet voor mijn aquarium was blijven zitten.

Bij Harry thuis voelde ik me nooit echt op mijn gemak. Zijn vader was een chagrijnige persfotograaf die wel 500 kilo woog, uit zijn nek zweette en een ongebruikt roeiapparaat op zolder had staan. Harry’s moeder zag er uit als een gekortwiekte oehoe, met kolossale ogen achter een vettige, hoornen leesbril. Ze praatte net zo luid als Harry (‘HALLO REIN WIL JE EEN KOPJE THEE?’) en zat de hele dag naar de politieradio te luisteren om haar man via het bakkie in te seinen als er ergens een mooi ongeluk gebeurd was. De thee die ze zette was inktzwart; ze dipte er suikerkoekjes in tot die een slappe kregen.

Soms mocht ik mee naar hun woonbootje op de Kaag. Dan gingen we zeilen. Vreselijk vond ik dat, want ik moest stil achterin blijven zitten. Nergens aankomen! Heel soms mocht ik aan de fok trekken, maar zelfs daarvoor vonden ze me te klunzig. Dan was hun Har een stuk handiger! Als ik toch iets stoms deed lachten ze me gedrieën uit. ‘Meer dromer dan doener,’ hoorde ik ze fluisteren – of: ‘Wat ís het toch een debieltje!’ De terugreis in de Volvo viel me altijd het zwaarst. Harry en zijn moeder benoemden alles wat ze naast de rijksweg zagen lopen of vliegen of creperen. ‘KIJK REIN DAAR LOOPT EEN KOE! KIJK REIN DAAR VLIEGT EEN REIGER! KIJK REIN DAAR LIGT EEN DOOD EGELTJE!’ Helemaal uitgeput hing ik dan ’s avonds weer voor mijn aquarium.

Eenmaal studerend zag ik Harry zelden meer. Ik was druk met aan meisjes plukken, bier drinken, wildplassen en studies verknallen. Daarbij had ik nieuwe vrienden gekregen, die me vroegen bij verhuizingen en bij me uithuilden als ze gedumpt waren door hun lief. Zo eens in het decennium wist Harry mijn nieuwe geheime telefoonnummer te achterhalen. ‘HALLO REIN DIT IS HARRY!’ klonk het dan opeens vanuit het niets. ‘HOE GAAT HET MET JE AQUARIUM?’ Niets veranderd! Alhoewel, hij verdiende nu bakken met geld als schade-expert bij een verzekeringsmaatschappij, een technisch vak waarvoor je een olifantshuid nodig had omdat je dagelijks door verongelijkte klanten verrot gescholden werd. Op het lijf geschreven! Een vrouw had ie niet, wel een peperdure zeilboot. Met fok. Lang duurde zo’n gesprek niet.

Een enkele keer probeert hij me nog wel eens te benaderen via mijn zussen of mijn site. Dan houd ik me even voor dood. Deels uit schaamte, want hij was toch wel mijn eerste vriend. Een echte kameraad, die me nooit belast heeft. Misschien dat ik hem koester voor later, als ik weer naar treinongelukken verlang. ‘HALLO HARRY DIT IS REIN! HOE GAAT HET MET JE MÄRKLINBAAN? GA JE MEE NAAR HET BEJAARDENTEHUIS?'

De debieltjes
De debieltjes op de lagere school. Helemaal rechts vooraan debieltje Rein.

Van Céline

Een rolmodel. Een held waar je je aan kan spiegelen in onzekere of barre tijden. Als je op leeftijd bent mag dat eigenlijk niet meer. Behoor je er zelf een geworden te zijn. Toch heb ik mijn anti-held van vroeger dezer dagen harder nodig dan ooit. Het is de Franse auteur L.-F. Céline. Inderdaad: hartstikke fout in de oorlog.

