blog titels

Blog

2021
It's a bird! It's a plane! It's...

De onderbuik van Kerstmis

Eén miljoen Nederlanders leeft onder de armoedegrens. Ik bungel er net boven, want kan sparen voor een camera waarmee ik ga filmen. Mijzelf om precies te zijn. Een vlog waarin ik blogs voorlees of zo. Minder ijdel en meer Kerstachtig is mijn voornemen iets maatschappelijks met de camera te doen. Daarvoor heb ik inspiratie opgedaan bij het Amerikaanse YouTube-kanaal Soft White Underbelly, dat miljoenen onzichtbaren een stem geeft.

De Underbelly bestaat uit interviews met straatmensen, waaronder veel daklozen. De setting is even simpel als doeltreffend: ergens in een metropool heeft de filmer een beeldvullend doek opgehangen, een camera met microfoon opgesteld en zijn gast van een stoel voorzien. Aan de omgevingsgeluiden te horen zitten we midden in de urban jungle.

De daklozen vertellen hoe het zover heeft kunnen komen. Wat ze dagelijks moeten doen om te overleven, waarom het onmogelijk is om op straat vrienden te maken, hoe mensvijandig bureaucratie kan zijn. Er zitten ook hogeropgeleiden tussen. Die niet drinken, niet gebruiken, niet psychotisch zijn. Mensen zoals u en ik, die pech hebben gehad.

Zoals te verwachten zijn de verhalen vrij van het geblaat dat weerklinkt als je (ver) boven de armoedegrens verkeert. Geen kreten als ‘uitdagingen’ of ‘verschil maken’. Het gaat over menselijk tekort en maatschappelijk falen, over leven & dood. Confronterende kost die op iedere school vertoond zou moeten worden. De stars & stripes wapperen boven een derdewereldland dat alleen nog in de media onbegrensde mogelijkheden kent. Ons voorland?

Een van de gesprekken is opbeurend. Terwijl het met Jerry niet veel slechter had kunnen aflopen. De helft van zijn gezicht is eraf geschoten. Maar hij komt helder over. En belangrijker: hij is de mildheid zelve gebleven. Een joie de vivre die je zelden treft als je (ver) onder de grens verkeert. Zijn tandenloze lach doet me blozen om mijn zelfbeklag. Én mijn voyeurisme. Want ik luister zo aandachtig naar zijn levensverhaal om me met Kerst een mensenmens te voelen. Jerry zelf heeft niets aan mijn empathie. Lijkt die ook niet nodig te hebben.

Gaandeweg voel ik er steeds minder voor een Nederlandse Onderbuik op te zetten. Om te beginnen omdat Hollanders niet kunnen lullen zoals Yanks dat doen. Arm of rijk, in de States is iedereen een verteller. In Nederland wonen vooral zeurpieten zoals ondergetekende.

Belangrijker is dat ik zulke interviews helemaal niet kán afnemen, omdat ik mijzelf dan in die stoel zie zitten. Als ik in the American Dream had gewoond, was ik gegarandeerd dakloos geworden. Niet omdat ik drink, gebruik of hallucineer, maar omdat mijn manier van schrijven – ieder woordje wegend – me kansloos maakt in een Darwinistische cultuur. Mijn creatieve drive maakt me tot een grensgeval, zelfs in een welvaartsoase als Nederland.

Verwacht met deze Kerst dus geen filmpje over sloebers in Hoog Catharijne. Ik houd het bij een vlog in de McDonald’s. ‘Het ging mis toen ik een veel te dure camera kocht,’ vertel ik dan aan mijzelf, boven de omgevingsgeluiden uit, een frietje in de mayo dippend, turend naar de grens waar ik inmiddels onder bungel. 1.000.001 gaat mijn kanaal heten.

Het signaal

Dit is de droomkamer van S. Trouwe lezers kennen haar van mijn blogs. Ze is de 17-jarige dochter van mijn goede vriend P., die in 2009 overleed aan verlate complicaties van een harttransplantatie. Haar moeder trof P. onderaan de trap aan, naast zijn brommer. Levenloos, terwijl hem 15 jaar extra beloofd was.

Uiteraard verkeerden moeder en dochter lange tijd in shock. Maar het leven ging door. En gaat door. Moeder heeft er het beste van gemaakt, van het éénoudergezin. Het resultaat mag er wezen. S. is een bijzondere meid geworden. Dat weet ik zo goed omdat ik op haar verzoek over haar vader ben komen praten.

Ter inspiratie bekeken we eerst wat oude foto’s en video’s. Op mijn vraag of die beelden poorten in haar geheugen openden, antwoordde S. even nuchter als verdrietig: ‘Ik zie het als een bewijs dat ik ‘een’ vader heb gehad, het voelt niet als ‘mijn’ vader. Ik denk dat ik de meeste herinneringen aan hem gefabriceerd heb, op basis van verhalen.’

Aan verhalen geen gebrek die middag. Ik vertelde hoe P. en ik bevriend waren geraakt doordat we ons beiden graag verdiepten in zaken die door anderen worden weggelachen. Zo stortte hij zich op de multi-toepasbaarheid van tie wraps, waarmee je van alles kunt verbinden. Hij werkte een strategie uit om de bank van het casino te laten springen. Bouwde een door mij gefinancierde high-tech miniwietplantage op, die in de kiem gesmoord werd. De meest idiote dagdromen had ie, tot en met een rijdende pizzeria. Steeds miste hij de energie om door te zetten. Maar P. wist wel zijn cardiologen te verbluffen met professionele kennis van zijn hartziekte. Eigenlijk was hij nog onaangepaster dan ik ben.

Of toch niet. Want P. werd vader. Zo een die dochterlief voorop de brommer in het kinderzitje achter het windscherm plaatste, zodat hij zijn prinses de wijde wereld kon laten zien, als in een Roman Holiday. Een pa die in tijdschrift Groter Groeien een column schreef waarin hij samen met S. op hilarische wijze aan het kokkerellen slaat. Een geboren opvoeder die veel te vroeg gestorven is.

En nu voortleeft in zijn dochter. Als S. straks haar HAVO op zak heeft, gaat ze een oriënterend jaar volgen op de kunstacademie. Want verbeelden, dat kan ze. Kijk maar eens naar deze miniatuur, een kopie van haar eigenlijke kamer, waarin ze de natuur boven haar hoofd laat groeien en de branding tot aan haar pantoffels laat spoelen. Alles gefabriceerd van spulletjes die thuis rondslingerden. Het werk van een dagdromer met de mentaliteit van een aanpakker.

