blog titels

Blog

Van Noah

Mijn favoriete procrastinatiefilm is Waterworld. Hij speelt zich af in een postapocalyptische toekomst waarin de continenten onder water zijn gelopen. Eenzame held Kevin Costner jaagt er met zijn steam punk trimaran over de eindeloze baren. Hij drijft handel in spullen die hij van de zeebodem opduikt dankzij kieuwen die hij ontwikkeld heeft (don’t ask). Costner wordt voortdurend belaagd door zeerovers. Maar het is niet de actie die me boeit. Het is dat eindeloze wateroppervlak. Die ruimte! Die mogelijkheden! Iedere keer als ik moet werken zit ik fragmenten te bekijken op YouTube, dromend van een reset der mensheid, als individualist pur sang.

En iedere keer als ik tijdens mijn wandeling langs de vloot van Noah kom, moet ik aan Waterworld denken. Noahs moederschip ligt sinds mensenheugenis in het kanaal aan ‘mijn’ kade, vlak vóór de drie bruggen. Met het verstrijken der jaren is Noah een eenzame oude man geworden, met schichtige, wantrouwige blik. Ik knik hem altijd glimlachend toe, op een manier die je van een postapocalyptische kapitein mag verwachten. Ook pas ik mijn tred aan zodat het lijkt alsof ik zeebenen heb. Maar Noah knikt noch glimlacht terug. Hij mag mij niet. En de rest van de mensheid vermoedelijk evenmin.

Toch kan hij onmogelijk voor kluizenaar versleten worden, want hij bevoorraadt passerende binnenvaartschepen. Sommige schippers meren langszij aan, andere komen per bestelbus. Voor de laatste categorie rolt Noah vloekend vaten over de veel te smalle strip naar de kade. Hij verkoopt van alles, van rollen beschuit tot loodzware ankers. Maar Noah is meer dan een nautische bedrijfsleider.

Achter die schichtige ogen gaat de blik van een ziener schuil. Noah verzamelt namelijk scheepjes. Een half dozijn heeft ie inmiddels aan het moederschip vast gesjord. Ze lijken compleet doorgeroest. Toch weet hij ze op een of andere manier drijvende te houden. Inmiddels kunnen we spreken van een bescheiden vloot. En ik denk te weten wat hij ermee van plan is.

Lang voordat de global warming was uitgevonden, voelde Noah al aan zijn water dat het zeepeil zou stijgen. En dat dat sneller zou gaan dan de mensheid zou willen inzien. Het lijkt er op dat ie gelijk gaat krijgen. Zeker nu met die Oost-Duitse zomers zal het niet lang meer duren of de ijsberen komen langs drijven op het laatste stukje Noordpoolijs. Dan is het kanaalwater voor mijn deur gestegen tot aan mijn etage, de bovenste verdieping van vier woonlagen. Mocht Noah langs komen met zijn vloot, dan hoop ik dat hij mij zal oppikken. Zodat ik geen kieuwen hoef te ontwikkelen.

Maar ik voel nu al aan mijn water dat Noah niet voor mij zal stoppen. Dat hij alleen zal aanmeren voor mijn onderburen, bij wie het water tot aan de lippen is gekomen omdat ik hen de deur heb gewezen, uit angst dat ze mijn appartement zullen overnemen. Voor mijn slag is geen plaats aan boord, aldus Noah. Hij is dan misschien een eenzame man, hij houdt niet van einzelgängers die dromen van een decimering der mensheid om zelf tot hun recht te komen. Volgens hem is het de individualist pur sang die toe is aan een reset.

Dus. Terwijl zijn vloot met mijn buren richting toekomst vaart, zet ik de zaag in mijn laminaat. Voor Plan B. Een steam punk trimaran zal het niet worden, mijn vloot van laminaatvlotten is geënt op een andere favoriete procrastinatiefilm: Cast Away. Over een schipbreukeling. Daar ga ik nu alvast fragmenten van bekijken. Tot YouTube is ondergelopen.

