blog titels

Blog

Aan het kanaal

‘Ach, de piramiden hoef ik niet meer zo nodig te zien joh,’ verzuchtte mijn vader een paar jaar voor z’n dood. Zomaar, uit het niets, terwijl hij een veertigste Engelse sigaret opstak en aandachtig tuurde naar de Maas die onder zijn flatje in het laatste restje zomerlicht lag te fonkelen. Ik vond de uitspraak verontrustend. Zo níet mijn vader. Was die ouwe zijn nieuwsgierigheid kwijtgeraakt? Mijn vader, die de beste pies & poep-verhalen over de wereldgeschiedenis kon vertellen!?

In Egypte is ie inderdaad nooit meer geweest. Wel heeft ie mijn laatste restje erfenis weggespoeld met bubbeltjeswijn tijdens zo’n reisje langs de Rijn. Tot volle tevredenheid van passagiers én bemanning, want de ouwe zat op zijn praatstoel met pies & poepverhalen over Batavieren die op boomstammen de Rijn afzakten…

Inmiddels hoef ik de piramides ook niet meer zo nodig te zien. Niet omdat mijn nieuwsgierigheid tanende is, maar omdat ik mijn vaders passie voor historie niet deel. Ben meer een man van de ufo’s & de aliens - lulkoek in plaats van pies & poep zegmaar. Ach, we hadden wel meer niet gemeen.

Toch begrijp ik nu beter wat hij bedoelde met die piramiden. Dat komt doordat ik ook aan een spannend water woon. Een kanaal dat je, als de wind goed staat, helemaal naar Egypte kan voeren. Het Kuifje-gevoel krijg ik ervan, alleen al door ernaar te turen. De belofte van avontuur! Wat meer heeft een mens nodig om lulkoekverhalen te schrijven. ‘Waren de Batavieren kosmonauten?’ - dat wordt een hit straks op de Henri Dunant…

De Piramides
Kapitän Rein op de brug van zijn U-bootflat, ietwat gedesoriënteerd door een laaghangende Ra.

En de Emmer

‘Als je je rijbewijs en je typediploma maar hebt!’ Zonder me af te vragen waarom mijn vader mijn kansen zo pessimistisch had ingeschat, ging ik, gewapend met deze levenswijsheid, in 1978 op kamers. Vier hoog vóór op de Mathenesserdijk, met uitzicht op de brug. Ik vroeg een uitkering aan (daar was ik schoolverlater voor geworden!) en vulde mijn dagen thee al drinkend voor het raam, turend naar de hectiek beneden in het aardse dal. Mijn volwassen leven was begonnen.

Eenmaal per week moest ik mezelf uit deze meditatieve staat rukken om sollicitatiebrieven te schrijven. Voor gewone steuntrekkers ongetwijfeld een crime, ik ervoer deze verplichting als een uitdaging. Het maakte de Ausweisvervalser in mij wakker. Zo werd ik specialist in het selecteren van net-niet-haalbare vacatures (‘Hoofd Röntgenafdeling Dijkzicht Ziekenhuis m/v’) en het typen van freudian slip-of-the-fingers (‘tiet’ i.p.v. ‘niet’). De afwijzingen bewaarde ik als trofeeën.

Toen de Sociale Dienst na een paar maanden toch begon te morren (een tiet te veel getypt?) werd het tijd om een werkzaam leven te overwegen. De gedachte alleen al bezorgde me koude rillingen. Hoe te combineren met mijn contemplatieve bestaan! Na nog eens uit het raam getuurd te hebben vatte ik het plan op ongeschoold werk te zoeken, maar dan wel van het soort dat zó stompzinnig is dat je er écht niet bij hoeft na te denken. Een gezonde geest in een automatisch lichaam.

Voldaan met dit voornemen tuurde ik weer enkele weken naar het verkeer op de brug. Tot ik, verstopt onder tientallen afwijzingen, een flyer van de firma Scheidegger op de mat aantrof. Een cursus Blind Typen. Vooral dat ‘blind’ maakte indruk. Immers, typen kon ik al – het Rein H. Tweevingersysteem (met nijdige aanslag) – maar als ik dat nou blind zou kunnen én met tien vingers, dan zou mijn lichaam één worden met de typemachine en mijn geest vrij blijven voor diepe gedachtes! Een typemachinist! Nog diezelfde avond cursusgeld bij mijn vader losgeweekt. ‘Als je het maar afmaakt,’ gromde hij, een wijnglas AH-sherry achterover kiepend.

Scheideggers cursusruimte vertoonde postapocalyptische trekjes. Een kale verdieping op de West-Kruiskade met scheefhangend tl-licht, plastic koffiebekertjes en een reutelende radiator. We waren met een man of 20, waarvan driekwart vrouw. Niet de bartypes waar ik op gehoopt had, maar secretaresses met strenge mondhoeken. Op de tafels stonden typemachines gereed. Geen gewone. De toetsen waren geanonimiseerd met gekleurde rubber doppen. Wat een motie van wantrouwen! Of wilde Scheidegger de cursus soms mysterieuzer maken dan ie was?