Waarmee we bij de laatste herinnering komen. Toen S. en haar moeder op een middag thuiskwamen, niet lang na P.’s dood, troffen ze een onverklaarbaar schouwspel aan. Verspreid over de trappen en gang lagen… honderden tie wraps. Terwijl ze die netjes in een keukenlade opgeborgen hadden. ‘Papa is langs geweest!’ kraaide de toen zesjarige S. Verdomd. Helemaal des P.’s om zich niet zomaar neer te leggen bij zijn verscheiden, maar een signaal af te geven dat hij over zijn meisjes waakt. Zoals hij zijn vrouw vóór de transplantatie beloofd had. Sommige herinneringen zijn te mooi om gefabriceerd te kunnen worden.

De Terugvliegende Hollander

Mijn wijk is feitelijk een eiland. Het wordt met het vasteland verbonden door een viertal bruggen. Zo is er over het kanaal een fietsbrug gespannen. Soms, als er een lagereschoolklasje overheen fietst en de koters naar een passerende tanker zwaaien, laat de kapitein zijn misthoorn galmen. Waarop de koters het uitkraaien van plezier. Machtig mooi tafereel vind ik dat.

Mijn buurt is dus rijk aan water. Op dat water wonen rijke stinkerds in speciaal voor hen ontworpen woonarken. Ingenieurs, chirurgen, wethouders. Succesvolle auteurs. Gelukkig worden hun ligplaatsen in de zomer een ware hel. Bij iedere hittegolf trekken ze bakvissen aan die krijsend in de plomp springen, waar dan weer troubadours op afkomen die tot in de kleine uurtje Blowin’ in the Wind over de baren blèren – op steenworp afstand van de arken. Daar moet ik dan om lachen. Binnensmonds, maar niet minder boosaardig.

In de wijk liggen ook enkele echte woonboten. Rijnaken, bewoond door mannen met baarden. Romantische lieden zoals ondergetekende. Ik heb lang de wens gekoesterd om op water te wonen. Liefst in zo’n sleepboot die dienst heeft gedaan in mijn geboortestad Rotterdam. Leuk voor nostalgische trips! Ik zag het al voor me: ieder weekend met mijn binnenvaartsHarley de blits maken in de Rotterdamse Parkhaven om, eenmaal terug in Utrecht, aan te meren voor het terras van café Kanaalzicht, en daar als nautische kamper kopstoten achterover te slaan. Rrrondje van kap’tein Rein!

Maar wonen op water is duur. Te duur voor een sloeber uit een sociale woning. De enige woonboot die ik tot mijn prijsklasse mag rekenen is van het type Tie Wrap, zie mijn foto. Uitgerust met brommobiel op het voordek om tijdens verlof op landrotten te jagen. Woonboten zijn echter niet alleen duur in aanschaf, ook in onderhoud. Eens in de zoveel jaar moeten ze op het droge worden getrokken om het toilet door te spoelen. Er is nog een catch. Je betaalt je blauw aan de ligplaats. Als je er überhaupt een kunt vinden, want in Utrecht zijn alle stekkies al ingenomen door de rijke stinkerds.

Mocht ik in een laatste struiptrekking van mijn midlifecrisis een Tie Wrap aanschaffen, dan zal ik daarmee non stop moeten doorvaren. Als straf voor mijn leedvermaak. Ik zie het al voor me: hoe ik onder de fietsbrug door tsjoeketsjoek, uitgelachen door het lagereschoolklasje, om koers te zetten naar de Parkhaven en daar eeuwig rond te dobberen, als een spookschip op zoek naar de jeugd van zijn kapitein. Gruwelijk mooi tafereel lijkt me dat.

De druktemakerij

Het is mijn manier van onthaasten. Filmpjes bekijken die op straat zijn gemaakt rond de eeuwwisseling. En dan bedoel ik de overgang van de 19e naar de 20e eeuw. Het zijn de eerste bewegende beelden die de mens gemaakt heeft. Én aanschouwd. Dankzij de hedendaagse techniek kunnen ze op een normale snelheid vertoond worden, waardoor de personen niet langer bewegen als figuranten in een slapstick. Ze zijn mens geworden.

Ik kan er uren naar kijken. Naar de kapsels, kleding, oogopslag, motoriek. Dan vraag ik me af of we toen wezenlijk anders waren. Want in die goeie ouwe tijd rotten onze tanden nog weg, waren we verslaafd aan laudanum, crepeerden we aan syfilis en TBC, en waren we op ons veertigste gesloopt door slecht vreten en onmenselijke arbeid.

Wat niet veranderd is, is de bedrijvigheid. Onze voorouders lijken opgejaagd te worden door eenzelfde druktemakerij als die wij in het heden koesteren. Alsof de pauzeknop defect is geraakt. Verder ravotten hun kleuters en huilen hun baby’s zoals moderne hummels dat doen.

The devil is in the detail. De volwassenen kijken argwanend in de lens, alsof hun ziel door de opname gestolen wordt. De enkeling die wél lacht doet dat uit zenuwen voor dat rare apparaat met die slinger. Logisch. ‘Say cheese!’ zal pas vijftig jaar later geïntroduceerd worden, als de consument is uitgevonden en de camera betaalbaar is geworden.

De visuele tijdreis biedt ons een glimp van de mens toen deze nog niet geobsedeerd was met zijn zelfbeeld. Toen we nog niet verkrampt naar het vogeltje lachten of met een selfie onze persoonlijke PR op Instagram plempten. We moesten nog visueel leren liegen. Wel stralen we al een trots uit die we kennen van de fotografie uit die tijd. De triomf van ingebeelde onsterfelijkheid.

Toen ik als knulletje zulke filmpjes op tv zag, waren de jongste figuranten nog springlevend in het bejaardentehuis te vinden. Anno 2020 ligt dat anders. Iedereen op de beelden is nu gegarandeerd dood. Ie-der-een. Ook de ravottende kleuters en de huilende baby’s. Dit besef geeft de bedrijvigheid, meer nog dan bij foto’s uit die tijd, een noodlottige zweem. De hectiek komt bijna absurd over.

