blog titels

Blog

Van de sneak

Sinds jaar en dag ga ik op dinsdagavond met mijn filmvrienden naar de sneak. Die voorstelling is nooit uitverkocht, maar voor de zekerheid gaan we altijd vooraan zitten, daar waar het rustig is. Liever kramp in de nek dan popcornkauwende whatsappers.

Die vrienden van mij zijn van ongeveer hetzelfde bouwjaar en dezelfde coiffeur. Denk dus drie ouwe kale lullen op een rij. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat de rest van de sneakers ons voor gay verslijt, een trio homonique dat zo ver naar voren gaat zitten om elkander te betasten. Dat eerste zou ik eigenlijk helemaal niet erg moeten vinden, maar doe ik toch. Komt vast doordat ik als puber zo androgyn oogde, maar vooral omdat ik nu dozijnen aan flirts met spannende sneakbabes misloop, suggestieve knipogen die me anders wél ten deel waren gevallen.

Om ons stigma enigszins te compenseren loop ik zo heteroseksueel mogelijk naar onze plek toe. Vierdaagsepassen, man-van-de-wereld tred en militaire focus (geen kinnesinne gezien de boobytraps van colaflesjes en limonadeplassen). Verder zorg ik ervoor dat niemand mij tijdens dramatische scènes m’n zakdoek ziet trekken, wat toch regelmatig voorkomt gezien mijn sentimentele natuur. Alles om Mr. Cool te lijken.

Probleem met zo’n homofobie is dat je er ook mee kampt als je hem niet nodig hebt. Als ik bijvoorbeeld in mijn eentje naar de bios ga. Gedrild door de sneakroutine geef ik mijn schouderpartij dan een gettoschwung mee en houd ik mijn armen dusdanig dat er twee six packs Buds onder geklemd zouden kunnen zitten. Boeren is nog een brug te ver.

Ook die avond in het filmhuis maakte ik mijn entree zo masculien mogelijk. Ik had gekozen voor een Argentijns drama, omdat de machocultuur aldaar me bijzonder heteroseksueel leek. Ik plofte neer in het midden van de voorste rij, die verder leeg was, net als de vijf rijen erachter dat waren. Daar weer achter zaten tientallen paartjes, samengeklonterd als scherpschutterduo's.

Paartjes zijn gek op Argentijnse drama’s want hartstochtelijk liefde, sensuele tango en – met een beetje mazzel – politieke gevangenen. Al snel echter bleek dit Argentijnse drama niet te gaan over een hartstochtelijke liefde. Of over tango. Zelfs niet over fascisten. Maar over een kalende man (net als ik) van middelbare leeftijd (net als ik) die een veertienjarig meisje onzedelijk betast (niet net als ik). Dat betasten begon al na een kwartier. En duurde de godganse film door. Een knalrode kop kreeg ik ervan.

Om zo min mogelijk op te vallen zakte ik zo diep mogelijk weg in mijn fauteuil. Waarop de airco vanonder het doek richting mijn kruis begon te blazen. IJskoud was de lucht. Om niet te vernikkelen deed ik mijn sjaal om. Toen mijn petje op. Vervolgens propte ik mijn sweater in mijn broek. En uiteindelijk legde ik mijn jas over mijn schoot – inderdaad, als een ouderwetse pornobiosrukker.

Achter me werd gelachen. En bij Argentijnse drama's valt verdomd weinig te lachen, zeker als ze gaan over middelbare pedotasters. Omkijken durfde ik niet meer, laat staan daarbij ontkennend mijn hoofd schudden. Bevroren heb ik de rest van de film uitgezeten, mijn armen quasi nonchalant in mijn nek gevouwen, als teken van ‘handen boven de lakens’.

Nog vóór de aftiteling over het doek begon te druipen snelde ik de zaal uit, mijn jas om mijn middel geknoopt, mijn neus in een gratis krantje om identificatie te voorkomen, licht wiegend met de heupen, biddend dat ik deze ene keer voor een gezonde Hollandsche homo versleten zou worden. Mr. Cool has left the building.

De pedofoob
Waar is een 3D-bril als je hem nodig hebt!

En de klompendans

‘En, wat wordt later jouw sterfbedspijt?’ Het is een vraag die ik graag stel aan onbekenden, op een feestje, om het ijs te breken. Mijn prooien lachen dan ongemakkelijk, wringen zich in bochten om een sociaal wenselijk antwoord te verzinnen.

Maar als ik de vraag aan mezelf stel dringen er zich evenzeer leugens op. ‘Had ik maar meer geschreven!’, ‘Had ik maar meer lol gemaakt!’, of het meer specifieke ‘Was ik die donderdagnamiddag van 18 juni 1987 maar vreemdgegaan met Louise W.!’

Het juiste antwoord is eerlijker – want simpeler: ‘Had ik maar meer uit mijn neus gevroten’. Lummelen in de zon, niets van jezelf hoeven (vooral niet genieten!), even pas op de plaats maken tijdens onze klompendans der ijdelheden, het is de enige uitdaging waar de ziel incarnaties tekort voor komt.

De laagvlieger
Marina di Ravenna, 1964

Van Sevilla

Al een kwartier lang stonden we te dralen voor de arena. Het was ook geen makkelijke beslissing voor twee langharige sukkels uit Holanda. Een doodzonde voor een vegetariër als ondergetekende, en toch ook wel een zwarte bladzijde voor mijn maat die een zwak had voor frikandellen. Maar na een week van kroeghangen en gemene katers snakten we naar iets cultureels. En dit was Sevilla, hier was een stierengevecht zoiets als avondje opera in Amsterdam! Dus wisselden we foute mannetjesblikken uit en gromden een ‘what the hell!’, alsof we ons opmaakten voor de final shoot out in The Wild Bunch.

Uiteraard kochten we de goedkoopste kaartjes. Niet alleen omdat we zunige Hollanders waren en ervoor pasten deze verfoeilijke industrie te spekken, maar vooral omdat we een plekje achterin de tent prefereerden. Close-ups van bloedvergieten, dat was niet besteed aan onze fijngevoelige natuur - lieten we graag over aan de autochtone barbaar.

Maar de prijs van een kaartje werd niet bepaald door de afstand tot de arena. Onze plaatsen waren zelfs helemaal vooraan, aan de rand van het plaats delict. Waar verder geen hond zat. Al snel werd duidelijk waarom niet. De eerste stier was de arena nog niet ingeschopt of de middagzon kwam vanachter de arenatrappen te voorschijn. Om genadeloos op onze zonnemelkloze kaaskoppen te branden. De koperen ploert! Helemaal gek werden we van de hitte. Dit was The Wild Bunch niet, we waren in een spaghettiwestern beland!

De stierengevechten zelf herinner ik me vooral als weerzinwekkende slapstick. Kreupele kolossen die bestookt werden door parmantig prikkende übermannetjes; minderjarige toreadors die door de stieren in de onderbuik gespietst werden en als vodden door de arena gesleept. Behalve gruwelijk oogden de gevechten vooral lullig. Amateuristisch. Lamlendig. Er werd mis geprikt, ernaast gestoken, erboven gespietst. Gevolgd door heel veel stuiptrekken. Mens- en dieronterend, deze triomf van masculiniteit.

Wat ons het meest choqueerde was de reactie van het publiek. Niet die van de mannen, die waren er nauwelijks. Van de dames. Hoe harder het bloed uit de opengereten slagaders spoot, hoe intenser de ARRIBAAA!!’s van de señorita’s weerklonken. Als er zoiets bestaat als een collectief oestrogeen orgasme, dan hebben wij het meegemaakt, die snikhete middag in Sevilla.

Vier stieren, een zonnesteek en een aanval van misogynie later stonden we weer buiten. Gesmoord door zelfhaat vervoegden we ons naar de cantina aan de overkant. Bestelden cervezas. Rolden shagjes. Staarden voor ons uit, naar de roodverbrande koppen in de spiegel achter de bar. En toen, of het nu kwam door het schuldbesef of door de zonnesteek, toen zag ik het, als in een visioen. Mijn haar. Het was dun geworden. Te dun om lang te zijn. Te dun om kort te knippen. Te dun om in de fik te steken. Te dun om wat dan ook mee te doen. De straf Gods.

