blog titels

Blog

En het toverwoord

Iedere dag zoek ik hem op, als ware hij een goede vriend van me. Iemand bij wie ik me op mijn gemak voel. Bij wie ik thuiskom. Terwijl hij me toch vaak genoeg tot wanhoop drijft.

Overal waar ik kom achtervolgt hij me. Als ik ronddool op een netwerkborrel of een wandeling maak langs de kade, dan blaast ie zich op tot een Hindenburg. Als ik te lang achter de computer zit of probeer te genieten van het kleine, bijt ie zich vast in mijn nek. Hij beneemt me de adem alsof hij er recht op heeft.

Pas als ik onder de mensen kom houdt ie zich gedeisd. Hij huivert als ik de slappe lach krijg met mijn vrienden, meezing met de barman of tongzoen met een deerne. Een jaloerse schijtert, dat is ie.

De enkele keer dat ik met anderen over hem praat begrijpt niemand waar ik het over heb. Immers, in gezelschap ben ik altijd zo gezellig. Zo geestig. Zo ad rem. Zo’n mensenmens! Dus waar heb ik het over.

Enige manier om hem klein te krijgen is door te schrijven. Vrij en onverveerd. Dan schrompelt ie ineen tot het achterdochtige jochie dat hij eigenlijk is. Maar helemaal verdwijnen doet ie nooit. Omdat hij bij me hoort, achtergelaten in het toen, vastgezogen in het vacuüm van weleer.

Nu fluistert hij me dagelijks in. Als een gemankeerde muze, koortsachtig op zoek naar een toverwoord dat ons herenigt. Tevergeefs, zo hebben de jaren mij geleerd. Maar wie ben ik om ons deze illusie te ontnemen.

De isolant
Rein als jongmens: If looks could kill...

Van e-Sight

‘A man with no enemies is a man with no character,’ stelde Paul Newman ooit. Als dat zo is ben ik een ontzettend slappe lul. Ga maar na: op Facebook word ik zelden ontvriend en in het echte leven sluit ik doorgaans vriendschappen voor het leven. Een watje. Slechts eenmaal heb ik een echte vijand gemaakt. Maar die gozer kan mijn bloed dan ook wel drinken.

Sam was een fan van mijn columns. Hij kende ze uit het Universiteitsblad, zo bleek tijdens het sollicitatiegesprek, had er vaak om moeten schateren. Ik voelde me gevleid. En al vond ik hem met zijn 27 lentes wat jong om een opstartend bedrijf te leiden, iemand die mij geweldig vond, daar durfde ik het diepe wel mee in. Bovendien was e-Sight een dochteronderneming van twee doorgewinterde zakenmannen die een oogje in het zeil zouden houden. Zat wel snor. Kortom, e-Sight was een tekstschrijver rijker.

Al snel voelde ik me helemaal thuis in het sfeerloze bedrijfspand aan de A2. Dat kwam vooral door Sams neus voor mensen. Hij selecteerde zijn personeel niet op praats maar op karakter. Mijn collega’s waren stuk voor stuk vakidioten met hart voor de zaak. ‘t Waren er alleen wat veel. Na een week waren we al met z’n zessen, met zeggen schrijven één klant, nota bene een maatje van de bovenbazen. e-Sight was eigenlijk vooral bezig met e-Sight. Het halve budget werd opgeslokt door een fotoreportage van het team en andere potsierlijke uithangbordjes. Leuk om zo met jezelf te spelen, op termijn toch wat verontrustend.

Gelukkig nam Sam mij regelmatig in vertrouwen. Deelde zijn plannen, sprak zijn zorgen uit. Als begin veertiger wist ik precies hoe het leven in elkaar stak, dus diende ik hem graag van advies. ‘t Zou wel loslopen met e-Sight, zo stelde ik, want fijne mensen. En mocht het tóch mis gaan, dan konden we altijd nog samen een nieuw bedrijf opzetten! Ik als wijze mentor, hij als onbevreesd broertje – a winning team!

Bonden met de baas, fouter kan niet. Wist ik natuurlijk ook wel. Alarmerender vond ik Sams criminele trekjes. Soms zat hij sites te hacken alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Nam vervolgens contact op met zijn prooien om hen op de lekken te wijzen en de diensten van e-Sight aan te bieden. Begrijpelijkerwijs moesten ze niets hebben van deze opgedrongen buurtpreventie en dreigden met de politie. Illegaal of niet, ik vond het vooral grensoverschrijdend. Sam lachte mijn zorgen weg.

Toen er na een maand nog steeds geen nieuwe klant geworven was, werd Sam op het matje geroepen. Met luide, sarcastische stemmen maakten de bovenbazen hem duidelijk hoe ze over zijn management dachten. Nare mannen, maar gelijk hadden ze. Na afloop nam Sam mij in vertrouwen. Om uit te huilen, zo verwachtte ik. Niets van dat al. Om de schuld buiten zichzelf te leggen. ‘t Waren de bovenbazen die tekort schoten! Oeps, dacht ik. Als de Anderen het allemaal gedaan hebben, schort er meestal iets aan die Ene.

Dagen werden weken, weken werden maanden. Geen klanten. Geen inkomsten. Geen…loon. De nerds begonnen te morren. Ik probeerde de gelederen te sussen. Sam, zo stelde ik, moest de ruimte krijgen! Was ons vertrouwen waard! Voordeel van de twijfel! Maar ook mijn twijfel werd groot toen Sam me niet meer in vertrouwen nam. Zich terugtrok. En zich ziek meldde. Met de mededeling dat wij voor de bovenbazen moesten sloven.

Geen loon. Geen Sam. Geen e-Sight… Plus geruchten dat Sam gedegradeerd was tot loonsloof van de bovenbazen. En dat wij WW-loos op straat zouden komen te staan! Na een slapeloze nacht vol soul searching hakte ik de knoop door. Ik organiseerde een ‘staking’. We meldden ons simultaan ziek. Muiterij!

Maanden van koude oorlog en nagelbijten volgden. Sommige collega’s konden hun huur niet meer betalen. De paranoia sloeg toe, of was onze mail echt gehackt? Ik kreeg bijkans een nervous breakdown toen ik ’s avond laat werd opgebeld door Sams moeder. Of ik besefte wat ik haar jongen aandeed! Hoe hij kapot ging aan onze staking! Wat voor onmens ik was! Ik prevelde iets over verantwoording nemen, maar ze ging maar door. Uiteindelijk gooide ik de hoorn erop. Maar ze had haar doel bereikt.

De rechtszaak duurde slechts een half uur. In twintig van de dertig minuten werd ik door Sams advocaat neergezet als een verrader. Een ophitser, een ondermijner, een Judas was ik, zo zou blijken uit e-mails die zij hadden bemachtigd. Sam wierp me smalende blikken toe. Ik zakte door de grond. Maar de rechter had geen boodschap aan de J’Accuse. Sam moest gewoon ons loon betalen. Verantwoording nemen.

Onze centen hebben we gekregen. Ons gelijk ook. En de felbegeerde WW. Maar mijn zakenbroeder was ik kwijt. Niks geen winning team meer. Nog steeds voel ik me wel eens een fout mannetje door de affaire. Niet vanwege de muiterij, maar omdat ik vriendschap zocht met een baas. De baas is de vijand. Per definitie. Zo simpel is dat. Niets mis met vijanden in je leven. Ze houden je gezond, zoals je beste vrienden dat doen. Dus waarom voelt dat ‘character’ dan zo klote?

Het team
Op de hei

En het leven

Soms pas ik mijn wandeling er op aan. Loop ik er voor om. Houd ik de pas even in als ik er voor sta. Om naar binnen te gluren. Het is zo’n klassiek pand, met hoog plafond vol ornamentjes, glas-in-lood dat herfstkleuren tovert op de monumentale muren, rotan meubels die vergroeid lijken met de vingerplanten, schemerlampjes die de zonsondergang inluiden. Als ik voor dat huis sta moet ik altijd even slikken.