Aldus de schrijver vanuit zijn luie stoel in zijn ivoren toren. Kauwend op een kerngezonde maaltijdsalade met een perfect onderhouden gebit. De arrogantie van ingebeelde wijsheid? Ongetwijfeld. De ironie wil dat ik mijzelf vreselijk achter de broek moet zitten om deze blog leesbaar te maken. Wat een druktemaker! zullen visuele tijdreizigers uitroepen, als ze mijn website over 120 jaar opgraven. Ik hoop dat ze mijn pauzeknop dan even willen indrukken.

Meer tijdmachine op YouTube

De versmelting

Ze kwamen bij de Aldi aanzetten op eenzelfde type fiets. Ze waren gekleed in uniseks ANWB-jassen en bonden identieke, vrolijk gekleurde mondkapjes vóór. Samen duwden ze hun gedesinfecteerde boodschappenkarretje richting vissticks. De versmelting was compleet – alsof ze elkaar met een 100% match op Relatieplanet hadden getroffen.

Vroeger observeerde ik dergelijke wezens met een antropologisch dedain. Iets in de geest van ‘Jut & Jul go shopping’. Tegenwoordig kan ik mezelf betrappen op een zweem van jaloezie. En denk ik aan onze grootouders, die het doodnormaal vonden om bij elkaar te blijven, door dik en dun. Natuurlijk wilden zij elkaar wel eens vergiftigen en droomden ze van vreemdgaan met de melkboer, maar dat platina huwelijksfeest zou er komen. Misschien was de oorlog hier mede debet aan; als je eenmaal doodsangst ervaren hebt, kun je liefde – hoe gemankeerd ook – beter waarderen.

Dat ligt wel anders bij mijn generatie. Het aantal paartjes uit mijn vriendenkring dat nog bij elkaar is – én het wel eens met elkaar doet – is op één hand te tellen. De rest heeft toegegeven aan de seven year itch. Steeds moest loyaliteit plaatsmaken voor de hunkering naar zelfontplooiing. Want levenservaring, da’s gulden. Toch?

Dat kan ik weten, want ik heb mezelf een ongeluk ontplooid. Ook qua liefde. Steeds duurde de verkering een paar jaar, om dan vast te lopen op mijn onmogelijke karakter. Steeds kwam ik mezelf tegen in plaats van de ander. Nu lijkt het alsof ik aan mijn taks zit. Zou er een limiet bestaan aan de hoeveelheid liefde die een mens kan incasseren? Niet dat ik spijt heb van al dat aan-zijn en uit-gaan, want veel meegemaakt en trouw gebleven aan mijzelf. Dus waarom voelt het dan als een falen?

En belangrijker: waarom duw ik mijn karretje nog steeds achter Jut & Jul aan? Probeer ik hun het Geheim der Eeuwige Liefde te ontfutselen door exact dezelfde boodschappen in mijn kar te laden? Of wil ik me slechts laven aan hun versmelting bij de vissticks? Soit. Als er weer oorlog uitbreekt maak ik een profiel aan op Relatieplanet: ‘onmogelijke man zoekt dito vrouw met uniseks ANWB-jas’. Dat gaat een 100% match worden.

De zwaan

Als er een type sporter bestaat dat ‘bootcamper’ heet, dan ben ik er een. Met een welhaast maniakale zelfdiscipline jaag ik mijzelf driemaal per week naar de sportschool. DO IT REIN! schreeuwt de inner sergeant dan in mijn oor, DO IT! In de gym word ik een echt mannetje.

Ik train niet omdat ik het lekker vind, maar om de fysieke aftakeling af te remmen. Mijn gekreun onder de barbell is een hartenkreet om weer een jonge god te lijken. Een verloren wedstrijd uiteraard. Bovendien: schoonheid is niet wat je in de spiegel ziet, zo weet ik van de eenzame crawlers.

De zwemster op de foto spotte ik half november in het Merwedekanaal. Het was een milde dag, maar het water moet toch bloody cold geweest zijn, zelfs in een wetsuit. Een echte doorzetter. Ze deed me denken aan mijn ex.

Die heeft nooit aan sport gedaan, maar is van de ene op de andere dag gaan duurzwemmen. Meer dan vier kilometer legt ze nu af, achter elkaar, in een plas vol snoekbaarzen. Toch is ze geen bootcamper. Ze doet het omdat ze het lekker vindt. Het zijn ook niet haar meterstanden die indruk op mij maken. Het is haar stijl. Ze crawlt spettervrij. Een schouwspel zó sierlijk, dat het waterballet lijkt. Zij is van het sporttype ‘swan’, zo heb ik besloten.

U voelt hem al hangen. Eigenlijk wil de bootcamper in mij een swan zijn. Want bankdrukken voor de eeuwige jeugd, dat voelt soms wat pathetisch. Alsof de essentie van het leven me ontgaat. Immers, ouderdom is uitgevonden om ons duidelijk te maken dat schoonheid niet draait om de ‘wat’ maar om de ‘hoe’.

Dus als u straks in het plaatselijke sufferdje leest dat er een ouwe lul in een te strakke wetsuit uit het Amsterdam-Rijnkanaal is gevist omdat hij met zijn gespetter te veel golfslag veroorzaakte voor passerende tankers, dan weet u dat deze bootcamper een laatste poging heeft gedaan om, statig gelijk een zwaan, de winter van zijn leven in te glijden. DO IT REIN! DO IT!

De ontsnapping

Ik houd van de metro. Niet vanwege haar efficiency, maar omdat er niemand voor de lol in gaat zitten. Je treft er zelden dagjesmensen aan, vrolijkheid lijkt er ongepast. Het is een vervoermiddel voor forensen en werklozen. Buiten is het donker waardoor het ochtendhumeur en de avondsomberte onbarmhartig in de ramen weerspiegeld worden. In de metro zien we elkaar zoals we werkelijk zijn.

Áls we elkaar zouden zien. Oogcontact is er taboe, iedereen houdt zijn portable escapisme in de aanslag. Vroeger was dat de krant, tegenwoordig verdwijnen we in de telefoon. Ikzelf heb de neiging om reizigers te tellen die voor zich uit staren; zielen die de eenzaamheid durven te omarmen of zich in een dagdroom verliezen.

