blog titels

Blog

Op Zuid

Vrijdag had ik een reünie, mijn eerste in 33 jaar. Natuurlijk niet van school, Nijenrode of de roeivereniging. Maar van stamkroeg De Kroonkurk op de hoek van de Doklaan in Zuid. Een café where everybody knew my name. Er kwam van alles. Van loodgieter tot huisjesmelker, van scholier tot Shell-bobo. Spil waren de vreselijk ad remme barman Jan en zijn vrouw Door die de lekkerste bruine ballen van Rotterdam bakte. Toen bleek dat mijn vader hun zoon ter wereld had helpen brengen, kreeg ik prompt de status van kroegmascotte. Ik hing er aan de toog alsof ik mijn thuis had gevonden.

De Kroonkurk dankte zijn naam aan de duizenden bierdoppen die tegen de wanden waren getimmerd en samen een indrukwekkende wandschildering vormden. Een uniek aangezicht, vooral omdat de kroonkurken zo bruingerookt waren dat niet duidelijk was wat het tafereel voorstelde. De haven? Het vagevuur? Attila in de Alpen? Een Rorschachtest, zeker met spiritualiën achter de kiezen. Daarbij drong zich de vraag op of de makers de doppen eerst één voor één beschilderd hadden en onder de sigarettenrook hadden geblazen, en daarna pas tegen de wand hadden getimmerd als een enorme nicotineuze Jumbo-puzzle, of dat zij zich er met een Jantje van Leiden vanaf hadden gemaakt en pas achteraf zijn gaan wandschilderen/kettingroken. Kortom, een omgeving die aanzette tot doordenken.

In ’81 werd de Kroonkurk platgewalst door de Vooruitgang. Barman Jan ging op de Beurs werken, vrouw Door bakte haar ballen voortaan alleen nog bruin voor Jan. En wij zijn allen uitgevlogen. Om kaler, dikker en grijzer te worden, zo bleek tijdens de reünie. Goddank had niemand carrière gemaakt en lachten & ouwehoerden we met eenzelfde overgave als we toen deden. Sterker nog: als je je ogen toekneep leek het alsof we die 33 jaar gewoon aan de bar waren blijven hangen. Een even huiveringwekkende als geruststellende gedachte.

Naam Foto
De Kroonkurk in 1951 met onbekende oerbarman.

Striplezende commando's

Raymond & Rein. BFF’s in een tijd dat dat nog helemaal niet bestond. Toegegeven, op die leeftijd was er ook weinig voor nodig. Na school kwam Raymond bij mij een stripboek lezen en als hij het uit had ging ie weer naar huis. In geen eeuwen heb ik hem gezien, maar wat is een eeuw in het licht der eeuwigheid.

Voor volwassenen liggen de Best Friends Forever niet voor het oprapen. Dat komt door een banale natuurwet die stelt dat de kwaliteit van een vriendschap niet bepaald wordt door romantische factoren als daadkracht, betrouwbaarheid of zorgzaamheid. Maar door duur. Hoe langer de vriendschap, hoe sterker de band. Even logisch als onrechtvaardig.

Bij een jeugdvriendschap is de kans namelijk ‘t grootst dat die persoon jou iets ontzettend genants heeft zien doen. Wulps dansen met een open gulp op een schoolfeestje of een fles vieux uitbraken over een Franse expat. Alleen een schoolmaat of een studievriend weet hoe erg je bent. En houdt dat voor zich. Zo’n omerta schept een band. Daarom koester ik mijn vergeelde contacten, terwijl ik me eigenlijk heel andere BFF’s had gewenst. Vrienden die daadkrachtig, betrouwbaar en zorgzaam zijn. Army buddy’s bijvoorbeeld.

Jammer genoeg stam ik uit 1959. Een bouwjaar dat ‘buitengewoon dienstplichtig’ was. Ik hoefde niet in dienst, terwijl ik eigenlijk commando had willen worden. Ik zag het al helemaal voor me: dat boot camp had een vent van me gemaakt, mijn medesoldaten zouden mijn broeders worden. Ons peloton gedropt achter de linies, omsingeld door Vietcong, weggedoken in een loopgraaf, granaatscherven voor elkaar opvangend, elkaars afgeschoten ledematen verbindend, voor elkaar doodbloedend. Kameraden voor het leven!

Maar BFF’s heb je niet voor het kiezen. Die heb je al gekozen. Onbewust. Ooit. De BFF-wet is dan ook vooral onrechtvaardig naar nieuwe vrienden toe. Kanjers die door je ballotage zijn gekomen en alle recht hebben op je Best Friends Foreverschap. Maar die jou nooit echt zullen leren kennen. En om nou samen te gaan survivallen in de Ardennen opdat je over 40 jaar traumatische paintball-momenten kan delen boven de bbq, dat voelt toch wat krampachtig.

Ik moet het dus van Facebook hebben. Nieuwe vrienden-van-vroeger, die weten hoe erg ik ben en tóch met me willen survivallen. Liever echter krijg ik een vriendschapsverzoek van Raymond. Als hij niet moeilijk doet over onze 45 jaar durende radiostilte en gezellig een stripboek bij me komt lezen, dan is dat forever. Ware vriendschap, ‘t is toch vooral een kwestie van uitzitten.

Best Friends Forever
Een eeuwigheid geleden

Zonder violen

Ik had het nog niet eerder gedaan. Niet bij de eerste date tenminste. Zo’n ontmoeting biedt toch weinig ruimte voor emotie. Je hele wezen is ingesteld op inschatten en oordelen. Is ze aantrekkelijk? Sexy? Slim? Hartelijk? Loopt ze als een gazelle of als een polderknol? Heeft ze Wella-lokken of zit ze met een anus prenaturalis? En de belangrijkste: is ze grappig? Een krater van ballotage is zo’n date, een flirtvermorzelaar.

Opvallend genoeg waren S. en ik al snel klaar met dat inschatten. Misschien omdat we niet smoor waren. We troffen iets anders, iets wat ons minstens zo dierbaar was: geestverwantschap. S. bleek net zo’n creatief monster als ondergetekende. Ze ontwierp decors voor theater & opera, sober en dwingend, subtiel en megalomaan. En was gek op mijn verhalen. Als het brein de grootste erogene zone van de mens is, dan hadden we een stampende gangbang, die zondagmiddag in dat tuttige café. Feest der herkenning!

Toch was dat niet waarom ik de zakdoek moest trekken. Dat kwam door het verhaal over haar man. Haar dode man. Overleden aan een hersentumor. S. vertelde hoe het was om te leven met iemand die muteerde als gevolg van zo’n gezwel. Hoe hij opblies door het medicijngebruik. Achterdochtig werd. Verwijtend. Naar woorden zoekend. Krankzinnig. Hoe zij zich schuldig ging voelen toen ze hem dood begon te wensen. Hoe hij na een jaar weer bij zinnen kwam. Zijn eigen begrafenis regelde, maar het niet kon opbrengen afscheid te nemen van zijn dochtertjes. En uiteindelijk de gifbeker leegdronk, in één teug, een ijzig “Ad fundum!” toevoegend. Hoe zij een week later nog katatonisch was.

Geen traan heeft S. bij haar verhaal gelaten. Ze vertelde het feitelijk, zonder sentiment. Spaarde zichzelf noch haar grote liefde. Koel als in cool. Ik niet. Ik zat te trillen op mijn stoel, de tranen onbeheersbaar over mijn smoel meanderend. Deed geen moeite me goed te houden of te excuseren. Luisterde slechts. Begreep opeens waarom overlevenden vaak zo weinig emotie tonen. Omdat waar verdriet geen violen verdraagt.

Dat onze relatie geen eeuwig leven beschoren was, wisten we eigenlijk al bij die eerste date. Zij een druk gezin plus workaholische persoonlijkheid, ik een druktemijder met dito focus, en nog eens 100 kilometer NS-ellende tussen ons. En eerlijk is eerlijk, soms misten we het smoorzijn. Maar de mooiste zondagochtenden van mijn leven heb ik met haar doorgebracht, dagdromend over het alles, schaterend om het niets. Dus als ik me nu weer eens eenzaam voel of bij de pakken neerzit, dan denk ik aan die man die de kloten had om de beker leeg te drinken. En schrijf ik door, alsof het ’t laatste is wat op ik op deze aardkloot zal doen.

Ad fundum
Een decor van S., vereeuwigd door Ben van Duin

Van Toomler

Vroeger was ik de leukste thuis. Dat was hard nodig, want het was verworden tot een klein Oost-Duitsland; een vacuüm van achterdocht en verwijten met puber Rein bungelend onderaan de food chain - zelfs de haarbalbrakende Pekinezen voelden zich meer geliefd. Enige troef die ik voorhanden had was mijn humor. Dead pan grapjes waarmee ik de overige gezinsleden liet bulderen tot hun chagrijn vervlogen was als het gifgas in een loopgraaf. Clown in een brandend circus, dat was ik.