De vloot van Noah
Klaar voor de zondvloed

Met de alien in ons

De belangrijkste reden waarom ik verhalen op Facebook plaats, is omdat ik zo contact kan maken met zielsverwanten. Daar bedoel ik niet alleen vrienden mee, ook mensen die ik helemaal niet ken. En mensen waar ik ogenschijnlijk weinig gemeen mee heb, of in het dagelijks leven niet snel zou ontmoeten. Die virtuele lijntjes vind ik bijzonder. Dus hoe bizar ik mijn universum ook moge presenteren, het is altijd de bedoeling dat de lezer iets herkent in mijn levensworstelingen en observaties. Hoe meer herkenning, des te krachtiger de connectie.

Natuurlijk is contact maken niet alleen voor een schrijver cruciaal. Het is een levensvoorwaarde voor iedere homo sapiens. De apensoort lijkt zich intrinsiek eenzaam te voelen, te hunkeren naar nóg meer broeders & zusters. Die bij voorkeur buiten bereik zijn. Waarom anders sturen we radiosignalen de ruimte in en proberen we uit diezelfde ruimte tekenen van leven op te vangen met enorme schotelantennes, terwijl we hier al met zijn acht miljarden langs elkaar heen praten? Alsof we onszelf het minst graag willen leren kennen.

Maar zelfs áls we contact kunnen maken met ander intelligent leven, dan is dat alleen zinnig met wezens waar we iets mee gemeen hebben. Die hier bijvoorbeeld ook wonen. Nou zijn er koffiedikkijkers die stellen dat UFO’s bestuurd worden door superieure aardbewoners, aliens die zich steeds terugtrekken in een dimensie die wij niet kunnen bevatten. Gaat uw lulkoekdetector vast van loeien. Toch loont het de moeite eens buiten uw doos te denken. Door een walvis onder de loep te nemen.

Uitgerust met het grootste brein ter wereld, houdt de potvis zich op in een ons grotendeels onbekend medium dat we oceaan noemen. Toegegeven, hun hersenen zijn in verhouding tot hun lichaamgewicht kleiner dan die van ons, maar ze communiceren op een niveau dat dat van ons wel eens zou kunnen overstijgen. Daarvoor maken ze gebruik van een klikachtig geluid. Aanvankelijk dachten wetenschappers dat dit slechts dienst deed als echolocatie, maar de klikcombinaties zijn zo extreem gevarieerd en complex, dat we van een taal moeten spreken, compleet met dialecten. Daarbij kunnen de mouse clicks ‘uitgeschreeuwd’ worden met een volume zo krachtig dat de signalen duizenden kilometers door het zeewater gedragen worden. Potvissen gebruiken de oceaan als een organisch internet.

Momenteel worden hun sound bytes geanalyseerd met behulp van kunstmatige intelligentie. Voor een juiste interpretatie dient de audio gekoppeld te worden aan gedrag. Maar potvissen observeren is lastig. Het dier moet niet veel hebben van de mens. Vermoedelijk bekijken zij ons zoals wij UFO’s waarnemen – met een flinke portie argwaan. Scheepsrompen staan bij hen te boek als Unindentified Floating Objects (die soms familieleden ontvoeren!). Van close encounters met bubbelende kikvorsmannen lopen ze een trauma op. Pas als wij zonder zuurstoffles in hun wereldje afdalen durven ze ons te benaderen. Sterker, free divers worden bedolven onder hun geklik. De potvis wil contact maken met de mens! Althans, zo zien wij dat graag.

Maar. Stel dat wij hun taal ooit ontcijferen. Stel dat we ooit kunnen terug klikken. Dan nog wordt het lastig communiceren. We leven immers in zeer verschillende omgevingen. Probeer een potvis maar eens duidelijk te maken hoe je een metrokaartje koopt in downtown New York. Dan zal hij je proberen uit te leggen hoe het is om in de complete duisternis van twee kilometer diepte op gehoor een reuzenpijlinktvis op te sporen. Zouden we elkaar ooit kunnen begrijpen? Misschien hoeft dat niet. Een vakantieliefde is immers zo betoverend door de taalbarrière. Misschien is de gewenste herkenning meer emotioneel dan praktisch, zoeken we slechts contact met een illusie die ons minder intrinsiek eenzaam doet voelen. Dan maakt het weinig uit of we dat signaal opvangen in de oneindige ruimte, de onmetelijke oceaan, of op het world wide web.