De cursusleider heette ons welkom met een Duits accent. Hij vertelde over het levensbelang van blinde typevaardigheid en deelde een schema uit waarop de 10 vingers verdeeld werden over de gekleurde toetsen. We plaatsten onze 200 vingers in de juiste positie, waarop de leider een cassetterecorder aanklikte... en de stem van Fred Emmer weerklonk! Ondersteund door een stemmig huistuin&keukenorgel (het Riha Tweevingersysteem?) maakte Fred al schnabbelend duidelijk welke letters we die avond zouden gaan typen: D-F-K-L. “Wijs-en middelvingers op de rode en blauwe toetsen, blik voor u uit en DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL…”

Nu zullen de meesten onder u bij de naam ‘Fred Emmer’ denken aan een feilloze nieuwslezer. Ik daarentegen had van een vriendje-bij-de-NOS gehoord dat deze Emmer vieze boekjes schreef en lederen pakken droeg. Die vriend kon het weten want had naast Emmer gestaan toen deze stond te plassen in het NOS-toilet. Dus toen Fred ons met licht dwingende intonatie tot typen maande, werd ik bevangen door visioenen van Emmers plasporno. Nooit eerder had mijn geest zich zo onvrij gevoeld! “DFKL… DFKL… DFKL…” Ik keek om me heen, hunkerend naar een gelijkgestemde wanhoopsblik, maar trof slechts strenge mondhoeken. “DFKL… DFKL… DFKL… DFKL…” Was ik de enige die besefte dat we in een Wim T. Schippers terecht waren gekomen? “DFKL… DFKL… DFKL…”

Volgehouden heb ik het. Ternauwernood. Die eerste avond dan. Toen bleek dat de cursus nog wéken zou duren. En dat we huiswerk meekregen. Tienduizenden pagina’s vol DFKL’s moesten we thuis kloppen. Foutloos. Blind. Met vastgebonden handen. Volgende week dinsdag meenemen.

U begrijpt, het huiswerk heb ik zo lang mogelijk uitgesteld. Tot de volgende dinsdagavond. Half zeven. Nog steeds had ik geen letter geDFKL’d. Het klamzweet brak me uit. Zonder uit het raam te turen besloot ik dat ik geen klassikaal onderricht nodig had. Dat ik een autonoom was die puur op zelfdiscipline kon draaien. Ook zag ik in een flash of genius dat die dopjes onzin waren. Dat een mens niet voor niets twee ogen in zijn hoofd heeft. Dat het met 2 freewheelende vingers veel lekkerder typt dan met tien verkrampte. En dat huiswerk onzin is want typen toch vooral een intuïtieve vaardigheid. Ik koos, kortom, wederom voor het Rein H. Tweevingersysteem. Dat zou ik die typenazi’s wel eens even laten voelen als ik bij het examen aanschoof!

Nee, ik ben niet geweest. De typemachine-met-brailledopjes heb ik uit schaamte opgestuurd. Tegen mijn vader begon ik een verhaal over malafide typecursusorganisaties, totdat zijn ‘het wordt echt nooit wat met die jongen’-blik me tot een hakkelende biecht bracht. Hoezo volwassen leven.

Toch zul je niet snel iemand treffen die zo rap tweevingerig DFKL kan typen en ondertussen een film van Tarkovsky kan bekijken. Daarbij heb ik mijn rijbewijs wél gehaald, in één keer, tot afgrijzen van mijn instructeur. Heeft een paar leuke baantjes opgeleverd. Kortetermijnjobs, want meestal al na één dag lichte schade. Maar het Rein H. Tweevingerig Stuursysteem (met nijdig bochtenwerk), da’s weer een ander verhaal.

De Typemachinist
DFKL...

De andere Reins

Zoals bekend gebruik ik Facebook om verhalen op te publiceren. De vriendschapsverzoeken die ik krijg zijn dus meestal afkomstig van onbekenden; lezers die willen reageren op mijn blog, bijvoorbeeld omdat ze iets herkennen uit hun eigen leven. Bij ieder verzoek van zo’n wildvreemde voel ik me vereerd. Ik willig het in zonder te dralen en zonder te checken of er misschien naaktfoto’s van Teletubbies op dat profiel staan. Iedereen is welkom.

Zo werd ik onlangs benaderd door een zekere Mark Bouwman. Om de een of andere reden reageerde ik niet meteen op het vriendschapsverzoek. Iets later die avond werd ik opnieuw door hem benaderd – nu met een sms. Dat benauwde me toch een beetje. Hoe was hij aan mijn geheime nummer gekomen? En waarom die haast? Zou hij zo’n Teletubbieman zijn? Ik kroop er vroeg in die avond, luchtbuks in aanlag naast het nachtkastje.

De volgende ochtend werd ik opgebeld. Door Mark. Hij klonk opvallend normaal. En zijn verhaal was bijzonder. Marks tweede naam luidde namelijk ook Rein. Hij was vernoemd naar de opa waar ik ook naar vernoemd ben. Mark was dus Rein III – of eigenlijk Rein II want 10 jaar eerder geboren! Tijdens zijn speurtocht naar de herkomst van zijn tweede naam was Mark op mijn blog gestuit. Over herkenning gesproken.

Het zat zo. Marks vader, ingenieur Ivo Bouwman, was bevriend met mijn opa, planter te Sumatra. Ze deelden een passie voor de inheemse cultuur van Nederlands-Indië. Zo stak Rein meer tijd in het verzamelen van kunstobjecten dan in het aansturen van ‘inlanders’. Zijn collectie zou naar musea in Nederland verscheept worden, maar de 60 (!) kisten belandden op de bodem van de Indische oceaan. Japanse torpedo. Rein zelf legde het af tegen de Jappen in 1942.

Vermoedens dat Ivo en Rein in eenzelfde eenheid gediend zouden hebben werden ontkracht. Een gerucht dat Rein in Ivo’s armen gestorven was bleek even romantisch als onjuist. Hoe de vriendschap tussen Ivo en Rein zich dan zo intens heeft kunnen ontwikkelen – Ivo sprak van een ‘nobel mens’ – zal voor Mark altijd een mysterie blijven, omdat zijn vader een zwijgzaam man was als het de oorlog betrof. Feit is dat Ivo dusdanig onder de indruk was van mijn opa dat hij diens naam liet voortleven in zijn zoon, zeven jaar later.

