blog titels

Blog

Aan het shoppen

Deze foto is nep. Hij bestaat uit twee kiekjes die mijn ouders van elkaar gemaakt hebben. Dat was ergens in ’55, toen ze nog liefdesbrieven schreven (en 25 jaar voordat ze het Boerenbont naar elkaars hoofd smeten). Ik heb ze aan elkaar gephotoshopt omdat er nauwelijks foto’s bestaan waar ze beiden verliefd op staan. En soms fantaseer ik dat ze nog bij elkaar zijn. Hun honderden liefdesbrieven hoef ik gelukkig niet te herschrijven – die zitten vol tederheid. Maar dat is een ander verhaal.

Hm. Daar moet ik toch even van slikken, het idee dat je je ouders weer van elkaar kunt laten houden, lang nadat hun liefde en levens vervlogen zijn. Straks verzin ik nog een verhaal over een platina trouwfeest. Allé, zonder Boerenbont hè.

De geschiedvervalser
Zoek de zeven verschillen

De geschiedvervalser

Master of his domain

Vroeger deden alle pennenlikkers het zo. Niet omdat het gezond was (gezond bestond toen nog niet), maar omdat je staand niet kon indutten tijdens je werk. Tegenwoordig doe ik het ook, staand schrijven. Mijn motief is minstens zo banaal: iedere ochtend word ik wakker met rugpijn door mijn uitgewoonde matras (†1992). Ik moet dus meer bewegen, ook als ik type. Zo maak ik tijdens het schrijven van dit blog de meest obscene heupbewegingen. Maar dat vermoedde u al.

Ik ben niet de enige staande typer. Een heel leger van kromgetrokken ouwe lullen staat in de coulissen te weifelen. Sluwe fabrikanten azen op hun comin’ out door elektrische bureaus op de markt te brengen, stellages die met één druk op de knop naar de gewenste hoogte zakken/stijgen. Onbetaalbare flauwekul natuurlijk, net als ergonomische designstoelen. Daarbij had ik met mijn timmermansoog in no time de perfecte werkpiramide geconstrueerd. Tel uit mijn ruggenwervels.

Volgende stap wordt staand eten, gevolgd door staand poepen - een natuurlijke flow gezien mijn cuisine astronautique. Een grotere uitdaging zal liggen in het rechtop slapen, om maar niet te spreken van geërecteerd gecremeerd worden. Maar wat zál er straks een gezonde as in die urn komen te staan.

Auctor erectus
Tel uit mijn ruggenwervels

Onze correspondent heeft zich verschanst op de vliering met een partij illegale sterretjes en wenst u een behouden Jaar van de Geit!

Sterretjes
Lookin' sharp as ever

Zonder haar

Dankzij de weelderige haardos van zijn nichtje kreeg oom Rein deze kerst een stukje zelfvertrouwen mee om de donk’re dagen door te komen.

Hair extensions
De manifestatie van mijn inner Garfunkel

En de grappenmakers

Mijn schouders te smal. Mijn bouw te fragiel. Mijn schedelhaar te afwezig. Mijn neus – met name de gaten – te groot. Mijn lichaamslengte (1.80) te gering. Mijn baard te grijs. Over elk fysiek aspect waar iets op aan te merken valt, hebben mijn Facebookvrienden wel eens grapjes gemaakt. Dat deden ze omdat ze me mogen, omdat ik zo’n geweldige zelfspot heb en omdat ze jaloers zijn op mijn dierlijke aantrekkingskracht. Zelden zei ik er wat van. Toch vind ik het niet kunnen.

Grapjes maken over andermans uiterlijk is een privilege van je dierbaren. Van je allerbeste vrienden, van je partner en – desnoods – van je familie. Van mensen met wie je zo intiem bent dat je hun sarcasme per definitie als uiting van genegenheid interpreteert. Die intimiteit moet verdiend worden. Kost duizenden manuren aan bekvechten, huggen, lachen, uithuilen, seksen etc. En dan nog.

Zelf maak ik nooit opmerkingen over iemands lichamelijke opvallendheden, zeker niet op Facebook. Omdat ik het niet grappig vind, omdat het een openbare ruimte betreft en omdat ik de meeste vrienden niet goed genoeg ken. Ik weet niet welk leed er achter hun ‘tekortkomingen’ schuilgaat. Dat weet ik bij mezelf wel.

Ben op de middelbare school altijd de kleinste van de klas geweest, tot een groeispurt op mijn zestiende. Werd een decennium lang geteisterd door acne in gezicht, nek en op de schouders. Ben op mijn veertigste het grootste deel van mijn schedelhaar kwijtgeraakt. Tel daarbij nog een scheel blind oog waar ik wel eens een lapje voor doe, en je begrijpt dat ik een olifantshuid heb gekregen. Knappe jongen die mij weet te kwetsen.

Maar belangrijker, ik ben trots op mijn verschijning. Op mijn commandokop met billion dollar smile. Op mijn sportschoolspieren van drie-dagen-beulen-per-week. Op mijn 55 jaar oude maar pensloze profiel want streng met drank en vreten. Dus. Als er iemand op Facebook een grapje denkt te kunnen maken over mijn neusgaten of ooglapje, dan grijns ik terug vanachter mijn monitor met mijn beste Jack Nicholson. En laat ik het van me afglijden. Maar vergeten, dat doe ik nooit.

Quasimodo
De angry young man-kiek is gemaakt rond 1982

... geen verhaal over een moeilijk Toen maar een zatte kiek van een heerlijk Nu.

Café Ari, Rotterdam. (Loco burgemeester J.A Deelder just left the building in zwarte NSB-jas om in aanschurkend pand zijn bedstede te bekruipen.)

Café Ari
Zoek de Deelder!

En de terminale barbaren

Bekende Nederlanders hebben iets tragisch over zich. Dat komt doordat ze zo ontzettend onbekend zijn in het buitenland. Ze zijn afhankelijk van de Lage Landen. Van onze taal, van onze lulligheid, van onze lat. Dat maakt hen wanhopig in hun geldingsdrang. Iedere keer als je ze in de media ziet langskomen bekruipt je het gevoel dat ze beter op de braderie hadden kunnen blijven staan. Met Sky Radio over de speakers.