Dan denk ik aan de metro van Parijs, met zijn exotische geuren en bulk van warme lucht die door de voorste wagen de halte ingeduwd wordt. Of aan die van Amsterdam, waarvan de intercomdame met een Amerikaans accent probeert te spreken. En die van New York, met zijn vol gekliederde en rammelende wagens, die Manhattan met de getto’s probeert te verbinden. De subway is het domein van de straatfotografie.

Maar dan wel met een rouwrandje. Ontdaan van autoriteit, biedt de metropool er een vrijhaven aan sujetten die zich bovengronds in de schaduw zouden ophouden. Zakkenrollers die loeren op open rugzakjes, straatmuzikanten die te luid spelen om een euro af te dwingen, scootertuig dat de regen mijdt op zoek naar mot. Alsof de mens zich hier een weg onder zijn beschaving heeft gegraven om zijn wortels af te tasten in de klei waaruit we voortkomen. Not a pretty picture.

Het beste zicht biedt een plaats achterin. Daar kun je zien hoe de metro voort dendert als een duizendpoot op steroïden, onwetend van het stille leed der passagiers. Koortsachtig op zoek naar licht, gedoemd om een bestaan in de duisternis te slijten. Tot er metaalmoeheid optreedt. En hij wordt weggesleept voor een roemloos einde op de sloop.

Slechts een enkel exemplaar weet aan zijn lot te snappen. Zoals wagen 6351 richting Spijkenisse. Op het eindstation knalde hij door de stootblokken heen, om opgevangen te worden door de vinnen van een kunstwalvis. Welk een poëtisch wereldnieuws! De bestuurder bleef ongedeerd, reizigers ontbraken. Als die laatsten er nog wel in gezeten hadden, zouden zij niet opgekeken hebben van hun smartphone. Terwijl het mooiste escapisme toch om ons heen gebeurt. Je moet er alleen oog voor hebben.

Make My Balcony Great Again!

Met trillende hand ruk ik een Bud open in de keuken. In één teug drink ik het leeg. De alcohol verdwijnt in een kolk van adrenaline. Ik laat een boer ontsnappen. Dan volgt de stilte voor de storm. Iedere vezel in mij verkeert in staat van paraatheid. Alsof ik mijn hele leven naar dit moment heb toegeleefd. Wegkijken is geen optie meer. Mijn grens is bereikt.

Gisteren zweette ik nog peentjes bij de kassa van de speelgoedwinkel. ‘Voor mijn neefje,’ probeerde ik met een scheve glimlach. ‘Een cadeauverpakking graag.’ Goddank hoefde ik geen ID te tonen. De weg terug heb ik gesnelwandeld, want in mijn buurt willen ze nog wel eens preventief fouilleren, waarbij ze het vooral op oude witte mannen gemunt hebben. Geriatrisch profileren heet dat.

Even later had ik hem toch echt boven mijn open haard hangen, naast de laatste Sumatraanse neushoorn: de Nerf Supersoaker XP100. Bereik: meer dan 12 meter. Op de doos staat een disclaimer: niet geschikt voor kinderen jonger dan 8 jaar. Heavy duty gear. 

Ik ruk een tweede blikje open. Ook dat sla ik achterover. Maar ik laat geen boer. Ik spits de oren. Hoor hoe de gelukszoekers buiten roekoeën. Fladderen. Alles onder schijten. Hoe ze bezit nemen van mijn balkon. Het balkon dat ik van mijn belastingcenten huur.

Ik pak de soaker. Hurk bij het aanrecht onder het geopende raam, de XP100 tegen mijn borst geklemd. Pomp stilletjes perslucht in het waterreservoir. Wacht af, azend op een moment van onachtzaamheid. Dan, als ze het niet meer verwachten, sta ik met een ruk op. Ik pomp nogmaals… richt... en spuit ze met een megastraal van mijn territorium af. PRAY AND SPRAY BABY! EIGEN BALKON EERST! MMBGA!

De coronatest van het kartel

Natuurlijk ben ik weer de enige die op de fiets gekomen is. Verder zit iedereen veilig in zijn koekblik af te wachten tot ie aan de beurt is. Vier straten tel ik totaal. Die zijn alle vier hard nodig, want volgens een regelaar dienen er zich zo’n 800 zielen per dag aan. Populaire stek.

De gezelligheidsprijs zal de loods echter niet krijgen. Hij staat op een god verlaten fabrieksterrein nabij een god verlaten rangeertraject. Zo’n plek waar criminelen worden geript, gestolen auto’s worden omgekat en tegenstanders van het kartel met een tandartsboor worden doodgemarteld.

Het wemelt er van de zorgpro’s met mondkapjes en plastic schermen. Ze geven instructies aan automobilisten die droog kuchen. De situatie heeft veel weg van de set van een rampenfilm rond een epidemie, zij het met een cameraman die geveld is door het virus.

Aansteller! hoor ik mezelf zeggen terwijl ik opschuif in de rij. Mijn klachten zijn immers verwaarloosbaar. Ik heb geen verhoging. Geen droge kuch. Geen pijn op de borst. Die snotneus en vermoeidheid komen natuurlijk door overijverig trainen in de sportschool. Maar Hannik moet weer iets bijzonders mankeren. De krant halen. ‘Het was puur op wilskracht dat Rein het dodelijke virus wist te overwinnen!’

Als ik aan de beurt ben word er naar mijn burgerservicenummer gevraagd. Het zweet breekt me uit. Moet ik dat uit mijn hoofd weten!? piep ik gesmoord door mijn mondkapje. Welnee. Staat op je ID. Ik slaak een zucht van verlichting die mijn bril doet beslaan. Als de formaliteiten afgehandeld zijn moet ik plaatsnemen op een keukenstoeltje. ‘De elektrische stoel!’ grap ik zenuwachtig. Niemand lacht.

Een verpleegkundige met wattenstaafje nadert me behoedzaam. Hij zegt slijm af te willen nemen in mijn keel en sinus. Wat ie niet weet is dat mijn reflexen anders zijn dan die van gewone stervelingen. Invasieve handelingen doen mij op tilt slaan (een kwestie van een ongewone jeugd). Zo moest er ooit een oogoperatie onder plaatselijk verdoving afgeblazen worden omdat ik me verweerde tegen de chirurg. Aard van het beestje. Ik ben dus meer gespannen voor de coronatest dan voor de uitslag.