Mark en ik hebben foto’s en verhalen uitgewisseld. Ook brachten we zijn zus in contact met mijn tante, jongste dochter van Rein. Zo konden deze dames-op-leeftijd telefonisch terugflitsen naar hun jeugd in de Gordel van Smaragd. Helaas ook naar die zwarte dag in dat hotel te Java, toen mijn oma en haar dochters te horen kregen dat Rein gesneuveld was. Niet veel later werden ze afgevoerd naar Banjubiru, zwaarste der Jappenkampen.

Ik waardeer het enorm dat Mark contact met mij heeft gezocht. Mede daarom heb ik onlangs zelf de moed verzameld om een wildvreemde te benaderen: de vrouw naar wie mijn oudste zus is vernoemd. Deze dame was namelijk de enige vriendin van mijn moeder (gekke moeders maken weinig vriendinnen). Ze bleek inmiddels overleden, maar haar zoon heeft me geholpen aan foto’s en de omschrijving van een bijzonder mens. Die heb ik doorgestuurd aan mijn zus, in de hoop dat zij net zo trots wordt op haar naam als ik op de mijne ben.

De fotograaf was een Japanner
Opa en oma als jonggehuwden aan de wieg van mijn moeder. De idyllische fotografie werd verzorgd door – o ironie – een Japans fotograaf. Pematang Siantar, eind 1930.

Verkleed als penseur

Het is een veelgehoord fabeltje, dat zzp’ers vrije jongens zijn. Aanpakkers met een neus voor niche, gevoel voor klanten en een grenzeloze drive. Vergeet het maar. Een groeiend leger van zzp’ers speelt ondernemertje puur uit noodzaak. Omdat ze geen baan meer kunnen krijgen. Te eigenwijs, te mislukt, te oud. Of erger: omdat ze een Rein zijn.

Ik ben nu zo’n vijf jaar noodzakelijk zzp’er. Tropenjaren zijn het geweest. Dat ‘zelfstandige’ (lees: hoereren) was nog wel te doen, waar ik moeite mee had was het ‘zonder personeel’. Iedere dag de hele dag in je eentje tekst kloppen zonder gezellige collega’s om je heen, da’s wreed. ‘Ha!’ hoor ik u schamperen, ‘dat geouwehoer over ‘t weer zal je bedoelen! ‘Zal blij zijn als ik daarvan af ben!’

Toch kan een mens snakken naar small talk. Daarom ga ik regelmatig in de bieb werken. Gewapend met mijn king size smart phone-met-tekstverwerker en opklapbaar toetsenbord-met-bluetooth. Da’s ultra light high tech typen. Maar belangrijker: zo'n gadget trekt nieuwsgierigen aan. Nerds, die denken dat zij óók pro zijn. Ik vertrouw hen dan de ins en outs van mijn apparaatje toe. Op gedempte toon, alsof ik hen als ingewijden beschouw. Zeg dat ik thuis nog veel meer gadgets heb.

Soms bijten ze. Dan fietsen ze met me mee naar Blauwbaards tochtflatje, benieuwd naar mijn 4D-printer. Zodra ze binnen zijn, pak ik de chloroform, de handboeien en de duct tape. Als ze een uurtje later bijkomen, ben ik lekker aan het typen, zitten zij vastgeklonken aan de radiator, elektroden op geslachtsdelen geklemd. Je houdt niet voor mogelijk hoe enthousiast wildvreemden over motregen kunnen kletsen als je een plaagstootje van 220 uitdeelt.

PS Volgende week gaan we de hei op. Rollenspelen en gewoon lekker keten met mijn taser. Teambuilding, da’s de ziel van elk bedrijf zonder personeel.

De Collegalokker
In a bieb near you

Van het Geertekerkhof

Het smalste huis van Utrecht was ‘t, Geertekerkhof nummer 16. 2.40 meter breed, meen ik. Zeker 10 jaar te oud was ik om in zo’n studentenhuis te gaan wonen. Studeerde niet eens meer. Toch was het een mooie tijd.

Het waren de jaren dat ik nog in een dronken opwelling besloot om naar een andere stad te verhuizen. Ik liet een riante etage achter me, met eikenhouten vloer en uitzicht op een singel. De eenzaamheid ontvluchtend. Want mijn Rotterdamse vrienden waren allemaal gaan samenwonen. Hadden zich bezwangerd. Timmerden aan de weg. Ik was aan de bar blijven hangen, omsingeld door vacuüm.

Op het Geertekerkhof snakte ik aanvankelijk naar rust. Niet dat de bewoners asociaal waren. Integendeel. Maar in zo’n samengeperst monumentje sta je elkaar al snel naar het leven. Daarom had ik wat regels opgesteld. Op de gang bellen, met de voordeur smijten of luidruchtig poepen was ten strengste verboden. Zonder die billion dollar smile hadden ze me waarschijnlijk gelyncht, huisoudste of niet.

Ongeveer 10 m² was mijn kamertje groot. Dat ging eigenlijk wel. Zolang ik er maar kon pitten en kon typen. De troef van het Geertekerkhof was echter de keuken. De smalste keuken van Utrecht was gezegend met de smalste huisbar van Utrecht. Een ‘neutral zone’ waar je tot diep in de nacht kon ouwehoeren. Dat deden we dan ook. Over verloren liefdes, overschatte boeken, gedateerde muziek en mislukte films. Een warm bad van onbenullige halszaken.

25 jaar zijn verstreken. Opnieuw beschik ik over een riante etage, ditmaal met uitzicht op een kanaal. Bloeddoorlopen zonsondergangen weerschitteren op de baren, twee IKEA-slaapkamers bieden logeerplek aan familie & vrienden die ik nooit uitnodig. Eigenlijk gebruik ik maar 10 m². Om te typen en te pitten. De rest is ruis.