Van alle BN’ers zijn cabaretiers het meest tragisch. Dat komt doordat ze niet voor Bekende Nederlander versleten willen worden. Zij steken immers de draak met fout, mediageil klootjesvolk. Gewapend met messcherpe woordgrapjes en authentieke gevoelsliedjes sturen ze het morele kompas bij, tot ook de laatste reactionair zich de mond gesnoerd weet. De cabaretier voelt zich een ÜberNederlander.

Slechts eenmaal in mijn leven kon ik een cabaretier niet ontlopen. Dat was toen ik nog als webredacteur werkte in een ziekenhuis, gespecialiseerd in kanker. De hele dag schreef ik stukjes over terminale aandoeningen. Alsof dat niet genoeg was, stond cabaretier F. de J. opeens voor de deur. Nou klopten er wel vaker BN’ers aan om bestraald of besneden te worden, maar niet bij de afdeling Terminale Stukjes. F. kwam ook niet voor een gezwel. Hij was er vanwege een deal met het ziekenhuis; hij had een filmpje mogen draaien in de hal en zou in ruil daarvoor een oudejaarsconference geven in onze kantine. Waren we mooi klaar mee.

Voor dat optreden moest F. zich psychisch opladen. Grappen verzinnen, focussen op de performance. Dat deed hij bij ons op kantoor. Naast mijn bureau om precies te zijn. Terwijl ik stukjes zat te typen over terminale aandoeningen, staarde F. uit het raam naar de ijzige zonsondergang die de stad in haar greep hield, als een Romeins veldheer die een beslissende slag tegen een barbaarse overmacht afwacht.

Toch kreeg ik niet de indruk dat F. zich aan het opladen was. Of grapjes verzon. Hij leek eerder te knarsetanden. Alsof ie met zichzelf in de knoop zat, ervan baalde dat ie deze schnabbel had toegezegd. Optreden in een kantine! Hoe had hij zo diep kunnen zinken!

Een uur knarsen later was het zover. Hij zuchtte diep. Stond op. Knoopte zijn theatercolbertje dicht. Ik wenste hem sterkte, waarop hij glimlachte als een terdoodveroordeelde die te horen heeft gekregen dat het touw lang genoeg is om in één keer de nek te breken.

Lang duurde de conference niet. F. probeerde te scoren met cynische grappen over kanker. Had ie een NRC Next-publiek mee kunnen provoceren, in de loopgraven van een kankerziekenhuis is zwarte humor noodzakelijke voorwaarde om je vak te kunnen uitoefenen. Voor deze zusters & broeders hadden zijn grappen dus een baard. Er werd weinig gelachen. Te weinig voor F.. Korzelig werd ie van deze lauwe ontvangst! Hij had wel wat beters te doen! Zou zó weer vertrokken zijn als ‘t ons niet beviel!

De kantine leek vast te vriezen aan de zinkende zon. F. was geworden wie hij niet mocht zijn. Een gefrustreerde oude man in plaats van een ÜN’er. Een performer die inziet dat hij aan het eind van zijn veel te lang opgerekte carrière is beland.

En toen gebeurde het. Terwijl ik de kantine uitliep om weer een stukje te typen over een terminale aandoening, hoorde ik hem een grap mompelen. Waarop een lachsalvo in het zaaltje weerklonk. Een bevrijdende, Alle-Menschen-werden-Brüder-schater die tegen de muren aan kletterde, een paar keer om zijn as tolde en dan nog minutenlang na-echode. Het soort energie waarmee ziekenhuispersoneel wonderen kan verrichten. De bejaarde veldheer had de barbaren voor zich veroverd. Een moment van internationale allure. In een oer-Hollandsche kantine.

De veldheer
Ijzige humor

En het peertje

Vroeger trof je ze steevast in de keuken van het feestje. Daar hingen ze aan het aanrecht als ware het de bar, zogenaamd om de koelkast vol wijn en de kratten vol bier binnen handbereik te hebben. Maar eigenlijk omdat ze net zo verlegen waren als jij. Of net zo onaangepast. Of als de dood voor small talk, koortsachtig op zoek naar echt contact. Of in ieder geval naar een beter toneelstuk dan dat er in de huiskamer werd opgevoerd. Het feestje-binnen-het-feest.

Omdat keukens vroeger klein waren kreeg zo’n samenscholing al snel iets samenzweerderigs. Opmerkingen werden anarchistisch. Ondermijnend. Anti-feesterig zelfs. Alles kon gezegd worden, zolang het maar hilarisch was. Geen toeval dat er in de keukentjes altijd het meest geflirt werd. Er zinderde lust onder dat bleke peertje.

Soms werd het zoenen met die o zo bezette maar o zo gulzige vrouw. Of maakte je vrienden voor het leven vanwege een absurde mind fuck. Kreeg je de slappe lach omdat er stiekem gezopen werd uit de fles 500 jaar oude whisky die onder geen beding aangebroken mocht worden. Geen toeval dat keukendrinkers vaak laatblijvers werden.

Tegenwoordig hebben feestjes open keukens. Daardoor kunnen slechte toneelstukjes zich ongehinderd verspreiden tot aan de koelkast. Gelukkig is het rookverbod uitgevonden, zodat samenzweerders met goed fatsoen naar het balkon kunnen vluchten. Dat vereist het nodige doorzettingsvermogen als het vriest of stortregent, of als je eigenlijk niet rookt. Maar helemaal verdwijnen doet de balkonroker nooit. Ook niet als ie geen andere keukendrinkers meer treft. Gedoemd om de laatste der laatblijvers te worden. Of de sprong te wagen.

De keukendrinkers
Een movie still van keukendrinker Rein aan het zinderen, ergens halverwege de jaren tachtig.