Op de middelbare school ontdekte ik dat humor sexy kon zijn - ongeacht het aantal jeugdpuistjes. Sterker nog, als ik meiden aan het lachen maakte kon ik orgasmische boventonen in hun schaters ontwaren, lang voordat ik wist hoe een vagina in elkaar stak. Later, in mijn lost years, kwam dit charmeoffensief vooral op stoom met een slok op. Daar stond ik, supersexy hangend aan de bar, een spervuur van zwarte grapjes fulminerend. Een stand-up comedian, dat was ik! Eindelijk ambitie!

Helaas was stand-up toentertijd een nagenoeg onbekend fenomeen in Nederland. Ik moest mijn toevlucht zoeken tot elpee’s van Lenny Bruce en Richard Pryor, lastig te verstaan en nog moeilijker te begrijpen. Pas in de jaren ‘90 kwam de Comedy Train op gang. Die had de lat wel erg laag liggen. Hun materiaal was op het behaagzieke af, wat de komieken bij voorbaat tot panelleden van televisiespelletjes degradeerde. Dan was ik toch wel een pro, al had ik nooit een poot op hun podium gezet.

Ter inspiratie ging ik op werkvakantie naar New York, bakermat van de observational comedy. Met open mond zat ik daar, op de voorste rij van de Comedy Cellar. Een dozijn comedians passeerde de revu. Paar erg goede, paar redelijke en een enkele eloquente zwerver. Zelfs de wino maakte meer indruk dan onze hele GrappenFyra tezaam. Ik werd getriggerd door de manier waarop ie een dialoog aanging met het publiek, een paartje uithoorde hoe zij elkaar die avond tot orale seks zouden verleiden. Sarcastisch was ie niet, ondermijnend wel, zinderend en vooral tergend grappig. Wilde ik ook!

Terug in Nederland begon ik koortsachtig aan mijn repertoire te werken. Oefende voor de spiegel, probeerde grappen uit op vriendinnen. Maanden deed ik over het perfectioneren van de details. Om black-outs te voorkomen maakte ik zelfs een spiekbriefje, dat ik zou presenteren als brutale gimmick. Lachen! Een paar dagen voor mijn veertigste verjaardag moest ik van mezelf voor de bijl. Ik schreef me in voor de auditieavond van de Comedy Train in Toomler, souterrain van Hilton. Nummer 11 was ik.

De tien kandidaten vóór me waren buitengewoon ongrappig. Vond ik, supersexy aan de bar hangend. Dan was ik toch wel een pro. Dus waarom voelde ik me dan zo opgefokt? En waarom merkte ik niets van mijn zevende glas wijn? En waarom had ik geen supporters meegenomen, zoals al die anderen hadden gedaan!

Toen ik aan de beurt was voelde ik me niet zo sexy meer. Evenmin een pro. Half verblind door de schijnwerpers klauterde ik het podiumpje op. Stelde me mompelend voor. Raffelde een grap af over plasserloze aliens. Er klonk gelach, maar het gaf me geen kick. Integendeel. Ik kneep in mijn spiekbriefje, half vergaan door het angstzweet. Keek naar het publiek. Naar hun gezelligheid, hun zorgeloosheid, hun samenzijn. Hoe hun bewegingen vertraagden, hun gelach verstomde alsof ondergedompeld in een vissenkom. Zweetdruppels glibberden van mijn voorhoofd om met doffe klappen op de plankenvloer uiteen te spatten. Oral sex, anyone?

Opeens wist ik het. Ik wilde dit niet. Ik wilde geen harlekijn zijn die kunstjes vertoonde. Geen nar die de familie liet bulderen. Ik wilde niet grappig zijn als dat van me verwacht werd. Na drie urendurende minuten stapte ik het podium af, een obligaat applausje van me af schuddend.

Terug aan de bar, nippend aan een Spaatje, verdoofd door de kater en gecastreerd door de desillusie keek ik toe hoe de volgende kandidaat het ervan af bracht. Zijn materiaal was beroerd. Geen scherpte, mind fucks of onverwachte wendingen. Toch werd er flink geklapt. Dat kwam door de manier waarop hij op het podium stond. Ontspannen. Lekker in zijn vel. Hij was zo iemand die er heel erg van zichzelf mag zijn. Een performer. Humor mag dan geworteld zijn in doodsangst & leed, het publiek wil dat helemaal niet weten. Het grauw wil iemand zien die zichzelf olijk vindt. Een ca-ba-re-tier. Een Lebbis & Jansen. Een anti-Rein.

Pijpenstelen regende het bij de bushalte. Ik stak een sigaret op waar ik geen trek in had, blies mijn laatste restje ambitie de abri in. Keek naar een reclame met mooie, gelukkige, succesvolle mensen. Zag mezelf staan. Dacht aan de grappen waar ik die avond niet aan was toegekomen. Stuk voor stuk scherpe mind fucks vol onverwachte wendingen. En toen gebeurde het. Er verscheen een glimlach op mijn smoel, die uitmondde in een big smile en ontspoorde in een luide schater waarin oplettende busreizigers orgasmische ondertonen konden ontwaren. En even, heel even, mocht ik er ontzettend zijn van mezelf, die donkerste avond van mijn leven.

De grappenmaker van Toomler
Hell awaits

En de mattenklopper

Nee, dit is geen klaverjasavond in de TBS-kliniek. Ook geen ledenvergadering van de Bond van Wetsovertreders. Dit is het therapiegroepje waarin ik jarenlang gebivakkeerd heb, halverwege de jaren negentig. Wisselde de groep van grootte en van samenstelling, ik bleek de meest hardnekkige stamgast.

De reden dat ik voor groepstherapie gekozen had was angst. Niet voor spinnen of tramconducteurs, maar voor groepstherapie. Groepsgewijs zielenknijpen leek me een stuk enger dan de individuele therapie waarin ik aanmodderde. En eng = goed. Dus hoppa. Alleen met lef verander je iets, was mijn gut feeling.

Toch waren het vooral mijn negatieve vooroordelen die bevestigd werden tijdens de eerste sessie. Godallemachtig, wat ging het er allemaal zoet en respectvol aan toe. Dat kwam door de therapeute, een zestigjarige Holocaustsurvivor met zwak voor zielige meisjes en de pik op mondige mannen. Doodgeërgerd heb ik me, aan haar politiek correcte cliché’s en dwingende manier van werken. Zo heftig was mijn weerzin dat ik me gelijk thuisvoelde.

Wat me verder opviel was dat de meeste mensen die aan groepstherapie doen helemaal geen therapie nodig hebben, terwijl de paar die het wél nodig hebben met de hakken in het zand gaan zitten. De Therapiefähigen versus de Argwaners zeg maar. De Fähigen stonden iedere keer weer te trappelen om emotioneel werk te doen. Of het nu ging om met een mattenklopper op een kussen (lees: foute papa) slaan, om heel hard huilen om heel diep leed (overleden hamster) of om innig huggen met een groepslid (dooie oma), de therapeute hoefde maar in d’r vingers te knippen of ze lieten alles lopen. Alsof ze op een plaatje van de juf aasden – ‘t vertrouwen droop hen uit de poriën. Ja, dacht ik, zo kan ik het ook!

Omdat ik het dus niet zo kon. Als Argwaner word je namelijk gekenmerkt door een diepgeworteld wantrouwen in verwerking en een buitensporige weerzin tegen voelen-op-commando. Met reden. Als je je jaren staande heb weten te houden met je eigen gemankeerde survival tools, ga je die echt niet even inruilen voor een nieuwe setje emotionele dopsleutels. En als ‘kwetsbaar opstellen’ ooit betekende ‘klappen incasseren’, dan ben je ook niet happig op een potje janken. Kortom, mijn cowboylaarshakken gingen zo diep mogelijk het zand van de arena in. Dat ik toch doorzette kwam door de groepsdynamiek. Die vond ik uitgesproken louterend. Je kunt meeleven met andermans verdriet of andermans bullshit ontzenuwen en vice versa. Een emotionele hogedrukpan, dat is het. Daarbij heeft de therapeut in zo’n setting minder macht en krijgt de waarheid meer kans, hoe goed verstopt soms ook.