Een zinnig mens zal dat brok in mijn keel afdoen als een aanval van melancholia. Immers, ik ben opgegroeid in zo’n herenhuis. Maar ik verlang niet naar toen. Herinneringen aan mijn ouderlijk huis bezorgen me klamzweet. Neen, als ik voor dit vreemde huis sta ben ik uit op iets anders. Op een ander leven. Andermans leven.

Het huis geeft me de illusie dat ik ongestraft een andere werkelijkheid kan binnen stappen. Een leven waarin ik verwelkomd word met een zoen van andermans vrouw, omsingeld wordt door armpjes van andermans koters, afgelebberd word door de snuit van andermans labrador. Om vervolgens aan te schuiven aan andermans eettafel, het vlees te snijden met andermans mes en me te laven aan andermans verhalen. Het is het leven waarin ik de anderman ben geworden die ik nooit verwacht had te zullen zijn.

Natuurlijk mag dat leven niet te lang duren. Anders loop ik de kans op de dagelijkse werkelijkheid te stuiten. Waarin de heer des huizes echtscheidingspapieren naar ‘t hoofd geslingerd krijgt, met zakgeldeisen belaagd wordt en tetanustanden in de kuiten voelt. Gelukkig is eventjes voldoende om de molensteen rond mijn nek te verlichten, de ballast die een zinnig mens graag voor levenswijsheid verslijt. Dan steek ik de kraag weer op, de windstilte ten spijt, en vervolg ik mijn pad, huiverig om versleten te worden voor de voyeur die ik altijd al vreesde te zijn.

De anderman
Bijtanken

Te Enschede

Stans bejaardentehuis
Forever young voor Stans bejaardentehuis/residentie

Vrouwenlokker<p class=
Chick magnet Stan markeert zijn nieuwe jachtterrein met gepaste nonchalance

Peter in Fontein des Jeugds
Peter roept de Fontein des Jeugds op (en loopt en passant over water)

Annemieke yogeert
Annemieke doet 'n Miss Boeddha in het majestueuze Volkspark

Rein met wijze kei
Geweld spint waar respect begint! (O.i.d..)

Enschedese schaduw
En weer huiswaarts, op de hielen gezeten door de nazomerse slagschaduw

Into the wild

Als overtuigd amateur-zoöloog heb ik moeite met natuurliefhebbers die graag dieren spotten. Ze struinen bosch & duyn af in de hoop een glimp op te vangen van hun favoriete beest. ‘Kijk, een staartmees!’, ‘Moet je zien, een veldspitsmuis!’, ‘Daaro, een breedscheenjuffer!’ Ja, en dan? Dan is het beest weer weg. Het is een omgekeerd soort sight seeing, een Europe-in-3-days maar dan met een wegrennend/kruipend/zwemmend/vliegend Europa.

Als ik de natuur in duik wil ik de diepte in. Het gedrag bestuderen. Daarom beleef ik dieren liefst bankhangend voor Cousteau of Attenborough. Die namen de tijd. Tuurlijk, de eerste wilde nog wel eens een staaf dynamiet de plomp in plempen om wat leven in de oceaan te krijgen, en Sir David stuurde zijn ploeg liefst maandenlang het moeras in om vervolgens goede sier te maken met hun unieke opnames, maar beiden stonden garant voor verdieping - voor avontuur.

Voor avontuur is in mijn buurt weinig ruimte. De patatduif maakt hier de dienst uit, en die is toch vooral bezig met poepen. Het peloton kauwtjes en de hangeksters zorgen evenmin voor reuring. Alleen op het grasveldje achter mijn flat kun je nog wel eens een wild dier aantreffen. De Erinaceus europaeus om precies te zijn, de egel. Ik spot hem wel eens op zwoele zomeravonden, als ik thuiskom met een wijnhoofd en mijn fiets in het hok wil opbergen. Of eigenlijk spot hij mij. Dan komt hij aanhobbelen, kijkt toe hoe ik mijn sleutel in het sleutelgat probeer te krijgen, en als dat hem iets te lang duurt, schudt ie meewarig zijn kopje en hobbelt ie terug naar zijn hol. Dichter bij avontuur kun je niet komen.

Mogen egels te boek staan als solitaire wezens, een paar avonden geleden zag ik niet minder dan drie stuks in het donker zitten. Ik aarzelde geen moment, pakte mijn camera en sloop op het trio af, tot op een paar centimeter. Maar schrikken ho maar. Ze rolden zich niet op, renden niet weg. Integendeel, ze gingen rustig door met wat ze aan het doen waren: in een kringetje rondwaggelen, snuivende en knorrende geluiden makend. Een shamanistische egeldans? Het zag er in ieder geval knap lullig uit, en vooral disfunctioneel. Ze waren niet aan het paren of op slakkenjacht, beten elkaar geen oor af in de strijd om een vrouwtje, groeven niet eens een hol, ze deden maar wat! Ze vielen zelfs een paar keer in slaap, pal voor mijn neus. Nachtdieren die ’s nachts tukken!? (Waar is een staaf dynamiet als je hem nodig hebt!)

Gelukkig maakte een van hen oogcontact met mij, alsof ie in mijn gemillimeterde coupe een über-egel herkende. Wel een kwartier lang hebben we een wedstrijdje wegstaren gespeeld. Spotten met diepgang was het, al zullen de buren in mij vooral een dronken gek hebben vermoed, want vanaf de balkons waren de egels niet te zien. ‘Kijk, die kale is duivenstront aan het fotograferen!’

Voorlopig houd ik het bij deze reportage. Niet omdat ik teleurgesteld ben in de luie egels, maar omdat de natuurman in mij zichzelf de volgende avond keihard is tegengekomen toen ik een spin op mijn rijstpapieren lamp aantrof. Een gerande oeverspin om precies te zijn, de Dolomedes fimbriatus, ook wel Big motherf*cker genaamd. Hij was zo zwaar dat ik hem over het rijstpapier kon horen lopen (!). Nooit eerder beseft dat ik een arachnofoob was, maar toen ik hem bibberend in een teil had opgevangen en hem op het balkon van de buren had geslingerd, begreep ik opeens waarom normale mensen het liever bij spotten houden. ‘K-k-kijk, een B-b-big m-m-motherf-f-fucker!

Egels
Take us to your leader!

Die wilde dromen

Mijn vader had graag een tweede zoon gewild. Niet omdat hij zo van zonen hield, maar voor het geval ik zou verongelukken, want dan zou onze naam uitsterven. Op safe spelen, dat deed mijn vader graag. Daarom voedde hij zijn kinderen op met zo veel mogelijk common sense. ‘Als je vlijtig studeert, hard werkt en veel spaart, dan komt alles goed,’ verzekerde hij ons. Een kwestie van vooruitkijken, dat zou het leven zijn.

Die tweede zoon is er niet gekomen. Doodgegaan ben ik evenmin. Maar mijn studies heb ik alle vijf afgebroken. Ben vaker ontslagen dan dat ik gesolliciteerd heb. En iedere cent die er in mijn schoot geworpen is heb ik verbrast. Mijn vaders gezonde verstand heb ik altijd geminacht, misschien wel omdat het bij ons thuis nooit goed kwam. Vergezichten waren er slechts om in weg te dromen.

Inmiddels begin ik zijn verstand beter te begrijpen omdat ik me zorgen maak over mijn ouwe dag. Ben bang te eindigen op Hoog Catharijne, bedelend in een slapgepieste kartonnen doos, zonder pensioen, zonder AOW (die dan niet meer bestaat) en zonder zicht (geen geld meer voor oogdruppels). Iedere keer als dit spookbeeld zich aan me opdringt heb ik even spijt dat ik niet beter naar mijn wijze vader heb geluisterd, niet iedere cent in een ouwe sok heb gestopt.