In het kanaal

De dag dat mijn leven bijna veranderde viel op een zondag. 23 januari 2011 om precies te zijn. Het was zo’n dag dat ik er zin an had. Dat ik ontwaakte lang voordat de wekker afliep, opstond met een atletisch sprongetje, me eens obsceen uitrekte, mijn kamerjas en pantoffels aantrok en het gordijn openschoof met de zwier van een man die weet dat ie iets van zijn leven gaat maken. Om, pal tegenover mijn flatje, een lijk uit het Amsterdam-Rijnkanaal getrokken te zien worden. De springer van de Merwedebrug, een maandje terug, zo hoorde ik later. Ik sloeg een kruisje, schoof het gordijn dicht en kroop mijn bed weer in, om de dag te verslapen met de zwier van een man die weet dat je levenslust vooral niet te veel moet aanwakkeren.

Het omen
We gaan er helemaal voor

Van de Heren

Onrechtvaardig eigenlijk. Dat vrouwen alle privacy gegund wordt, terwijl mannen het naast elkaar in pisbakken moeten doen. Ga er maar aan staan, als het druk is op de Heren en tussenschotten ontbreken en je buurman is type brandweerman, zo’n organisme van 200 kilo dat boerend er ruftend zijn brandslang uitrolt om naast je te gaan kletteren als een Niagara. Niet dat Little Rein tekort schiet. Maar het is dan toch even afwachten wanneer Sesam zich opent. Heel genant. Gelukkig is er voor pisbakfoben nu een buddy op de markt. Mr. Friendly is de naam.

Ik leer Mr. Friendly kennen als ik zaterdag wat witte wijn wil wegspoelen in het toilet van het grand café. Het is er uitgestorven. Relaxed dus. Tot ik op een pisbak stuit met ingebouwde monitor plus bewegingsdetector. Zodra ik Little Rein in aanslag breng, floept het tv’tje aan. Gelukkig geen webcambeelden van mijn orgaan op YouTube, het is een marketing tool. Boodschappen van onze sponsor! Dat past wel bij het riool. Maar of het een welkome afleiding is?

Mr. Friendly’s opent zijn voorstelling met een bedrijfsfilmpje van de firma die de pisbak levert. Werklieden die druk bezig zijn in een magazijn vol handdoekrollen, chauffeurs die plankgas geven richting hoogste nood. De vraag die zich onmiddellijk aan me opdringt is: ‘waarom’. Waarom moet ik weten welke mechanismen er schuilgaan achter het pisbakkenfabricagewezen? Verwachten ze dat ik zelf een Mr. Friendly zal aanschaffen, als conversation piece in de huiskamer? De doelgroep is de manager van de kroeg, en die is reeds in zee met de firma!

Uit het lood geslagen door dit kromdenken probeer ik me te concentreren op een commercial. Een fotomodel dat danst bij een stadse fontein. Ze laat zich besprenkelen in de stalende zon, haar dunne jurkje aan de huid plakkend, zienderogen genietend van de golden shower. De eau de cologne is urinekleurig en ook het watergekletter werkt plasbevorderend, maar de close-ups van haar wet t-shirt contest sorteren een averechts effect. Ik slaak een diepe zucht.

Nauwelijks bekomen van de plasseks krijg ik Beyoncé voorgeschoteld. Ook zij probeert een geurtje te pushen, subtiel HEAT gedoopt. Nou, warm heeft ze het. Gehuld in nietsverhullend passierood jurkje met decolleté tot aan de navel, slentert ze hunkerend door een luxesauna, een vinger sensueel over de lippen glijdend. Zweetdruppels parelen op mijn voorhoofd.

We ronden af met een stunt van Red Bull. Geen softporno. Erger. Een motorcrosser die van een Empire State Building moet afduiken om op het dak van een lager gelegen wolkenkrabber te landen. Over afknijpen gesproken! Mijn inner door slaat dicht als de kluisdeur van Fort Knox.

‘Mr Friendly’. Het klinkt zo betrouwbaar als ´Mr. Smoothie´, die huurmoordenaar die zijn slachtoffers vanuit een ijscokar beloerde. Een zal-ik-hem-even-voor-je-vasthouden kindvriendelijkheid. Natuurlijk is Mr. F. helemaal niet aardig. Betrokken bij de moeizaamplassenden onder ons evenmin. Integendeel. Hij wil ons inpalmen met beelden die werken als secondelijm op de sluitspier. Opdat we zo veel mogelijk commercials bekijken. En zoveel mogelijk lulkoekproducten kopen. Mr. Friendly stinkt.

Dat laatste wordt onderschreven door zijn eigen slotboodschap. ‘Dit toilet maakt geen water van water. Dankzij deze techniek kan dit café per jaar 100.00 liter drinkwater besparen.’ Een plee zonder water. Blijkbaar hoeft Mr. Friendly zichzelf niet schoon te maken, is vies het nieuwe duurzaam. En zo'n schermpje vol breinvervuiling, dat nodigt vooral uit tot hoogplassen. Maar een droge pisbak is niet plasbaar. Alleen het ruisen van de waterleiding kan onze deuren openen! Mr. Friendly is niet ontworpen door ervaringsdeskundige. Niet eens door soortgenoot. Mr Friendly is ontsproten aan een vrouwenbrein. Het is een Mrs. Friendly. En welke vent wil daar nu in plassen.

Onverrichter zake sluit ik af. Sluip naar het enige afsluitbare toilet. Doe de deur achter me op slot. Om daar, verlost van hete Beyoncé’s en neerstortende brommers, in alle rust te kunnen kletteren, verlangend naar een tijd dat pisbakken nog anoniem waren en marketing tools een anatomisch incorrecte afbeelding van een bromvlieg die je naar hartenlust kon doodpiesen.

Mr. Friendly
Uw straal zo hoog mogelijk richten

Op de Nieuwe Binnenweg

Eigenlijk ben ik er altijd naar op zoek, bewust of onbewust. Een manier om uit mijn lichaam te ontsnappen. Klinkt een beetje Jonestownachtig, maar wie wil er nou niet verlost worden van het harnas van botten en organen dat ons bestaan dicteert. Alleen wil ik het wel erg vaak. Me verliezen in droom, roes of fantasie. Daarom is film voor mij geen kunst. Het is de nooduitgang.