Nog diezelfde avond heb ik de barbier van Sevilla bezocht. Naar mijn haardos gewezen, vervolgens naar zijn scheermes en toen zo’n mafiagebaar gemaakt, in de hoop dat hij mijn halsslagader zou meepakken. Helaas, hij spaarde me (wederom de hand van God?). Wel heeft hij me ongenadig gebrucewillist, zodat ik de rest van mij leven in schaamte zou doorbrengen, mijn wilde haren stuiptrekkend op zijn vloer als stille getuigen van mijn jeugdzonden. Olé.

De moffenhoer van Sevilla
Het schilderij is van de hand van Sally Huntington

Op Zuilen

Mijn buren maken 's nachts nog wel eens herrie. Ze schelden elkaar uit en hebben daarna luidruchtige goedmaakseks. Omdat mijn slaapkamer grenst aan die van hen en ik een licht slaper ben, heb ik besloten de kamer te isoleren. Dat pak ik, zoals de meeste zaken, veel te grondig aan. Zo maak ik gebruik van speciale schuimlagen en persplaten waarmee je normaal gesproken een drumcabine geluiddicht maakt. Mijn vrienden lachen me uit om mijn isolatiecel, maar mijn herriefobie heeft zijn gronden. Daarvoor moeten we terug naar begin deze eeuw, naar een eengezinswoning op Zuilen.

De Van der Pekstraat leek zo pittoresk toen ik er kwam wonen. Arbeiderswoninkjes met rode bakstenen, gehaakte vitrages en vrolijke begonia's. Perfect om een gezinnetje in te stichten of een hasjplantage in op te zetten. Alleen het huisje van mijn buurman detoneerde wat. Vergeeld oranje behang en een pick-up vol Eagles, zo viel me op toen ik een gluurblik wierp. Alsof de tijd er twintig jaar had stil gestaan.

Na de verhuizing belde ik aan om kennis te maken. Een broodmagere veertiger met rood slierthaar en diepliggende ogen deed open - het type dat in films met een bijl rondloopt. Hij gaf me een slap handje en nam me argwanend op. Ik stelde me voor en maakte een zenuwachtig grapje over verhuischaos. Hij zweeg in alle talen. Na een pijnlijke stilte vluchtte ik mijn huisje weer in.

Die eerste avond was het al raak. Ik was tussen de verhuisdozen ingedommeld toen ik opschrok van luid geschreeuw. ‘GA WÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉG!!’ klonk het dwars door de muur, ijzingwekkend, alsof iemand een ravijn in gesodemieterd werd. Móest de buurman zijn. Eerst probeerde ik mezelf wijs te maken dat hij misschien last had van een kat in zijn tuin. Maar het geschreeuw hield aan. De kreten varieerden van een simpele ‘VUILE FACSISTÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉN!!’ tot het wat meer bloemrijke "LAAT JE DOOR H*TLER IN JE R*ET N*UKÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉN!! Ik was naast een gek komen wonen.

Iedere nacht hield ie me uit mijn slaap. Brullen, dreigen, verwensen. Met deuren smijten. In oorlog met het universum was ie, en met mij in bijzonder. Nou ben ik wel wat gewend qua psychoten want opgevoed door een. Dus schakelde ik assertief de woningbouwvereniging in. En het RIAGG. En de wijkpolitie. Zamelde zelfs handtekeningen in van andere buren (voelt toch wat veiliger met zo’n lynch mob achter je). Maar gedwongen opname, dat kon maanden duren. Watertrappelen dus maar.

Een echt outgoing type was mijn buurman niet, maar onvermijdelijk kwam ik hem wel eens tegen. Op de Van der Pekstraat, sluipend richting super, met een macaber koffertje in de hand. Natuurlijk liet ik me niet kennen. Als we elkaar passeerden keek ik hem aan met mijn strakste Clint Eastwood. Hij blikte terug met een venijnige Freddy Krueger. Oscarwaardige momenten waren dat.

Dat de man knetterpsychotisch moest zijn was mij zonneklaar, maar het leek me verstandig om tastbare bewijzen te verzamelen voor de rechter. Dus toen ie op een avond in zijn tuin stond te schreeuwen haastte ik me ook naar buiten, cassetterecorder in aanslag, en stelde me verdekt op achter de door mij zelf getimmerde schutting. ‘KLOOTZÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁK!!’ klonk het, mijn richting op. Ik drukte op ‘record’. Waarop het even stil viel. Toen klonk het op sinistere toon: ‘Je zit me te op te nemen, hè, VUILE CIA SPIÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓN!!’ Helemaal lam schrok ik me. Hoe wist ie dat! Hij kon me toch niet zien! Zou hij een gaatje in de schutting geboord hebben!? Een camera hebben opgehangen!? Pas na een volle minuut viel de munt. Ik was paranoïde geworden van zijn paranoia. Nog even en ze konden mij ook afvoeren.

Het cassettebandje heb ik nooit hoeven laten horen. De wijkagent nam mijn klacht serieus. Hij ging bij de buurman langs en belde vijf minuten later weer bij mij aan. ‘Heeft u een apparaat waarmee u stemmen in andermans hoofd kunt stralen?’ vroeg hij met veelzeggende grijns. ‘Dat beweert uw buurman namelijk.’

Toch duurde het nog een enkele slapeloze maanden en talloze 112’s tot de ambulance kwam voorrijden. Gedwongen opname. Hij verzette zich hevig. Pepper spray. Handboeien. Opgelucht als ik was, kreeg ik toch ook medelijden. En niet alleen omdat de situatie me aan vroeger deed denken.

Ik heb hem opgezocht in het Pieter Baan Centrum. Schreeuwen deed ie niet meer dankzij de medicijnen, maar achter die oogballen vermoedde ik nog steeds een seriemoordenaar. ‘Ik heb zulke erge dingen meegemaakt in mijn jeugd,’ vertrouwde hij me toe met een blik alsof de mensheid bij hem in het krijt stond. Daar kon ik me alles bij voorstellen.

Een jaar later was ie overleden. Niet aan gekte, maar aan kanker. Van de wijkagent hoorde ik dat ze in zijn huis een koffer hadden aangetroffen. Met daarin een bijl. Had ie buurtkinderen mee bedreigd. Niemand had ooit aangifte gedaan.

Dus. Laat mij lekker m'n slaapkamertje dichtspijkeren. Dan kan mijn buurman zijn vriendin in stukken hakken zonder dat ik er wakker van word. Wel jammer dat ik nu ook de goedmaakseks moet missen. Of zal ik mijn cassetterecorder op het balkon zetten?

Paranoïde buren
De schrijver dezes die zijn afluisterapparatuur uittest, met op de achtergrond zijn voormalige schuur, niet te verwarren met zijn voormalige eengezinswoning...

At gunpoint

Schoolfotograaf, bij vijfde en laatste poging: “En als je nu &^%!$#@3* wéér niet lacht, dan zet ik je chagrijnige smoelwerk over 42 jaar op een interactief digitaal netwerk dat door miljoenen bekeken wordt!”

Billion dollar smile
Say Boursin!

Van het Herderplein

Ooit was ik in Oost-Duitsland. Daar voelde ik me - ondanks de Duitsers - onmiddellijk thuis. Niet alleen vanwege het gestencilde geld, leeglopende sigaretten en zwaarbewapende conducteurs. Het was vooral de architectuur die indruk op me maakte. Zelden had ik zo’n zee van troosteloosheid aanschouwd. Grauw beton, waar je ook keek. Een universum waar slechts dromers overleven.