Gelukkig sprak ik laatst een vriend die het nog slechter is vergaan. 18 jaar lang was hij de partner van een carrièrevrouw. Bakken met geld had ie te besteden. Dure kleren, zoevende auto, chic uit eten. Tot zij een ander vond. En hij op straat kwam te staan. Nu heeft hij bijna niets meer, op een indrukwekkende collectie zijden dassen en een paar obsceen dure schoenen na. Maar zorgen maakt hij zich niet. Daarvoor is ie te diep gevallen. En te veerkrachtig van aard. Hij heeft genoeg aan zijn moestuintje, vrienden en boeken. Een rijk mens, dat voelt ie zich.

Mijn respect voor hem is diep. Niet alleen omdat hij nog minder ambitie koestert dan ik doe, maar vooral omdat ie rust heeft gevonden zonder zekerheid te zoeken. Als ik met hem over het leven ouwehoer voel ik me weer zoals vroeger. Onverschrokken. Gretig. Triomfantelijk. Dus als mijn boek straks een bestseller wordt en ik bakken met geld verdien, dan zal ik ieder muntje in die verrekijker stoppen. Niet om vooruit te kijken, maar om nog verder weg te kunnen dromen.

De Ziener
De mooiste beelden krijg je als de muntjes op zijn

Kensie nich normoal Neiderlands proate?

Effe chillen met moonshine in de moerassen van Nederweert. Lekgestoken door lokale malariamuggen, maar wél wilde varkens, reeën, vossen, dassen en een (zeldzame!) boa constrictor gespot. De natural high van Fiery Jamaican Root Ginger! Inne daag neet gepos, inne daag neet gelaef!

Nederweert
Sop 't dich mér op!

Met de buks des levens

Lang, lang gelden kwam mijn vader na een bezoek aan de kermis thuis met een raar wondje in zijn voorhoofd. Het bleek veroorzaakt door ’t luchtbukskogeltje dat ie had afgevuurd in de schiettent. Dat wisten we zo zeker omdat het niet alleen was teruggekaatst, het bleek zelfs in zijn schedelhuid genesteld, platgedrukt en wel. Waarom ie ‘t niet direct had gevoeld… bord voor z’n kop? Gelukkig was ie huisarts dus wist ie het kogeltje er met een aardappelschilmesje vakkundig uit te snijden. Als kennissen naar het litteken vroegen mompelde hij iets over ‘de oorlog’, waarop een respectvol zwijgen volgde.

Tig jaar later ben ik met vrienden op vakantie in België. Het is zo’n vakantie waarbij alles precies verloopt zoals je bij vakantie verwacht: rampzalig. Verkeerde paspoorten, verkeerde hotel, verkeerde drank, verkeerde vrouwen. Net als ons moreel een dieptepunt heeft bereikt treffen we een kermis. Met schiettent. Ik strooi grommend wat frankskes op de balie, krijg een geladen buks aangereikt, leg aan en béng! Bingo!

Of eigenlijk niet. In plaats van op de roos had ik namelijk op de stalen plaat ernaast gemikt, in de hoop de voorhoofden van mijn chagrijnige vrienden te raken. Helaas, ‘t was bull’s eye, dus werden onze pruilende smoelen vereeuwigd door de polaroid. Later in het verkeerde hotel heb ik nog even met een aardappelschilmesje in mijn voorhoofd zitten kerven, maar het werd meer een aardappelschillitteken dan een overtuigende oorlogswond. Als kennissen er naar vragen mompel ik iets over ‘de vakantie’, waarop een respectvol zwijgen volgt.

Altijd prijs
De stemming zat er goed in

En het verzadigde groen

Soms ga ik tijdens zo’n wedstrijd even een blokje om. Zogenaamd om de benen te strekken, maar eigenlijk als stil protest. Een middelvinger naar de gelegenheidshooligans die zich op commando in oranje hijsen. Naar hun ongein en hun enge nationalisme. Dat zal ze leren! Denk ik dan, als ik met nijdige passen over de kade snel.

Toch volgen sommige van mijn beste vrienden het WK. Sterker nog, ze kijken allemaal. Als ik hen vraag waarom, komt er steevast iets van vroeger boven drijven. Met pa naar het Kasteel van Sparta, of gewoon zelf een balletje trappen. Fanatiek zijn ze niet meer. Een guilty pleasure, da’s voetbal voor hen geworden.

Omdat ik als snotneus nauwelijks buiten kwam zijn mijn herinneringen aan voetbal beperkt tot televisiebeelden. Of beter gezegd: het beeld van mijn vader, languit voor de buis liggend op het elektrostatische tapijt, sigaretten, asbak en goedkope sherry binnen handbereik. Nog vóór de aftrap begon ie al. Met zijn ‘commentaar’. Alles wist ie beter, en dat zou iedereen weten ook. Hij schold op missende spitsen en trage keepers, brulde bij kansen en loeide bij scores, liet ronkende winden bij strafschoppen. Alles kwam eruit. Zijn mislukte huwelijk, zijn zeikende patiënten, zijn ondankbare kinderen. Voetbal was zijn uitlaatklep. Zijn oorlog.

Ik zat erbij en keek er naar. Niet naar de wedstrijd, naar hem. Vroeg me af bij welke lantaarnpaal hij mij gevonden had, en vooral wanneer hij me daar weer terug zou leggen. Want met deze man had ik niets gemeen. Wilde ik niets gemeen hebben. Terwijl het ijle gejuich van het stadion het vacuüm van onze huiskamer vulde, nam ik me voor om me nooit meer door de verzadigde groentinten te laten gijzelen.

Natuurlijk, het is allemaal jaloezie. Eigenlijk wil ik me maar wat graag in zo’n juichpak hijsen, vuvuzela fier overeind geblazen. Lekker meedoen. Het zou me goed doen. Als ik wat meer als mijn vader was geworden. Maar dat is niet zo.

Niettemin kruipen de genen waar ze niet gaan kunnen. Dus mocht Oranje de finale halen, misschien dat ik dan toch even ga spieken. Op de kade. Op mijn mobieltje. Wapperend met de Duitse vlag, want als overloper moet je érgens beginnen.

De overloper
Gewoon je lekker in je body voelen

Op Zuid

Vrijdag had ik een reünie, mijn eerste in 33 jaar. Natuurlijk niet van school, Nijenrode of de roeivereniging. Maar van stamkroeg De Kroonkurk op de hoek van de Doklaan in Zuid. Een café where everybody knew my name. Er kwam van alles. Van loodgieter tot huisjesmelker, van scholier tot Shell-bobo. Spil waren de vreselijk ad remme barman Jan en zijn vrouw Door die de lekkerste bruine ballen van Rotterdam bakte. Toen bleek dat mijn vader hun zoon ter wereld had helpen brengen, kreeg ik prompt de status van kroegmascotte. Ik hing er aan de toog alsof ik mijn thuis had gevonden.

De Kroonkurk dankte zijn naam aan de duizenden bierdoppen die tegen de wanden waren getimmerd en samen een indrukwekkende wandschildering vormden. Een uniek aangezicht, vooral omdat de kroonkurken zo bruingerookt waren dat niet duidelijk was wat het tafereel voorstelde. De haven? Het vagevuur? Attila in de Alpen? Een Rorschachtest, zeker met spiritualiën achter de kiezen. Daarbij drong zich de vraag op of de makers de doppen eerst één voor één beschilderd hadden en onder de sigarettenrook hadden geblazen, en daarna pas tegen de wand hadden getimmerd als een enorme nicotineuze Jumbo-puzzle, of dat zij zich er met een Jantje van Leiden vanaf hadden gemaakt en pas achteraf zijn gaan wandschilderen/kettingroken. Kortom, een omgeving die aanzette tot doordenken.