Ik ontdekte Céline gedurende mijn ‘verloren jaren’, toen ik vers van het Atheneum mijn toekomst wegspoelde met ongeschoold werk en bivakkeerde in een muizenkeutelkamertje gespeend van televisie of telefoon. In zo’n universum gaat het lezen vanzelf. Niet dat dat nodig was. Reis naar het Einde van de Nacht verslond ik alsof het de bijbel van het menselijk tekort was. Achter een even genadeloos als hilarisch mensbeeld ontdekte ik een vakkundig gecamoufleerd romanticus. Een humanistisch misantroop! En die stijl. Zo ontzettend leesbaar - zelfs in vertaling - alsof hij de literatuur had ontdaan van haar krullendraaierij, spreektaal had omgebogen in levendige schrijftaal. Eindelijk een scribent die je niet in je achterhoofd hoefde te redigeren.

Maar dan dat foutzijn. Dat fascineerde mij toch ook wel. Niet dat ik zijn antisemitisch 'gedachtegoed' deelde, maar zo krachtig als hij zijn glazen had weten in te gooien (om uiteindelijk bijna gefusilleerd te worden), dat dwong bij mij toch een verwrongen respect af - alsof zijn gefulmineer de wanhoop van zijn romans waarachtig maakte.

Begin jaren tachtig was er weinig informatie voor handen over Céline. Het foutzijn had zijn carrière geen goed gedaan. Na lang speuren trof ik in een tweedehands Bzzletin een foto van de schrijver als veertigjarige charmeur. Met duivelse glimlach, badend in het succes van de Reis. Wat een uitstraling – zeker vergeleken met zijn Nederlandse epigonen. Ik lijstte de foto in en hing hem boven mijn Olympia. Om vervolgens geen letter te typen. En aangezien L.-F. maar twee leesbare boeken geschreven heeft verdween het lijstje na verhuizing in een lade en nestelde de auteur zich in het vooronder van mijn langetermijngeheugen. Tot het YouTube-tijdperk aanbrak.

Twee lange interviews staan er online, de ene opgenomen bij hem thuis, de andere in een tv-studio. Beiden dateren uit 1958, een paar jaar voor z’n dood. Ze geven een ontluisterend beeld van mijn foute held. Tot een oude, schichtige mompelaar was ie verworden, een autistische neuroot die oogcontact meed, zich in lompen hulde (thuis) of in een drie-maten-te-groot pak (tv-studio), om maar niet te spreken van zijn zelfgeplukte kipcoupe. En dat gebrabbel! Nauwelijks verstaanbaar. Met reden, want hij wilde geen enkele verantwoording afleggen voor zijn antisemitische pamfletten. Immers, hij was zélf de opgejaagde en vervolgde! Een pathetisch restje paranoïde mens. Alleen als hij lachte zag je iets terug van de gedreven romanticus.

Dat hij weer indruk wist te maken kwam door zijn uitspraken over het ambacht. Leunend op de werktafel, beladen met talloze velletjes gesystematiseerd middels wasknijpers, vertelde hij hoe hij een klad van 80.000 pagina’s beeldhouwde tot een manuscript van 800 waar dan een roman van 400 pagina’s uit gedrukt wordt. Hoe hij honderden Middeleeuwse gedichten verstouwd had om het metrum voor zijn proza onder de knie te krijgen. Hoe hij schrijven toch vooral beschouwde als zwoegen (‘Il faut payer!’). En dat hij niet verwachtte dat een volgende generatie een Reis zou kunnen schrijven omdat die nooit iets afmaakte…

Nu ik worstel met de laatste loodjes van mijn debuut zwiept Céline’s gesel dagelijks door mijn bovenkamer. Terwijl de uitgever het manuscript toch reeds als een ‘goed boek!’ bevonden heeft. Niettegenstaande dat uitroepteken weet ik dat het manuscript om een extra slag schreeuwt. Dat er twee hoofdstukken bij moeten, sommige personages uitdieping verdienen en de harde toon wel wat kwetsbaarder mag. Wasknijpers kopen en doortypen dus dus, hoezeer het me ook sloopt na drie jaar van non-stop graven in een verleden waarin ik niet eens wilde verkeren toen het nog een heden was. ‘Il faut payer!’ Kon ik eerst maar eens fout worden in een oorlog.

Céline
Il faut payer!