Zo was er een groepslid dat ik wantrouwde. Niet omdat ze zo prat ging op haar burgermansbestaan, maar omdat ze zo godvergeten therapiefähig was. Vooral als ze emotioneel werk ging doen, zoals die middag dat ze haar grote trauma zou verwerken: aanranding door opa. Nou ja, aanranding, opa had haar tiet aangeraakt. Maar zo vertelde ze het niet. Ze vertelde het met Drama, Timing en Grote Emoties. Hoe vreselijk dit alles voor haar geweest was! Hoezeer het haar beschadigd had! Die vieze vuile smerige ouwe opa! Alsof ze auditie deed voor de kleinkunstacademie, zo dik aangezet klonk het. Enfin, opa symbolisch afgeranseld met de mattenklopper en de doos tissues kon weer vol gesnoten worden.

Na afloop van haar indrukwekkende performance mochten we zeggen hoe indrukwekkend we haar performance gevonden hadden. Dat deed iedereen braaf. Behalve ik. Geen compliment kon ik mijn strot uit krijgen. Een drama queen, dat vond ik haar. Zo bracht ik dat natuurlijk niet. Ik zei dat ik niets gevoeld had bij haar verhaal. Dat ik het wel geloofde, maar niet dat zij zo geleden had onder haar grabbelende opa. Dat het haar vooral om de aandacht te doen was. En dat die emotionele omweg haar werkelijke probleem was.

Dat was even slikken. Voor mij dan, want een pijnlijke stilte viel me ten deel. Ik zette me schrap voor de shit storm. Niets van dat al. Na een lange minuut schaarden de anderen zich schoorvoetend achter me. Tot ook de therapeute niet kon achterblijven en de fähige dame confronteerde met onze scepsis. Ze reageerde niet kwaad. Zette het evenmin op een blèren. Het leek wel alsof ze opgelucht was. Behaagziek-af. Hoe dan ook, een maand later was ze vertrokken. Omdat ze niets meer bij ons te zoeken had, zei ze. Maar dat wisten we al.

Soit. Laat ik mezelf niet stoerder maken dan ik ben. Iedereen heeft zo zijn opa’s – als ik iets geleerd heb in therapie is dat het wel: vier jaar heeft het me gekost om de groep achter me te laten, vier jaar om te roeien met de theelepeltjes die ik daar heb leren buigen, als een tweederangs Uri Geller. Maar met de mattenklopper zult u mij niet snel bezig zien. Niet nofig: de venijnige aanslag waarmee ik stukjes over mijn jeugd type druipt al van de verwerking. Hoe vreselijk alles was!

Groepstherapie
De groep in haar laatste jaar, zonder fähige dame en zonder therapeute, met ondergetekende op creatieve afstand achter de camera. Allemaal met de mattenklopper!

Op de stoep

Ik doe er niet meer aan. Geen zin meer in. Zal wel iets te maken hebben met ouder worden. Of workaholic zijn. Of armoezaaier. Of gewoon een zeikerd. Maar vakantie, ik vind het zonde van mijn tijd. Het voelt loos zonder kinders. En hels mét, want dan veroordeeld tot tropisch chloorparadijs (weet ik als ex-neppapa). Laat mij maar doortypen in mijn doortochtflatje.

Neemt niet weg dat ook ik wel eens overvallen wordt door vakantiekriebels. Dat gevoel van avontuur. Van vroeger. Toen mijn moeder, alvorens we naar een subtropisch oord afreisden, steevast een dia van het gezin-in-de-startblokken schoot. Naast de topzware auto die in iedere rechterbocht op twee linkerwielen balanceerde. En natuurlijk mét oma die de onvermijdelijke moordlust op de achterbank moest smoren met smeltende ijsjes. Zo’n opmaat deed de vakantie al bijna verbleken.

Als ik nu weer de kriebels krijg ga ik naar Marktplaats. Op zoek naar een zoveelstehands Suzuki Carry. U weet wel, zo’n dwergbusje. In mijn fantasie bouw ik die dan om tot knusse budgetcamper. Niet dat ie daar geschikt voor is. Een Carry is zó licht dat ie bij windkracht 2 de berm inwaait, zó kort dat je er gehurkt in moet slapen en zó impotent dat ie onderaan de Ardennen al olie gaat zweten. Daarbij ben ik veel te verstandig om nieuwe vaste lasten aan te schaffen die bovendien onder mijn kont wegroesten. Kleine kans dus dat u hier van de zomer een dia treft van Carry & mij, glunderend in de startblokken richting Middellandse Zee. Jammer, want imaginaire selfies zijn het meest avontuurlijk.

Het voorspel
Het gezin plus oma, klaar voor Expédition Méditerranée 1962-1968

En zijn dodelijke paraplu

250 dollar kost ie. De telescopische paraplu waar ik op geil. Twee-honderd-en-vijftig. Waarom, zult u vragen, wil iemand in godsnaam zó veel geld uitgeven aan een stomme plu? Is ie gemaakt van een bedreigde diersoort? Had JFK hem achterin zijn cabrio liggen? Kun je ermee vliegen?

Nee. Het is een wapen. Een knuppel. Gemaakt van hoogwaardige kunststof en onbuigbaar aluminium. Als je hem – met een klap – uitschuift kun je er een buslading hooligans mee doodmeppen. Ik wil hem meenemen tijdens mijn dagelijkse wandelingen, nonchalant onder de arm. Dan voel ik mij even Kwai Chang Caine uit de filosofische knokserie Kung Fu. Met plu dan. Want vechten met de vuist, da’s niet echt mijn forte.

Het lastige met een even trotse als schijterige persoonlijkheid is dat het er maar niet van komt. Nou ja, ik héb wel eens gevochten, maar te weinig om te kunnen rijpen tot martial arts mepper. Dat ik toch denk ‘het’ in me te hebben, dat killer-instinct, komt door mijn belangrijkste wapenfeit: een vechtpartij met een politie-agent.

We schrijven 1979. Naar een concert van Normaal waren we geweest, ergens in Vlaardingen. Maat Rick, paartje Bert & Ella en ik. Dronken geworden natuurlijk. Omdat de BOB nog niet was uitgevonden kroop Rick al boerend achter het stuur. Het regende pijpenstelen richting Rotterdam, maar dat weerhield hem er niet van eens lekker te gassen met de Mini van zijn moeder. We genoten van Ricks stuurmanskunsten. Dat was pas høken! Tot Rick de bocht iets te wijd nam. De Mini in een slip raakte. Een paar keer om zijn as tolde. En met een ruk tot stilstand kwam – 10 cm van een lantaarnpaal.

Geen krasje hadden we. Rick liet een trotse boer. Wij zuchtten van verlichting. Maar onze opluchting was van korte duur. Ricks capriolen hadden namelijk de aandacht getrokken van een C10, zo’n monstrueuze politie-Chevrolet. Of we even uit wilden stappen, vroegen de agenten met opgetrokken wenkbrauw. Rick helemaal in de stress. Hij begon een onsamenhangend verhaal af te steken over een loszittende motor, waarop de agenten hem inrekenden. Mee naar bureau Schiedam!

Daar stonden we dan. Zonder chauffeur. Zonder autosleuteltje. In de gietregen. Natuurlijk wilden we solidair zijn met Rick. Dus liepen we de tig kilometer naar het bureau. Eenmaal aangekomen mochten we niet naar binnen. Opgefokt door zoveel onrecht – of was het ‘t Vlaardingse bier? – gingen we buiten demonstratief voor het pand zitten. Ella nam zelfs plaats in het raamkozijn, tot er een agent naar buiten kwam om haar er hardhandig af te trekken. Had ie niet moeten doen. Bert, een langharige Dolph Lundgren met kwade dronk, pakte de agent bij de lurven en sodemieterde hem in de rododendrons. Op dat moment weerklonken de gierende bandjes van wel zes gealarmeerde politie-Dafjes, waaruit wel twaalf agentjes sprongen. Die allen op Bert begonnen in te beuken.

Ella in paniek. Ik aarzelend. Verlamd. Bang. Tot ik de geruststellende stem van Kwai Chang Caine in mijn hoofd hoorde. ‘When you can walk the rice paper without tearing it, your footsteps will not be heard,’ zei hij. Helemaal vatten deed ik ‘t niet, maar dat dit de lakmoesproef van mijn manhood zou zijn was me duidelijk. Ik stortte me op de agentenkluwe en hief mijn mokervuist om dood & verderf te zaaien. Daarop draaide een van de dienders zich om, met verbeten grimas en ontbrekende voortand – wat ik opmerkelijk vond voor iemand in een publieke functie. Hij gaf me een dreun, zo hard dat het licht even uitging. Volgende moment werd ik hevig bloedend aan mijn haren het bureau in gesleurd en een cel in gegooid. ‘We dienen een aanklacht in!’ hoorde ik brother-in-arms Bert roepen. Greenpeacers zonder walvissen, zo voelden we ons.