De buurt waar ik nu resideer heeft een hoog Oost-Duits gehalte. Nou ja, voor de helft dan. Het andere gedeelte bestaat uit dure koopwoningen, doorzonlivings voor tweeverdieners. Als ik tijdens mijn dagelijkse wandeling bij hen naar binnen gluur, betrap ik me wel eens op een zweem van jaloezie, die weer plaats maakt voor huiver. Zinkende kookeilanden, voorbestemde carrières, krampachtige relaties. Mistroostig word ik ervan.

Gelukkig kan ik daarna weer bijtanken op het Herderplein achter mijn flat. Dat is met afstand de meest verwaarloosde plek van het noordelijk halfrond. Iedere week sneuvelt er wel een winkelruit, massieve rolluiken ten spijt. De laatste groenteboer is er vijf jaar geleden weggepest. Zelfs dealers mijden de bad vibes. Wat rest zijn enkele diehards die er hun euri witwassen in de nagelloze nagelstudio.

Soms probeert een vermaledijde wethouder zijn blazoen op te poetsen door ons Herderplein op te leuken. Met kekke mozaïekjes en ten dode opgeschreven groen. De arrogantie! Gelukkig blijkt zo’n reanimatie weinig duurzaam, al was het maar door de magnetische aantrekkingskracht op hangwerklozen en zwerfvuil. Onze Herder heeft zo zijn eigen opvattingen over urbane esthetiek.

Wat het plein voor mij bijzonder maakt is een ogenschijnlijke stijlbreuk: een standbeeld van een nakende dame, haar weelderige vormen zonder enige terughoudendheid tentoonspreidend. Wie zij voorstelt of wie haar schepper is wil ik niet weten. Voor mij is ze de beschermvrouwe van deze prachtwijk, een matriarch die ons met haar dikke reet behoedt voor het vallen van de imaginaire Muur.

De beschermvrouwe
Je moet het bij daglicht zien

En de Prince of Darkness

Een romanticus zal ik niet snel genoemd worden. Verwacht van mij geen ruikertje, diner dansant of huwelijksreis naar Luxemburg. Niet omdat ik dat klef vind, maar omdat het imago van Prince Charming me niet aanstaat; voel me meer ondermijner dan veroveraar – een Prince of Darkness zo u wilt. Daarbij, heeft romantiek niet vooral te maken met onmogelijkheid? Denk aan zakdoekvullers als Brief Encounter of The Bridges of Madison County. Happy Endings zijn voor watjes.

Slechts een enkele keer verklaart iemand de liefde op zo’n grootse en meesleurende wijze dat ik even moet slikken. Zoals op dit pand in Utrecht. ‘Lieve Afra, wil jij met mij trouwen?’ prijkt er in sierlijke koeienletters. Da’s effe wat cooler dan door je knieën gaan met een kauwgomballenautomaatring.

Toch roept het aanzoek vooral de nodige vragen op. Zou de auteur in kwestie wel in het huisje wonen, of heeft ie andermans stolpje opgefleurd? Woont die Afra in de buurt, of hoopt ie haar aandacht te trekken als ze toevallig eens langsfietst? Hoeveel Afra’s zouden er in Utrecht wonen? Wat zou de auteur doen als ie afgewezen wordt – de muur zwart maken en hem volspuiten met verwensingen in fluoriserend oranje? Is het aanzoek een unicum, of spuit hij na iedere afwijzing een nieuwe naam? En waarom staat er in godsnaam een dubbele punt vóór dat trouwen!?

Natuurlijk. Een waar romanticus vraagt zich dit soort dingen niet af. Die dóet. Spontaan. Onbezonnen. Toch, gezien het hoge Norman Bates-gehalte van het huisje, sluit ik niet uit dat er in deze auteur een Prince of Darkness schuilt, zo een die zijn bruidje na ’t jawoord verkettingzaagt om haar als mest over zijn rozentuintje te strooien. Of klink ik nu als Rein de Ondermijner?

Écht romantisch vind ik pas worden als blijkt dat Afra hetzelfde gedaan heeft met háar huisje, aan de andere kant van Utrecht. Dat ze net als hij tevergeefs voor het raam wacht tot die grote liefde een keer langsfietst. Ik zie het voor me, op groot scherm, hun huisjes naast elkaar in split screen, terwijl de aftiteling er langzaam overheen rolt. Dan moet deze Prince of Darkness toch even zijn zakdoek trekken…

De Romanticus
De hobbykamer is op de eerste

Waarom Nick zuigt (en Andy niet)

We hebben er allemaal last van. Ook de meest integere en hartstochtelijke muziekliefhebbers onder ons. We beseffen niet half hoezeer het ons beïnvloedt. Dat we de mooiste muziek erdoor missen. Statussmaak heb ik het over. Say what?

Statussmaak zou je de tegenhanger kunnen noemen van hartesmaak. Hartesmaak is onze primaire smaak, de smaak die we vanaf onze prille jeugd ontwikkelen. Doorgaans een voorkeur voor toegankelijke liedjes, van The Sound of Music tot ABBA.

Onze hartesmaak ontwikkelen we onbewust en spontaan. Naarmate we ouder worden komt hij onder vuur te liggen. Smaak is namelijk van cruciaal belang voor pikorde – de juiste smaak wel te verstaan. Op het middelbareschoolplein wordt de ene popband (om cryptische redenen) megacool bevonden en de andere verguisd want vre-se-lijk oubollig. “Alice Cooper!? Ha! Zappa, die is pas cool!’! ‘Smaken verschillen’, ‘respect voor elkaar’ en meer van dat soort welwillende onzin maken natuurlijk geen enkele kans in de piranhasfeer van de puberteit. En omdat ieder kind behoefte heeft erbij te horen, zal hij zijn smaak een beetje aanpassen. Het corruptieproces is ingezet. De statussmaak is geboren.

De neiging tot aanpassing wordt er niet minder op naarmate we ouder worden. Hoogstens geraffineerder. We willen ‘t zó graag eens (of juist oneens!) zijn met onze partners, onze vrienden, en onze collega’s. Maar ook met onszelf. Om de haverklap keuren we muziek af omdat het imago van de band ons niet aanstaat: Bono is kut want narcistische goeroe, Marco Borsato is prut want marketingmuzikant. De muziek horen we niet eens meer; we vínden vooral dat we bepaalde muziek goed of slecht moeten vinden.

Facebook, het middelbareschoolplein-voor-alle-leeftijden, is een krater van statussmaak. Sleutelwoord hierbij is ‘authenticiteit’. Een containerbegrip dat staat voor alles wat cultureel aanzien geeft. Denk levensecht want veel emoties (Jacques Brel), hartverscheurend want drugs en ellende (Amy Winehouse), street cred want gevangenis (Johnny Cash), integer want anti-establishment (Sex Pistols), ontroerend want traditie (Maria de Fátima), hip want onbeschaamd (Einsteinbarbie). Natuurlijk kán dit allemaal hartesmaak zijn, maar doorgaans is die een stuk genanter. Sterker nog, de keren dat er hartesmaak gepost wordt, krijgt die een kwinkslag mee als ‘guilty pleasure’ of ‘lekker fout’. Indekken tegen de smaakpolitie.

Maar hoe kom je nu achter je hartesmaak? Da’s lastig, want onbewust. Hartesmaak kun je eigenlijk alleen maar vaststellen als je cognitie uitgeschakeld is, als je geheugen ‘t even laat afweten. Daarom is het zaak om, als je muziek hoort die je kent maar even niet kan benoemen, een cijfer te geven. Dat cijfer zal altijd afwijken van het cijfer dat je de artiest geeft zodra je diens naam weer te binnen schiet. Een even amusant als confronterend mind fuckertje.

Tijdens mijn queeste naar de perfecte zangstem maak ik al jaren jacht op wat ik denk dat mijn hartesmaak is. Het heeft me leren genieten van artiesten ongeacht hun aura. Crooners als Andy Williams, Jo Stafford, Rufus Wainwright. Ik weiger me te storen aan hun hoge amusementsgehalte, plakkerige imago of zoete arrangementen. Verlossing, daar gaat het me om. Nu maar hopen dat mijn onderbewustzijn er ook zo over denkt.