In de beerput

Dit zelfportret is van de hand van Tommy ‘Karate’ Pitera. Normaal gesproken schildert Pitera statisch fladderende kolibries. Dat is begrijpelijk, want hij zit in de bak. Levenslang. Voor moord op meer dan zestig mensen. Niet in de hoedanigheid van seriemoordenaar, maar als werknemer van de Bonano maffiafamilie te New York. Pitera was een drukbezette killer.

‘He scared the scary ones,’ zeiden collega’s over hem. Niet omdat hij zo koelbloedig moordde, dat konden ze allemaal wel. Het was Pitera's nazorg die de maffia deed huiveren. Een heel ritueel hield ie er op na: nadat hij iemand had doodgeschoten, bij voorkeur bij het slachtoffer thuis, trok hij zijn (eigen) kleren uit, sleepte hij het lijk mee in bad en zaagde het daar – in zijn nakie dus – in hapklare brokken. Als alles netjes leeggebloed was nam hij zelf een lekkere warme douche, om vervolgens hoofd, romp en ledematen (van het slachtoffer) in koffers te stoppen en deze ergens buiten de stad te begraven in zompige grond, zodat ze goed konden wegrotten. All in a day’s work.

Ik stuitte op Pitera tijdens mijn nimmer aflatende zoektocht naar verhalen over de Ergste Psychopaten Ooit. Zo’n fascinatie voor het macabere is niet ongewoon voor mensen die zelf een klapje van de molenwiek hebben meegekregen. Gewoon te weinig buiten gespeeld als kind! Heel onschuldig. Toch, als ik me een paar uur heb zitten laven aan al die gruwelen, bekruipt me een zekere zelfwalging, alsof ik in de beasemde oppervlaktespiegel van de beerput een glimp heb opgevangen van een persoon die me helemaal niet aanstaat. Zou er toch een psychopaatje in me schuilgaan?

Als dat zo was, zou ik ook YouTubejes van onthoofdingen bekijken. Dat doe ik niet. Trek ik van geen kanten, weet ik nu al, dan kruipt het alter ego subiet weer de kast in, de staart tussen de benen. Graag maak ik mezelf wijs dat hier allerlei ethische bezwaren aan ten grondslag liggen. Kijken naar een filmpje van iemands meest wanhopige levensmoment maakt je medeplichtig! Snuff porn! Bah! Maar waar het op neerkomt is dat waargebeurde gruwelen voor mij toch vooral op fictie moeten lijken. Die ontkenning gaat me makkelijker af zonder bewegende beelden. Het moet wel netjes blijven.

Wat Pitera betreft zal ik niet in de verleiding komen om te gluren. Er zijn geen filmpjes bekend waarop hij figuurzaagt achter een douchegordijn. Wel is er een biografie over hem geschreven. Daarin leren we de jonge Tommy kennen als sukkeltje-met-piepstemmetje dat stelselmatig in elkaar geslagen werd – een soort Rein die wél buiten speelde. Tommy ging op karate om van zich af te leren bijten. Dat deed hij met zoveel overgave, dat ie een beurs kreeg om in Japan de fijne kneepjes van de martial arts onder de knie te krijgen. Een man met focus en hartstocht! Wederom herken! Helaas, eenmaal terug in New York werd hij ingelijfd door de lokale penoze, om te verworden tot een moordmachine waar zelfs de Cosa Nostra voor paste. Het moest wel netjes blijven.

Er is nog een reden waarom ik me graag in psychopaten verdiep: ik ben altijd op zoek naar het goede in slechte mensen. Naar iets humaans, iets vertederends, iets bijzonders. Bij Pitera is dat dit zelfportret. Gruwelijk eerlijk vind ik het. Om zo open over mijzelf te schrijven, daar zou ik een moord voor doen. Al was het maar vanwege de warme douche na afloop.

De spiegel
Binnenpretje

Onder Facebookvrienden

Met Carola, Henri en Nico

Gouda's glorie
Ontspannen zeg ik toch GVD!

En de vrijheid

Lang geleden, toen ik nog een ijverige werknemer was, kon ik bogen op twee sterke punten: het veroveren en het beëindigen van mijn functie. Voor mij geen grotere uitdaging denkbaar dan het schrijven van een open sollicitatiebrief, geen grotere opluchting dan het krijgen van een ontslagbriefje. Alles wat er tussen zat vond ik een ramp.