Ook mijn Utrechtse vrienden wonen allemaal samen. Ze hebben puberkinderen en moeten knokken voor hun baan. Soms ben ik jaloers op hen, zoals je kunt verlangen naar een parallelle werkelijkheid met een geromantiseerde versie van jezelf. Op dat soort momenten voel ik het vacuüm weer trekken. Gelukkig maak ik nieuwe vrienden. Aan mijn virtuele huisbar. Een ‘neutral zone’ waar je naar hartenlust kunt kleppen over verloren liefdes, overschatte boeken, gedateerde muziek en mislukte films. Hoop dat jullie mijn regels over luidruchtig poepen ook kunnen waarderen.

De huisbar
Op het Geertekerkhof vereeuwigd door Claudia Borges, rond 1987

Van Freud

Mijn linkeroog is bijna blind. Dat klinkt erger dan het is. Ik heb er jaren aan kunnen wennen en kan er nog nét genoeg mee zien om niet door een elektrische pizzacourier geschept te worden. Meer last heb ik van verticale scheelheid. Na een mislukte operatie is het gemankeerde oog lager gaan kijken dan het gezonde oog. Vooral als ik moe ben zakt het tot onder de horizon. Dan doe ik er een lapje voor, wat natuurlijk erg stoer staat, tot ik de barman-met-blad-vol-bier omverloop of buiten gesnapt word als ik hem afdoe.

Ik deel dit kleine leed niet alleen om me op te werpen als spreekbuis voor de schele halfblinden onder ons (een vergeten groep!), maar vooral omdat ik me afvraag hoer mijn lichaam deze handicap gaat compenseren. Ik ben namelijk niet beter gaan horen en ook mijn rneukorgaan heeft zich niet doorontwikkeld, al doet deze groothoekfoto anders vermoeden.

Wat me wel opvalt is dat ik meer dan ooit de neiging heb me te vertypen. En hoer! De verschrijvingen zijn doordenkt met Freudian slips, een soort typografische La Tourette. Zou ik een tweede persoonlijkheid ontwikkeld hebben? Een Psycho Rein die tiet langer op Facebook getolereerd wordt vanwege zijn aanstootgevende blogs? Zolang ik eerst maar heel veel gelneukt wordt. Voor nu gaat het lapje er weer voor.

Blog Rein Hannik: Het Foute Oog

En de oordrill

Hoe doen ze het toch? Twee glaasjes wijn, een leuk concert, een goed gesprek met vrienden, een knipoog van de barvrouw… Bijna niets hebben ze nodig om het leven te omarmen. De genieters. Het dagplukken lijkt hen zo gemakelijk af te gaan. Zo niet ondergetekende. Ik wil geen twee glaasjes wijn, ik wil twee flessen. Geen leuk popconcert, maar Live Verlossing. Geen goed gesprek maar een discussie-op-leven-en-dood gevolgd door een portie portiekseks met een femme fatale. Ik wil alles. Euforie! Allé, vooral in mijn hoofd dan.

Voor de Euforant een vallen de zomermaanden zwaar. Mooi weer en vakantie zijn immers uitgevonden voor het grote genieten. Drie weken bakkend op Benidorm of een long weekend tandemend door de Achterhoek, het kleine geluk ligt overal op de loer. Een weldenkend intensiteitsjunk zou ervan aan de heroïne gaan. Maar daarvoor ontbreken mij de liquiditeiten. Daarom besloot ik tien jaar gelden tot een gewaagde stap: een doe-vakantie. Op jacht naar de natural high.

Het begon met een oriënterend bezoek aan een outdoor vakantiebeurs. Viel dat even tegen. De meeste doe-vakanties bleken niet geënt op een high maar op een scare: gletcherkluwen en diepzeeduiken-zonder-snorkel en andere nekwerveltrips, bedoeld voor ordinaire kickzoekers. Alsof ik zelf niet genoeg stresshormonen aanmaak tijdens de afwas! Pas na een uurtje vorsen trof ik iets van mijn gading: een stand met poster waarop een man die, hangend aan een vlieger, met gelukzalig smoel over de Ardennen vloog. Opeens wist ik het. Ik wilde deltavlieger worden! Één zijn met de elementen, mijn denkbeeldige haren wapperend in de wind! De Vliegende Hollander heette het bedrijf. Een organisatie met zo'n huiveringwekkend clichématige naam moest wel degelijk zijn, zo redeneerde ik, niet onbelangrijk als je met een vlieger-op-de-rug een ravijn in geduwd wordt. Tien dagen cursus geboekt.

De Vliegende Hollander was een mobiele vliegclub want afhankelijk van het weer. Voor deltavliegen mag het namelijk niet regenen, niet waaien, niet misten, niks niet. Er wordt dáár gevlogen waar het weer saai is. In dit geval de Eiffel. Met de ravijnen viel het reuze mee want deltavliegen leer je in een heuvelkom. But make no mistake: lijkt het op posters als vanzelf te gaan, in de praktijk is zweven vooral aanpoten. Iedere ochtend om 05:00 uur uit de veren om de vlieger op te bouwen en dan de heuvel af te rennen tot de wind je met vlieger en al oppakt. Tientallen keren per dag, met een rotgang. Als er sprake was van een natural high, kwam die door uitputting.

En uiteraard bestond mijn lesgroep uit volbloed genieters. Natuurtalenten die binnen een paar dagen de techniek onder de knie hadden en airborne waren. Vol vertrouwen sprintten ze iedere keer weer de kom in. Zo niet ondergetekende. Ik werd gespannen van dat tegennatuurlijk hard bergafwaarts rennen. Belandde steeds met mijn verhemelte in de pollen. Maar dat rennen en vallen was niet het zwaarst. Ook het klimmen en uitglijden niet. Het zwaarste was John.