Ondertussen begint mijn statussmaak te stinken. Want die ontwikkelt zich als een anti-statussmaak. Ik koester een buitensporige weerzin tegen Facebookfähige artiesten die hun muzikale tekortkomingen verbloemen met een ruig imago. Zelfkantposeurs als Patty Smith, Henry Rollins, Nico, Shane MacGowan, Iggy Pop, Lou Reed. Vooral de vals croonende Nick Cave met zijn puberale ode aan moord & doodslag kan ik niet luchten.

Maar. Om muzikanten af te wijzen omdat ze hip gevonden worden, da’s nog erger dan statussmaak koesteren – da’s übersmaak najagen! Gelukkig trekt mijn hartesmaak zich geen moer aan van mijn recalcitrantie. Zo heb ik Nick Cave op een onbewaakt want onbewust moment ooit een 8 gegeven. Godgloeiende! Rest de vraag hoe je fan kan worden van een artiest zonder deze ooit te herkennen…

Hartesmaak versus statussmaak
Leefde Nick nog maar!

In stijl

Speciaal voor de jaarwisseling een onweerstaanbaar fout lederen colbertje aangeschaft. Nu nog gaatjes prikken voor de creolen, potje gel in de schedelhuid masseren en Certificaat Beveiliging B halen, en deze jongen is helemaal klaar voor 1994. Zalig uiteinde!

Deurbeleid
PS Vergeet bij het verlaten van 2013 uw portier niet!

Aan het kanaal

‘Ach, de piramiden hoef ik niet meer zo nodig te zien joh,’ verzuchtte mijn vader een paar jaar voor z’n dood. Zomaar, uit het niets, terwijl hij een veertigste Engelse sigaret opstak en aandachtig tuurde naar de Maas die onder zijn flatje in het laatste restje zomerlicht lag te fonkelen. Ik vond de uitspraak verontrustend. Zo níet mijn vader. Was die ouwe zijn nieuwsgierigheid kwijtgeraakt? Mijn vader, die de beste pies & poep-verhalen over de wereldgeschiedenis kon vertellen!?

In Egypte is ie inderdaad nooit meer geweest. Wel heeft ie mijn laatste restje erfenis weggespoeld met bubbeltjeswijn tijdens zo’n reisje langs de Rijn. Tot volle tevredenheid van passagiers én bemanning, want de ouwe zat op zijn praatstoel met pies & poepverhalen over Batavieren die op boomstammen de Rijn afzakten…

Inmiddels hoef ik de piramides ook niet meer zo nodig te zien. Niet omdat mijn nieuwsgierigheid tanende is, maar omdat ik mijn vaders passie voor historie niet deel. Ben meer een man van de ufo’s & de aliens - lulkoek in plaats van pies & poep zegmaar. Ach, we hadden wel meer niet gemeen.

Toch begrijp ik nu beter wat hij bedoelde met die piramiden. Dat komt doordat ik ook aan een spannend water woon. Een kanaal dat je, als de wind goed staat, helemaal naar Egypte kan voeren. Het Kuifje-gevoel krijg ik ervan, alleen al door ernaar te turen. De belofte van avontuur! Wat meer heeft een mens nodig om lulkoekverhalen te schrijven. ‘Waren de Batavieren kosmonauten?’ - dat wordt een hit straks op de Henri Dunant…

De Piramides
Kapitän Rein op de brug van zijn U-bootflat, ietwat gedesoriënteerd door een laaghangende Ra.

En de Emmer

‘Als je je rijbewijs en je typediploma maar hebt!’ Zonder me af te vragen waarom mijn vader mijn kansen zo pessimistisch had ingeschat, ging ik, gewapend met deze levenswijsheid, in 1978 op kamers. Vier hoog vóór op de Mathenesserdijk, met uitzicht op de brug. Ik vroeg een uitkering aan (daar was ik schoolverlater voor geworden!) en vulde mijn dagen thee al drinkend voor het raam, turend naar de hectiek beneden in het aardse dal. Mijn volwassen leven was begonnen.

Eenmaal per week moest ik mezelf uit deze meditatieve staat rukken om sollicitatiebrieven te schrijven. Voor gewone steuntrekkers ongetwijfeld een crime, ik ervoer deze verplichting als een uitdaging. Het maakte de Ausweisvervalser in mij wakker. Zo werd ik specialist in het selecteren van net-niet-haalbare vacatures (‘Hoofd Röntgenafdeling Dijkzicht Ziekenhuis m/v’) en het typen van freudian slip-of-the-fingers (‘tiet’ i.p.v. ‘niet’). De afwijzingen bewaarde ik als trofeeën.

Toen de Sociale Dienst na een paar maanden toch begon te morren (een tiet te veel getypt?) werd het tijd om een werkzaam leven te overwegen. De gedachte alleen al bezorgde me koude rillingen. Hoe te combineren met mijn contemplatieve bestaan! Na nog eens uit het raam getuurd te hebben vatte ik het plan op ongeschoold werk te zoeken, maar dan wel van het soort dat zó stompzinnig is dat je er écht niet bij hoeft na te denken. Een gezonde geest in een automatisch lichaam.

Voldaan met dit voornemen tuurde ik weer enkele weken naar het verkeer op de brug. Tot ik, verstopt onder tientallen afwijzingen, een flyer van de firma Scheidegger op de mat aantrof. Een cursus Blind Typen. Vooral dat ‘blind’ maakte indruk. Immers, typen kon ik al – het Rein H. Tweevingersysteem (met nijdige aanslag) – maar als ik dat nou blind zou kunnen én met tien vingers, dan zou mijn lichaam één worden met de typemachine en mijn geest vrij blijven voor diepe gedachtes! Een typemachinist! Nog diezelfde avond cursusgeld bij mijn vader losgeweekt. ‘Als je het maar afmaakt,’ gromde hij, een wijnglas AH-sherry achterover kiepend.

Scheideggers cursusruimte vertoonde postapocalyptische trekjes. Een kale verdieping op de West-Kruiskade met scheefhangend tl-licht, plastic koffiebekertjes en een reutelende radiator. We waren met een man of 20, waarvan driekwart vrouw. Niet de bartypes waar ik op gehoopt had, maar secretaresses met strenge mondhoeken. Op de tafels stonden typemachines gereed. Geen gewone. De toetsen waren geanonimiseerd met gekleurde rubber doppen. Wat een motie van wantrouwen! Of wilde Scheidegger de cursus soms mysterieuzer maken dan ie was?

De cursusleider heette ons welkom met een Duits accent. Hij vertelde over het levensbelang van blinde typevaardigheid en deelde een schema uit waarop de 10 vingers verdeeld werden over de gekleurde toetsen. We plaatsten onze 200 vingers in de juiste positie, waarop de leider een cassetterecorder aanklikte... en de stem van Fred Emmer weerklonk! Ondersteund door een stemmig huistuin&keukenorgel (het Riha Tweevingersysteem?) maakte Fred al schnabbelend duidelijk welke letters we die avond zouden gaan typen: D-F-K-L. “Wijs-en middelvingers op de rode en blauwe toetsen, blik voor u uit en DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL…”

Nu zullen de meesten onder u bij de naam ‘Fred Emmer’ denken aan een feilloze nieuwslezer. Ik daarentegen had van een vriendje-bij-de-NOS gehoord dat deze Emmer vieze boekjes schreef en lederen pakken droeg. Die vriend kon het weten want had naast Emmer gestaan toen deze stond te plassen in het NOS-toilet. Dus toen Fred ons met licht dwingende intonatie tot typen maande, werd ik bevangen door visioenen van Emmers plasporno. Nooit eerder had mijn geest zich zo onvrij gevoeld! “DFKL… DFKL… DFKL…” Ik keek om me heen, hunkerend naar een gelijkgestemde wanhoopsblik, maar trof slechts strenge mondhoeken. “DFKL… DFKL… DFKL… DFKL…” Was ik de enige die besefte dat we in een Wim T. Schippers terecht waren gekomen? “DFKL… DFKL… DFKL…”

Volgehouden heb ik het. Ternauwernood. Die eerste avond dan. Toen bleek dat de cursus nog wéken zou duren. En dat we huiswerk meekregen. Tienduizenden pagina’s vol DFKL’s moesten we thuis kloppen. Foutloos. Blind. Met vastgebonden handen. Volgende week dinsdag meenemen.