Als het staafje achterin mijn keel gestoken wordt moet ik alle zeilen bijzetten om de broeder geen klap te verkopen. Kokhalzend knijp ik in mijn vuisten. Dan begint ie te wroeten in mijn sinus, alsof er een biopt van mijn frontaalkwab afneemt. Net op tijd weet ik in mijn Zero-modus te geraken. Er vallen geen slachtoffers.

Nu zit ik weer op de fiets. Rillend, alsof ik gemolesteerd ben. Is dat wat ze bedoelen met lichamelijke integriteit? Aansteller! hoor ik mezelf hardop zeggen. Kan wezen. Maar bij een volgende epidemie word ik liever getest door een tandarts van het kartel. Heb ik tenminste recht op drama.

PS: De uitslag was negatief. Goed nieuws dus. Een kwestie van wilskracht mag ik aannemen, maar daar hoor je de krant niet over.

Nog 20 jaar wachten

Het zelfbeeld slaat meestal toe als ik mijn flatje ontvlucht ben om een wandeling langs het kanaal te maken. Dan zie ik mijzelf lopen: een oudere man in een veel te zware lederen jas die met veel te grote stappen voort marcheert. Op de vlucht voor zijn schaduw? Of voor zijn transformatie?

Want er heeft zich in de loop der jaren een even geleidelijke als onverbiddelijke mutatie aan mij voltrokken. Op mijn twintigste had ik bakkebaarden en ging ik door voor stronteigenwijs. Op mijn veertigste had ik een commandocoupe en werd ik versleten voor uiterst eigenzinnig. Zolang je jong bent, is het spannend om af te wijken. Maar toen ik zestig werd en een baard liet staan, was ik opeens excentriek. Kon dat nog wel doorgaan voor sexy? En wat zal mijn volgende hoedanigheid worden? Een oude zonderling?

Zoals oom Franz dat was. Die had een poolbaard, ging gekleed in een eeuwige winterjas, leefde op chocoladerepen en was gezegend met een uitputtende kennis van de Olympische Spelen. Op de toppen van zijn kunnen wikkelde hij 27 zwerfkattenlijken in kranten om ze voor de eeuwigheid te conserveren. Volgens mijn moeder dreigde ik net zo’n viespeuk te worden. Dus werd 'oom Franz' voor mij een geuzennaam. Tot ik mijn eigen moeilijke zelf werd.

Zo’n zelf die anno 2020 dag in dag uit koortsachtig zit te schrijven in zijn flatje. Iedere dag typ ik iets manischer, iets fanatieker, iets grimmiger. Niet dat de buren veel merken van mijn desintegratie. Zolang de gordijnen van mijn appartement gesloten blijven is er geen sprake van decorumverlies. Zo word ik ook niet afgeleid door het schitterende uitzicht op het kanaal. Eigenlijk is mijn flat een ideale quarantaineruimte voor auteurs met fantoomcorona.

Maar wat te verwachten als ik straks 80 winters heb overleefd? Als mijn zelf te zonderling is geworden voor de maatschappij? Word ik dan als een vergrijsde, ungeheures Ungeziefer uit mijn flatje gezet en in Huize Zonnegloren aan de bingotafel vastgeketend? Zal ik eindigen als oom Franz die gedwongen werd opgenomen omdat zijn kattenmummies begonnen te stinken? (En die – tegen alle verwachtingen in – helemaal opbloeide in de inrichting door alle aandacht die hem daar ten deel viel!?) Planning van je oude dag heet dat.

Laat ik voorlopig vertrouwen op mijn genen. En een zwerfpoes in huis nemen. Een hoogbejaarde, valse kat die allergisch is voor smalltalk. Om haar dan zorgvuldig in kranten te wikkelen en voor de eeuwigheid te conserveren.

PS De foto is mijn profielfoto die verouderd is met Faceapp

wonder

Het was een jaar of twintig geleden dat ik van carrière switchte. Mijn columns en filmrecensies brachten te weinig geld in het laatje, dus ik had besloten copywriter te worden. De reclame in! Daar zat immers het grote geld. Maar eigenlijk had ik als freelancer vooral behoefte aan collega’s. Een vaste baan, dat moest een warm nest zijn met schouderkloppende buddy’s, flirtende secretaressen en een vaderlijk glimlachende baas.

Dus. Open sollicitatie rondgestuurd. En jawel hoor. Binnen een week werd ik aangenomen. Bij een bureau aan een chique Amsterdamse gracht. Solliciteren, daar ben ik een kei in. Maar dan de baan zelf. Die leek in de verste verte niet op die in mijn fantasie. Het loon was karig (zelfs voor een overjarige junior copywriter), de collega’s maakten sarcastische grappen en de baas kampte met woedeaanvallen. Een kruising tussen het studentencorps en de Albert Cuyp leek het. Geen plek om onbezonnen te brainstormen.

Mijn eerste opdracht was een echte uitdaging: schrijf een pay off voor een grote, internationaal opererende drukkerij. Ik kreeg een zolderkamertje tot mijn beschikking, met uitzicht op een veel te goed onderhouden achtertuin. Binnen vijf minuten had ik de pay off op papier staan: ‘For lasting impressions.’ Geniaal! vond ik zelf. Voldaan leunde ik achterover in mijn bureaustoel. Reclame moet een beetje filosofisch van toon zijn, bedacht ik me, starend naar de strak aangeharkte begonia’s. Poëtisch zelfs.

Het probleem met copywriting is dat je met meerdere voorstellen moet aankomen, zodat de opdrachtgever niet de indruk krijgt dat hij duizenden guldens betaald heeft voor 5 minuutjes werk. Dus ik kauwen op alternatieven. Maar creatief zijn op commando, da’s als seks met een dubbelloops tegen je slaap gedrukt. Uren en uren heb ik uit het raam getuurd, dromend van een baan met schouderklopjes, biddend om een wonder.

Dat kwam na iets van 18 maanden. Sinds mijn komst was de klantenkring danig geslonken, het bureau dreigde om te vallen - alsof ik bij mijn aantreden het noodlot had meegebracht. Last in, first out. Ik werd ontslagen. God, wat voelde dat goed. Alsof ik bevrijd werd uit de ambassade in Teheran.