John was de baas van de vliegschool. Een natuurmens. Nog voor de zon op was zat hij in kleermakerszit op de heuvel. Ademde diep in, langzaam uit. Vertrouwde ons met zo’n irritant-kalmerende hypnosestem toe wat de windkracht was, hoe het zat met de thermiek en dat er leven was na de dood. John was een übergenieter. Maar John had ook een andere kant. In een vorige carrière was hij drill sergeant geweest van moeilijk opvoedbare jongeren. Iemand die van nature graag corrigeert. En John had ons allen een koptelefoon meegegeven, om ons tijdens het rennen en vliegen instructies te geven. Dat heb ik geweten. Iedere keer als ik de heuvelkom inrende en mijn angsten probeerde te overwinnen, begon John in mijn oor te tetteren: ”NEE REIN!! JE DOET HET NIET GOED REIN!! JE MOET HARDER RENNEN REIN!! DE NEUS MOET OMHOOG REIN!! JE DOET HET NIET GOED REIN!! HARDER RENNEN REIN!!" Natural stress kreeg ik van John z’n oordrill.

Negen dagen lang heb ik lopen rennen en ben ik op mijn plaat gegaan. Negen dagen was ik de Running Dutchman, de Flying Flintstone van de club. Iedere dag maakte ik iedereen aan het lachen, soms opzettelijk, want wat is er mooier dan mislukking. “Waarom jij toch altijd, Rein?” vroeg ik die avond aan mijn spiegelbeeld. Een grijnzend schouderophalen was het antwoord.

De laatste dag brak aan. Nog steeds had ik geen meter gevlogen. De uitputting en wanhoop nabij. Maar ook dichtbij mijn inner kamikaze. De Don Quichotte van de Euforie. Ik spande mijn rugspieren aan. Rukte de koptelefoon van mijn hoofd. Sloeg een kruisje. Pakte de vlieger op. En sprintte de arena in met de furie van een bijna doodgebloede stier. Alles deed ik goed. Ik rende hard genoeg, hield de vlieger correct vast, tilde de neus op tijd op en... vloog door het heelal… tien seconden lang. Tien eindeloze seconden was het stil. Was de zwaartekracht verdwenen. Waren de genieters stipjes geworden. Was alles zoals het hoorde. Zelfs mijn landing verliep perfect. Houston, we have a touchdown.

Mijn brevet heb ik nooit gehaald. En aan doe-vakanties doe ik niet meer. Liever zoek ik mijn heil dichter bij huis. Achteroverleunend in mijn pilotenstoel, geflankeerd door twee flessen wijn, turend naar mijn virtuele heuvelkom, wegdromend van Live Verlossing door een femme fatale in een portiek. Genieten, da’s voor sissies.

De Euforant
En dan helemaal ontspannen...

Aan het uitbuiken

Takkie

Met smakkende medeklinkers

Ik kijk geen tv. Als mensen vragen waarom niet, dan zeg ik dat ik geen boodschap heb aan amusement. Dat ik pas voor breinvervuiling! Lulkoek. Jaren en jaren heb ik weggespoeld, bankhangend voor MTV. De buis was voor mij een eenzaamheidsbezweerder, een wauwelende oma die de stilte doorbrak. Nee, de ware reden waarom ik de kabel eruit getrokken heb is dat tv me doet denken aan Toen. Aan de tijd ik nog ambitie had. Dat ik tv wás.

We schrijven eind jaren ‘80. Achterin het lelijkste gedeelte van Hoog Catharijne was de stadsomroep van Utrecht gevestigd, veelbelovend Domroep Radio gedoopt. Achterin het lelijkste gedeelte van de Domroep zat een gesjeesde student filmrecensies te typen. IJverig en vooral onbetaald, want na zes afgebroken studies was het tot hem doorgedrongen dat je eerst moet investeren om een plek in de maatschappij te kunnen veroveren. En aangezien hij over onnatuurlijk veel mening beschikte, had hij besloten filmrecensent te worden. Maar dan wel een heel erg kritische filmrecensent.

Bijna iedere film kraakte ik af. Streng & onrechtvaardig, edoch met voldoende kwinkslagen om de sympathie van de luisteraars te winnen – van alle 100 stuks. Dus toen Domroep ook televisie ging maken vroegen ze mij voor een programma over films. Onbetaald uiteraard. Nou, daar voelde ik wel voor! Kon ik mijn radiostem het gezicht geven waar de wereld op zat te wachten.

Het gezicht van VARA zou ze later worden. Met recht. Jenny, zoals we mijn cheffin TV zullen noemen, was slim, ambitieus en manisch positief, en werd niet gekreupeld door enige inhoudelijke kennis. Een typische communicatiekanjer. Uiteraard werd zij wél betaald, en goed ook. Het valt echter te betwijfelen of Jenny mijn radiostukjes kende, want ze wilde een gezellig filmprogramma voor een breed publiek, terwijl ik mijn zinnen had gezet op een iedereen-moet-dood programma. Zocht zij een lokale René Mioch, ik wilde de WF Hermans van de film worden

Tot mijn ontzetting bleek Jenny al iemand geronseld te hebben voor de presentatie. Een doe-eens-lekker-gek type. Doe-eens-lekker-gek types wringen met iedereen-moet-dood-recensies. Bovendien zou ík toch het gezicht bij de stem worden! Gelukkig haakte de intrigant af zodra hij mijn tekst gelezen had. Waarop Jenny mij vroeg of ik het programma wilde presenteren. Zelden heb ik mijn trompetgeschal zo vakkundig weten te onderdrukken. Rein H., het Gezicht van Domroep TV!