U begrijpt, het huiswerk heb ik zo lang mogelijk uitgesteld. Tot de volgende dinsdagavond. Half zeven. Nog steeds had ik geen letter geDFKL’d. Het klamzweet brak me uit. Zonder uit het raam te turen besloot ik dat ik geen klassikaal onderricht nodig had. Dat ik een autonoom was die puur op zelfdiscipline kon draaien. Ook zag ik in een flash of genius dat die dopjes onzin waren. Dat een mens niet voor niets twee ogen in zijn hoofd heeft. Dat het met 2 freewheelende vingers veel lekkerder typt dan met tien verkrampte. En dat huiswerk onzin is want typen toch vooral een intuïtieve vaardigheid. Ik koos, kortom, wederom voor het Rein H. Tweevingersysteem. Dat zou ik die typenazi’s wel eens even laten voelen als ik bij het examen aanschoof!

Nee, ik ben niet geweest. De typemachine-met-brailledopjes heb ik uit schaamte opgestuurd. Tegen mijn vader begon ik een verhaal over malafide typecursusorganisaties, totdat zijn ‘het wordt echt nooit wat met die jongen’-blik me tot een hakkelende biecht bracht. Hoezo volwassen leven.

Toch zul je niet snel iemand treffen die zo rap tweevingerig DFKL kan typen en ondertussen een film van Tarkovsky kan bekijken. Daarbij heb ik mijn rijbewijs wél gehaald, in één keer, tot afgrijzen van mijn instructeur. Heeft een paar leuke baantjes opgeleverd. Kortetermijnjobs, want meestal al na één dag lichte schade. Maar het Rein H. Tweevingerig Stuursysteem (met nijdig bochtenwerk), da’s weer een ander verhaal.

De Typemachinist
DFKL...

De andere Reins

Zoals bekend gebruik ik Facebook om verhalen op te publiceren. De vriendschapsverzoeken die ik krijg zijn dus meestal afkomstig van onbekenden; lezers die willen reageren op mijn blog, bijvoorbeeld omdat ze iets herkennen uit hun eigen leven. Bij ieder verzoek van zo’n wildvreemde voel ik me vereerd. Ik willig het in zonder te dralen en zonder te checken of er misschien naaktfoto’s van Teletubbies op dat profiel staan. Iedereen is welkom.

Zo werd ik onlangs benaderd door een zekere Mark Bouwman. Om de een of andere reden reageerde ik niet meteen op het vriendschapsverzoek. Iets later die avond werd ik opnieuw door hem benaderd – nu met een sms. Dat benauwde me toch een beetje. Hoe was hij aan mijn geheime nummer gekomen? En waarom die haast? Zou hij zo’n Teletubbieman zijn? Ik kroop er vroeg in die avond, luchtbuks in aanlag naast het nachtkastje.

De volgende ochtend werd ik opgebeld. Door Mark. Hij klonk opvallend normaal. En zijn verhaal was bijzonder. Marks tweede naam luidde namelijk ook Rein. Hij was vernoemd naar de opa waar ik ook naar vernoemd ben. Mark was dus Rein III – of eigenlijk Rein II want 10 jaar eerder geboren! Tijdens zijn speurtocht naar de herkomst van zijn tweede naam was Mark op mijn blog gestuit. Over herkenning gesproken.

Het zat zo. Marks vader, ingenieur Ivo Bouwman, was bevriend met mijn opa, planter te Sumatra. Ze deelden een passie voor de inheemse cultuur van Nederlands-Indië. Zo stak Rein meer tijd in het verzamelen van kunstobjecten dan in het aansturen van ‘inlanders’. Zijn collectie zou naar musea in Nederland verscheept worden, maar de 60 (!) kisten belandden op de bodem van de Indische oceaan. Japanse torpedo. Rein zelf legde het af tegen de Jappen in 1942.

Vermoedens dat Ivo en Rein in eenzelfde eenheid gediend zouden hebben werden ontkracht. Een gerucht dat Rein in Ivo’s armen gestorven was bleek even romantisch als onjuist. Hoe de vriendschap tussen Ivo en Rein zich dan zo intens heeft kunnen ontwikkelen – Ivo sprak van een ‘nobel mens’ – zal voor Mark altijd een mysterie blijven, omdat zijn vader een zwijgzaam man was als het de oorlog betrof. Feit is dat Ivo dusdanig onder de indruk was van mijn opa dat hij diens naam liet voortleven in zijn zoon, zeven jaar later.

Mark en ik hebben foto’s en verhalen uitgewisseld. Ook brachten we zijn zus in contact met mijn tante, jongste dochter van Rein. Zo konden deze dames-op-leeftijd telefonisch terugflitsen naar hun jeugd in de Gordel van Smaragd. Helaas ook naar die zwarte dag in dat hotel te Java, toen mijn oma en haar dochters te horen kregen dat Rein gesneuveld was. Niet veel later werden ze afgevoerd naar Banjubiru, zwaarste der Jappenkampen.

Ik waardeer het enorm dat Mark contact met mij heeft gezocht. Mede daarom heb ik onlangs zelf de moed verzameld om een wildvreemde te benaderen: de vrouw naar wie mijn oudste zus is vernoemd. Deze dame was namelijk de enige vriendin van mijn moeder (gekke moeders maken weinig vriendinnen). Ze bleek inmiddels overleden, maar haar zoon heeft me geholpen aan foto’s en de omschrijving van een bijzonder mens. Die heb ik doorgestuurd aan mijn zus, in de hoop dat zij net zo trots wordt op haar naam als ik op de mijne ben.

De fotograaf was een Japanner
Opa en oma als jonggehuwden aan de wieg van mijn moeder. De idyllische fotografie werd verzorgd door – o ironie – een Japans fotograaf. Pematang Siantar, eind 1930.

Verkleed als penseur

Het is een veelgehoord fabeltje, dat zzp’ers vrije jongens zijn. Aanpakkers met een neus voor niche, gevoel voor klanten en een grenzeloze drive. Vergeet het maar. Een groeiend leger van zzp’ers speelt ondernemertje puur uit noodzaak. Omdat ze geen baan meer kunnen krijgen. Te eigenwijs, te mislukt, te oud. Of erger: omdat ze een Rein zijn.

Ik ben nu zo’n vijf jaar noodzakelijk zzp’er. Tropenjaren zijn het geweest. Dat ‘zelfstandige’ (lees: hoereren) was nog wel te doen, waar ik moeite mee had was het ‘zonder personeel’. Iedere dag de hele dag in je eentje tekst kloppen zonder gezellige collega’s om je heen, da’s wreed. ‘Ha!’ hoor ik u schamperen, ‘dat geouwehoer over ‘t weer zal je bedoelen! ‘Zal blij zijn als ik daarvan af ben!’

Toch kan een mens snakken naar small talk. Daarom ga ik regelmatig in de bieb werken. Gewapend met mijn king size smart phone-met-tekstverwerker en opklapbaar toetsenbord-met-bluetooth. Da’s ultra light high tech typen. Maar belangrijker: zo'n gadget trekt nieuwsgierigen aan. Nerds, die denken dat zij óók pro zijn. Ik vertrouw hen dan de ins en outs van mijn apparaatje toe. Op gedempte toon, alsof ik hen als ingewijden beschouw. Zeg dat ik thuis nog veel meer gadgets heb.