Van alle winkelstraten op aarde is de Nieuwe Binnenweg de plek waar ik het meest naar roes snak. Dat komt deels doordat het er zo verloederd is. Shoarmatenten, nagelstudio’s, coffeeshops, belwinkels en andere witwascentra broeien er in de schaduw van de vooruitgang. Bijna intimiderend, als je net bent wezen ontsnappen in het café. Toch wordt mijn escapisme vooral gevoed door herinneringen aan een bioscoopje met een grootse naam.

Grand, ook wel Studio 62 genaamd, was een nette tent. Daarmee sloot ze naadloos aan bij de Binnenweg zoals ik die dertig jaar geleden achter me liet: een sliert van delicatessen, literatuur, bontmantels, grammofoonplaten, lampenkappen en natuurlijk een speelgoedzaak met twee keurige pedofielen achter de toonbank. De dienstbaarheid droop er van de etalageruiten af.

Omdat de bioscoop bij ons om de hoek zat, kwam ik er vaak om me aan andere werelden te laven, zoals ik ook thuis aan de beeldbuis gekluisterd zat. Als ik nu archieffoto’s bekijk stelt het zaaltje eigenlijk weinig voor - bepaald geen Tuchinsky - maar voor een snotneus was Grand de Sint Pieter van Verbeelding, een onmetelijke ruimte waarin je je gedachten vrijelijk kon laten zweven in ijle easy listening, popelend tot de gordijnen met enorme paradijsvogels zouden openschuiven om je in ander universum te lokken. Een hemelse belofte.

De laatste film die ik er zag was Apocalypse Now! In 1979. Treffender kon mijn jeugd niet afgesloten worden. Een paar jaar later werd de bios geannexeerd door een evangelisch centrum dat evenzeer handelde in het hemelse. Maar hun verlokking was me te voorwaardelijk. Daarbij miste ik de geur van napalm in de ochtend.

De Nieuwe Binnenweg gaat opgeknapt worden, zo heb ik vernomen. Er zou een streng bestemmingsplan klaarliggen. Meestal betekent zo’n opfrisbeurt dat kleine criminaliteit plaats moet maken voor de puivervuiling van grootgraaiers als Blokker en Action. Mij zul je er niet meer zien mijmeren, nu zelfs het Evangelisch Centrum de kuierlatten heeft genomen. Het is verdrongen door iets met lekker wonen. En ik wil niet lekker wonen. Ik wil niet eens vies wonen. Ik wil ontsnappen.

Bioscoop Grand
Lonkende paradijsvogels

Van het gymnasium

Sommige klasgenootjes deden ‘t omdat ze lui waren. Andere omdat ze dom waren. Ik deed het omdat ik gruwde van breinvervuiling. Bijna alle vakken op het gym vond ik geestdodend, dus probeerde ik mijn diploma te halen door zo min mogelijk te leren – en zo veel mogelijk te spieken.

Het begon ergens in de derde klas. Onze hoogbejaarde leraar Latijn, meneer Pietersen, was niet alleen dementerend en halfblind, maar gaf zóveel huiswerk op dat we wel moesten frauderen. Helemaal gek werden we van Ceasar en zijn hulptoepen! Dus, spiekbriefje tussen de dijen en overpennen maar. Iedereen deed het, terwijl meneer Pietersen zat in te dommelen met zijn glazen oog.

Al gauw kreeg ik de smaak te pakken, want een kei op de vierkante millimeter. Niemand kon zulke gedetailleerde en toch goed leesbare spiekbriefjes maken als ik. Tientallen, zo niet honderden stuks heb ik vervaardigd, voor bijna alle vakken. Ontelbare manuren heb ik erin gestoken, altijd met de passie van een ausweisvervalser en de deskundigheid van een valsemunter. Een Millimeterman, dat was ik. En een vernuftig gluurder. Onder de dijen, in de handpalm, tussen boek-en-examenblaadje – ieder standje beheerste ik.

Common sensers onder u zullen nu schamperen dat het meer energie kost een spiekbriefje te maken dan de stof te leren. Wat ze niet begrijpen is hoeveel positieve energie dat spieken me opleverde. Eindelijk had ik iets gevonden waarvoor ik warm liep! De focus, het vernuft, de spanning. De euforie. Fraude, het was mijn forte.

Pas na ettelijke jaren werd ik voor het eerst gesnapt. Bij Duits gebeurde dat. Best pijnlijk, want de juf had een zwak voor mij. Ze wist hoe zwaar ik het thuis had, met een gekke moeder en een dronken vader. Dat was dus precies wat ik haar voorspiegelde, toen ze me vroeg waarom ik spiekte. ‘Het is zo zwaar bij ons thuis, Juf!’ Wat ik er niet bij vertelde was dat ik me veel drukker maakte over de borsten van Eline R.’s dan over de ellende thuis.

Nu ik betrapt was maakte ik me natuurlijk zorgen of ik mijn praktijken kon voortzetten. Zou de juf me verraden? Nog voordat ik dat kon uittesten werd ik aangenaam verrast. Een andere juf sprak me aan, voor een volle klas. Glunderend vertrouwde ze ons toe dat mijn spiekbriefje de lerarenkamer was rondgegaan. Hílárisch hadden ze het gevonden! De complete Duitse grammatica! Op postzegelformaat! Nooit eerder hadden ze zoiets gezien! Opeens stond Rein, die met dat piepstemmetje en dat meisjeshaar, op de kaart van het lyceum. Fifteen minutes of fame, zonder er zelf bij te zijn.

Toch moet het compliment me overmoedig gemaakt hebben. Waarom anders zou ik mijn gulden regel met voeten getreden hebben? ‘NOOIT SPIEKEN BIJ MENEER KOOIJ!’ Meneer Kooij, een leraar Grieks, was dik in de zestig maar vreselijk alert. En scherp. En sarcastisch. En gevaarlijk. Dus. Toen ik aan de beurt was met vertalen en voorlas van mijn spiekbriefje op mijn tafelblad (kon ie niet zien, want achterin de klas!), stond hij plots op. Liep op me af, met zulke grote passen en zo’n vastberaden tred dat ik een klap verwachtte. Hij griste mijn spiekbriefje weg, liep terug naar het bord en prikte het daar op. ‘Rein wil niet meedoen,’ was zijn commentaar. ‘Dus doet Rein niet meer mee.’ De rest van het jaar heeft ie me genegeerd, terwijl mijn briefje aan de schandpaal genageld bleef.