In ’81 werd de Kroonkurk platgewalst door de Vooruitgang. Barman Jan ging op de Beurs werken, vrouw Door bakte haar ballen voortaan alleen nog bruin voor Jan. En wij zijn allen uitgevlogen. Om kaler, dikker en grijzer te worden, zo bleek tijdens de reünie. Goddank had niemand carrière gemaakt en lachten & ouwehoerden we met eenzelfde overgave als we toen deden. Sterker nog: als je je ogen toekneep leek het alsof we die 33 jaar gewoon aan de bar waren blijven hangen. Een even huiveringwekkende als geruststellende gedachte.

Naam Foto
De Kroonkurk in 1951 met onbekende oerbarman.

Striplezende commando's

Raymond & Rein. BFF’s in een tijd dat dat nog helemaal niet bestond. Toegegeven, op die leeftijd was er ook weinig voor nodig. Na school kwam Raymond bij mij een stripboek lezen en als hij het uit had ging ie weer naar huis. In geen eeuwen heb ik hem gezien, maar wat is een eeuw in het licht der eeuwigheid.

Voor volwassenen liggen de Best Friends Forever niet voor het oprapen. Dat komt door een banale natuurwet die stelt dat de kwaliteit van een vriendschap niet bepaald wordt door romantische factoren als daadkracht, betrouwbaarheid of zorgzaamheid. Maar door duur. Hoe langer de vriendschap, hoe sterker de band. Even logisch als onrechtvaardig.

Bij een jeugdvriendschap is de kans namelijk ‘t grootst dat die persoon jou iets ontzettend genants heeft zien doen. Wulps dansen met een open gulp op een schoolfeestje of een fles vieux uitbraken over een Franse expat. Alleen een schoolmaat of een studievriend weet hoe erg je bent. En houdt dat voor zich. Zo’n omerta schept een band. Daarom koester ik mijn vergeelde contacten, terwijl ik me eigenlijk heel andere BFF’s had gewenst. Vrienden die daadkrachtig, betrouwbaar en zorgzaam zijn. Army buddy’s bijvoorbeeld.

Jammer genoeg stam ik uit 1959. Een bouwjaar dat ‘buitengewoon dienstplichtig’ was. Ik hoefde niet in dienst, terwijl ik eigenlijk commando had willen worden. Ik zag het al helemaal voor me: dat boot camp had een vent van me gemaakt, mijn medesoldaten zouden mijn broeders worden. Ons peloton gedropt achter de linies, omsingeld door Vietcong, weggedoken in een loopgraaf, granaatscherven voor elkaar opvangend, elkaars afgeschoten ledematen verbindend, voor elkaar doodbloedend. Kameraden voor het leven!

Maar BFF’s heb je niet voor het kiezen. Die heb je al gekozen. Onbewust. Ooit. De BFF-wet is dan ook vooral onrechtvaardig naar nieuwe vrienden toe. Kanjers die door je ballotage zijn gekomen en alle recht hebben op je Best Friends Foreverschap. Maar die jou nooit echt zullen leren kennen. En om nou samen te gaan survivallen in de Ardennen opdat je over 40 jaar traumatische paintball-momenten kan delen boven de bbq, dat voelt toch wat krampachtig.

Ik moet het dus van Facebook hebben. Nieuwe vrienden-van-vroeger, die weten hoe erg ik ben en tóch met me willen survivallen. Liever echter krijg ik een vriendschapsverzoek van Raymond. Als hij niet moeilijk doet over onze 45 jaar durende radiostilte en gezellig een stripboek bij me komt lezen, dan is dat forever. Ware vriendschap, ‘t is toch vooral een kwestie van uitzitten.

Best Friends Forever
Een eeuwigheid geleden

Zonder violen

Ik had het nog niet eerder gedaan. Niet bij de eerste date tenminste. Zo’n ontmoeting biedt toch weinig ruimte voor emotie. Je hele wezen is ingesteld op inschatten en oordelen. Is ze aantrekkelijk? Sexy? Slim? Hartelijk? Loopt ze als een gazelle of als een polderknol? Heeft ze Wella-lokken of zit ze met een anus prenaturalis? En de belangrijkste: is ze grappig? Een krater van ballotage is zo’n date, een flirtvermorzelaar.

Opvallend genoeg waren S. en ik al snel klaar met dat inschatten. Misschien omdat we niet smoor waren. We troffen iets anders, iets wat ons minstens zo dierbaar was: geestverwantschap. S. bleek net zo’n creatief monster als ondergetekende. Ze ontwierp decors voor theater & opera, sober en dwingend, subtiel en megalomaan. En was gek op mijn verhalen. Als het brein de grootste erogene zone van de mens is, dan hadden we een stampende gangbang, die zondagmiddag in dat tuttige café. Feest der herkenning!

Toch was dat niet waarom ik de zakdoek moest trekken. Dat kwam door het verhaal over haar man. Haar dode man. Overleden aan een hersentumor. S. vertelde hoe het was om te leven met iemand die muteerde als gevolg van zo’n gezwel. Hoe hij opblies door het medicijngebruik. Achterdochtig werd. Verwijtend. Naar woorden zoekend. Krankzinnig. Hoe zij zich schuldig ging voelen toen ze hem dood begon te wensen. Hoe hij na een jaar weer bij zinnen kwam. Zijn eigen begrafenis regelde, maar het niet kon opbrengen afscheid te nemen van zijn dochtertjes. En uiteindelijk de gifbeker leegdronk, in één teug, een ijzig “Ad fundum!” toevoegend. Hoe zij een week later nog katatonisch was.

Geen traan heeft S. bij haar verhaal gelaten. Ze vertelde het feitelijk, zonder sentiment. Spaarde zichzelf noch haar grote liefde. Koel als in cool. Ik niet. Ik zat te trillen op mijn stoel, de tranen onbeheersbaar over mijn smoel meanderend. Deed geen moeite me goed te houden of te excuseren. Luisterde slechts. Begreep opeens waarom overlevenden vaak zo weinig emotie tonen. Omdat waar verdriet geen violen verdraagt.

Dat onze relatie geen eeuwig leven beschoren was, wisten we eigenlijk al bij die eerste date. Zij een druk gezin plus workaholische persoonlijkheid, ik een druktemijder met dito focus, en nog eens 100 kilometer NS-ellende tussen ons. En eerlijk is eerlijk, soms misten we het smoorzijn. Maar de mooiste zondagochtenden van mijn leven heb ik met haar doorgebracht, dagdromend over het alles, schaterend om het niets. Dus als ik me nu weer eens eenzaam voel of bij de pakken neerzit, dan denk ik aan die man die de kloten had om de beker leeg te drinken. En schrijf ik door, alsof het ’t laatste is wat op ik op deze aardkloot zal doen.

Ad fundum
Een decor van S., vereeuwigd door Ben van Duin

Van Toomler

Vroeger was ik de leukste thuis. Dat was hard nodig, want het was verworden tot een klein Oost-Duitsland; een vacuüm van achterdocht en verwijten met puber Rein bungelend onderaan de food chain - zelfs de haarbalbrakende Pekinezen voelden zich meer geliefd. Enige troef die ik voorhanden had was mijn humor. Dead pan grapjes waarmee ik de overige gezinsleden liet bulderen tot hun chagrijn vervlogen was als het gifgas in een loopgraaf. Clown in een brandend circus, dat was ik.

Op de middelbare school ontdekte ik dat humor sexy kon zijn - ongeacht het aantal jeugdpuistjes. Sterker nog, als ik meiden aan het lachen maakte kon ik orgasmische boventonen in hun schaters ontwaren, lang voordat ik wist hoe een vagina in elkaar stak. Later, in mijn lost years, kwam dit charmeoffensief vooral op stoom met een slok op. Daar stond ik, supersexy hangend aan de bar, een spervuur van zwarte grapjes fulminerend. Een stand-up comedian, dat was ik! Eindelijk ambitie!