Het baantje zou mijn laatste functie in de reclame worden. Maar de copywriter in mij was ontwaakt. In mijn fantasie won ik het ene Lampje na het andere. Dagdromen, daar ben ik een kei in.

De afgelopen twintig jaar ben ik geen enkele reclame-uiting tegengekomen die ook maar in de buurt kwam van mijn geniale ‘For lasting impressions’. Tot ik van de zomer op dit bord stuitte. ‘Bel voor een wonder’ leest het. Het betreft een tentoonstelling over wonderen in het Catharijne Convent. Hoe poëtisch! bedacht ik me. Vast opgetekend door een copywriter die veel uit zolderramen heeft gestaard. Ik heb het nummer onder een sneltoets gezet.

De havermoutman

Aanvankelijk dacht ik dat ik voor deze tijden in de wieg gelegd was. Hamsteren, jezelf opsluiten en naar de wereld gluren – het is mijn tweede natuur. Ik was er dan ook vroeg bij met deze crisis. Nog voordat het grauw zich in zijn carnavalstenue had gehesen, sloeg deze jongen al pakken sojamelk en havermout in. Want pap, dat blijft járen goed. En eet gezellig weg, terwijl je je ergert aan YouTubejes van feestbeesten die schijt hebben aan de anderhalvemetersamenleving.

Maar eens in de zoveel weken moet ik nieuwe pap inslaan. Dus vanochtend stond ik om 08:03 voor de Aldi. Da’s voor mij een heel normale tijd, want ook pre-corona meed ik de massa. Maar anders dan voorheen was het er al om 08:05 druk. Daarbij winkelden de klanten alsof ze een soort Rein waren geworden: gehaast, argwanend en doelgericht op jacht naar wc-rollen. De caissières zaten achter plexiglas uit de Bijlmerbajes. De radio klonk als de liftmuziek van de Towering Inferno. Mijn Aldi was de Aldi niet meer.

Er was nog een reden waarom ik me niet op mijn gemak voelde: ik was weer eens verkouden. Dan mag je eigenlijk de straat niet op, volgens het RIVM. Maar straks is mijn pap op. En de Aldi is te goedkoop voor een bezorgerservice. Nood breekt wet.

Terwijl ik me met mijn loopneus en volle kar richting kassa haastte, voelde ik hem opkomen. De nies. Halverwege de afdeling Houdbaar kon ik hem niet langer inhouden. Mijn neus ontplofte, nog voordat ik mijn elleboog gereed had. Een ware snotexplosie was het – mijn coronabacillen waren airborne tot aan de wc-rollen. Zo’n nies waar je 400 euro boete voor krijgt van het RIVM.

De winkelwagentjes in de super kwamen abrupt tot een halt. De muzak viel stil. De kassa hield op met rinkelen. Het grauw nam me met afgrijzen op. Ik deed alsof mijn neus bloedde en legde mijn boodschappen op de band. De caissière, die anders altijd vriendelijk naar me glimlacht, pakte mijn pap op alsof het een volle condoom was. Ik was de eerste persona non grata van de Aldi geworden.

Nu zit ik weer thuis. Maar de crisis is niet meer wat ie geweest is. De quarantaine voelt als een huisarrest. De pap smaakt naar gevangeniskost. En ik verlang naar de tijd dat ik nog een feestbeest was. Als ik nu op YouTube kijk, is dat om te checken of er iemand al een filmpje van mijn nies online heeft gezet. Eenzaam viraal gaan, het is mijn tweede natuur.

Schaduw

‘Van de maan af gezien zijn we allen even groot’. Aan deze quote van Multatuli moest ik denken toen ik vanmorgen vroeg in alle stilte een wandeling maakte. De slagschaduw die mijn persoon over het asfalt wierp deed me beseffen waarom de spreuk zo poëtisch is; Multatuli’s gebruikt niet voor niets ‘groot’ in plaats van ‘klein’.

Een troost in deze tijden waarin een microscopisch klein kwaad de mens nietig doet voelen. Zelden zijn we zo weerloos geweest. Zo kwetsbaar. Zo eenzaam. En al geef ik dat niet graag toe, ook een schrijfsoldaat als ik gaat eronder gebukt. Vooral onder die sociale afstand – nota bene dezelfde afstand die ik mezelf het afgelopen decennium heb opgelegd om boeken te kunnen schrijven. Nu die me wordt opgedrongen heb ik het er moeilijk mee. Verleidt ie me tot zelfmedelijden. En dat is misschien wel de lelijkste emotie denkbaar.

Ter medicatie bekijk ik dagelijks vlogs van het front. Niet van politici of virologen, maar van artsen en verpleegkundigen. In Italië, Spanje, Groot-Brittannië, de VS en derdewereldlanden. Brandhaarden waar zorgsoldaten onomwonden vertellen over het slagveld der IC. Zij hebben geen tijd voor zelfmedelijden, geen ruimte voor ego. Ze werken zich – steeds vaker letterlijk – dood (alleen al in Italië zijn inmiddels 54 artsen in het harnas gestorven). Vanaf de maan lijken we misschien alleneven groot, maar ik kan niet in hun schaduw staan.

Ik rond deze blog af met een link naar een vlog van een Britse arts die inmiddels zelf cornoa heeft opgelopen. Een grimmig verhaal, gespeend van het sentiment en de relativering waarmee wij onze zorgen sussen als we de benen strekken voor een wandeling in de morgenstond van deze schitterende lentedag.

Duur: 5 minuten. https://www.youtube.com/watch?v=0ts8X3HDtPE

P. herrijst in de Volkskrant

Nu de dood weer een zichtbare plek in onze maatschappij heeft veroverd, leek het me gepast wat verlichting te bieden met deze anekdote over een overleden vriend. De blog is een paar maanden op de plank blijven liggen omdat ik het te druk had met mijn boek.

Hij was zo’n vriend die de gewoonte had om aan te bellen als je net het bovenste knoopje van je vriendin had losgemaakt, of als je net op de toiletbril had plaatsgenomen voor een grote boodschap. Een onfeilbare timing voor het verkeerde moment had ie. Toch was P. een onmisbare vriend. Vanwege zijn vasthoudendheid. Als hij vermoedde dat ik thuis was en mijn snor weer eens drukte achter mijn toetsenbord, monomaan typend aan een meesterwerk, belde hij net zo lang aan tot ik opendeed. Om me uit te nodigen voor een wandeling langs het kanaal. P. kende zijn pappenheimer.