Of meneer Kooij’s lesmethode pedagogisch verantwoord was valt te betwijfelen. Feit is dat ik sindsdien niet meer gespiekt heb op school. En aan den lijve ondervond dat genegeerd worden een stuk erger is dan klappen krijgen. Maar dat wist ik al van thuis.

Met deze vernedering was de fraudeur in mij nog niet helemaal afgestorven. Integendeel. Toen ik jaren later psychologie ging studeren en op het breinvervuilende ‘statistiek’ stuitte, haalde ik de ausweisvervalser weer uit de kast. Of beter gezegd: mijn vriendin. Zij deed hetzelfde tentamen en zou me helpen met haar bètabrein. Toen ze klaar was schreef ze de multiple choice- antwoorden op een vloeitje, deed dat in haar pakje shag (roken mocht toen nog), legde de shag op mijn tafel en vertrok met een knipoog. Precies zoals we hadden bekokstoofd. Maar de zaal was inmiddels bijna leeg. Ik zat daar met een enkele andere Mohikaan, omringd door een overmacht aan surveillanten. Nog tien minuten had ik. Tien minuten om een shagje te draaien. Tien minuten om psycholoog te worden. Tien minuten om iets van mijn leven te maken. Ik staarde naar de Drum. Naar mijn tentamen. Naar de patronen in het formica. Begon te zweten. Te trillen. Te hyperen. Trok zo bleek weg dat de surveillanten me zorgelijk aankeken. Ze dachten vast dat ik het zwaar had thuis.

Nee, omhoog gekregen heb ik hem niet, die noodlottige vrijdagmiddag in de Uithof. Daardoor heb ik het tentamen ook niet gehaald. De studie afgebroken. Mijn toekomst vergooid. Niet dat ik zin had om therapeut te worden, maar om op mijn leeftijd valsemunter te worden, da’s lastig. Wat me rest zijn mijn spiekbriefjes, mijn ‘miniatuurtjes’ zoals ik ze liefkozend noem. Ik bewaar ze in een presentatiemap, voor als me tijdens een sollicitatiegesprek gevraagd wordt wat mijn sterke punten zijn. ‘Oog voor detail’ zeg ik dan triomfantelijk, de map openklappend, mezelf voor een laatste keer op de kaart zettend.

De Millimeterman
De meester en zijn werk

En de haringen van de Hema

Van sommige mannen kun je onmiddellijk zien dat ze naar de hoeren gaan. Ze hebben zo’n minachtende trek om de neus en een JIJSMERIGEHOERRR!-blik in de ogen. Maar van sommige potentiële hoerenlopers kun je onmiddellijk zien dat ze door iedere hoer geweigerd worden. De orgelman van U. is zo’n geval.

Mosterdglasbril, vettige roosslierten, ZwareVanNelle-gebit, nobodyhome-staar. De orgelman oogt als een afgekeurde seriemoordenaar. Gelukkig krijgen ook Gods minder bedeelde kinderen een plaats onder de zon. Veel plaats, want ik vermoed dat de orgelman al op jeugdige leeftijd aan de kar werd vastgeketend om het metier onder de knie te krijgen.

Met het verstrijken der jaren heeft het lelijke eendje zich ontpopt als een überdraaier. Deze pro zet zijn verbeterpuntjes namelijk in als troeven: de verloederde présence maakt hem instant meelijwekkend en de jarenlange hoon immuun voor afwijzing en ergernis, terwijl een sputterende hypothalamus hem verzekert van een agressieregulatie die concurrenten tot ver buiten de provincie doet huiveren. Het charisma van een wezen dat niets te verliezen heeft.

Die stoïcijnse natuur is geen overbodige luxe. Tegenwoordig moet een orgelman hard draaien om boven de plaatselijke muzak uit te komen. Winkelstraten zijn een kakofonie van arbeidsvitaminen, mobiele bellers vullen spaarzame rustmomenten met megafonisch gewauwel. En natuurlijk moet hij z’n eigen dieselmotortje en rammelbakje overstemmen. Dus waarom de logge orgelwagen niet inruilen voor een nieuwerwetse gettoblaster, zo een waarmee je een geluidsmuur kunt optrekken en die toch in je rugzakje past? Nou, een man met rugmuzak gun je nu eenmaal niet zo snel een muntje. En deze orgelman geef je je laatste euro nog.

Als geen ander weet hij hoe je strategisch moet rammelen. Hij stelt zijn orgel op voor de Hema, zodanig dat de shoppende meute tussen hem en het pand geperst wordt (vooral op zaterdagmiddag leidt dit tot een gemene stroomvertraging), waarop de orgelman zijn geldbakje in de argeloze massa steekt als een haai zijn bek in een school haringen, om hen te berammelen, onophoudelijk, ongenadig en met de overtuigingskracht van een born again Christian: ♪…Daar in dat…♫….RAMMEL-DE-RAMMEL…♫…café…♪…RAMMEL-DE-RAMMEL … ♪…háááven…♫…RAMMEL-DE-RAMMEL! De haringen, gedesoriënteerd door het muzakale offensief, doen een graai in de huishoudbeurs, werpen een vuistvol flappen in het geldbakje en proberen zich terug te persen in de modderstroom van medeshoppers, op veilige afstand van de Quasimodo. Iedereen vreest de überdraaier van U.

Toch verdient hij meer dan onze angst of medelijden. Want muzikaal komt hij where no man has gone before. Niet alleen moet hij de godganse dag eigen muzak aanhoren,’s avonds is hij nog eens koortsachtig bezig alle nieuwe straatorgelponskaarten door te nemen op zoek naar bruikbare hits. A hell of a job.