Lang hebben ze ons niet kunnen vasthouden. De veldwachters voelden zelf ook wel nattigheid, na zo’n gewelddadige reactie. Dus een paar uur later waren we alweer thuis, een paar dagen later zaten in de kroeg stoere verhalen af te steken. Maar Bert had er wel een paar blauwgeschopte kloten aan overgehouden. Als er toen een Facebook was geweest, hadden we speciaal voor zijn ballen een pagina ingericht. Was hartstikke viraal gegaan.

Tot zover mijn war story. Ik ga nu even spazieren langs de kade, voorlopig nog met mijn slappe Hemaplu. Mocht ik aangesproken worden door een straatterrorist die me zogenaamd de weg wil vragen, dan zal ik hem even laten voelen wat die Schiedamse agent bijna gevoeld heeft. Kwai Chang Rein – de man die tanden uitslaat nog vóór hij heeft uitgehaald.

Kwai Chang Hannik
Voor de oplettende kijkertjes: op het middelste plaatje ziet u hoe de pluu-karateka in één klap een meloen doormidden hakt. Ook handig in de keuken dus.

En de zoon van de dokter

‘Geef terug die bal!!’ riep ik met overslaande stem naar de straatjongens op het Heemraadsplein. Geen reactie. ‘Weet je wel wie ik ben?’ vervolgde ik. ‘Ik ben de zoon van de DOKTER!!’ In een deuk lagen ze. De code der asfaltjungle had ik nog niet helemaal in de vingers, zoveel was me duidelijk. Logisch als je bijna nooit buiten speelt (moeder: ‘dan word je DOODgereden!); stoer worden heeft nu eenmaal een pittige leercurve. Dus daar stond ik dan, Kaspar Hausertje met sterallures. In elkaar geslagen werd ik nog net niet, maar naar mijn bal kon ik fluiten.

Hoe ridicuul die kapsones ook, uit de lucht komen vallen deden ze ook niet. Want als artsengezin voelden we ons vaak ‘anders’ dan de patiënten, die zo deemoedig en dankbaar tegen mijn vader deden, alsof hij een notabele was, een weledelgeleerd persoon! Had ik dan geen recht op wat stardust, als zoon zijnde? Of in ieder geval op mijn voetbal?

Weledelgeleerd of niet, bekakt waren we thuis allerminst. Dat hoorde niet bij de familie. En al helemaal niet bij de Heemraadssingel. Die zag er weliswaar statig uit met haar reumatische treurwilgen en krakende herenhuizen, ze lag gewoon in het Oude Westen. Bekakte mensen, die woonden in Kralingen! In kasten van huizen met overwoekerde tuinen en fossiele Volvo’s voor de deur! Op hun geld zaten ze daar, die ouwe rijken.

Kralingse jongens kwam ik voor het eerst tegen op de lagere school. Zij waren ook anders, maar anders anders dan ik was. Ze praatten met Eigenheimer in de keel, gooiden hun lok achterover als ze hun gelijk wilden halen en droegen beige ribbroeken of zelfs knickerbockers. Angst voor de meester kenden ze niet, minachting voor underdogs zeker wel. Een ‘sense of entitlement’ straalden ze uit, een zelfgenoegzaamheid die hen later van carrière zou verzekeren. Ik meed hen instinctief.

In de zomer was er echter geen ontkomen aan. We waren namelijk lid geworden van het Kralingsch Zwembad. Dit natuurbad was een bolwerk van ol’ boys met hectaren aan speelweide waar je lekker kon voetballen met ome Rudie Lubbers. Hoe mijn weledelgeleerde maar toch buitengewoon gewone en vooral onKralingse vader ons door de even strenge als enigmatische ballotage had weten te loodsen, Joost mag het weten. Vermoedelijk een K.O. op charme. Voetballen met der Rudi deed ie in ieder geval niet.

Klinkt dat ‘Kralingsch Zwembad’ très chic, ‘t was een van de meest onherbergzame plekken van Rotterdam. Berucht vanwege haar hoge eczeemgehalte, splinterplanken, windgevoeligheid en slootwater vol poepende vissen. Om maar niet te spreken van de watertemperatuur; aan verwarming deed men niet (hadden ze in de Hongerwinter ook niet!), dus werd het zwemlesseizoen geopend zodra het kwik ontdooid was.

Daar stond ik dan, langs de waterkant, klappertandend met knikkende knietjes, een Fremdkörper tussen de blonde lokken, wachtend op mijn beurt om het ijswater in te springen, de zwemleshaak van de juf te grijpen en bij iedere beweging gecorrigeerd te worden in dat gruwelijk geaffecteerde accent, snakkend naar een ouder met een handdoek of een vriendje met een voetbal. Zwemmen hebben ze me er niet kunnen leren. Mijn maiden voyage zou ik jaren later beleven, in een ordinair kustplaatsje, zonder ol’ boys, zonder haak, maar met warm water en een geduldige oma.

Het Kralingen van toen bestaat niet meer. Of misschien nog een beetje. Oude rijken zijn nu eenmaal moeilijk dood te krijgen. Maar hun vesting van gebakken lucht wordt dagelijks belaagd door nieuwe rijken en medelanders met schotels. Dan zit ik toch liever in mijn illusieloze prachtwijk te U., uitgerust met een heus sportpark. Een potje meevoetballen is nog een brug te ver, want toen ik er laatst langs wandelde en er een bal over het hek werd geschopt nam ik – uit gêne – niet de moeite om hem even terug te gooien, maar maakte ik me uit de voeten, snelwandelend, verwensingen van de voetballers parerend met een ‘Weet je wel wie ik ben? Ik ben de zoon van de DOKTER!!’

Het Kralingsch Zwembad
Helemaal zeker weten doe ik het niet, maar de lichaamstaal van het vierde knulletje van links op de bank komt me verdacht bekend voor. Let op de lange overjassen en het zwart-kolkende ijswater…

Op zoek naar haarballen

Vooruit. Voor de eerste en de laatste keer op Facebook: een kattenfoto uit mijn (vorige?) leven. Ongelogen en ongeshopt, geschoten ergens in ‘84 of ’85 op de Spiegelnisserkade te Crooswijk. Naast mij - en mijn haardos - vriendin Petra, op schoot kitten Igor, zoon van poes Stalin en een straatkater die anoniem wenst te blijven. Dit is dan ook vooral een verhaal over stiefvaderschap.

Stalin woonde een jaar bij mij in voordat ze zwanger werd. Ik was erg op haar gesteld, al beantwoordde ze mijn genegenheid doorgaans met geringschattende blikken. Op een dag was ze de hort op, slechts een paar uur. Meer had ze niet nodig om de ware liefde te vinden én deze te consumeren, zo bleek enkele weken later toen ze onverklaarbaar dik werd.

De dierenarts luisterde aandachtig door zijn stethoscoop. Daarna nog een keer. Schraapte toen de keel, legde een hand op mijn schouder en bracht me het grote nieuws. Vijf emotionele minuten later vroeg hij me of ik hem alsjeblieft weer los wilde laten.

Goede voornemens ten spijt vond de bevalling plaats terwijl ik een gemene kater lag uit te slapen. Mijn coma werd gepenetreerd door schril gepiep dat ik aanvankelijk toedichtte aan hanggevogelte op mijn balkon, tot ik opstond om ze het vederpak vol te schelden en bijna in een poezennest trapte. Het wonder was geschied.

Drie gezonde kittens had Stalin gebaard. Een vierde-met-navelbreuk stierf een kwartier later in mijn handen, stuiptrekkend en leegbloedend. Half verlamd had ik zijn doodsstrijd aanschouwd, tot ergernis van mijzelf, want een beetje vent had ‘em direct de nek omgedraaid. (Ben een muts als het om dierenleed gaat, maar moet je me eens met mensen zien!)

Toen de katjes oud genoeg waren om het zonder moeder te stellen heb ik ze ondergebracht bij mijn ‘exen, als Wiedergutmachung. Verguld dat ze waren van dit nieuwe leven! Althans, dat hoopte ik nadat ik de manden bij hen op de stoep had geplaatst, aan de bel had getrokken en weg was gerend. Jaren later vernam ik dat Igor bij ‘ex Claudia furore had gemaakt als meeuwenkiller, alwaar hij zijn prooi even consequent als tevergeefs dwars in de bek door het kattenluikje probeerde te persen, keer op keer op keer op keer opnieuw. Net z'n stiefvader.

Veel plezier heb ik gehad van de katten. Toch was ik blij toen ze uitgevlogen waren, zoals je opgelucht kunt zijn wanneer een relatie op de klippen loopt. Daarbij kampte ik met een gemene shell shock; iedere keer als ik vogels hoorde fluiten zag ik de navelbreuk weer voor me, in slow motion, met gruwelijke details. Mijn therapeut zei me dat ik moest healen. Met nieuwe haarballen.