P. is nu meer dan tien jaar dood. Bij trouwe lezers gaat er wellicht een (aanhoudend) belletje rinkelen, omdat ik een blog of twee aan hem gewijd heb. P. was die vriend wiens donorhart werd afgestoten, een jaar na transplantatie. Dat ik hem nogmaals reanimeer komt omdat ie de krant heeft gehaald. Postuum. Zoals alleen hij dat kan.

We gaan terug naar 2002, jaren vóór de transplantatie. S., een wederzijdse vriend, gaat bij P. langs omdat deze jarig is. S. heeft een cadeau meegenomen, uit eigen kast geplukt, een boek waar ie zelf niet doorheen kan komen. Er wordt niet opengedaan. Ook niet als S., geheel in P.’s traditie, driemaal lang, doordringend en aanhoudend op de bel heeft gedrukt. Nou gebeurt dat wel vaker, dat P. de dag verslaapt vanwege zijn opgerekte hart. Dus S. schrijft een boodschap in het boek en keilt het cadeau door de brievenbus.

Fast forward naar de zeroties. Inmiddels is P. overleden. Hij heeft een dochter en een weduwe achtergelaten. Die weduwe stuit, bij het opruimen van zijn spullen, op dat boek van S. Omdat zij er ook niet doorheen kan komen, schenkt ze het aan de Kringloop. Waar het door een Volkskrantlezer op de kop wordt getikt. Die is zo gecharmeerd van S.’s boodschap dat hij het boek opstuurt naar de krant. ‘We komen nooit van hem af,’ zingt het even later rond in P.’s vriendenkring, met deze screemdump als bewijs.

Ik maak graag grapjes over P. Da’s mijn manier om iets anders te zeggen. Wie die omweg niet hoeft te maken is zijn dochter. Ik heb van haar moeder vernomen dat ze eens over haar vader zou willen praten. Met mij, omdat ik hem goed gekend heb. Dat vind ik een mooi idee. Niet alleen omdat ik het stilletjes verwacht heb. Maar ook omdat ze een bijzondere meid is. Eigengereid, koppig. Precies haar pa. Dus als er straks bij mij aangebeld wordt – lang, doordringend en aanhoudend, dan weet dat ik mijn meesterwerk even moet laten voor wat het is. Om de veters te strekken voor een wandeling down memory lane.

Als je meer over P. wilt lezen, ga dan naar deze blog.

Einde der Tijden

Wil ik na jaren van eenzaam typen en onderliggend lijden eindelijk uit mijn bunker kruipen omdat mijn roman af is, blijkt buiten de pleuris uitgebroken!

Voor de enkele lezer die de rampspoed overleeft en dan zin heeft in een dystopische sfeerschets: het boek ligt in de schappen zodra de drukker uit quarantaine komt. Tegen die tijd zet ik het werkelijke omslag online (plaatje bij dit bericht is gejat van film). Een presentatie zit er niet in - tenzij ik meer dan 100 man weet op te trommelen natuurlijk.

Take care allemaal!

*snuit neus in oksel*

En zijn manuscripten

Op de valreep een teken van leven. Ik had deze kaart nog liggen, vandaar. Da’s het mooie aan die dingen: je kunt ze ieder jaar met een kleine correctie opnieuw versturen. Net als manuscripten.

Zoals sommigen van jullie weten ben ik de afgelopen maanden offline geweest om mijn roman af te ronden. Met inmiddels drie versies is het een zware bevalling. Dat komt doordat er geen sprake is van een dwingende plot, zoals bij Coef het geval was. Maar ook doordat ik lange tijd niet precies wist waar het boek over gaat.

Wat ik wél wist, was dat het een sfeerschets van Rotterdam in 1979 moest worden. Opgebouwd uit fragmenten, als een caleidoscopische impressie. Ik vertrouwde er blind op dat de flarden uiteindelijk een geheel zouden vormen. Toch moest ik in de slotfase tot bloedens toe schaven en schrappen om het mozaïek zichtbaar te krijgen. Een ‘creatief avontuur’ heet dat met een trendy eufemisme.

Feedback van de uitgever en dat van een proeflezer hebben me geholpen. Soms spraken hun bevindingen elkaar echter tegen. Gaandeweg besefte ik dat je het niet iedereen naar de zin kunt maken. Dat je als schrijver verantwoording moet nemen voor je werk. Een kwestie van volwassen worden. Net zoals mijn held dat moet, in het coming of age verhaal dat het geworden is.

Rest de vraag of het resultaat er wezen mag. Dat moet de uitgever bepalen. De laatste versie ligt ter beoordeling op zijn bureau. Mocht de roman gepubliceerd worden, dan ligt ie voorjaar 2020 in de schappen van IJzer. Duimen jullie voor me?

Ooit hoop ik met een glimlach terug te kijken op het ontstaansproces. Want zo’n intuïtieve werkwijze – noem het gerust een vrije val – heeft ook een louterend effect. Juist omdat ie hachelijk is. Maar nu ga ik eerst een fles zoete witte wijn van de Aldi soldaat maken. Om de nekspieren los te krijgen.

In het nieuwe jaar zullen er weer blogs van mijn hand verschijnen. Wellicht ook filmrecensies. Zolang het maar short copy is. Heerlijk, 400 woordjes met instant reacties in plaats van een oneindig aantal pagina’s in een digitaal vacuüm.

Om de held uit mijn roman te citeren: ‘Enveloppen stempelen. Duizend stuks. Tienduizend. Een miljard. Maakt niet uit hoeveel. In de Zero is kwantiteit een constante, zoiets als het aantal indianen in een John Wayne-film. Er is altijd oneindig veel neer te schieten, nooit is iets af.’

leesbarenaamfoto
ondertitel

In het oog van de storm

Een eerwraak die ontspoord is in een terroristische aanslag? We gaan niet speculeren. Wel vreemd om dit mee te maken in de buurt van je eigen flatje, zo’n dreigingsniveau 5. Politie te water en in de lucht, loeiende sirenes die door de straten scheuren. En een foon vol appjes van bezorgde vrienden. Pijnlijk genoeg word ik juist rustig van dit soort sferen. Misschien omdat ik ervoor ben opgevoed. Maar mijn dagelijkse wandeling voelde toch heel anders met die drone in de lucht, die werkelijk iedere voetstap van me leek te volgen. Alsof er opeens gehandhaafd werd in de wijk.