En rijk zal ie er niet van worden. Stoïcijns als hij is, mist ie de neus voor de juiste doelgroep. Dat weet ik omdat de orgelman iedere woensdagmiddag in mijn achterbuurt komt aanhobbelen. Hij houdt pas op de plaats voor de afbraakflats, de ene hand aan het orgel, de andere in de zij, alsof hij wil roepen: ‘Nou, kómt er nog wat van!?’ Maar in mijn buurt wonen geen shoppers. Hoogstens andere orgelmannen. En allochtonen, maar die zie ik niet zo snel meedeinen met kleine café's aan havens. Dus iedere woensdag druipt de orgelman weer af, rammel-de-rammellend en dieselpruttelend, gehard door hoon, immuun voor afwijzing. Richting hoeren.

Foto: M. Kooren (Utrechts Nieuwsblad)

De überdraaier van U.
Sfeer is iets dat je kunt maken

En het toverwoord

Iedere dag zoek ik hem op, als ware hij een goede vriend van me. Iemand bij wie ik me op mijn gemak voel. Bij wie ik thuiskom. Terwijl hij me toch vaak genoeg tot wanhoop drijft.

Overal waar ik kom achtervolgt hij me. Als ik ronddool op een netwerkborrel of een wandeling maak langs de kade, dan blaast ie zich op tot een Hindenburg. Als ik te lang achter de computer zit of probeer te genieten van het kleine, bijt ie zich vast in mijn nek. Hij beneemt me de adem alsof hij er recht op heeft.

Pas als ik onder de mensen kom houdt ie zich gedeisd. Hij huivert als ik de slappe lach krijg met mijn vrienden, meezing met de barman of tongzoen met een deerne. Een jaloerse schijtert, dat is ie.

De enkele keer dat ik met anderen over hem praat begrijpt niemand waar ik het over heb. Immers, in gezelschap ben ik altijd zo gezellig. Zo geestig. Zo ad rem. Zo’n mensenmens! Dus waar heb ik het over.

Enige manier om hem klein te krijgen is door te schrijven. Vrij en onverveerd. Dan schrompelt ie ineen tot het achterdochtige jochie dat hij eigenlijk is. Maar helemaal verdwijnen doet ie nooit. Omdat hij bij me hoort, achtergelaten in het toen, vastgezogen in het vacuüm van weleer.

Nu fluistert hij me dagelijks in. Als een gemankeerde muze, koortsachtig op zoek naar een toverwoord dat ons herenigt. Tevergeefs, zo hebben de jaren mij geleerd. Maar wie ben ik om ons deze illusie te ontnemen.

De isolant
Rein als jongmens: If looks could kill...

Van e-Sight

‘A man with no enemies is a man with no character,’ stelde Paul Newman ooit. Als dat zo is ben ik een ontzettend slappe lul. Ga maar na: op Facebook word ik zelden ontvriend en in het echte leven sluit ik doorgaans vriendschappen voor het leven. Een watje. Slechts eenmaal heb ik een echte vijand gemaakt. Maar die gozer kan mijn bloed dan ook wel drinken.

Sam was een fan van mijn columns. Hij kende ze uit het Universiteitsblad, zo bleek tijdens het sollicitatiegesprek, had er vaak om moeten schateren. Ik voelde me gevleid. En al vond ik hem met zijn 27 lentes wat jong om een opstartend bedrijf te leiden, iemand die mij geweldig vond, daar durfde ik het diepe wel mee in. Bovendien was e-Sight een dochteronderneming van twee doorgewinterde zakenmannen die een oogje in het zeil zouden houden. Zat wel snor. Kortom, e-Sight was een tekstschrijver rijker.

Al snel voelde ik me helemaal thuis in het sfeerloze bedrijfspand aan de A2. Dat kwam vooral door Sams neus voor mensen. Hij selecteerde zijn personeel niet op praats maar op karakter. Mijn collega’s waren stuk voor stuk vakidioten met hart voor de zaak. ‘t Waren er alleen wat veel. Na een week waren we al met z’n zessen, met zeggen schrijven één klant, nota bene een maatje van de bovenbazen. e-Sight was eigenlijk vooral bezig met e-Sight. Het halve budget werd opgeslokt door een fotoreportage van het team en andere potsierlijke uithangbordjes. Leuk om zo met jezelf te spelen, op termijn toch wat verontrustend.

Gelukkig nam Sam mij regelmatig in vertrouwen. Deelde zijn plannen, sprak zijn zorgen uit. Als begin veertiger wist ik precies hoe het leven in elkaar stak, dus diende ik hem graag van advies. ‘t Zou wel loslopen met e-Sight, zo stelde ik, want fijne mensen. En mocht het tóch mis gaan, dan konden we altijd nog samen een nieuw bedrijf opzetten! Ik als wijze mentor, hij als onbevreesd broertje – a winning team!

Bonden met de baas, fouter kan niet. Wist ik natuurlijk ook wel. Alarmerender vond ik Sams criminele trekjes. Soms zat hij sites te hacken alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Nam vervolgens contact op met zijn prooien om hen op de lekken te wijzen en de diensten van e-Sight aan te bieden. Begrijpelijkerwijs moesten ze niets hebben van deze opgedrongen buurtpreventie en dreigden met de politie. Illegaal of niet, ik vond het vooral grensoverschrijdend. Sam lachte mijn zorgen weg.

Toen er na een maand nog steeds geen nieuwe klant geworven was, werd Sam op het matje geroepen. Met luide, sarcastische stemmen maakten de bovenbazen hem duidelijk hoe ze over zijn management dachten. Nare mannen, maar gelijk hadden ze. Na afloop nam Sam mij in vertrouwen. Om uit te huilen, zo verwachtte ik. Niets van dat al. Om de schuld buiten zichzelf te leggen. ‘t Waren de bovenbazen die tekort schoten! Oeps, dacht ik. Als de Anderen het allemaal gedaan hebben, schort er meestal iets aan die Ene.

Dagen werden weken, weken werden maanden. Geen klanten. Geen inkomsten. Geen…loon. De nerds begonnen te morren. Ik probeerde de gelederen te sussen. Sam, zo stelde ik, moest de ruimte krijgen! Was ons vertrouwen waard! Voordeel van de twijfel! Maar ook mijn twijfel werd groot toen Sam me niet meer in vertrouwen nam. Zich terugtrok. En zich ziek meldde. Met de mededeling dat wij voor de bovenbazen moesten sloven.