Helaas was stand-up toentertijd een nagenoeg onbekend fenomeen in Nederland. Ik moest mijn toevlucht zoeken tot elpee’s van Lenny Bruce en Richard Pryor, lastig te verstaan en nog moeilijker te begrijpen. Pas in de jaren ‘90 kwam de Comedy Train op gang. Die had de lat wel erg laag liggen. Hun materiaal was op het behaagzieke af, wat de komieken bij voorbaat tot panelleden van televisiespelletjes degradeerde. Dan was ik toch wel een pro, al had ik nooit een poot op hun podium gezet.

Ter inspiratie ging ik op werkvakantie naar New York, bakermat van de observational comedy. Met open mond zat ik daar, op de voorste rij van de Comedy Cellar. Een dozijn comedians passeerde de revu. Paar erg goede, paar redelijke en een enkele eloquente zwerver. Zelfs de wino maakte meer indruk dan onze hele GrappenFyra tezaam. Ik werd getriggerd door de manier waarop ie een dialoog aanging met het publiek, een paartje uithoorde hoe zij elkaar die avond tot orale seks zouden verleiden. Sarcastisch was ie niet, ondermijnend wel, zinderend en vooral tergend grappig. Wilde ik ook!

Terug in Nederland begon ik koortsachtig aan mijn repertoire te werken. Oefende voor de spiegel, probeerde grappen uit op vriendinnen. Maanden deed ik over het perfectioneren van de details. Om black-outs te voorkomen maakte ik zelfs een spiekbriefje, dat ik zou presenteren als brutale gimmick. Lachen! Een paar dagen voor mijn veertigste verjaardag moest ik van mezelf voor de bijl. Ik schreef me in voor de auditieavond van de Comedy Train in Toomler, souterrain van Hilton. Nummer 11 was ik.

De tien kandidaten vóór me waren buitengewoon ongrappig. Vond ik, supersexy aan de bar hangend. Dan was ik toch wel een pro. Dus waarom voelde ik me dan zo opgefokt? En waarom merkte ik niets van mijn zevende glas wijn? En waarom had ik geen supporters meegenomen, zoals al die anderen hadden gedaan!

Toen ik aan de beurt was voelde ik me niet zo sexy meer. Evenmin een pro. Half verblind door de schijnwerpers klauterde ik het podiumpje op. Stelde me mompelend voor. Raffelde een grap af over plasserloze aliens. Er klonk gelach, maar het gaf me geen kick. Integendeel. Ik kneep in mijn spiekbriefje, half vergaan door het angstzweet. Keek naar het publiek. Naar hun gezelligheid, hun zorgeloosheid, hun samenzijn. Hoe hun bewegingen vertraagden, hun gelach verstomde alsof ondergedompeld in een vissenkom. Zweetdruppels glibberden van mijn voorhoofd om met doffe klappen op de plankenvloer uiteen te spatten. Oral sex, anyone?

Opeens wist ik het. Ik wilde dit niet. Ik wilde geen harlekijn zijn die kunstjes vertoonde. Geen nar die de familie liet bulderen. Ik wilde niet grappig zijn als dat van me verwacht werd. Na drie urendurende minuten stapte ik het podium af, een obligaat applausje van me af schuddend.

Terug aan de bar, nippend aan een Spaatje, verdoofd door de kater en gecastreerd door de desillusie keek ik toe hoe de volgende kandidaat het ervan af bracht. Zijn materiaal was beroerd. Geen scherpte, mind fucks of onverwachte wendingen. Toch werd er flink geklapt. Dat kwam door de manier waarop hij op het podium stond. Ontspannen. Lekker in zijn vel. Hij was zo iemand die er heel erg van zichzelf mag zijn. Een performer. Humor mag dan geworteld zijn in doodsangst & leed, het publiek wil dat helemaal niet weten. Het grauw wil iemand zien die zichzelf olijk vindt. Een ca-ba-re-tier. Een Lebbis & Jansen. Een anti-Rein.

Pijpenstelen regende het bij de bushalte. Ik stak een sigaret op waar ik geen trek in had, blies mijn laatste restje ambitie de abri in. Keek naar een reclame met mooie, gelukkige, succesvolle mensen. Zag mezelf staan. Dacht aan de grappen waar ik die avond niet aan was toegekomen. Stuk voor stuk scherpe mind fucks vol onverwachte wendingen. En toen gebeurde het. Er verscheen een glimlach op mijn smoel, die uitmondde in een big smile en ontspoorde in een luide schater waarin oplettende busreizigers orgasmische ondertonen konden ontwaren. En even, heel even, mocht ik er ontzettend zijn van mezelf, die donkerste avond van mijn leven.

De grappenmaker van Toomler
Hell awaits

En de mattenklopper

Nee, dit is geen klaverjasavond in de TBS-kliniek. Ook geen ledenvergadering van de Bond van Wetsovertreders. Dit is het therapiegroepje waarin ik jarenlang gebivakkeerd heb, halverwege de jaren negentig. Wisselde de groep van grootte en van samenstelling, ik bleek de meest hardnekkige stamgast.

De reden dat ik voor groepstherapie gekozen had was angst. Niet voor spinnen of tramconducteurs, maar voor groepstherapie. Groepsgewijs zielenknijpen leek me een stuk enger dan de individuele therapie waarin ik aanmodderde. En eng = goed. Dus hoppa. Alleen met lef verander je iets, was mijn gut feeling.

Toch waren het vooral mijn negatieve vooroordelen die bevestigd werden tijdens de eerste sessie. Godallemachtig, wat ging het er allemaal zoet en respectvol aan toe. Dat kwam door de therapeute, een zestigjarige Holocaustsurvivor met zwak voor zielige meisjes en de pik op mondige mannen. Doodgeërgerd heb ik me, aan haar politiek correcte cliché’s en dwingende manier van werken. Zo heftig was mijn weerzin dat ik me gelijk thuisvoelde.

Wat me verder opviel was dat de meeste mensen die aan groepstherapie doen helemaal geen therapie nodig hebben, terwijl de paar die het wél nodig hebben met de hakken in het zand gaan zitten. De Therapiefähigen versus de Argwaners zeg maar. De Fähigen stonden iedere keer weer te trappelen om emotioneel werk te doen. Of het nu ging om met een mattenklopper op een kussen (lees: foute papa) slaan, om heel hard huilen om heel diep leed (overleden hamster) of om innig huggen met een groepslid (dooie oma), de therapeute hoefde maar in d’r vingers te knippen of ze lieten alles lopen. Alsof ze op een plaatje van de juf aasden – ‘t vertrouwen droop hen uit de poriën. Ja, dacht ik, zo kan ik het ook!

Omdat ik het dus niet zo kon. Als Argwaner word je namelijk gekenmerkt door een diepgeworteld wantrouwen in verwerking en een buitensporige weerzin tegen voelen-op-commando. Met reden. Als je je jaren staande heb weten te houden met je eigen gemankeerde survival tools, ga je die echt niet even inruilen voor een nieuwe setje emotionele dopsleutels. En als ‘kwetsbaar opstellen’ ooit betekende ‘klappen incasseren’, dan ben je ook niet happig op een potje janken. Kortom, mijn cowboylaarshakken gingen zo diep mogelijk het zand van de arena in. Dat ik toch doorzette kwam door de groepsdynamiek. Die vond ik uitgesproken louterend. Je kunt meeleven met andermans verdriet of andermans bullshit ontzenuwen en vice versa. Een emotionele hogedrukpan, dat is het. Daarbij heeft de therapeut in zo’n setting minder macht en krijgt de waarheid meer kans, hoe goed verstopt soms ook.