Soms bijten ze. Dan fietsen ze met me mee naar Blauwbaards tochtflatje, benieuwd naar mijn 4D-printer. Zodra ze binnen zijn, pak ik de chloroform, de handboeien en de duct tape. Als ze een uurtje later bijkomen, ben ik lekker aan het typen, zitten zij vastgeklonken aan de radiator, elektroden op geslachtsdelen geklemd. Je houdt niet voor mogelijk hoe enthousiast wildvreemden over motregen kunnen kletsen als je een plaagstootje van 220 uitdeelt.

PS Volgende week gaan we de hei op. Rollenspelen en gewoon lekker keten met mijn taser. Teambuilding, da’s de ziel van elk bedrijf zonder personeel.

De Collegalokker
In a bieb near you

Van het Geertekerkhof

Het smalste huis van Utrecht was ‘t, Geertekerkhof nummer 16. 2.40 meter breed, meen ik. Zeker 10 jaar te oud was ik om in zo’n studentenhuis te gaan wonen. Studeerde niet eens meer. Toch was het een mooie tijd.

Het waren de jaren dat ik nog in een dronken opwelling besloot om naar een andere stad te verhuizen. Ik liet een riante etage achter me, met eikenhouten vloer en uitzicht op een singel. De eenzaamheid ontvluchtend. Want mijn Rotterdamse vrienden waren allemaal gaan samenwonen. Hadden zich bezwangerd. Timmerden aan de weg. Ik was aan de bar blijven hangen, omsingeld door vacuüm.

Op het Geertekerkhof snakte ik aanvankelijk naar rust. Niet dat de bewoners asociaal waren. Integendeel. Maar in zo’n samengeperst monumentje sta je elkaar al snel naar het leven. Daarom had ik wat regels opgesteld. Op de gang bellen, met de voordeur smijten of luidruchtig poepen was ten strengste verboden. Zonder die billion dollar smile hadden ze me waarschijnlijk gelyncht, huisoudste of niet.

Ongeveer 10 m² was mijn kamertje groot. Dat ging eigenlijk wel. Zolang ik er maar kon pitten en kon typen. De troef van het Geertekerkhof was echter de keuken. De smalste keuken van Utrecht was gezegend met de smalste huisbar van Utrecht. Een ‘neutral zone’ waar je tot diep in de nacht kon ouwehoeren. Dat deden we dan ook. Over verloren liefdes, overschatte boeken, gedateerde muziek en mislukte films. Een warm bad van onbenullige halszaken.

25 jaar zijn verstreken. Opnieuw beschik ik over een riante etage, ditmaal met uitzicht op een kanaal. Bloeddoorlopen zonsondergangen weerschitteren op de baren, twee IKEA-slaapkamers bieden logeerplek aan familie & vrienden die ik nooit uitnodig. Eigenlijk gebruik ik maar 10 m². Om te typen en te pitten. De rest is ruis.

Ook mijn Utrechtse vrienden wonen allemaal samen. Ze hebben puberkinderen en moeten knokken voor hun baan. Soms ben ik jaloers op hen, zoals je kunt verlangen naar een parallelle werkelijkheid met een geromantiseerde versie van jezelf. Op dat soort momenten voel ik het vacuüm weer trekken. Gelukkig maak ik nieuwe vrienden. Aan mijn virtuele huisbar. Een ‘neutral zone’ waar je naar hartenlust kunt kleppen over verloren liefdes, overschatte boeken, gedateerde muziek en mislukte films. Hoop dat jullie mijn regels over luidruchtig poepen ook kunnen waarderen.

De huisbar
Op het Geertekerkhof vereeuwigd door Claudia Borges, rond 1987

Van Freud

Mijn linkeroog is bijna blind. Dat klinkt erger dan het is. Ik heb er jaren aan kunnen wennen en kan er nog nét genoeg mee zien om niet door een elektrische pizzacourier geschept te worden. Meer last heb ik van verticale scheelheid. Na een mislukte operatie is het gemankeerde oog lager gaan kijken dan het gezonde oog. Vooral als ik moe ben zakt het tot onder de horizon. Dan doe ik er een lapje voor, wat natuurlijk erg stoer staat, tot ik de barman-met-blad-vol-bier omverloop of buiten gesnapt word als ik hem afdoe.

Ik deel dit kleine leed niet alleen om me op te werpen als spreekbuis voor de schele halfblinden onder ons (een vergeten groep!), maar vooral omdat ik me afvraag hoer mijn lichaam deze handicap gaat compenseren. Ik ben namelijk niet beter gaan horen en ook mijn rneukorgaan heeft zich niet doorontwikkeld, al doet deze groothoekfoto anders vermoeden.

Wat me wel opvalt is dat ik meer dan ooit de neiging heb me te vertypen. En hoer! De verschrijvingen zijn doordenkt met Freudian slips, een soort typografische La Tourette. Zou ik een tweede persoonlijkheid ontwikkeld hebben? Een Psycho Rein die tiet langer op Facebook getolereerd wordt vanwege zijn aanstootgevende blogs? Zolang ik eerst maar heel veel gelneukt wordt. Voor nu gaat het lapje er weer voor.

Blog Rein Hannik: Het Foute Oog

En de oordrill

Hoe doen ze het toch? Twee glaasjes wijn, een leuk concert, een goed gesprek met vrienden, een knipoog van de barvrouw… Bijna niets hebben ze nodig om het leven te omarmen. De genieters. Het dagplukken lijkt hen zo gemakelijk af te gaan. Zo niet ondergetekende. Ik wil geen twee glaasjes wijn, ik wil twee flessen. Geen leuk popconcert, maar Live Verlossing. Geen goed gesprek maar een discussie-op-leven-en-dood gevolgd door een portie portiekseks met een femme fatale. Ik wil alles. Euforie! Allé, vooral in mijn hoofd dan.

Voor de Euforant een vallen de zomermaanden zwaar. Mooi weer en vakantie zijn immers uitgevonden voor het grote genieten. Drie weken bakkend op Benidorm of een long weekend tandemend door de Achterhoek, het kleine geluk ligt overal op de loer. Een weldenkend intensiteitsjunk zou ervan aan de heroïne gaan. Maar daarvoor ontbreken mij de liquiditeiten. Daarom besloot ik tien jaar gelden tot een gewaagde stap: een doe-vakantie. Op jacht naar de natural high.

Het begon met een oriënterend bezoek aan een outdoor vakantiebeurs. Viel dat even tegen. De meeste doe-vakanties bleken niet geënt op een high maar op een scare: gletcherkluwen en diepzeeduiken-zonder-snorkel en andere nekwerveltrips, bedoeld voor ordinaire kickzoekers. Alsof ik zelf niet genoeg stresshormonen aanmaak tijdens de afwas! Pas na een uurtje vorsen trof ik iets van mijn gading: een stand met poster waarop een man die, hangend aan een vlieger, met gelukzalig smoel over de Ardennen vloog. Opeens wist ik het. Ik wilde deltavlieger worden! Één zijn met de elementen, mijn denkbeeldige haren wapperend in de wind! De Vliegende Hollander heette het bedrijf. Een organisatie met zo'n huiveringwekkend clichématige naam moest wel degelijk zijn, zo redeneerde ik, niet onbelangrijk als je met een vlieger-op-de-rug een ravijn in geduwd wordt. Tien dagen cursus geboekt.

De Vliegende Hollander was een mobiele vliegclub want afhankelijk van het weer. Voor deltavliegen mag het namelijk niet regenen, niet waaien, niet misten, niks niet. Er wordt dáár gevlogen waar het weer saai is. In dit geval de Eiffel. Met de ravijnen viel het reuze mee want deltavliegen leer je in een heuvelkom. But make no mistake: lijkt het op posters als vanzelf te gaan, in de praktijk is zweven vooral aanpoten. Iedere ochtend om 05:00 uur uit de veren om de vlieger op te bouwen en dan de heuvel af te rennen tot de wind je met vlieger en al oppakt. Tientallen keren per dag, met een rotgang. Als er sprake was van een natural high, kwam die door uitputting.