Geen loon. Geen Sam. Geen e-Sight… Plus geruchten dat Sam gedegradeerd was tot loonsloof van de bovenbazen. En dat wij WW-loos op straat zouden komen te staan! Na een slapeloze nacht vol soul searching hakte ik de knoop door. Ik organiseerde een ‘staking’. We meldden ons simultaan ziek. Muiterij!

Maanden van koude oorlog en nagelbijten volgden. Sommige collega’s konden hun huur niet meer betalen. De paranoia sloeg toe, of was onze mail echt gehackt? Ik kreeg bijkans een nervous breakdown toen ik ’s avond laat werd opgebeld door Sams moeder. Of ik besefte wat ik haar jongen aandeed! Hoe hij kapot ging aan onze staking! Wat voor onmens ik was! Ik prevelde iets over verantwoording nemen, maar ze ging maar door. Uiteindelijk gooide ik de hoorn erop. Maar ze had haar doel bereikt.

De rechtszaak duurde slechts een half uur. In twintig van de dertig minuten werd ik door Sams advocaat neergezet als een verrader. Een ophitser, een ondermijner, een Judas was ik, zo zou blijken uit e-mails die zij hadden bemachtigd. Sam wierp me smalende blikken toe. Ik zakte door de grond. Maar de rechter had geen boodschap aan de J’Accuse. Sam moest gewoon ons loon betalen. Verantwoording nemen.

Onze centen hebben we gekregen. Ons gelijk ook. En de felbegeerde WW. Maar mijn zakenbroeder was ik kwijt. Niks geen winning team meer. Nog steeds voel ik me wel eens een fout mannetje door de affaire. Niet vanwege de muiterij, maar omdat ik vriendschap zocht met een baas. De baas is de vijand. Per definitie. Zo simpel is dat. Niets mis met vijanden in je leven. Ze houden je gezond, zoals je beste vrienden dat doen. Dus waarom voelt dat ‘character’ dan zo klote?

Het team
Op de hei

En het leven

Soms pas ik mijn wandeling er op aan. Loop ik er voor om. Houd ik de pas even in als ik er voor sta. Om naar binnen te gluren. Het is zo’n klassiek pand, met hoog plafond vol ornamentjes, glas-in-lood dat herfstkleuren tovert op de monumentale muren, rotan meubels die vergroeid lijken met de vingerplanten, schemerlampjes die de zonsondergang inluiden. Als ik voor dat huis sta moet ik altijd even slikken.

Een zinnig mens zal dat brok in mijn keel afdoen als een aanval van melancholia. Immers, ik ben opgegroeid in zo’n herenhuis. Maar ik verlang niet naar toen. Herinneringen aan mijn ouderlijk huis bezorgen me klamzweet. Neen, als ik voor dit vreemde huis sta ben ik uit op iets anders. Op een ander leven. Andermans leven.

Het huis geeft me de illusie dat ik ongestraft een andere werkelijkheid kan binnen stappen. Een leven waarin ik verwelkomd word met een zoen van andermans vrouw, omsingeld wordt door armpjes van andermans koters, afgelebberd word door de snuit van andermans labrador. Om vervolgens aan te schuiven aan andermans eettafel, het vlees te snijden met andermans mes en me te laven aan andermans verhalen. Het is het leven waarin ik de anderman ben geworden die ik nooit verwacht had te zullen zijn.

Natuurlijk mag dat leven niet te lang duren. Anders loop ik de kans op de dagelijkse werkelijkheid te stuiten. Waarin de heer des huizes echtscheidingspapieren naar ‘t hoofd geslingerd krijgt, met zakgeldeisen belaagd wordt en tetanustanden in de kuiten voelt. Gelukkig is eventjes voldoende om de molensteen rond mijn nek te verlichten, de ballast die een zinnig mens graag voor levenswijsheid verslijt. Dan steek ik de kraag weer op, de windstilte ten spijt, en vervolg ik mijn pad, huiverig om versleten te worden voor de voyeur die ik altijd al vreesde te zijn.

De anderman
Bijtanken

Te Enschede

Stans bejaardentehuis
Forever young voor Stans bejaardentehuis/residentie

Vrouwenlokker<p class=
Chick magnet Stan markeert zijn nieuwe jachtterrein met gepaste nonchalance

Peter in Fontein des Jeugds
Peter roept de Fontein des Jeugds op (en loopt en passant over water)

Annemieke yogeert
Annemieke doet 'n Miss Boeddha in het majestueuze Volkspark

Rein met wijze kei
Geweld spint waar respect begint! (O.i.d..)

Enschedese schaduw
En weer huiswaarts, op de hielen gezeten door de nazomerse slagschaduw

Into the wild

Als overtuigd amateur-zoöloog heb ik moeite met natuurliefhebbers die graag dieren spotten. Ze struinen bosch & duyn af in de hoop een glimp op te vangen van hun favoriete beest. ‘Kijk, een staartmees!’, ‘Moet je zien, een veldspitsmuis!’, ‘Daaro, een breedscheenjuffer!’ Ja, en dan? Dan is het beest weer weg. Het is een omgekeerd soort sight seeing, een Europe-in-3-days maar dan met een wegrennend/kruipend/zwemmend/vliegend Europa.

Als ik de natuur in duik wil ik de diepte in. Het gedrag bestuderen. Daarom beleef ik dieren liefst bankhangend voor Cousteau of Attenborough. Die namen de tijd. Tuurlijk, de eerste wilde nog wel eens een staaf dynamiet de plomp in plempen om wat leven in de oceaan te krijgen, en Sir David stuurde zijn ploeg liefst maandenlang het moeras in om vervolgens goede sier te maken met hun unieke opnames, maar beiden stonden garant voor verdieping - voor avontuur.