Zelden is mijn trompet weer zo snel gedeflateerd. Want een filmprogramma maken is vooral hard werken - zeker als je het onbetaald doet. Films bekijken, recensies schrijven, presenteren, monteren, prijsvraag bedenken. Budget was er nauwelijks, mankracht nog minder. Het meeste deed ik zelf, tot en met het vertalen van niet-ondertitelde fragmenten (papa fuum uun piep uit de losse pols). Ook moest ik Jenny ervan overtuigen dat knotsgekke items niet binnen ons format pasten. Terwijl het alternatief – culturele diepgang – veel erger bleek: lokale arti farti regisseurs interviewen. Enige voordeel van al dat multitasken was dat mijn naam iets van 10 maal bij de eindcredits langs kwam.

Iedere maand maakte ik een aflevering. Zegge en schrijve één fan had ik: mijn achtenzeventigjarige oude buurvrouw. Zij gaf me op straat altijd een knipoog als ik weer films had afgekraakt de avond ervoor. Uit frustratie liet ik mijn vrienden iedere keer de prijsvraag winnen. En zij keken niet eens.

Wat me restte was de presentatie. My finest hour! Geloof me, als je een hekel wilt krijgen aan jezelf, ga dan een tv-programma presenteren. Een autocue had ik niet, dus ik moest mijn tekst van een blaadje oplezen. Dat deed ik, opgetut en wel, met zwabberende bovenlip en smakkende medeklinkers. “Goedenavond *smak* dames en heren, welkom bij Take One, het *smak* filmprogramma van Domroep *smak* Televisie…” Mijn WF Hermans van de Film was een uitgerangeerde MTV-veejay geworden.

Maar Take One deed ik niet voor de mooi. Ik deed het om carrière te maken. En de persvoorstellingen waren een perfecte setting om aan te pappen met de grote jongens. Tenminste, als je een carrièretijger bent. Voor een iedereen-moet-dood recensent lag dat wat lastiger. Zelden heb ik me zo unheimisch gevoeld als in de dog eat dog-sfeer van het filmjournaille, met een zelfgenoegzaam grommende Hans B. van NRC/Handelsblad at the top of the food chain, en een vloerstarende Rein H. van Domroep TV als hekkensluiter.

Een jaar heb ik het volgehouden, wachtend op dat telefoontje uit Hilversum (of ik het Gezicht van VPRO Film wilde worden). Toen dat uitbleef liet ik maar eens een aflevering van Take One aan een cameraman zien, een echte pro uit Hilversum. Of ik hiermee zou scoren bij de echte omroepen. Zelden iemand zo vakkundig een lachbulder zien onderdrukken.

24 jaren zijn er verstreken sinds mijn ijdeltuiterij. Carrière heb ik niet gemaakt. Een Gezicht ben ik niet geworden. Misschien maar beter zo, want als Jenny uitgenodigd wordt bij Zomergasten zal ze geheid een aflevering van Take One opvragen, in de categorie ‘onbedoeld hilarisch’. Krijg ik weer een knipoog van mijn inmiddels 102 jaar oude buurvrouw.

Maar soms, heel soms, als het me niet lukt om de eenzaamheid te bezweren met websites over alien abduction, dan doe ik mijn tv weer even aan. Zet ik die ene videoband op. The very best of. ‘Goedenavond dames en heren, welkom bij Take One, het filmprogramma van Domroep Televisie,’ kunt u mij dan synchroon horen meemompelen, met zwabberende bovenlip en smakkende medeklinkers. Niet langer hopend op dat ene telefoontje.

Ambitie

Naar Rein 2.0

Echt ontspannen zaten we er niet bij, mijn vriendin en ik. Terwijl het toch de bruiloft van mijn vader was. Feest! En heus, we gunden hem zijn 13 jaar jongere groene blaadje van harte. En ja, met haar parelkettingen en vlekkeloze etiquette paste zijn tweede vrouw beter bij mijn bourgeois vader dan mijn eigen kunstzinnige en vooral krankzinnige moeder. Maar pap was wel erg lyrisch die dag.

Het leek alsof hij niet alleen wilde hertrouwen maar zijn hele eerste huwelijk probeerde te overschrijven. Alsof hij met zijn nieuwe liefde en aangetrouwde familie de vorige 25 jaar wilde uitwissen, lastige kinderen incluis. De bruiloft bood een kijkje in zijn leven zoals het had moeten zijn.

En hoe zat het met een tweede leg? Hij had het wel eens gehad over een reservezoon, voor als ik dood zou gaan. (Mensen die de oorlog hebben meegemaakt kunnen erg pragmatisch zijn.) Dat zou dan een Rein 2.0 worden, een improved version uiteraard. Eentje die zou afstuderen in iets saais, carrière zou maken in iets degelijks en zou trouwen met iets vruchtbaars. Opdat zijn edelgenen niet verloren zouden gaan voor volgende generaties. God beware ons.

Inmiddels is mijn vader overleden. Van die tweede leg is het niet gekomen. Rein 1.0 leeft nog steeds. Dus wie weet, als hij een groen blaadje treft en haar ‘t jawoord weet af te troggelen, dat ie 25 jaren aan mislukte studies, baantjes en relaties kan uitwissen door zelf een Rein 2.0 te verwekken. Alhoewel. Gerede kans dat het een extra afgekeurde versie wordt. Een Rein -0.273, eentje die nog veel meer stommiteiten zal begaan dan ik achter de kiezen heb. God beware ons.

dordt-1953-def-450

Tussen de schappen

De Albert Heijn bij mij om de hoek is de kleinste AH ter wereld. Mogelijk zelfs de kleinste van het heelal, parallelle universa even niet meegerekend. Daarmee heeft het filiaal de belangrijkste troef van het supermarktwezen verspeeld: het vermijden van menselijk contact. Boodschappen doen is hier full contact karate.