Zo was er een groepslid dat ik wantrouwde. Niet omdat ze zo prat ging op haar burgermansbestaan, maar omdat ze zo godvergeten therapiefähig was. Vooral als ze emotioneel werk ging doen, zoals die middag dat ze haar grote trauma zou verwerken: aanranding door opa. Nou ja, aanranding, opa had haar tiet aangeraakt. Maar zo vertelde ze het niet. Ze vertelde het met Drama, Timing en Grote Emoties. Hoe vreselijk dit alles voor haar geweest was! Hoezeer het haar beschadigd had! Die vieze vuile smerige ouwe opa! Alsof ze auditie deed voor de kleinkunstacademie, zo dik aangezet klonk het. Enfin, opa symbolisch afgeranseld met de mattenklopper en de doos tissues kon weer vol gesnoten worden.

Na afloop van haar indrukwekkende performance mochten we zeggen hoe indrukwekkend we haar performance gevonden hadden. Dat deed iedereen braaf. Behalve ik. Geen compliment kon ik mijn strot uit krijgen. Een drama queen, dat vond ik haar. Zo bracht ik dat natuurlijk niet. Ik zei dat ik niets gevoeld had bij haar verhaal. Dat ik het wel geloofde, maar niet dat zij zo geleden had onder haar grabbelende opa. Dat het haar vooral om de aandacht te doen was. En dat die emotionele omweg haar werkelijke probleem was.

Dat was even slikken. Voor mij dan, want een pijnlijke stilte viel me ten deel. Ik zette me schrap voor de shit storm. Niets van dat al. Na een lange minuut schaarden de anderen zich schoorvoetend achter me. Tot ook de therapeute niet kon achterblijven en de fähige dame confronteerde met onze scepsis. Ze reageerde niet kwaad. Zette het evenmin op een blèren. Het leek wel alsof ze opgelucht was. Behaagziek-af. Hoe dan ook, een maand later was ze vertrokken. Omdat ze niets meer bij ons te zoeken had, zei ze. Maar dat wisten we al.

Soit. Laat ik mezelf niet stoerder maken dan ik ben. Iedereen heeft zo zijn opa’s – als ik iets geleerd heb in therapie is dat het wel: vier jaar heeft het me gekost om de groep achter me te laten, vier jaar om te roeien met de theelepeltjes die ik daar heb leren buigen, als een tweederangs Uri Geller. Maar met de mattenklopper zult u mij niet snel bezig zien. Niet nofig: de venijnige aanslag waarmee ik stukjes over mijn jeugd type druipt al van de verwerking. Hoe vreselijk alles was!

Groepstherapie
De groep in haar laatste jaar, zonder fähige dame en zonder therapeute, met ondergetekende op creatieve afstand achter de camera. Allemaal met de mattenklopper!

Op de stoep

Ik doe er niet meer aan. Geen zin meer in. Zal wel iets te maken hebben met ouder worden. Of workaholic zijn. Of armoezaaier. Of gewoon een zeikerd. Maar vakantie, ik vind het zonde van mijn tijd. Het voelt loos zonder kinders. En hels mét, want dan veroordeeld tot tropisch chloorparadijs (weet ik als ex-neppapa). Laat mij maar doortypen in mijn doortochtflatje.

Neemt niet weg dat ook ik wel eens overvallen wordt door vakantiekriebels. Dat gevoel van avontuur. Van vroeger. Toen mijn moeder, alvorens we naar een subtropisch oord afreisden, steevast een dia van het gezin-in-de-startblokken schoot. Naast de topzware auto die in iedere rechterbocht op twee linkerwielen balanceerde. En natuurlijk mét oma die de onvermijdelijke moordlust op de achterbank moest smoren met smeltende ijsjes. Zo’n opmaat deed de vakantie al bijna verbleken.

Als ik nu weer de kriebels krijg ga ik naar Marktplaats. Op zoek naar een zoveelstehands Suzuki Carry. U weet wel, zo’n dwergbusje. In mijn fantasie bouw ik die dan om tot knusse budgetcamper. Niet dat ie daar geschikt voor is. Een Carry is zó licht dat ie bij windkracht 2 de berm inwaait, zó kort dat je er gehurkt in moet slapen en zó impotent dat ie onderaan de Ardennen al olie gaat zweten. Daarbij ben ik veel te verstandig om nieuwe vaste lasten aan te schaffen die bovendien onder mijn kont wegroesten. Kleine kans dus dat u hier van de zomer een dia treft van Carry & mij, glunderend in de startblokken richting Middellandse Zee. Jammer, want imaginaire selfies zijn het meest avontuurlijk.

Het voorspel
Het gezin plus oma, klaar voor Expédition Méditerranée 1962-1968

En zijn dodelijke paraplu

250 dollar kost ie. De telescopische paraplu waar ik op geil. Twee-honderd-en-vijftig. Waarom, zult u vragen, wil iemand in godsnaam zó veel geld uitgeven aan een stomme plu? Is ie gemaakt van een bedreigde diersoort? Had JFK hem achterin zijn cabrio liggen? Kun je ermee vliegen?

Nee. Het is een wapen. Een knuppel. Gemaakt van hoogwaardige kunststof en onbuigbaar aluminium. Als je hem – met een klap – uitschuift kun je er een buslading hooligans mee doodmeppen. Ik wil hem meenemen tijdens mijn dagelijkse wandelingen, nonchalant onder de arm. Dan voel ik mij even Kwai Chang Caine uit de filosofische knokserie Kung Fu. Met plu dan. Want vechten met de vuist, da’s niet echt mijn forte.

Het lastige met een even trotse als schijterige persoonlijkheid is dat het er maar niet van komt. Nou ja, ik héb wel eens gevochten, maar te weinig om te kunnen rijpen tot martial arts mepper. Dat ik toch denk ‘het’ in me te hebben, dat killer-instinct, komt door mijn belangrijkste wapenfeit: een vechtpartij met een politie-agent.

We schrijven 1979. Naar een concert van Normaal waren we geweest, ergens in Vlaardingen. Maat Rick, paartje Bert & Ella en ik. Dronken geworden natuurlijk. Omdat de BOB nog niet was uitgevonden kroop Rick al boerend achter het stuur. Het regende pijpenstelen richting Rotterdam, maar dat weerhield hem er niet van eens lekker te gassen met de Mini van zijn moeder. We genoten van Ricks stuurmanskunsten. Dat was pas høken! Tot Rick de bocht iets te wijd nam. De Mini in een slip raakte. Een paar keer om zijn as tolde. En met een ruk tot stilstand kwam – 10 cm van een lantaarnpaal.

Geen krasje hadden we. Rick liet een trotse boer. Wij zuchtten van verlichting. Maar onze opluchting was van korte duur. Ricks capriolen hadden namelijk de aandacht getrokken van een C10, zo’n monstrueuze politie-Chevrolet. Of we even uit wilden stappen, vroegen de agenten met opgetrokken wenkbrauw. Rick helemaal in de stress. Hij begon een onsamenhangend verhaal af te steken over een loszittende motor, waarop de agenten hem inrekenden. Mee naar bureau Schiedam!

Daar stonden we dan. Zonder chauffeur. Zonder autosleuteltje. In de gietregen. Natuurlijk wilden we solidair zijn met Rick. Dus liepen we de tig kilometer naar het bureau. Eenmaal aangekomen mochten we niet naar binnen. Opgefokt door zoveel onrecht – of was het ‘t Vlaardingse bier? – gingen we buiten demonstratief voor het pand zitten. Ella nam zelfs plaats in het raamkozijn, tot er een agent naar buiten kwam om haar er hardhandig af te trekken. Had ie niet moeten doen. Bert, een langharige Dolph Lundgren met kwade dronk, pakte de agent bij de lurven en sodemieterde hem in de rododendrons. Op dat moment weerklonken de gierende bandjes van wel zes gealarmeerde politie-Dafjes, waaruit wel twaalf agentjes sprongen. Die allen op Bert begonnen in te beuken.