Dus, na decennia zonder stofzuigen ben ik weer op zoek naar een iets pluizigs. Geen katten, wel iets dat niet uitgelaten of de nek omgedraaid hoeft te worden. Een combi van fretten en dwergkonijntjes? U gaat het meemaken, want zo’n Natuurlijk Evenwicht schreeuwt om een dia-avond op Facebook, een baken van carnivorische integriteit in de maelstroom van poezenp*rno

Catman
Drie haarballen

Van de sneak

Sinds jaar en dag ga ik op dinsdagavond met mijn filmvrienden naar de sneak. Die voorstelling is nooit uitverkocht, maar voor de zekerheid gaan we altijd vooraan zitten, daar waar het rustig is. Liever kramp in de nek dan popcornkauwende whatsappers.

Die vrienden van mij zijn van ongeveer hetzelfde bouwjaar en dezelfde coiffeur. Denk dus drie ouwe kale lullen op een rij. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat de rest van de sneakers ons voor gay verslijt, een trio homonique dat zo ver naar voren gaat zitten om elkander te betasten. Dat eerste zou ik eigenlijk helemaal niet erg moeten vinden, maar doe ik toch. Komt vast doordat ik als puber zo androgyn oogde, maar vooral omdat ik nu dozijnen aan flirts met spannende sneakbabes misloop, suggestieve knipogen die me anders wél ten deel waren gevallen.

Om ons stigma enigszins te compenseren loop ik zo heteroseksueel mogelijk naar onze plek toe. Vierdaagsepassen, man-van-de-wereld tred en militaire focus (geen kinnesinne gezien de boobytraps van colaflesjes en limonadeplassen). Verder zorg ik ervoor dat niemand mij tijdens dramatische scènes m’n zakdoek ziet trekken, wat toch regelmatig voorkomt gezien mijn sentimentele natuur. Alles om Mr. Cool te lijken.

Probleem met zo’n homofobie is dat je er ook mee kampt als je hem niet nodig hebt. Als ik bijvoorbeeld in mijn eentje naar de bios ga. Gedrild door de sneakroutine geef ik mijn schouderpartij dan een gettoschwung mee en houd ik mijn armen dusdanig dat er twee six packs Buds onder geklemd zouden kunnen zitten. Boeren is nog een brug te ver.

Ook die avond in het filmhuis maakte ik mijn entree zo masculien mogelijk. Ik had gekozen voor een Argentijns drama, omdat de machocultuur aldaar me bijzonder heteroseksueel leek. Ik plofte neer in het midden van de voorste rij, die verder leeg was, net als de vijf rijen erachter dat waren. Daar weer achter zaten tientallen paartjes, samengeklonterd als scherpschutterduo's.

Paartjes zijn gek op Argentijnse drama’s want hartstochtelijk liefde, sensuele tango en – met een beetje mazzel – politieke gevangenen. Al snel echter bleek dit Argentijnse drama niet te gaan over een hartstochtelijke liefde. Of over tango. Zelfs niet over fascisten. Maar over een kalende man (net als ik) van middelbare leeftijd (net als ik) die een veertienjarig meisje onzedelijk betast (niet net als ik). Dat betasten begon al na een kwartier. En duurde de godganse film door. Een knalrode kop kreeg ik ervan.

Om zo min mogelijk op te vallen zakte ik zo diep mogelijk weg in mijn fauteuil. Waarop de airco vanonder het doek richting mijn kruis begon te blazen. IJskoud was de lucht. Om niet te vernikkelen deed ik mijn sjaal om. Toen mijn petje op. Vervolgens propte ik mijn sweater in mijn broek. En uiteindelijk legde ik mijn jas over mijn schoot – inderdaad, als een ouderwetse pornobiosrukker.

Achter me werd gelachen. En bij Argentijnse drama's valt verdomd weinig te lachen, zeker als ze gaan over middelbare pedotasters. Omkijken durfde ik niet meer, laat staan daarbij ontkennend mijn hoofd schudden. Bevroren heb ik de rest van de film uitgezeten, mijn armen quasi nonchalant in mijn nek gevouwen, als teken van ‘handen boven de lakens’.

Nog vóór de aftiteling over het doek begon te druipen snelde ik de zaal uit, mijn jas om mijn middel geknoopt, mijn neus in een gratis krantje om identificatie te voorkomen, licht wiegend met de heupen, biddend dat ik deze ene keer voor een gezonde Hollandsche homo versleten zou worden. Mr. Cool has left the building.

De pedofoob
Waar is een 3D-bril als je hem nodig hebt!

En de klompendans

‘En, wat wordt later jouw sterfbedspijt?’ Het is een vraag die ik graag stel aan onbekenden, op een feestje, om het ijs te breken. Mijn prooien lachen dan ongemakkelijk, wringen zich in bochten om een sociaal wenselijk antwoord te verzinnen.

Maar als ik de vraag aan mezelf stel dringen er zich evenzeer leugens op. ‘Had ik maar meer geschreven!’, ‘Had ik maar meer lol gemaakt!’, of het meer specifieke ‘Was ik die donderdagnamiddag van 18 juni 1987 maar vreemdgegaan met Louise W.!’

Het juiste antwoord is eerlijker – want simpeler: ‘Had ik maar meer uit mijn neus gevroten’. Lummelen in de zon, niets van jezelf hoeven (vooral niet genieten!), even pas op de plaats maken tijdens onze klompendans der ijdelheden, het is de enige uitdaging waar de ziel incarnaties tekort voor komt.

De laagvlieger
Marina di Ravenna, 1964

Van Sevilla

Al een kwartier lang stonden we te dralen voor de arena. Het was ook geen makkelijke beslissing voor twee langharige sukkels uit Holanda. Een doodzonde voor een vegetariër als ondergetekende, en toch ook wel een zwarte bladzijde voor mijn maat die een zwak had voor frikandellen. Maar na een week van kroeghangen en gemene katers snakten we naar iets cultureels. En dit was Sevilla, hier was een stierengevecht zoiets als avondje opera in Amsterdam! Dus wisselden we foute mannetjesblikken uit en gromden een ‘what the hell!’, alsof we ons opmaakten voor de final shoot out in The Wild Bunch.

Uiteraard kochten we de goedkoopste kaartjes. Niet alleen omdat we zunige Hollanders waren en ervoor pasten deze verfoeilijke industrie te spekken, maar vooral omdat we een plekje achterin de tent prefereerden. Close-ups van bloedvergieten, dat was niet besteed aan onze fijngevoelige natuur - lieten we graag over aan de autochtone barbaar.

Maar de prijs van een kaartje werd niet bepaald door de afstand tot de arena. Onze plaatsen waren zelfs helemaal vooraan, aan de rand van het plaats delict. Waar verder geen hond zat. Al snel werd duidelijk waarom niet. De eerste stier was de arena nog niet ingeschopt of de middagzon kwam vanachter de arenatrappen te voorschijn. Om genadeloos op onze zonnemelkloze kaaskoppen te branden. De koperen ploert! Helemaal gek werden we van de hitte. Dit was The Wild Bunch niet, we waren in een spaghettiwestern beland!

De stierengevechten zelf herinner ik me vooral als weerzinwekkende slapstick. Kreupele kolossen die bestookt werden door parmantig prikkende übermannetjes; minderjarige toreadors die door de stieren in de onderbuik gespietst werden en als vodden door de arena gesleept. Behalve gruwelijk oogden de gevechten vooral lullig. Amateuristisch. Lamlendig. Er werd mis geprikt, ernaast gestoken, erboven gespietst. Gevolgd door heel veel stuiptrekken. Mens- en dieronterend, deze triomf van masculiniteit.

Wat ons het meest choqueerde was de reactie van het publiek. Niet die van de mannen, die waren er nauwelijks. Van de dames. Hoe harder het bloed uit de opengereten slagaders spoot, hoe intenser de ARRIBAAA!!’s van de señorita’s weerklonken. Als er zoiets bestaat als een collectief oestrogeen orgasme, dan hebben wij het meegemaakt, die snikhete middag in Sevilla.

Vier stieren, een zonnesteek en een aanval van misogynie later stonden we weer buiten. Gesmoord door zelfhaat vervoegden we ons naar de cantina aan de overkant. Bestelden cervezas. Rolden shagjes. Staarden voor ons uit, naar de roodverbrande koppen in de spiegel achter de bar. En toen, of het nu kwam door het schuldbesef of door de zonnesteek, toen zag ik het, als in een visioen. Mijn haar. Het was dun geworden. Te dun om lang te zijn. Te dun om kort te knippen. Te dun om in de fik te steken. Te dun om wat dan ook mee te doen. De straf Gods.