Contact met de alien in ons
Potvissen poseren in een verticale meditatiehouding om de fotograaf in de maling te nemen (zo heeft een analyse van hun morse ons geleerd)

En de autobeul

Iets verderop in de wijk woont een dertiger die er nog onguurder uitziet dan ondergetekende. Lang vet haar, pornosnor, kiloknallerpens en ogen zo diep in de kassen dat de man blind lijkt. Ik vermoed een rijk TBS-verleden – het type dat stiekem filmpjes maakt van veel te jonge buurmeisjes. Als ik een zoon had gehad, was hij zo geworden.

Moet gezegd worden dat hij consistent is in zijn verloedering, want hij rijdt uitsluitend in sloopauto’s. Drie heeft hij er voor de deur staan. Geërfde familiestukken? Alle drie verkeren in verregaande staat van ontbinding. Ongetwijfeld onverzekerd en ongeAPK’d, want hij rijdt er alleen mee over de kade. Heen en weer, ronkend, rochelend, reutelend, met halfzachte banden en een gierende distributieriem, de carrosserie krakend onder de corrosie. Als hij me met 3,2 km/u passeert staart hij door de nog nooit gewassen ramen met de chagrijn van een afgewezen kinderlokker.

Aanvankelijk zei ik tegen mezelf: niet zo snel met al die oordelen! Misschien is het een liefhebber met een kleine portemonnee! Zo een die járen Marktplaats afstruint op zoek naar unieke vehikels, collector’s items die hij dan schroefje voor schroefje restaureert! Een automotive dromer!

Misschien. Maar hij sleutelt op een manier waardoor ik weet dat hij niets van sleutelen weet. Hij gebruikt steeksleutels in plaats van dopsleutels. Maakt veel te bruuske bewegingen. Scheldt de nokkenas uit onder de motorkap. Rijdt bij voorkeur als er gepekeld is. Daarbij, zijn auto’s gaan steeds slechter lopen. Alsof hij de ontsteking expres verkeerd afstelt, de koppakking moedwillig laat lekken, de oliefilter met opzet laat verstoppen. Net zo lang tot de voertuigen bezwijken aan een vastloper of stikken in hun eigen vloeistoffen. Kortom, Hier is een autobeul aan het werk.

Gisteren heb ik gluurfoto’s gemaakt van zijn bolides. Die wil ik anoniem opsturen aan de RDW. Opdat de wagens in beslag in beslag genomen worden. En ze bij de sloper kunnen inslapen. Eindelijk, verlost uit hun lijden! Maar dat voelt fout, je buurman NSB’en. Daarbij, het blijft je droomzoon. Misschien moet ik eens contact met hem maken. Hem aanspreken op zijn gedrag. Vragen of ie die andere hobby niet weer kan oppakken (buurtkinderen zat!). Trekken we er een blikje Aldi-pils bij open. Laat ik hem eens goed uithuilen. Krijgt ie een hug van me. En rijden we gezamenlijk in een van zijn reutelende auto's naar de RDW. Voor een mooie biecht. Krijg er nu al een realityshowgevoel van.

De autobeul
Patina, of littekens als gevolg van jarenlange foltering en moedwillige verwaarlozing? Op de achterbank ligt een dichtgelast olievat (met daarin de resten van zijn natuurlijke vader?) om de assen onnodig te belasten

Van de kansloze winkel

Het is niet iets waar ik graag aan herinnerd word. Aan mijn plan om middenstander te worden, nog niet zo heel lang geleden, ergens eind jaren negentig. Als voormalig filmrecensent wilde ik een ‘kwaliteitsvideotheek’ beginnen. Ik was op dat onzalige idee gekomen door de introductie van de DVD. Eindelijk een drager die het medium waardig is! dacht ik, na me jarenlang geërgerd te hebben aan de smoezelige VHS-bandjes. Ik zag mijn shop al voor me: een cinefiele oase waar filmliefhebbers van heinde en ver op af zouden komen. Door een tekort aan liquide middelen is het er nooit van gekomen. Sterker, ik had mijn masterplan geheel verdrongen tot ik het onlangs met Facebook-vriendin Pien over troosteloze etalages had.