Alleen al het acclimatiseren kostte me iets van een jaar. De kantoorhumor, de neurotische regeltjes, de bazen met psychopathische trekjes, ik kon er niet aan wennen. Het veinzen van interesse (nee: passie!) voor werkzaamheden waarmee je een ander rijk ging maken. Het onderdrukken van eerlijkheid tijdens een functioneringsgesprek. Het aanhoren van voetbalpraat in de pauze of klaagzangen over onrecht op de werkvloer. Het staren naar de in slow motion tikkende klok. En dan hebben we het nog niet eens over lekker gek moeten doen op bedrijfsuitjes.

Gelukkig lijk ik het noodlot in mij mee te dragen. Het gros van de bedrijven waar ik werd aangenomen is vroeg of laat failliet gegaan, waarop uiteraard mijn ontslag volgde. Dan was het de kunst om zo teleurgesteld mogelijk te reageren. En pas om de hoek het rondedansje te maken. Dat gevoel van vrijheid, dat was iedere keer weer onbeschrijfelijk.

Toch mis ik het. Dat begin. Dat solliciteren. Dus misschien moet ik The Shining weer eens uit de kast halen en opsturen naar wat reclamebureaus. In de huidige conjunctuur is het toch niet erg waarschijnlijk dat ik als 56-jarige aangenomen wordt als junior copywriter. Voor een gijzeling hoef ik dus niet te vrezen. Maar dat kennismakingsgesprek, dat staat nu al in mijn agenda. Is dit uw ideale sollicitant? Zeker weten.

De ideale sollicitant
Kanjer

Van Tuschinski

Hardcore filmliefhebbers als ondergetekende horen eigenlijk niet thuis in de bioscoop. Ik kom voor de film, om me te verliezen in een ander universum en wil zo min mogelijk met mijn medemens geconfronteerd worden. Daarom neem ik steevast plaats vooraan bij het doek en laat ik een paar stevige knoflookwinden om mijn territorium af te bakenen. Het mag niet baten. Om de een of andere reden werkt mijn zelfverkozen ballingschap als een magneet op popcornkauwers, rietjesslurpers, mobiele wauwelaars en knie-in-leuning-duwers die pal achter mijn fauteuil samenklonteren. Bij iedere wanklank draai ik me even om, om hen dood te staren met mijn jullie-moeten-allemaal-ontzettend-dood blik, maar dat levert me op z’n best een get-a-life-ouwe-lul blik terug op. Wat zij niet weten is dat er achter mijn intellectuele façade een filmhooligan schuilgaat. Ik ben veteraan van de Night of Terror.

In het chique Tuschinski vindt dit horrorfilmfestival plaats. Of moet ik zeggen slasher fest, want de programmering is toegespitst op cinematografische pareltjes waarin zo veel mogelijk ledematen, ingewanden en hectoliters varkensbloed over het doek gesmeten worden. De plotjes zijn verwaarloosbaar, de personages slachtvee, de close-ups gericht op organen, de montage  misselijkmakend. Alles draait om blood & gore. Volgens snobs dieptepunten van de wereldcinema. Maar voor filmkunst ga je niet naar deze cultavond. Je komt er voor het publiek.

Dat bestaat uit ‘intuïtieve’ filmliefhebbers. Te jong en te levenslustig om belast te zijn met de meest rudimentaire kennis van de filmgeschiedenis, annexeren ze strak van de speed het pluche met boodschappentassen vol toiletpapier. Toiletpapier!? Dat voeg ik mij ook af toen ik het festival voor het eerst aandeed, een jaar of dertig geleden.