Nog diezelfde avond heb ik de barbier van Sevilla bezocht. Naar mijn haardos gewezen, vervolgens naar zijn scheermes en toen zo’n mafiagebaar gemaakt, in de hoop dat hij mijn halsslagader zou meepakken. Helaas, hij spaarde me (wederom de hand van God?). Wel heeft hij me ongenadig gebrucewillist, zodat ik de rest van mij leven in schaamte zou doorbrengen, mijn wilde haren stuiptrekkend op zijn vloer als stille getuigen van mijn jeugdzonden. Olé.

De moffenhoer van Sevilla
Het schilderij is van de hand van Sally Huntington

Op Zuilen

Mijn buren maken 's nachts nog wel eens herrie. Ze schelden elkaar uit en hebben daarna luidruchtige goedmaakseks. Omdat mijn slaapkamer grenst aan die van hen en ik een licht slaper ben, heb ik besloten de kamer te isoleren. Dat pak ik, zoals de meeste zaken, veel te grondig aan. Zo maak ik gebruik van speciale schuimlagen en persplaten waarmee je normaal gesproken een drumcabine geluiddicht maakt. Mijn vrienden lachen me uit om mijn isolatiecel, maar mijn herriefobie heeft zijn gronden. Daarvoor moeten we terug naar begin deze eeuw, naar een eengezinswoning op Zuilen.

De Van der Pekstraat leek zo pittoresk toen ik er kwam wonen. Arbeiderswoninkjes met rode bakstenen, gehaakte vitrages en vrolijke begonia's. Perfect om een gezinnetje in te stichten of een hasjplantage in op te zetten. Alleen het huisje van mijn buurman detoneerde wat. Vergeeld oranje behang en een pick-up vol Eagles, zo viel me op toen ik een gluurblik wierp. Alsof de tijd er twintig jaar had stil gestaan.

Na de verhuizing belde ik aan om kennis te maken. Een broodmagere veertiger met rood slierthaar en diepliggende ogen deed open - het type dat in films met een bijl rondloopt. Hij gaf me een slap handje en nam me argwanend op. Ik stelde me voor en maakte een zenuwachtig grapje over verhuischaos. Hij zweeg in alle talen. Na een pijnlijke stilte vluchtte ik mijn huisje weer in.

Die eerste avond was het al raak. Ik was tussen de verhuisdozen ingedommeld toen ik opschrok van luid geschreeuw. ‘GA WÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉG!!’ klonk het dwars door de muur, ijzingwekkend, alsof iemand een ravijn in gesodemieterd werd. Móest de buurman zijn. Eerst probeerde ik mezelf wijs te maken dat hij misschien last had van een kat in zijn tuin. Maar het geschreeuw hield aan. De kreten varieerden van een simpele ‘VUILE FACSISTÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉN!!’ tot het wat meer bloemrijke "LAAT JE DOOR H*TLER IN JE R*ET N*UKÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉÉN!! Ik was naast een gek komen wonen.

Iedere nacht hield ie me uit mijn slaap. Brullen, dreigen, verwensen. Met deuren smijten. In oorlog met het universum was ie, en met mij in bijzonder. Nou ben ik wel wat gewend qua psychoten want opgevoed door een. Dus schakelde ik assertief de woningbouwvereniging in. En het RIAGG. En de wijkpolitie. Zamelde zelfs handtekeningen in van andere buren (voelt toch wat veiliger met zo’n lynch mob achter je). Maar gedwongen opname, dat kon maanden duren. Watertrappelen dus maar.

Een echt outgoing type was mijn buurman niet, maar onvermijdelijk kwam ik hem wel eens tegen. Op de Van der Pekstraat, sluipend richting super, met een macaber koffertje in de hand. Natuurlijk liet ik me niet kennen. Als we elkaar passeerden keek ik hem aan met mijn strakste Clint Eastwood. Hij blikte terug met een venijnige Freddy Krueger. Oscarwaardige momenten waren dat.

Dat de man knetterpsychotisch moest zijn was mij zonneklaar, maar het leek me verstandig om tastbare bewijzen te verzamelen voor de rechter. Dus toen ie op een avond in zijn tuin stond te schreeuwen haastte ik me ook naar buiten, cassetterecorder in aanslag, en stelde me verdekt op achter de door mij zelf getimmerde schutting. ‘KLOOTZÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁÁK!!’ klonk het, mijn richting op. Ik drukte op ‘record’. Waarop het even stil viel. Toen klonk het op sinistere toon: ‘Je zit me te op te nemen, hè, VUILE CIA SPIÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓÓN!!’ Helemaal lam schrok ik me. Hoe wist ie dat! Hij kon me toch niet zien! Zou hij een gaatje in de schutting geboord hebben!? Een camera hebben opgehangen!? Pas na een volle minuut viel de munt. Ik was paranoïde geworden van zijn paranoia. Nog even en ze konden mij ook afvoeren.

Het cassettebandje heb ik nooit hoeven laten horen. De wijkagent nam mijn klacht serieus. Hij ging bij de buurman langs en belde vijf minuten later weer bij mij aan. ‘Heeft u een apparaat waarmee u stemmen in andermans hoofd kunt stralen?’ vroeg hij met veelzeggende grijns. ‘Dat beweert uw buurman namelijk.’

Toch duurde het nog een enkele slapeloze maanden en talloze 112’s tot de ambulance kwam voorrijden. Gedwongen opname. Hij verzette zich hevig. Pepper spray. Handboeien. Opgelucht als ik was, kreeg ik toch ook medelijden. En niet alleen omdat de situatie me aan vroeger deed denken.

Ik heb hem opgezocht in het Pieter Baan Centrum. Schreeuwen deed ie niet meer dankzij de medicijnen, maar achter die oogballen vermoedde ik nog steeds een seriemoordenaar. ‘Ik heb zulke erge dingen meegemaakt in mijn jeugd,’ vertrouwde hij me toe met een blik alsof de mensheid bij hem in het krijt stond. Daar kon ik me alles bij voorstellen.

Een jaar later was ie overleden. Niet aan gekte, maar aan kanker. Van de wijkagent hoorde ik dat ze in zijn huis een koffer hadden aangetroffen. Met daarin een bijl. Had ie buurtkinderen mee bedreigd. Niemand had ooit aangifte gedaan.

Dus. Laat mij lekker m'n slaapkamertje dichtspijkeren. Dan kan mijn buurman zijn vriendin in stukken hakken zonder dat ik er wakker van word. Wel jammer dat ik nu ook de goedmaakseks moet missen. Of zal ik mijn cassetterecorder op het balkon zetten?

Paranoïde buren
De schrijver dezes die zijn afluisterapparatuur uittest, met op de achtergrond zijn voormalige schuur, niet te verwarren met zijn voormalige eengezinswoning...

At gunpoint

Schoolfotograaf, bij vijfde en laatste poging: “En als je nu &^%!$#@3* wéér niet lacht, dan zet ik je chagrijnige smoelwerk over 42 jaar op een interactief digitaal netwerk dat door miljoenen bekeken wordt!”

Billion dollar smile
Say Boursin!

Van het Herderplein

Ooit was ik in Oost-Duitsland. Daar voelde ik me - ondanks de Duitsers - onmiddellijk thuis. Niet alleen vanwege het gestencilde geld, leeglopende sigaretten en zwaarbewapende conducteurs. Het was vooral de architectuur die indruk op me maakte. Zelden had ik zo’n zee van troosteloosheid aanschouwd. Grauw beton, waar je ook keek. Een universum waar slechts dromers overleven.

De buurt waar ik nu resideer heeft een hoog Oost-Duits gehalte. Nou ja, voor de helft dan. Het andere gedeelte bestaat uit dure koopwoningen, doorzonlivings voor tweeverdieners. Als ik tijdens mijn dagelijkse wandeling bij hen naar binnen gluur, betrap ik me wel eens op een zweem van jaloezie, die weer plaats maakt voor huiver. Zinkende kookeilanden, voorbestemde carrières, krampachtige relaties. Mistroostig word ik ervan.

Gelukkig kan ik daarna weer bijtanken op het Herderplein achter mijn flat. Dat is met afstand de meest verwaarloosde plek van het noordelijk halfrond. Iedere week sneuvelt er wel een winkelruit, massieve rolluiken ten spijt. De laatste groenteboer is er vijf jaar geleden weggepest. Zelfs dealers mijden de bad vibes. Wat rest zijn enkele diehards die er hun euri witwassen in de nagelloze nagelstudio.