En uiteraard bestond mijn lesgroep uit volbloed genieters. Natuurtalenten die binnen een paar dagen de techniek onder de knie hadden en airborne waren. Vol vertrouwen sprintten ze iedere keer weer de kom in. Zo niet ondergetekende. Ik werd gespannen van dat tegennatuurlijk hard bergafwaarts rennen. Belandde steeds met mijn verhemelte in de pollen. Maar dat rennen en vallen was niet het zwaarst. Ook het klimmen en uitglijden niet. Het zwaarste was John.

John was de baas van de vliegschool. Een natuurmens. Nog voor de zon op was zat hij in kleermakerszit op de heuvel. Ademde diep in, langzaam uit. Vertrouwde ons met zo’n irritant-kalmerende hypnosestem toe wat de windkracht was, hoe het zat met de thermiek en dat er leven was na de dood. John was een übergenieter. Maar John had ook een andere kant. In een vorige carrière was hij drill sergeant geweest van moeilijk opvoedbare jongeren. Iemand die van nature graag corrigeert. En John had ons allen een koptelefoon meegegeven, om ons tijdens het rennen en vliegen instructies te geven. Dat heb ik geweten. Iedere keer als ik de heuvelkom inrende en mijn angsten probeerde te overwinnen, begon John in mijn oor te tetteren: ”NEE REIN!! JE DOET HET NIET GOED REIN!! JE MOET HARDER RENNEN REIN!! DE NEUS MOET OMHOOG REIN!! JE DOET HET NIET GOED REIN!! HARDER RENNEN REIN!!" Natural stress kreeg ik van John z’n oordrill.

Negen dagen lang heb ik lopen rennen en ben ik op mijn plaat gegaan. Negen dagen was ik de Running Dutchman, de Flying Flintstone van de club. Iedere dag maakte ik iedereen aan het lachen, soms opzettelijk, want wat is er mooier dan mislukking. “Waarom jij toch altijd, Rein?” vroeg ik die avond aan mijn spiegelbeeld. Een grijnzend schouderophalen was het antwoord.

De laatste dag brak aan. Nog steeds had ik geen meter gevlogen. De uitputting en wanhoop nabij. Maar ook dichtbij mijn inner kamikaze. De Don Quichotte van de Euforie. Ik spande mijn rugspieren aan. Rukte de koptelefoon van mijn hoofd. Sloeg een kruisje. Pakte de vlieger op. En sprintte de arena in met de furie van een bijna doodgebloede stier. Alles deed ik goed. Ik rende hard genoeg, hield de vlieger correct vast, tilde de neus op tijd op en... vloog door het heelal… tien seconden lang. Tien eindeloze seconden was het stil. Was de zwaartekracht verdwenen. Waren de genieters stipjes geworden. Was alles zoals het hoorde. Zelfs mijn landing verliep perfect. Houston, we have a touchdown.

Mijn brevet heb ik nooit gehaald. En aan doe-vakanties doe ik niet meer. Liever zoek ik mijn heil dichter bij huis. Achteroverleunend in mijn pilotenstoel, geflankeerd door twee flessen wijn, turend naar mijn virtuele heuvelkom, wegdromend van Live Verlossing door een femme fatale in een portiek. Genieten, da’s voor sissies.

De Euforant
En dan helemaal ontspannen...

Aan het uitbuiken

Takkie

Met smakkende medeklinkers

Ik kijk geen tv. Als mensen vragen waarom niet, dan zeg ik dat ik geen boodschap heb aan amusement. Dat ik pas voor breinvervuiling! Lulkoek. Jaren en jaren heb ik weggespoeld, bankhangend voor MTV. De buis was voor mij een eenzaamheidsbezweerder, een wauwelende oma die de stilte doorbrak. Nee, de ware reden waarom ik de kabel eruit getrokken heb is dat tv me doet denken aan Toen. Aan de tijd ik nog ambitie had. Dat ik tv wás.

We schrijven eind jaren ‘80. Achterin het lelijkste gedeelte van Hoog Catharijne was de stadsomroep van Utrecht gevestigd, veelbelovend Domroep Radio gedoopt. Achterin het lelijkste gedeelte van de Domroep zat een gesjeesde student filmrecensies te typen. IJverig en vooral onbetaald, want na zes afgebroken studies was het tot hem doorgedrongen dat je eerst moet investeren om een plek in de maatschappij te kunnen veroveren. En aangezien hij over onnatuurlijk veel mening beschikte, had hij besloten filmrecensent te worden. Maar dan wel een heel erg kritische filmrecensent.

Bijna iedere film kraakte ik af. Streng & onrechtvaardig, edoch met voldoende kwinkslagen om de sympathie van de luisteraars te winnen – van alle 100 stuks. Dus toen Domroep ook televisie ging maken vroegen ze mij voor een programma over films. Onbetaald uiteraard. Nou, daar voelde ik wel voor! Kon ik mijn radiostem het gezicht geven waar de wereld op zat te wachten.

Het gezicht van VARA zou ze later worden. Met recht. Jenny, zoals we mijn cheffin TV zullen noemen, was slim, ambitieus en manisch positief, en werd niet gekreupeld door enige inhoudelijke kennis. Een typische communicatiekanjer. Uiteraard werd zij wél betaald, en goed ook. Het valt echter te betwijfelen of Jenny mijn radiostukjes kende, want ze wilde een gezellig filmprogramma voor een breed publiek, terwijl ik mijn zinnen had gezet op een iedereen-moet-dood programma. Zocht zij een lokale René Mioch, ik wilde de WF Hermans van de film worden

Tot mijn ontzetting bleek Jenny al iemand geronseld te hebben voor de presentatie. Een doe-eens-lekker-gek type. Doe-eens-lekker-gek types wringen met iedereen-moet-dood-recensies. Bovendien zou ík toch het gezicht bij de stem worden! Gelukkig haakte de intrigant af zodra hij mijn tekst gelezen had. Waarop Jenny mij vroeg of ik het programma wilde presenteren. Zelden heb ik mijn trompetgeschal zo vakkundig weten te onderdrukken. Rein H., het Gezicht van Domroep TV!

Zelden is mijn trompet weer zo snel gedeflateerd. Want een filmprogramma maken is vooral hard werken - zeker als je het onbetaald doet. Films bekijken, recensies schrijven, presenteren, monteren, prijsvraag bedenken. Budget was er nauwelijks, mankracht nog minder. Het meeste deed ik zelf, tot en met het vertalen van niet-ondertitelde fragmenten (papa fuum uun piep uit de losse pols). Ook moest ik Jenny ervan overtuigen dat knotsgekke items niet binnen ons format pasten. Terwijl het alternatief – culturele diepgang – veel erger bleek: lokale arti farti regisseurs interviewen. Enige voordeel van al dat multitasken was dat mijn naam iets van 10 maal bij de eindcredits langs kwam.

Iedere maand maakte ik een aflevering. Zegge en schrijve één fan had ik: mijn achtenzeventigjarige oude buurvrouw. Zij gaf me op straat altijd een knipoog als ik weer films had afgekraakt de avond ervoor. Uit frustratie liet ik mijn vrienden iedere keer de prijsvraag winnen. En zij keken niet eens.

Wat me restte was de presentatie. My finest hour! Geloof me, als je een hekel wilt krijgen aan jezelf, ga dan een tv-programma presenteren. Een autocue had ik niet, dus ik moest mijn tekst van een blaadje oplezen. Dat deed ik, opgetut en wel, met zwabberende bovenlip en smakkende medeklinkers. “Goedenavond *smak* dames en heren, welkom bij Take One, het *smak* filmprogramma van Domroep *smak* Televisie…” Mijn WF Hermans van de Film was een uitgerangeerde MTV-veejay geworden.