Voor avontuur is in mijn buurt weinig ruimte. De patatduif maakt hier de dienst uit, en die is toch vooral bezig met poepen. Het peloton kauwtjes en de hangeksters zorgen evenmin voor reuring. Alleen op het grasveldje achter mijn flat kun je nog wel eens een wild dier aantreffen. De Erinaceus europaeus om precies te zijn, de egel. Ik spot hem wel eens op zwoele zomeravonden, als ik thuiskom met een wijnhoofd en mijn fiets in het hok wil opbergen. Of eigenlijk spot hij mij. Dan komt hij aanhobbelen, kijkt toe hoe ik mijn sleutel in het sleutelgat probeer te krijgen, en als dat hem iets te lang duurt, schudt ie meewarig zijn kopje en hobbelt ie terug naar zijn hol. Dichter bij avontuur kun je niet komen.

Mogen egels te boek staan als solitaire wezens, een paar avonden geleden zag ik niet minder dan drie stuks in het donker zitten. Ik aarzelde geen moment, pakte mijn camera en sloop op het trio af, tot op een paar centimeter. Maar schrikken ho maar. Ze rolden zich niet op, renden niet weg. Integendeel, ze gingen rustig door met wat ze aan het doen waren: in een kringetje rondwaggelen, snuivende en knorrende geluiden makend. Een shamanistische egeldans? Het zag er in ieder geval knap lullig uit, en vooral disfunctioneel. Ze waren niet aan het paren of op slakkenjacht, beten elkaar geen oor af in de strijd om een vrouwtje, groeven niet eens een hol, ze deden maar wat! Ze vielen zelfs een paar keer in slaap, pal voor mijn neus. Nachtdieren die ’s nachts tukken!? (Waar is een staaf dynamiet als je hem nodig hebt!)

Gelukkig maakte een van hen oogcontact met mij, alsof ie in mijn gemillimeterde coupe een über-egel herkende. Wel een kwartier lang hebben we een wedstrijdje wegstaren gespeeld. Spotten met diepgang was het, al zullen de buren in mij vooral een dronken gek hebben vermoed, want vanaf de balkons waren de egels niet te zien. ‘Kijk, die kale is duivenstront aan het fotograferen!’

Voorlopig houd ik het bij deze reportage. Niet omdat ik teleurgesteld ben in de luie egels, maar omdat de natuurman in mij zichzelf de volgende avond keihard is tegengekomen toen ik een spin op mijn rijstpapieren lamp aantrof. Een gerande oeverspin om precies te zijn, de Dolomedes fimbriatus, ook wel Big motherf*cker genaamd. Hij was zo zwaar dat ik hem over het rijstpapier kon horen lopen (!). Nooit eerder beseft dat ik een arachnofoob was, maar toen ik hem bibberend in een teil had opgevangen en hem op het balkon van de buren had geslingerd, begreep ik opeens waarom normale mensen het liever bij spotten houden. ‘K-k-kijk, een B-b-big m-m-motherf-f-fucker!

Egels
Take us to your leader!

Die wilde dromen

Mijn vader had graag een tweede zoon gewild. Niet omdat hij zo van zonen hield, maar voor het geval ik zou verongelukken, want dan zou onze naam uitsterven. Op safe spelen, dat deed mijn vader graag. Daarom voedde hij zijn kinderen op met zo veel mogelijk common sense. ‘Als je vlijtig studeert, hard werkt en veel spaart, dan komt alles goed,’ verzekerde hij ons. Een kwestie van vooruitkijken, dat zou het leven zijn.

Die tweede zoon is er niet gekomen. Doodgegaan ben ik evenmin. Maar mijn studies heb ik alle vijf afgebroken. Ben vaker ontslagen dan dat ik gesolliciteerd heb. En iedere cent die er in mijn schoot geworpen is heb ik verbrast. Mijn vaders gezonde verstand heb ik altijd geminacht, misschien wel omdat het bij ons thuis nooit goed kwam. Vergezichten waren er slechts om in weg te dromen.

Inmiddels begin ik zijn verstand beter te begrijpen omdat ik me zorgen maak over mijn ouwe dag. Ben bang te eindigen op Hoog Catharijne, bedelend in een slapgepieste kartonnen doos, zonder pensioen, zonder AOW (die dan niet meer bestaat) en zonder zicht (geen geld meer voor oogdruppels). Iedere keer als dit spookbeeld zich aan me opdringt heb ik even spijt dat ik niet beter naar mijn wijze vader heb geluisterd, niet iedere cent in een ouwe sok heb gestopt.

Gelukkig sprak ik laatst een vriend die het nog slechter is vergaan. 18 jaar lang was hij de partner van een carrièrevrouw. Bakken met geld had ie te besteden. Dure kleren, zoevende auto, chic uit eten. Tot zij een ander vond. En hij op straat kwam te staan. Nu heeft hij bijna niets meer, op een indrukwekkende collectie zijden dassen en een paar obsceen dure schoenen na. Maar zorgen maakt hij zich niet. Daarvoor is ie te diep gevallen. En te veerkrachtig van aard. Hij heeft genoeg aan zijn moestuintje, vrienden en boeken. Een rijk mens, dat voelt ie zich.

Mijn respect voor hem is diep. Niet alleen omdat hij nog minder ambitie koestert dan ik doe, maar vooral omdat ie rust heeft gevonden zonder zekerheid te zoeken. Als ik met hem over het leven ouwehoer voel ik me weer zoals vroeger. Onverschrokken. Gretig. Triomfantelijk. Dus als mijn boek straks een bestseller wordt en ik bakken met geld verdien, dan zal ik ieder muntje in die verrekijker stoppen. Niet om vooruit te kijken, maar om nog verder weg te kunnen dromen.

De Ziener
De mooiste beelden krijg je als de muntjes op zijn

Kensie nich normoal Neiderlands proate?

Effe chillen met moonshine in de moerassen van Nederweert. Lekgestoken door lokale malariamuggen, maar wél wilde varkens, reeën, vossen, dassen en een (zeldzame!) boa constrictor gespot. De natural high van Fiery Jamaican Root Ginger! Inne daag neet gepos, inne daag neet gelaef!

Nederweert
Sop 't dich mér op!