Soms probeert een vermaledijde wethouder zijn blazoen op te poetsen door ons Herderplein op te leuken. Met kekke mozaïekjes en ten dode opgeschreven groen. De arrogantie! Gelukkig blijkt zo’n reanimatie weinig duurzaam, al was het maar door de magnetische aantrekkingskracht op hangwerklozen en zwerfvuil. Onze Herder heeft zo zijn eigen opvattingen over urbane esthetiek.

Wat het plein voor mij bijzonder maakt is een ogenschijnlijke stijlbreuk: een standbeeld van een nakende dame, haar weelderige vormen zonder enige terughoudendheid tentoonspreidend. Wie zij voorstelt of wie haar schepper is wil ik niet weten. Voor mij is ze de beschermvrouwe van deze prachtwijk, een matriarch die ons met haar dikke reet behoedt voor het vallen van de imaginaire Muur.

De beschermvrouwe
Je moet het bij daglicht zien

En de Prince of Darkness

Een romanticus zal ik niet snel genoemd worden. Verwacht van mij geen ruikertje, diner dansant of huwelijksreis naar Luxemburg. Niet omdat ik dat klef vind, maar omdat het imago van Prince Charming me niet aanstaat; voel me meer ondermijner dan veroveraar – een Prince of Darkness zo u wilt. Daarbij, heeft romantiek niet vooral te maken met onmogelijkheid? Denk aan zakdoekvullers als Brief Encounter of The Bridges of Madison County. Happy Endings zijn voor watjes.

Slechts een enkele keer verklaart iemand de liefde op zo’n grootse en meesleurende wijze dat ik even moet slikken. Zoals op dit pand in Utrecht. ‘Lieve Afra, wil jij met mij trouwen?’ prijkt er in sierlijke koeienletters. Da’s effe wat cooler dan door je knieën gaan met een kauwgomballenautomaatring.

Toch roept het aanzoek vooral de nodige vragen op. Zou de auteur in kwestie wel in het huisje wonen, of heeft ie andermans stolpje opgefleurd? Woont die Afra in de buurt, of hoopt ie haar aandacht te trekken als ze toevallig eens langsfietst? Hoeveel Afra’s zouden er in Utrecht wonen? Wat zou de auteur doen als ie afgewezen wordt – de muur zwart maken en hem volspuiten met verwensingen in fluoriserend oranje? Is het aanzoek een unicum, of spuit hij na iedere afwijzing een nieuwe naam? En waarom staat er in godsnaam een dubbele punt vóór dat trouwen!?

Natuurlijk. Een waar romanticus vraagt zich dit soort dingen niet af. Die dóet. Spontaan. Onbezonnen. Toch, gezien het hoge Norman Bates-gehalte van het huisje, sluit ik niet uit dat er in deze auteur een Prince of Darkness schuilt, zo een die zijn bruidje na ’t jawoord verkettingzaagt om haar als mest over zijn rozentuintje te strooien. Of klink ik nu als Rein de Ondermijner?

Écht romantisch vind ik pas worden als blijkt dat Afra hetzelfde gedaan heeft met háar huisje, aan de andere kant van Utrecht. Dat ze net als hij tevergeefs voor het raam wacht tot die grote liefde een keer langsfietst. Ik zie het voor me, op groot scherm, hun huisjes naast elkaar in split screen, terwijl de aftiteling er langzaam overheen rolt. Dan moet deze Prince of Darkness toch even zijn zakdoek trekken…

De Romanticus
De hobbykamer is op de eerste

Waarom Nick zuigt (en Andy niet)

We hebben er allemaal last van. Ook de meest integere en hartstochtelijke muziekliefhebbers onder ons. We beseffen niet half hoezeer het ons beïnvloedt. Dat we de mooiste muziek erdoor missen. Statussmaak heb ik het over. Say what?

Statussmaak zou je de tegenhanger kunnen noemen van hartesmaak. Hartesmaak is onze primaire smaak, de smaak die we vanaf onze prille jeugd ontwikkelen. Doorgaans een voorkeur voor toegankelijke liedjes, van The Sound of Music tot ABBA.

Onze hartesmaak ontwikkelen we onbewust en spontaan. Naarmate we ouder worden komt hij onder vuur te liggen. Smaak is namelijk van cruciaal belang voor pikorde – de juiste smaak wel te verstaan. Op het middelbareschoolplein wordt de ene popband (om cryptische redenen) megacool bevonden en de andere verguisd want vre-se-lijk oubollig. “Alice Cooper!? Ha! Zappa, die is pas cool!’! ‘Smaken verschillen’, ‘respect voor elkaar’ en meer van dat soort welwillende onzin maken natuurlijk geen enkele kans in de piranhasfeer van de puberteit. En omdat ieder kind behoefte heeft erbij te horen, zal hij zijn smaak een beetje aanpassen. Het corruptieproces is ingezet. De statussmaak is geboren.

De neiging tot aanpassing wordt er niet minder op naarmate we ouder worden. Hoogstens geraffineerder. We willen ‘t zó graag eens (of juist oneens!) zijn met onze partners, onze vrienden, en onze collega’s. Maar ook met onszelf. Om de haverklap keuren we muziek af omdat het imago van de band ons niet aanstaat: Bono is kut want narcistische goeroe, Marco Borsato is prut want marketingmuzikant. De muziek horen we niet eens meer; we vínden vooral dat we bepaalde muziek goed of slecht moeten vinden.

Facebook, het middelbareschoolplein-voor-alle-leeftijden, is een krater van statussmaak. Sleutelwoord hierbij is ‘authenticiteit’. Een containerbegrip dat staat voor alles wat cultureel aanzien geeft. Denk levensecht want veel emoties (Jacques Brel), hartverscheurend want drugs en ellende (Amy Winehouse), street cred want gevangenis (Johnny Cash), integer want anti-establishment (Sex Pistols), ontroerend want traditie (Maria de Fátima), hip want onbeschaamd (Einsteinbarbie). Natuurlijk kán dit allemaal hartesmaak zijn, maar doorgaans is die een stuk genanter. Sterker nog, de keren dat er hartesmaak gepost wordt, krijgt die een kwinkslag mee als ‘guilty pleasure’ of ‘lekker fout’. Indekken tegen de smaakpolitie.

Maar hoe kom je nu achter je hartesmaak? Da’s lastig, want onbewust. Hartesmaak kun je eigenlijk alleen maar vaststellen als je cognitie uitgeschakeld is, als je geheugen ‘t even laat afweten. Daarom is het zaak om, als je muziek hoort die je kent maar even niet kan benoemen, een cijfer te geven. Dat cijfer zal altijd afwijken van het cijfer dat je de artiest geeft zodra je diens naam weer te binnen schiet. Een even amusant als confronterend mind fuckertje.

Tijdens mijn queeste naar de perfecte zangstem maak ik al jaren jacht op wat ik denk dat mijn hartesmaak is. Het heeft me leren genieten van artiesten ongeacht hun aura. Crooners als Andy Williams, Jo Stafford, Rufus Wainwright. Ik weiger me te storen aan hun hoge amusementsgehalte, plakkerige imago of zoete arrangementen. Verlossing, daar gaat het me om. Nu maar hopen dat mijn onderbewustzijn er ook zo over denkt.

Ondertussen begint mijn statussmaak te stinken. Want die ontwikkelt zich als een anti-statussmaak. Ik koester een buitensporige weerzin tegen Facebookfähige artiesten die hun muzikale tekortkomingen verbloemen met een ruig imago. Zelfkantposeurs als Patty Smith, Henry Rollins, Nico, Shane MacGowan, Iggy Pop, Lou Reed. Vooral de vals croonende Nick Cave met zijn puberale ode aan moord & doodslag kan ik niet luchten.

Maar. Om muzikanten af te wijzen omdat ze hip gevonden worden, da’s nog erger dan statussmaak koesteren – da’s übersmaak najagen! Gelukkig trekt mijn hartesmaak zich geen moer aan van mijn recalcitrantie. Zo heb ik Nick Cave op een onbewaakt want onbewust moment ooit een 8 gegeven. Godgloeiende! Rest de vraag hoe je fan kan worden van een artiest zonder deze ooit te herkennen…

Hartesmaak versus statussmaak
Leefde Nick nog maar!

In stijl

Speciaal voor de jaarwisseling een onweerstaanbaar fout lederen colbertje aangeschaft. Nu nog gaatjes prikken voor de creolen, potje gel in de schedelhuid masseren en Certificaat Beveiliging B halen, en deze jongen is helemaal klaar voor 1994. Zalig uiteinde!

Deurbeleid
PS Vergeet bij het verlaten van 2013 uw portier niet!