Wij waken over u
Een veilig gevoel

Is altijd geler

Aan de overzijde van het kanaal, tegenover mijn afbraakflat, wordt een tweeverdienerswijk gebouwd. Duurzame woningen met laadpalen, een parkje en stromend water voor de deur. De droom voor ieder gezin! Als ik er langs loop tijdens mijn zondagse wandeling kan ik een schamper lachje niet onderdrukken. Want ik kijk toch een beetje neer op al dat burgergeluk. Dan vind ik mezelf opeens een heel speciaal iemand, met dat schrijftalent van me. En keer ik zelfvoldaan huiswaarts.

Wat mijn toekomstige overburen niet weten is dat ik een telescoop ga aanschaffen. Ter inspiratie. Om te kijken hoe moeder de vrouw vreemdgaat met de buurman. Hoe de dochter verslaafd raakt aan selfies maken onder de douche. Hoe de zoon zijn geheugen wegblowt. En hoe vader pornosites met Thaise transjes bekijkt. Kortom, hoe er barsten ontstaan in het vernis der normaliteit. Levert me vast een paar mooie blogs op.

Wat ik niet weet is dat het gezin ook een telescoop gaat aanschaffen. Ter vermaak. Want zij hebben gehoord dat er aan de overkant een zonderling woont. Zo’n schrijver die iedere dag idioot vroeg opstaat omdat ie ’s middags een writer’s blok heeft. Die te weinig onder de mensen komt omdat ie voortdurend moet schrijven van zichzelf. Die denkt dat heel veel ijsberen ook heel veel inspiratie oplevert. Die voortdurend YouTubejes zit te bekijken omdat ie nooit zin heeft om te schrijven. Kortom, zo’n getormenteerd kunstenaar die beter een burgermansbestaan had kunnen leiden. Levert vast vermakelijke beelden op.

Wat niemand mag weten is dat ik op zondag best wel eens bij mijn overburen zou willen aankloppen. Gewoon, om een bakkie te doen. Even bij te kletsen. We kennen elkaar immers als geen ander! Maar grote kans dat ik dan niemand thuis tref. Omdat het gezin net een wandeling maakt aan de overkant van het kanaal. Als ze daar zo langs de afbraakflats lopen kunnen ze een schamper lachje niet onderdrukken. Want ze kijken toch een beetje neer op al die troosteloosheid. Opeens voelen ze zich een hecht gezinnetje. En keren ze zelfvoldaan huiswaarts.

Het gras van de buren
Een pot duurzaam goud

Doomsday

Vandaag de dag is het precies zestig jaar geleden. Dat dictator Batista werd afgezet door revolutionair Castro. Dat Prins Bernhard aan de dunne raakte van Paraguay’s exotische spijzen. En dat ondergetekende het levenslicht zag, in de vrieskou van vrijdag 13 februari 1959. Ik vond het maar niets, zo buiten die warme baarmoeder.

Precies 525.816 uur later sta ik achter mijn toetsenbord. En vind ik het nog steeds niets. Dit leven zonder succes, kinderen en linkeroog. Bovendien word ik gekreupeld door een aanval van spit. Niet bukken! lees ik op internet. Gewoon doortypen! zegt mijn inner sergeant.

De tijdelijke invaliditeit dwingt me tot een zeldzaam moment van bezinning. Nederigheid. Dankbaarheid zelfs. Ik besef wat een mazzel ik heb gehad. Om geboren te worden in een oase van overvloed en zorg. In iedere andere samenleving was ik tot de bedelstaf veroordeeld, met die afgekeurde persoonlijkheid van mij. Al had ik dan vast geen spit gekregen.

Gelukkig duurt mijn dankbaarheid maar kort. Om plaats te maken voor dat vertrouwde gevoel van onvrede. Want in al die jaren buiten de baarmoeder heb ik me nooit ergens thuis gevoeld. Ook niet toen de aarde digitaal werd en zichzelf Facebook ging noemen, een verchroomde versie van het bestaan die roestplekken moet verdoezelen. Voel me een Fremdkörper tussen artefacten, een conciërge tussen carnavalsvierders.

Graag zou ik die Unheimlichkeit wijten aan de ongelukkige timing van mijn geboorte. Maar dat is onzin. Ik zoek het zelf op, de donkere luchten. Heb afzondering nodig om te kunnen schrijven. Om de juiste glans te vinden. De patina van melancholie oogt nu eenmaal sierlijker dan het geblikker van levenslust. Daarom woon ik in mijn verhalen, waarin ik het anderszijn kan vieren. Laten we het De Kracht van het Wegdromen noemen.

Maar laten we het ook niet mooier maken dan het is. Ik bivakkeer te vaak op de achterkant van de maan. In een duister vacuüm, tastend naar onderwerpen die wringen met de sunny side of life. Heel romantisch. Maar als ik niet oppas ga ik nog in mijn eigen kaalslag geloven. Gelukkig ben ik niet alleen. Gezien de reacties op mijn verhalen komen jullie graag schuilen in mijn schemerbestaan. Al was het maar om je even te laven aan de zwarte humor die het rijk is. Home is where the laughter is.

Over thuiskomen gesproken, nu mijn verjaardag de sfeer van een crematie heeft gekregen, rond ik af met een dankwoord. Zonder jullie was ik allang met typen opgehouden. Had ik mij nog dieper ingegraven in mijn krater. Was ik met een astroïde richting vergetelheid gelift. Had de spit gewonnen. Dus dank voor jullie leeshonger en schouderklopjes. Geeft de schrijver moed. Laten we het De Kracht van het Nog Net Niet Doorgebroken noemen.

Als icing on the cake ga ik nog even een scheve verjaardagswandeling maken. Eerst in het trappenhuis bijkletsen met de kickboksende schoonmaker voor tips bij onderrugpijn. Dan naar de drogist voor de meest verslavende pijnstiller die ze onder de toonbank verkopen. En allez hóp naar de volgende zestig jaar, met de veerkracht van een revolutionair die iets verkeerds gegeten heeft.

XR!

Zestig jaar
In één keer blazen!