Die pleerollen bleken een tool waarmee de bezoekers hun goedkeuren konden uitdragen, een geëxplodeerde versie van thumbs up zeg maar. De eerste filmslet was nog niet gevierendeeld of de rollen vlogen door de zaal, gevolgd door een offensief van colablikjes, koffiebekers, pakjes shag, uitgeharde zakdoeken, tonnen confetti en andere teringzooi die zoveel mogelijk teringzooi oplevert. Minstens zo indrukwekkend waren hun strijdkreten. Bij ieder topless sterretje dat het onderspit delfde werd er luidkeels ‘HOEEERRRR!’ gescandeerd, soms gespecificeerd wanneer de babe door piranha’s werd verscheurd (‘WATERHOEEERRRR!’), achter een auto aan gesleept (‘SLEEPHOEEERRRR!!’) of opgeblazen (‘LUCHTHOEEERR!!’). En ja, onder de bezoekers ook veel dames, die – uiteraard – het luidst scandeerden.

Het was allemaal even wennen voor een nieuwkomer als ik, maar zeker geen onaangename ervaring. Een bevrijding zelfs! Alsof ik tijdens een spontane gang bang ietwat ruw maar toch zeer bevredigend ontmaagd werd. Sterker, na een paar films kwam er ook bij mij een eerste ‘hoeeerrr!’tje boven. Nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar manifest van de juiste mentaliteit. Kleur bekennen na 10.000 onverteerbare denkfilms! Dat ik het na een paar jaar voor gezien hield kwam doordat ik, gekoesterd door de harmonie van ratelende kettingzagen en HOEEERRR!-koren, halverwege indommelde.

Het enige publiek waaraan ik me bij deze festivals geërgerd heb waren de filmrecensenten. Die herkende je onmiddellijk aan hun colbertjes, notitieblokjes, benauwde blikken en schrijnend gebrek aan wc-rollen. Wat deden die lui hier! Spionnen! Stasi’s! Nazi’s! Mocht ik ooit mijn come-back maken in het circuit dan zal ik, nu uitgerust met een snoepzak vol crystal blue van mr. White, plaats nemen pal achter deze intriganten, om bij iedere geplette babe even heel hard ‘PERSHOEEERRR!’ in hun nek te brullen.

De filmhoer
Zoek de recensent!

En de raaf

Als mensen het over hun middelbareschooltijd hebben wordt dat óf een zwelgen in nostalgie óf een wentelen in drama. Toch kunnen de meesten zich wel een leraar herinneren die favoriet was. Een zielsverwant die hem of haar erdoor gesleept heeft. Op het Rotterdamsch Lyceum was dat een hele uitdaging. De leraren waren er conservatief, opgebrand, cynisch. Het afvoerputje van pedagogisch Nederland, een enkele uitzondering daar gelaten.

Niet dat het mij wat uitmaakte wie er voor de klas stond. Op opstellen schrijven na was ik in geen enkel vak geïnteresseerd. Eigenlijk koesterde ik maar één ambitie: met zo laag mogelijke cijfers en een zo klein mogelijke marge mijn atheneum zien te halen. Als ik al opviel, dan kwam dat door mijn onopvallendheid. Toch was er één docent die een uitgesproken hekel aan mij had. K. zullen we hem noemen, leraar Engels. En wat voor een.

K. gaf geen les, hij brieste het. Hij praatte manisch, keek manisch, bewoog manisch; banjerde heen en weer voor het schoolbord als een hyena op amfetaminen. Zelfs autorijden deed ie manisch, zonder gordel omdat ie ooit bij een ongeluk door het open dak van zijn Eend gelanceerd was en zonder een schrammetje in de berm was beland. Als ie extra opgefokt was begon hij spontaan The Raven van Edgar Allan Poe te citeren. Integraal, uit het hoofd, met veel gesticulatie. Toch een dikke duizend woorden.

Razend populair was K. bij zijn leerlingen. Niet alleen vanwege zijn gepassioneerde doceerstijl, maar vooral omdat hij rondjes gaf in de kroeg tegenover de school, Café van Rhijn. Die tent was afgeladen met uitvreters van het Rotterdamsch, leerlingen die aan het eind van hun zakgeld urenlang in hetzelfde kopje koffie zaten te roeren. Dus als big spender K. ten tonele verscheen met een ‘Pils voor de hele zaak!’ klonk iedereen spontaan op K.’s gezondheid. Spraken boze tongen van vriendjes kopen, hij wist onmiskenbaar leven in de brouwerij te brengen.