Maar Take One deed ik niet voor de mooi. Ik deed het om carrière te maken. En de persvoorstellingen waren een perfecte setting om aan te pappen met de grote jongens. Tenminste, als je een carrièretijger bent. Voor een iedereen-moet-dood recensent lag dat wat lastiger. Zelden heb ik me zo unheimisch gevoeld als in de dog eat dog-sfeer van het filmjournaille, met een zelfgenoegzaam grommende Hans B. van NRC/Handelsblad at the top of the food chain, en een vloerstarende Rein H. van Domroep TV als hekkensluiter.

Een jaar heb ik het volgehouden, wachtend op dat telefoontje uit Hilversum (of ik het Gezicht van VPRO Film wilde worden). Toen dat uitbleef liet ik maar eens een aflevering van Take One aan een cameraman zien, een echte pro uit Hilversum. Of ik hiermee zou scoren bij de echte omroepen. Zelden iemand zo vakkundig een lachbulder zien onderdrukken.

24 jaren zijn er verstreken sinds mijn ijdeltuiterij. Carrière heb ik niet gemaakt. Een Gezicht ben ik niet geworden. Misschien maar beter zo, want als Jenny uitgenodigd wordt bij Zomergasten zal ze geheid een aflevering van Take One opvragen, in de categorie ‘onbedoeld hilarisch’. Krijg ik weer een knipoog van mijn inmiddels 102 jaar oude buurvrouw.

Maar soms, heel soms, als het me niet lukt om de eenzaamheid te bezweren met websites over alien abduction, dan doe ik mijn tv weer even aan. Zet ik die ene videoband op. The very best of. ‘Goedenavond dames en heren, welkom bij Take One, het filmprogramma van Domroep Televisie,’ kunt u mij dan synchroon horen meemompelen, met zwabberende bovenlip en smakkende medeklinkers. Niet langer hopend op dat ene telefoontje.

Ambitie

Naar Rein 2.0

Echt ontspannen zaten we er niet bij, mijn vriendin en ik. Terwijl het toch de bruiloft van mijn vader was. Feest! En heus, we gunden hem zijn 13 jaar jongere groene blaadje van harte. En ja, met haar parelkettingen en vlekkeloze etiquette paste zijn tweede vrouw beter bij mijn bourgeois vader dan mijn eigen kunstzinnige en vooral krankzinnige moeder. Maar pap was wel erg lyrisch die dag.

Het leek alsof hij niet alleen wilde hertrouwen maar zijn hele eerste huwelijk probeerde te overschrijven. Alsof hij met zijn nieuwe liefde en aangetrouwde familie de vorige 25 jaar wilde uitwissen, lastige kinderen incluis. De bruiloft bood een kijkje in zijn leven zoals het had moeten zijn.

En hoe zat het met een tweede leg? Hij had het wel eens gehad over een reservezoon, voor als ik dood zou gaan. (Mensen die de oorlog hebben meegemaakt kunnen erg pragmatisch zijn.) Dat zou dan een Rein 2.0 worden, een improved version uiteraard. Eentje die zou afstuderen in iets saais, carrière zou maken in iets degelijks en zou trouwen met iets vruchtbaars. Opdat zijn edelgenen niet verloren zouden gaan voor volgende generaties. God beware ons.

Inmiddels is mijn vader overleden. Van die tweede leg is het niet gekomen. Rein 1.0 leeft nog steeds. Dus wie weet, als hij een groen blaadje treft en haar ‘t jawoord weet af te troggelen, dat ie 25 jaren aan mislukte studies, baantjes en relaties kan uitwissen door zelf een Rein 2.0 te verwekken. Alhoewel. Gerede kans dat het een extra afgekeurde versie wordt. Een Rein -0.273, eentje die nog veel meer stommiteiten zal begaan dan ik achter de kiezen heb. God beware ons.

dordt-1953-def-450

Tussen de schappen

De Albert Heijn bij mij om de hoek is de kleinste AH ter wereld. Mogelijk zelfs de kleinste van het heelal, parallelle universa even niet meegerekend. Daarmee heeft het filiaal de belangrijkste troef van het supermarktwezen verspeeld: het vermijden van menselijk contact. Boodschappen doen is hier full contact karate.

Omdat er in de wijde omtrek geen andere kruidenier te bekennen is, kan deze Appie toch rekenen op een trouwe klantenkring. Het zijn voornamelijk hogeropgeleide pappies en mammies die de ruimte bestormen met sleepmandjes, daarbij hun hogeropgeleide kinderen de vrije hand gevend om met miniboodschappenkarretjes het laatste restje vacuüm al krijsend en roetsjend en rollend te annexeren. Geen wonder dat de daklozenkrantverkoper de ingang bewaakt als ware deze de hellepoort.

De mini-AH mag dan een aanslag zijn op mijn territoriumbehoefte, het leed dat het personeel er moet doorstaan is onvoorstelbaar. Ik heb het niet over de caissières – dat is de elite – maar over het voetvolk, de vakkenvullers. Zelfs op de relatief rustige tijden dat ik de super aandoe (08:12) verraadt hun schichtige motoriek de nodige shell shock. Gek moeten ze worden van de hectiek. Soms wil ik hen gerust stellen met een spontane hug, maar dat wordt vast verkeerd uitgelegd. Terwijl ik toch ooit één van hen ben geweest. Reservevakkenvuller 1e klasse Rein H., lichting 1975, meldt zich.

Het baantje was mijn vaders idee. Áls ik zo nodig een brommer wilde, dan moest ik er maar voor werken. Maar eigenlijk vond ie vooral dat ik meer onder de mensen moest komen. Op voetbal of padvinderij of zeilkamp wilde ik niet, dus misschien dat vakkenvullen een mensenmens van me zou maken. De bedrijfsleider van de AH om de hoek was patiënt van hem, dus een week later kon ik beginnen. Daar stond ik dan om 08:12 op de Nieuwe Binnenweg, boterhamtrommeltje onder de oksel geklemd. Kaspar Hauser does Albert Heijn.

Vakkenvullen bleek complexe materie. Het vers moest achterin het schap verstopt, over-datum-producten juist in your face. En dan hebben we het nog niet over vastlopende prijstangen. Maar het waren vooral de collega’s die het baantje zwaar maakten. Hoon, ongein, afgunst, voetbalgezwam, klaagverhalen. En uiteraard moest het zoontje van de dokter extra ontgroend worden. Of misschien werden alle nieuwkomers uitgelachen als zij het pompwagentje met ton suiker niet heuvelopwaarts gesleept kreeg.

De ware vijand kwam echter uit onverwachte hoek: de klant. Bestonden er in 1975 nog maar 500 Nederlanders (en één Surinamer), die zaten wel alle 500 in míjn AH. Om strikvragen te stellen over exotische producten. Om achterin mijn schappen te graaien naar het vers, mijn wereldorde in chaos achterlatend. Om mijn nooit kloppende kleingeld te tellen bij de flessenbalie. Alles deden ze om mijn leven tot hel te maken.

Vier weken heb ik het vakkenvullen volgehouden. Overleefd heb ik het, net als de talloze ongeschoolde baantjes die nog zouden volgen. Een mensenmens heeft het niet van me gemaakt. En iets in me zegt dat de vakkenvullers van mijn mini-AH niet zo geïnteresseerd zullen zijn in mijn war stories. Dat ze zich er niet zo in zullen herkennen. Dat hectiek voor hen misschien ‘gezellig druk’ is. Dat zij niet degenen zijn met shell shock.

Daarom pak ik af en toe de fiets naar Kanaleneiland. Daar is het grootste AH-filiaal van het heelal gevestigd, parallelle universa meegerekend. Hier geen hogeropgeleide pappies, mammies of koters. Als ik er om 08:12 tussen de schappen sluip, badend in de eenzaamheid van tienduizend TL-buizen, knijpend in een denkbeeldige prijstang, dan leef ik even in de illusie dat de mensheid me niet bij de kladden heeft.

[Op de foto het AH-filiaal van de Nieuwe Binnenweg, vlak voor haar opening in 1953.]

ah-def-450