Omdat er in de wijde omtrek geen andere kruidenier te bekennen is, kan deze Appie toch rekenen op een trouwe klantenkring. Het zijn voornamelijk hogeropgeleide pappies en mammies die de ruimte bestormen met sleepmandjes, daarbij hun hogeropgeleide kinderen de vrije hand gevend om met miniboodschappenkarretjes het laatste restje vacuüm al krijsend en roetsjend en rollend te annexeren. Geen wonder dat de daklozenkrantverkoper de ingang bewaakt als ware deze de hellepoort.

De mini-AH mag dan een aanslag zijn op mijn territoriumbehoefte, het leed dat het personeel er moet doorstaan is onvoorstelbaar. Ik heb het niet over de caissières – dat is de elite – maar over het voetvolk, de vakkenvullers. Zelfs op de relatief rustige tijden dat ik de super aandoe (08:12) verraadt hun schichtige motoriek de nodige shell shock. Gek moeten ze worden van de hectiek. Soms wil ik hen gerust stellen met een spontane hug, maar dat wordt vast verkeerd uitgelegd. Terwijl ik toch ooit één van hen ben geweest. Reservevakkenvuller 1e klasse Rein H., lichting 1975, meldt zich.

Het baantje was mijn vaders idee. Áls ik zo nodig een brommer wilde, dan moest ik er maar voor werken. Maar eigenlijk vond ie vooral dat ik meer onder de mensen moest komen. Op voetbal of padvinderij of zeilkamp wilde ik niet, dus misschien dat vakkenvullen een mensenmens van me zou maken. De bedrijfsleider van de AH om de hoek was patiënt van hem, dus een week later kon ik beginnen. Daar stond ik dan om 08:12 op de Nieuwe Binnenweg, boterhamtrommeltje onder de oksel geklemd. Kaspar Hauser does Albert Heijn.

Vakkenvullen bleek complexe materie. Het vers moest achterin het schap verstopt, over-datum-producten juist in your face. En dan hebben we het nog niet over vastlopende prijstangen. Maar het waren vooral de collega’s die het baantje zwaar maakten. Hoon, ongein, afgunst, voetbalgezwam, klaagverhalen. En uiteraard moest het zoontje van de dokter extra ontgroend worden. Of misschien werden alle nieuwkomers uitgelachen als zij het pompwagentje met ton suiker niet heuvelopwaarts gesleept kreeg.

De ware vijand kwam echter uit onverwachte hoek: de klant. Bestonden er in 1975 nog maar 500 Nederlanders (en één Surinamer), die zaten wel alle 500 in míjn AH. Om strikvragen te stellen over exotische producten. Om achterin mijn schappen te graaien naar het vers, mijn wereldorde in chaos achterlatend. Om mijn nooit kloppende kleingeld te tellen bij de flessenbalie. Alles deden ze om mijn leven tot hel te maken.

Vier weken heb ik het vakkenvullen volgehouden. Overleefd heb ik het, net als de talloze ongeschoolde baantjes die nog zouden volgen. Een mensenmens heeft het niet van me gemaakt. En iets in me zegt dat de vakkenvullers van mijn mini-AH niet zo geïnteresseerd zullen zijn in mijn war stories. Dat ze zich er niet zo in zullen herkennen. Dat hectiek voor hen misschien ‘gezellig druk’ is. Dat zij niet degenen zijn met shell shock.

Daarom pak ik af en toe de fiets naar Kanaleneiland. Daar is het grootste AH-filiaal van het heelal gevestigd, parallelle universa meegerekend. Hier geen hogeropgeleide pappies, mammies of koters. Als ik er om 08:12 tussen de schappen sluip, badend in de eenzaamheid van tienduizend TL-buizen, knijpend in een denkbeeldige prijstang, dan leef ik even in de illusie dat de mensheid me niet bij de kladden heeft.

[Op de foto het AH-filiaal van de Nieuwe Binnenweg, vlak voor haar opening in 1953.]

ah-def-450

Ik hou van...

...eerlijke antwoorden op beleefdheidsvragen waardoor mensen uit hun rol vallen. Van de slappe lach tijdens Dodenherdenking. Van Thom Yorke’s ijle timbre boven de schappen van de Aldi. Van infantiele hobby’s die zonder gêne op Facebook gepost worden. Van zorgen maken om een kleffe palm tijdens een mislukte date. Van mijn ex N. die met debiele skimuts op nog sexy was. Van Tom Wolfe als hij grijnzend bekent op Bush te stemmen. Van losers die het leven omarmen met een opgetrokken wenkbrauw. Van seks die zo simpel en zo intens is dat je zeker weet dat het nooit meer terugkomt. Van LF Céline als ie zijn puntjes even vergeet en sentimenteel wordt. Van mijn ex H. als ze tijdens een bruiloft stomdronken een tafelkleed + viersterrendiner omvertrekt. Van mijn zorgvuldig afgetrapte cowboylaarzen die me zo verschrikkelijk nonchalant maken. Van de wereld die bijna vriendelijk lijkt als ik om 04:53 opsta. Van iedere dronk die troost biedt in plaats van overmoed en helderheid in plaats van roes. Van seks die nog beter voelt dan toen die ene keer. Van een angstaanjagend secuur dansende Christopher Walken. Van de geruststellende arm om me heen Die Eerste Ochtend Samen. Van Jim Morrison’s polymorf perverse cri de coeur. Van 3-seconden-flirts in de metro. Van rechtse denkers met linkse argumenten. Van Oliver Hardy als hij met wanhopige berusting de camera in kijkt. Van Gods hand op mijn schouder in de gietregen van Duivendrecht. Van Tom Cruise als hij zijn imago vermorzelt in Magnolia. Van die ene voorzichtige zoen tussen haar slapende schouderbladen. Van mijn ex S. die in haar broek moest piesen van mijn grappen. En natuurlijk van heel fout dansen op TC Matic.

bad-def-450

Met waterijsje

We weten het allemaal, maar willen het niet weten. We doen ons uiterste best om het niet te voelen. We laven ons aan melancholieke muziek, aan ademstokkende films, aan sterke verhalen. Hebben de slappe lach met oude vrienden. Dansen schaamteloos met wildvreemden. Zoenen dronken in een portiek. Reizen af naar exotische oorden. Doen er alles aan om Het op te roepen. Maar Het komt nooit meer écht terug. De Verwondering.