Ella in paniek. Ik aarzelend. Verlamd. Bang. Tot ik de geruststellende stem van Kwai Chang Caine in mijn hoofd hoorde. ‘When you can walk the rice paper without tearing it, your footsteps will not be heard,’ zei hij. Helemaal vatten deed ik ‘t niet, maar dat dit de lakmoesproef van mijn manhood zou zijn was me duidelijk. Ik stortte me op de agentenkluwe en hief mijn mokervuist om dood & verderf te zaaien. Daarop draaide een van de dienders zich om, met verbeten grimas en ontbrekende voortand – wat ik opmerkelijk vond voor iemand in een publieke functie. Hij gaf me een dreun, zo hard dat het licht even uitging. Volgende moment werd ik hevig bloedend aan mijn haren het bureau in gesleurd en een cel in gegooid. ‘We dienen een aanklacht in!’ hoorde ik brother-in-arms Bert roepen. Greenpeacers zonder walvissen, zo voelden we ons.

Lang hebben ze ons niet kunnen vasthouden. De veldwachters voelden zelf ook wel nattigheid, na zo’n gewelddadige reactie. Dus een paar uur later waren we alweer thuis, een paar dagen later zaten in de kroeg stoere verhalen af te steken. Maar Bert had er wel een paar blauwgeschopte kloten aan overgehouden. Als er toen een Facebook was geweest, hadden we speciaal voor zijn ballen een pagina ingericht. Was hartstikke viraal gegaan.

Tot zover mijn war story. Ik ga nu even spazieren langs de kade, voorlopig nog met mijn slappe Hemaplu. Mocht ik aangesproken worden door een straatterrorist die me zogenaamd de weg wil vragen, dan zal ik hem even laten voelen wat die Schiedamse agent bijna gevoeld heeft. Kwai Chang Rein – de man die tanden uitslaat nog vóór hij heeft uitgehaald.

Kwai Chang Hannik
Voor de oplettende kijkertjes: op het middelste plaatje ziet u hoe de pluu-karateka in één klap een meloen doormidden hakt. Ook handig in de keuken dus.

En de zoon van de dokter

‘Geef terug die bal!!’ riep ik met overslaande stem naar de straatjongens op het Heemraadsplein. Geen reactie. ‘Weet je wel wie ik ben?’ vervolgde ik. ‘Ik ben de zoon van de DOKTER!!’ In een deuk lagen ze. De code der asfaltjungle had ik nog niet helemaal in de vingers, zoveel was me duidelijk. Logisch als je bijna nooit buiten speelt (moeder: ‘dan word je DOODgereden!); stoer worden heeft nu eenmaal een pittige leercurve. Dus daar stond ik dan, Kaspar Hausertje met sterallures. In elkaar geslagen werd ik nog net niet, maar naar mijn bal kon ik fluiten.

Hoe ridicuul die kapsones ook, uit de lucht komen vallen deden ze ook niet. Want als artsengezin voelden we ons vaak ‘anders’ dan de patiënten, die zo deemoedig en dankbaar tegen mijn vader deden, alsof hij een notabele was, een weledelgeleerd persoon! Had ik dan geen recht op wat stardust, als zoon zijnde? Of in ieder geval op mijn voetbal?

Weledelgeleerd of niet, bekakt waren we thuis allerminst. Dat hoorde niet bij de familie. En al helemaal niet bij de Heemraadssingel. Die zag er weliswaar statig uit met haar reumatische treurwilgen en krakende herenhuizen, ze lag gewoon in het Oude Westen. Bekakte mensen, die woonden in Kralingen! In kasten van huizen met overwoekerde tuinen en fossiele Volvo’s voor de deur! Op hun geld zaten ze daar, die ouwe rijken.

Kralingse jongens kwam ik voor het eerst tegen op de lagere school. Zij waren ook anders, maar anders anders dan ik was. Ze praatten met Eigenheimer in de keel, gooiden hun lok achterover als ze hun gelijk wilden halen en droegen beige ribbroeken of zelfs knickerbockers. Angst voor de meester kenden ze niet, minachting voor underdogs zeker wel. Een ‘sense of entitlement’ straalden ze uit, een zelfgenoegzaamheid die hen later van carrière zou verzekeren. Ik meed hen instinctief.

In de zomer was er echter geen ontkomen aan. We waren namelijk lid geworden van het Kralingsch Zwembad. Dit natuurbad was een bolwerk van ol’ boys met hectaren aan speelweide waar je lekker kon voetballen met ome Rudie Lubbers. Hoe mijn weledelgeleerde maar toch buitengewoon gewone en vooral onKralingse vader ons door de even strenge als enigmatische ballotage had weten te loodsen, Joost mag het weten. Vermoedelijk een K.O. op charme. Voetballen met der Rudi deed ie in ieder geval niet.

Klinkt dat ‘Kralingsch Zwembad’ très chic, ‘t was een van de meest onherbergzame plekken van Rotterdam. Berucht vanwege haar hoge eczeemgehalte, splinterplanken, windgevoeligheid en slootwater vol poepende vissen. Om maar niet te spreken van de watertemperatuur; aan verwarming deed men niet (hadden ze in de Hongerwinter ook niet!), dus werd het zwemlesseizoen geopend zodra het kwik ontdooid was.

Daar stond ik dan, langs de waterkant, klappertandend met knikkende knietjes, een Fremdkörper tussen de blonde lokken, wachtend op mijn beurt om het ijswater in te springen, de zwemleshaak van de juf te grijpen en bij iedere beweging gecorrigeerd te worden in dat gruwelijk geaffecteerde accent, snakkend naar een ouder met een handdoek of een vriendje met een voetbal. Zwemmen hebben ze me er niet kunnen leren. Mijn maiden voyage zou ik jaren later beleven, in een ordinair kustplaatsje, zonder ol’ boys, zonder haak, maar met warm water en een geduldige oma.

Het Kralingen van toen bestaat niet meer. Of misschien nog een beetje. Oude rijken zijn nu eenmaal moeilijk dood te krijgen. Maar hun vesting van gebakken lucht wordt dagelijks belaagd door nieuwe rijken en medelanders met schotels. Dan zit ik toch liever in mijn illusieloze prachtwijk te U., uitgerust met een heus sportpark. Een potje meevoetballen is nog een brug te ver, want toen ik er laatst langs wandelde en er een bal over het hek werd geschopt nam ik – uit gêne – niet de moeite om hem even terug te gooien, maar maakte ik me uit de voeten, snelwandelend, verwensingen van de voetballers parerend met een ‘Weet je wel wie ik ben? Ik ben de zoon van de DOKTER!!’

Het Kralingsch Zwembad
Helemaal zeker weten doe ik het niet, maar de lichaamstaal van het vierde knulletje van links op de bank komt me verdacht bekend voor. Let op de lange overjassen en het zwart-kolkende ijswater…

Op zoek naar haarballen

Vooruit. Voor de eerste en de laatste keer op Facebook: een kattenfoto uit mijn (vorige?) leven. Ongelogen en ongeshopt, geschoten ergens in ‘84 of ’85 op de Spiegelnisserkade te Crooswijk. Naast mij - en mijn haardos - vriendin Petra, op schoot kitten Igor, zoon van poes Stalin en een straatkater die anoniem wenst te blijven. Dit is dan ook vooral een verhaal over stiefvaderschap.

Stalin woonde een jaar bij mij in voordat ze zwanger werd. Ik was erg op haar gesteld, al beantwoordde ze mijn genegenheid doorgaans met geringschattende blikken. Op een dag was ze de hort op, slechts een paar uur. Meer had ze niet nodig om de ware liefde te vinden én deze te consumeren, zo bleek enkele weken later toen ze onverklaarbaar dik werd.