Aan het kanaal

‘Ach, de piramiden hoef ik niet meer zo nodig te zien joh,’ verzuchtte mijn vader een paar jaar voor z’n dood. Zomaar, uit het niets, terwijl hij een veertigste Engelse sigaret opstak en aandachtig tuurde naar de Maas die onder zijn flatje in het laatste restje zomerlicht lag te fonkelen. Ik vond de uitspraak verontrustend. Zo níet mijn vader. Was die ouwe zijn nieuwsgierigheid kwijtgeraakt? Mijn vader, die de beste pies & poep-verhalen over de wereldgeschiedenis kon vertellen!?

In Egypte is ie inderdaad nooit meer geweest. Wel heeft ie mijn laatste restje erfenis weggespoeld met bubbeltjeswijn tijdens zo’n reisje langs de Rijn. Tot volle tevredenheid van passagiers én bemanning, want de ouwe zat op zijn praatstoel met pies & poepverhalen over Batavieren die op boomstammen de Rijn afzakten…

Inmiddels hoef ik de piramides ook niet meer zo nodig te zien. Niet omdat mijn nieuwsgierigheid tanende is, maar omdat ik mijn vaders passie voor historie niet deel. Ben meer een man van de ufo’s & de aliens - lulkoek in plaats van pies & poep zegmaar. Ach, we hadden wel meer niet gemeen.

Toch begrijp ik nu beter wat hij bedoelde met die piramiden. Dat komt doordat ik ook aan een spannend water woon. Een kanaal dat je, als de wind goed staat, helemaal naar Egypte kan voeren. Het Kuifje-gevoel krijg ik ervan, alleen al door ernaar te turen. De belofte van avontuur! Wat meer heeft een mens nodig om lulkoekverhalen te schrijven. ‘Waren de Batavieren kosmonauten?’ - dat wordt een hit straks op de Henri Dunant…

De Piramides
Kapitän Rein op de brug van zijn U-bootflat, ietwat gedesoriënteerd door een laaghangende Ra.

En de Emmer

‘Als je je rijbewijs en je typediploma maar hebt!’ Zonder me af te vragen waarom mijn vader mijn kansen zo pessimistisch had ingeschat, ging ik, gewapend met deze levenswijsheid, in 1978 op kamers. Vier hoog vóór op de Mathenesserdijk, met uitzicht op de brug. Ik vroeg een uitkering aan (daar was ik schoolverlater voor geworden!) en vulde mijn dagen thee al drinkend voor het raam, turend naar de hectiek beneden in het aardse dal. Mijn volwassen leven was begonnen.

Eenmaal per week moest ik mezelf uit deze meditatieve staat rukken om sollicitatiebrieven te schrijven. Voor gewone steuntrekkers ongetwijfeld een crime, ik ervoer deze verplichting als een uitdaging. Het maakte de Ausweisvervalser in mij wakker. Zo werd ik specialist in het selecteren van net-niet-haalbare vacatures (‘Hoofd Röntgenafdeling Dijkzicht Ziekenhuis m/v’) en het typen van freudian slip-of-the-fingers (‘tiet’ i.p.v. ‘niet’). De afwijzingen bewaarde ik als trofeeën.

Toen de Sociale Dienst na een paar maanden toch begon te morren (een tiet te veel getypt?) werd het tijd om een werkzaam leven te overwegen. De gedachte alleen al bezorgde me koude rillingen. Hoe te combineren met mijn contemplatieve bestaan! Na nog eens uit het raam getuurd te hebben vatte ik het plan op ongeschoold werk te zoeken, maar dan wel van het soort dat zó stompzinnig is dat je er écht niet bij hoeft na te denken. Een gezonde geest in een automatisch lichaam.

Voldaan met dit voornemen tuurde ik weer enkele weken naar het verkeer op de brug. Tot ik, verstopt onder tientallen afwijzingen, een flyer van de firma Scheidegger op de mat aantrof. Een cursus Blind Typen. Vooral dat ‘blind’ maakte indruk. Immers, typen kon ik al – het Rein H. Tweevingersysteem (met nijdige aanslag) – maar als ik dat nou blind zou kunnen én met tien vingers, dan zou mijn lichaam één worden met de typemachine en mijn geest vrij blijven voor diepe gedachtes! Een typemachinist! Nog diezelfde avond cursusgeld bij mijn vader losgeweekt. ‘Als je het maar afmaakt,’ gromde hij, een wijnglas AH-sherry achterover kiepend.

Scheideggers cursusruimte vertoonde postapocalyptische trekjes. Een kale verdieping op de West-Kruiskade met scheefhangend tl-licht, plastic koffiebekertjes en een reutelende radiator. We waren met een man of 20, waarvan driekwart vrouw. Niet de bartypes waar ik op gehoopt had, maar secretaresses met strenge mondhoeken. Op de tafels stonden typemachines gereed. Geen gewone. De toetsen waren geanonimiseerd met gekleurde rubber doppen. Wat een motie van wantrouwen! Of wilde Scheidegger de cursus soms mysterieuzer maken dan ie was?

De cursusleider heette ons welkom met een Duits accent. Hij vertelde over het levensbelang van blinde typevaardigheid en deelde een schema uit waarop de 10 vingers verdeeld werden over de gekleurde toetsen. We plaatsten onze 200 vingers in de juiste positie, waarop de leider een cassetterecorder aanklikte... en de stem van Fred Emmer weerklonk! Ondersteund door een stemmig huistuin&keukenorgel (het Riha Tweevingersysteem?) maakte Fred al schnabbelend duidelijk welke letters we die avond zouden gaan typen: D-F-K-L. “Wijs-en middelvingers op de rode en blauwe toetsen, blik voor u uit en DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL… DFKL…”

Nu zullen de meesten onder u bij de naam ‘Fred Emmer’ denken aan een feilloze nieuwslezer. Ik daarentegen had van een vriendje-bij-de-NOS gehoord dat deze Emmer vieze boekjes schreef en lederen pakken droeg. Die vriend kon het weten want had naast Emmer gestaan toen deze stond te plassen in het NOS-toilet. Dus toen Fred ons met licht dwingende intonatie tot typen maande, werd ik bevangen door visioenen van Emmers plasporno. Nooit eerder had mijn geest zich zo onvrij gevoeld! “DFKL… DFKL… DFKL…” Ik keek om me heen, hunkerend naar een gelijkgestemde wanhoopsblik, maar trof slechts strenge mondhoeken. “DFKL… DFKL… DFKL… DFKL…” Was ik de enige die besefte dat we in een Wim T. Schippers terecht waren gekomen? “DFKL… DFKL… DFKL…”

Volgehouden heb ik het. Ternauwernood. Die eerste avond dan. Toen bleek dat de cursus nog wéken zou duren. En dat we huiswerk meekregen. Tienduizenden pagina’s vol DFKL’s moesten we thuis kloppen. Foutloos. Blind. Met vastgebonden handen. Volgende week dinsdag meenemen.

U begrijpt, het huiswerk heb ik zo lang mogelijk uitgesteld. Tot de volgende dinsdagavond. Half zeven. Nog steeds had ik geen letter geDFKL’d. Het klamzweet brak me uit. Zonder uit het raam te turen besloot ik dat ik geen klassikaal onderricht nodig had. Dat ik een autonoom was die puur op zelfdiscipline kon draaien. Ook zag ik in een flash of genius dat die dopjes onzin waren. Dat een mens niet voor niets twee ogen in zijn hoofd heeft. Dat het met 2 freewheelende vingers veel lekkerder typt dan met tien verkrampte. En dat huiswerk onzin is want typen toch vooral een intuïtieve vaardigheid. Ik koos, kortom, wederom voor het Rein H. Tweevingersysteem. Dat zou ik die typenazi’s wel eens even laten voelen als ik bij het examen aanschoof!

Nee, ik ben niet geweest. De typemachine-met-brailledopjes heb ik uit schaamte opgestuurd. Tegen mijn vader begon ik een verhaal over malafide typecursusorganisaties, totdat zijn ‘het wordt echt nooit wat met die jongen’-blik me tot een hakkelende biecht bracht. Hoezo volwassen leven.

Toch zul je niet snel iemand treffen die zo rap tweevingerig DFKL kan typen en ondertussen een film van Tarkovsky kan bekijken. Daarbij heb ik mijn rijbewijs wél gehaald, in één keer, tot afgrijzen van mijn instructeur. Heeft een paar leuke baantjes opgeleverd. Kortetermijnjobs, want meestal al na één dag lichte schade. Maar het Rein H. Tweevingerig Stuursysteem (met nijdig bochtenwerk), da’s weer een ander verhaal.

De Typemachinist
DFKL...