Het vermogen je te laten betoveren neemt af naarmate je ouder wordt. Groundhog Day gaat op repeat. De fraaiste boswandeling wordt een fitnessmars. Terwijl ik toch al op jeugdige leeftijd besloot nooit volwassen te worden. Ik gruwde van de saaie wereld der reuzen, met hun lompe gebaren en onverklaarbare serieusheid. Guust forever! Ook toen ik eenmaal de stemgerechtigde leeftijd had bereikt zette ik mijn hakken in het zand. Met muziek, films, verhalen, slappe lach, raar dansen, dronken zoenen en dysenterie in de subtropen. En later door de ballast van carrière/hypotheek/kookeiland te mijden. Maar de meest volwassen daad om jong te blijven heb ik nagelaten: kinderen opvoeden.

Het cliché is even oubollig als confronterend: kinderen zijn de sleutel tot verwondering. Hun ontvankelijkheid, nieuwsgierigheid en verbazing bieden ons een glimp van De Essentie – al is dat maar de smaak van een waterijsje. Helaas zijn de uitverkorenen – ouders, docenten en verzorgers – zich zelden van bewust van hun unieke positie. Simpelweg omdat ze uitgeput raken van diezelfde engeltjes. De loper is een sloper.

De jaren dat ik voor neppapa speelde voelde ik me als scheidsrechter in een kooigevecht. Emotioneel geradbraakt werd ik. Maar soms, op een onbewaakt ogenblik, als er tijdens een boswandeling een handje in de mijne gestoken werd en met een vingertje gewezen werd naar iets wat me anders volledig was ontgaan, dan werd ik weer even de nieuwsgierige snotneus van toen. Op zoek naar alles wat me kan betoveren – al was het maar het stokje van een weggegooid waterijsje.

(Oktober 1962. Wandelend met vader en zusjes door het Kralingse Bos. Moeder – zoals altijd – op creatieve afstand achter de camera.)

bos-def-450

Nog ff volhouden, de ambulance is onderweg!

Langsflitsend leven met Ed Bleij, Chris Willemse en Hans Wassink op de Kop van Zuid.

kop-van-zuid-def-450

kop-van-zuid2-def-450

"Dites fromage!"

Wellicht dat een "Le petit oiseau va sortir!" meer effect had gesorteerd bij de chagrijnige Fransozen, maar gelukkig deed de dromedaris zelf wel spontaan mee, al zou diens glimlach mede verklaard kunnen worden uit aanmoedigingen tijdens vorige fotosessies, gezien de littekens op zijn snuit.

drom-def-450

Met godscomplex

Uiteraard had ik de baan zelf gesaboteerd (let op het dode spoor zonder stootblokken).

trein-def-450

Maakt uw tuin winterklaar

Eindelijk. Hij mag weer. Na meer dan dertig jaar van excommunicatie is het weer hip om hem te laten staan. Over de baard heb ik het natuurlijk.

Joost mag weten waarom de baard zo lang verbannen is geweest. Vanwege zijn hoge kaboutergehalte? Omdat de Brinta erin uithardt? Omdat hij ouderlijk maakt? Het waren toch niet de minsten die er ooit respect mee afdwongen: Jezus Christus, Francis Ford Coppola, Karl Marx, Jim Morrison, Charles Manson, Demis Roussos, Chriet Titulaer.

Anno 2013 loopt iedere zichzelf respecterende trendslaaf ermee rond. Om er zijn mannelijkheid mee te onderstrepen. Maar vooral als uiting van retrorebellie. Hunkerend naar een tijd dat een baard nog radicaal was (of ‘rad’ zoals dat in street lingo heet). Een tijd dat burgerlijkheid nog herkenbaar was aan mintgroene vrijetijdskleding en nicotinekleurige vitrages. Toen tatoeages nog voor altijd waren.

Rest de vraag of de Nieuwe Baarddragers ooit zo rad zullen worden dat ze alleen hun snor laten staan. Want de knevel, da’s de ware paria onder de gezichtsbeharingen. Snorren horen bij herbergiers, veldwachters, meteropnemers en dode dichters. Ultra-uncool. Ik heb de mijne ooit een maandje laten staan. Begin jaren ‘80, toen iedereen zijn haar ging touperen. Vond hem wel zo rad, mijn Clark Gable. Tot de meisjes er een Tedje van Es in herkenden. Ging ie subiet weer onder het mes. Ondanks een snotgoot die schreeuwde om camouflerend struweel.

Maar. U voelt hem al aankomen. Ik voel hem weer kriebelen. The thirty year itch. Dus. Mocht er binnenkort een man-met-snor bij u aanbellen om de tuin winterklaar te maken, dan weet u dat dat trendsetter Rein is. Met de R van rad.

snor-def-450

In het Temporary Art Center te Eindhoven

Met een beetje fantasie (en een heel snelle sluitertijd) lijkt het alsof ik het kruis de trap afdonder...

tac-def-450

Earthling! Take us to your leader!

We come in peace!

leader-def-450

>

Perfectionisme

Morgenochtend kennismakingsgesprek. Ben er helemaal klaar voor.

soll-def-450