De dierenarts luisterde aandachtig door zijn stethoscoop. Daarna nog een keer. Schraapte toen de keel, legde een hand op mijn schouder en bracht me het grote nieuws. Vijf emotionele minuten later vroeg hij me of ik hem alsjeblieft weer los wilde laten.

Goede voornemens ten spijt vond de bevalling plaats terwijl ik een gemene kater lag uit te slapen. Mijn coma werd gepenetreerd door schril gepiep dat ik aanvankelijk toedichtte aan hanggevogelte op mijn balkon, tot ik opstond om ze het vederpak vol te schelden en bijna in een poezennest trapte. Het wonder was geschied.

Drie gezonde kittens had Stalin gebaard. Een vierde-met-navelbreuk stierf een kwartier later in mijn handen, stuiptrekkend en leegbloedend. Half verlamd had ik zijn doodsstrijd aanschouwd, tot ergernis van mijzelf, want een beetje vent had ‘em direct de nek omgedraaid. (Ben een muts als het om dierenleed gaat, maar moet je me eens met mensen zien!)

Toen de katjes oud genoeg waren om het zonder moeder te stellen heb ik ze ondergebracht bij mijn ‘exen, als Wiedergutmachung. Verguld dat ze waren van dit nieuwe leven! Althans, dat hoopte ik nadat ik de manden bij hen op de stoep had geplaatst, aan de bel had getrokken en weg was gerend. Jaren later vernam ik dat Igor bij ‘ex Claudia furore had gemaakt als meeuwenkiller, alwaar hij zijn prooi even consequent als tevergeefs dwars in de bek door het kattenluikje probeerde te persen, keer op keer op keer op keer opnieuw. Net z'n stiefvader.

Veel plezier heb ik gehad van de katten. Toch was ik blij toen ze uitgevlogen waren, zoals je opgelucht kunt zijn wanneer een relatie op de klippen loopt. Daarbij kampte ik met een gemene shell shock; iedere keer als ik vogels hoorde fluiten zag ik de navelbreuk weer voor me, in slow motion, met gruwelijke details. Mijn therapeut zei me dat ik moest healen. Met nieuwe haarballen.

Dus, na decennia zonder stofzuigen ben ik weer op zoek naar een iets pluizigs. Geen katten, wel iets dat niet uitgelaten of de nek omgedraaid hoeft te worden. Een combi van fretten en dwergkonijntjes? U gaat het meemaken, want zo’n Natuurlijk Evenwicht schreeuwt om een dia-avond op Facebook, een baken van carnivorische integriteit in de maelstroom van poezenp*rno

Catman
Drie haarballen

Van de sneak

Sinds jaar en dag ga ik op dinsdagavond met mijn filmvrienden naar de sneak. Die voorstelling is nooit uitverkocht, maar voor de zekerheid gaan we altijd vooraan zitten, daar waar het rustig is. Liever kramp in de nek dan popcornkauwende whatsappers.

Die vrienden van mij zijn van ongeveer hetzelfde bouwjaar en dezelfde coiffeur. Denk dus drie ouwe kale lullen op een rij. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat de rest van de sneakers ons voor gay verslijt, een trio homonique dat zo ver naar voren gaat zitten om elkander te betasten. Dat eerste zou ik eigenlijk helemaal niet erg moeten vinden, maar doe ik toch. Komt vast doordat ik als puber zo androgyn oogde, maar vooral omdat ik nu dozijnen aan flirts met spannende sneakbabes misloop, suggestieve knipogen die me anders wél ten deel waren gevallen.

Om ons stigma enigszins te compenseren loop ik zo heteroseksueel mogelijk naar onze plek toe. Vierdaagsepassen, man-van-de-wereld tred en militaire focus (geen kinnesinne gezien de boobytraps van colaflesjes en limonadeplassen). Verder zorg ik ervoor dat niemand mij tijdens dramatische scènes m’n zakdoek ziet trekken, wat toch regelmatig voorkomt gezien mijn sentimentele natuur. Alles om Mr. Cool te lijken.

Probleem met zo’n homofobie is dat je er ook mee kampt als je hem niet nodig hebt. Als ik bijvoorbeeld in mijn eentje naar de bios ga. Gedrild door de sneakroutine geef ik mijn schouderpartij dan een gettoschwung mee en houd ik mijn armen dusdanig dat er twee six packs Buds onder geklemd zouden kunnen zitten. Boeren is nog een brug te ver.

Ook die avond in het filmhuis maakte ik mijn entree zo masculien mogelijk. Ik had gekozen voor een Argentijns drama, omdat de machocultuur aldaar me bijzonder heteroseksueel leek. Ik plofte neer in het midden van de voorste rij, die verder leeg was, net als de vijf rijen erachter dat waren. Daar weer achter zaten tientallen paartjes, samengeklonterd als scherpschutterduo's.

Paartjes zijn gek op Argentijnse drama’s want hartstochtelijk liefde, sensuele tango en – met een beetje mazzel – politieke gevangenen. Al snel echter bleek dit Argentijnse drama niet te gaan over een hartstochtelijke liefde. Of over tango. Zelfs niet over fascisten. Maar over een kalende man (net als ik) van middelbare leeftijd (net als ik) die een veertienjarig meisje onzedelijk betast (niet net als ik). Dat betasten begon al na een kwartier. En duurde de godganse film door. Een knalrode kop kreeg ik ervan.

Om zo min mogelijk op te vallen zakte ik zo diep mogelijk weg in mijn fauteuil. Waarop de airco vanonder het doek richting mijn kruis begon te blazen. IJskoud was de lucht. Om niet te vernikkelen deed ik mijn sjaal om. Toen mijn petje op. Vervolgens propte ik mijn sweater in mijn broek. En uiteindelijk legde ik mijn jas over mijn schoot – inderdaad, als een ouderwetse pornobiosrukker.

Achter me werd gelachen. En bij Argentijnse drama's valt verdomd weinig te lachen, zeker als ze gaan over middelbare pedotasters. Omkijken durfde ik niet meer, laat staan daarbij ontkennend mijn hoofd schudden. Bevroren heb ik de rest van de film uitgezeten, mijn armen quasi nonchalant in mijn nek gevouwen, als teken van ‘handen boven de lakens’.

Nog vóór de aftiteling over het doek begon te druipen snelde ik de zaal uit, mijn jas om mijn middel geknoopt, mijn neus in een gratis krantje om identificatie te voorkomen, licht wiegend met de heupen, biddend dat ik deze ene keer voor een gezonde Hollandsche homo versleten zou worden. Mr. Cool has left the building.

De pedofoob
Waar is een 3D-bril als je hem nodig hebt!

En de klompendans

‘En, wat wordt later jouw sterfbedspijt?’ Het is een vraag die ik graag stel aan onbekenden, op een feestje, om het ijs te breken. Mijn prooien lachen dan ongemakkelijk, wringen zich in bochten om een sociaal wenselijk antwoord te verzinnen.

Maar als ik de vraag aan mezelf stel dringen er zich evenzeer leugens op. ‘Had ik maar meer geschreven!’, ‘Had ik maar meer lol gemaakt!’, of het meer specifieke ‘Was ik die donderdagnamiddag van 18 juni 1987 maar vreemdgegaan met Louise W.!’

Het juiste antwoord is eerlijker – want simpeler: ‘Had ik maar meer uit mijn neus gevroten’. Lummelen in de zon, niets van jezelf hoeven (vooral niet genieten!), even pas op de plaats maken tijdens onze klompendans der ijdelheden, het is de enige uitdaging waar de ziel incarnaties tekort voor komt.

De laagvlieger
Marina di Ravenna, 1964