Twee dingen zijn er tussen K. en mij voorgevallen. In de eerst plaats had ik een opstel geschreven over de zoon van het monster van Frankenstein dat hij gé-ni-aal vond. Alsof ie de nieuwe Poe had ontdekt, zo stond hij me voor de klas te bejubelen. Ik wantrouwde die lyrische, bijna exhibitionistische lof. Alsof het vooral over hem ging. Een aansteller, dat vond ik hem.

Toen kwam het eindexamen. Opnieuw kregen we een opdracht voor een opstel, uiteraard met een ander onderwerp. Wat K. zich niet realiseerde, was dat mijn werkelijke vernuft schuilt in het bouwen van bruggetjes tussen schijnbaar ongerelateerde zaken. Zo ook met dit onderwerp (god mag weten wat het was), dat ik sluw wist om te buigen naar mijn stuk over Frankenstein. Dat kende ik zo’n beetje uit mijn hoofd – toch een dikke duizend woorden! – en de recycling sloot naadloos aan bij mijn streven naar de marginale marge. Dat heb ik geweten.

Ziedend was ie. Hoe ik dit had durven flikken! Waar ik het lef vandaan had gehaald! Of ik soms dacht hem te kunnen naaien! Lager dan een acht had ie me niet kunnen geven, maar liefst had ie er een nul van gemaakt. Ik zat te trillen in mijn schoolbank, maar er speelde een sarcastische glimlach om mijn mondhoeken. Up yours, Mr. Raven.

Mijn atheneum heb ik gehaald met een marge van een tiende punt. K. trouwde met een leerlinge. En veertig K.-loze jaren zouden verstrijken. Tot het voorval me te binnen schoot en ik er een stukje over wilde schrijven. Laat ik nou diezelfde dag vernemen dat K. overleden was. Voodoo writing, bestaat zoiets? Naar zijn crematie ben ik niet gegaan. Een zaal vol oud-leerlingen die hun lof uiten over deze eigenzinnige, zeg maar anarchistische geest deed me onwillekeurig huiveren. Voor mij was ie vooral een frustraat die met andermans werk dweepte om eigen persoonlijkheid inhoud te geven.

Toch is zijn passie me bijgebleven. Misschien wel omdat er zoveel agressie in doorklonk. Een redeloze woede naar het universum waar ik me helemaal in kan vinden. Ik vermoed dat K. zelf net zo weinig trek had in de crematie als ik. Dat ie liever met mij een biertje was gaan drinken in café Van Rhijn, om daar nog eenmaal luidkeels The Raven te citeren, terwijl ik hetzelfde zou doen met The Monster’s Son, elkaar overschreeuwend op een steeds heviger brandend bruggetje.

De bruggenbouwer
Zegt de raaf, hij zegt...

Of gouden strop

Zoals sommigen van jullie weten ben ik inmiddels zo’n twee jaar bezig met een boek over mijn krankzinnige moeder. Het wordt een rariteit want amalgaam van roman, biografie, geschiedschrijving, documentaire, egodocument en vooruit, detective. De vraag is of ik het tot een eenheid heb weten te smeden, of dat het riekt naar overijverig gestookte moonshine.

Volgende week weet ik meer. Maandag stuur ik het manuscript naar een aantal vrijwilligers; bladenmakers, schrijvers, journalisten en gewoon kritische lezers. Die natuurlijk wel wat beters te doen hebben dan tekeer gaan met hun rode viltstift. Daarom heb ik hen gerustgesteld met de 45.000 woordjes die het telt. Je leest het in één ruk uit, liefst tijdens de grote boodschap. Wat ik er niet bij vertel is dat er nog 12 delen volgen.

Geen idee hoe het valt. Of er straks een hoonbulder over de telefoon klinkt of dat ik een week lang met veren in mijn derrière loop te kwispelen. Of toch maar besluit te solliciteren naar junior copywriter (m/v). Het is in ieder geval tijd om pas op de plaats te maken, nu mijn aanslag er met de dag venijniger op wordt. Ik wil licht zien aan het einde van de metrotunnel. Dus als ik hier volgende week wat euforische blurps plaats, doe dan net of ik ze uit de New York Times geknipt heb.

Gouden bergen
Somewhere...