Iedereen heeft er wel eens een gezien: zo’n winkel met een etalage zó deprimerend dat je weet dat daar never nooit een klant over de vloer komt. In mijn jeugd zat er op de Nieuwe Binnenweg een beschimmelde drogisterij waar jarenlang een ruggenkrabber-met-minihandje van één gulden aan een zuignap tegen de etalageruit geplakt hing. Iedere keer als ik er langs liep voelde ik een onstuitbare drang om naar binnen te gluren. Nooit een klant gespot. Jaren later kwam ik in Crooswijk te wonen tegenover een sigarenboer annex kiosk die nooit open was. Met vergeelde, door het zonlicht kromgetrokken softpornoblaadjes in de etalage. Grote kans dat het lijk van de eigenaar zich in gemummificeerde staat achter de toonbank bevond.

Een speciale subcategorie wordt gevormd door etalages die zo mistroostig zijn dat ze instant medelijden oproepen. De schoenenzaak op de foto is er zo een. Pien, die hem vereeuwigd heeft omdat zij eenzelfde fascinatie koestert voor kansloze winkels, viel als een blok voor de nihilistische, zeg maar post mortem styling. Toen ze eenmaal de moed verzameld had om naar binnen te gaan, raakte ze zo mogelijk nog dieper onder de indruk van het interieur, dat gevuld was met gesloten, tot aan het plafond opgestapelde schoenendozen. Alsof de eigenaar na inkoop van zijn waar de lust was vergaan om die op een aantrekkelijke manier uit te stallen.

Als ik toentertijd mijn videotheekplannen had doorgezet, was Pien nu op mijn vergeelde etalage gestuit. Dat zit zo. Het afblazen had niet alleen te maken met geldgebrek. Het was tot me doorgedrongen dat sommige ondernemers alleen maar willen ondernemen omdat ze dan geen baas hebben die zegt dat ze aan het werk moeten. Zo’n ondernemer was ik. Ik wilde videotheekhouder worden om de hele dag films te kunnen snoepen, niet om winst te maken. Als ik over voldoende startkapitaal had beschikt, was dat inzicht vermoedelijk tijdens de opstartfase – bij de inrichting van de shop – bij me ingedaald. Wat tot een knoeperd van een depressie had geleid. Én tot een troosteloze etalage, waarin een paar stoffige DVD-doosjes met softpornofilms. Ikzelf zou door Pien zijn aangetroffen achter de toonbank, in gemummificeerde staat, met één vinger op de pauzeknop van de DVD-speler. Het had een geweldige foto opgeleverd, dat wel.

Credit foto: Pien Niehe

De gemummificeerde etaleur
Alleen het linkermodel is beschikbaar

Op de invalidenstoel

Voor een bewoner van een wijk waar de integratie volkomen mislukt lijkt, is het moeilijk de zegeningen van de multiculti te tellen. Een mens zou er bijkans nationalistisch van worden. Gelukkig maak ik ook momenten van verbinding mee die niet door de overheid gefabriceerd zijn. Zo trof ik in de bus richting U. een Indiase chauffeur die mij in mijn hoofd deed dansen. Maar niet voordat ik duizend doden was gestorven.

Ik had plaatsgenomen in de solo-stoel vooraan, die eigenlijk gereserveerd is voor invaliden. Hier zou ik gezellig met de chauffeur ‘mee’ kunnen rijden om dan onvermijdelijk in een middagdutje af te glijden. Het was me niet gegund. De man bleek miskend muzikant. Ik zat nog maar net of hij begon te fluiten. Vals. Aanhoudend. Ongegeneerd. Alsof er niemand anders in de bus zat. Toegegeven, ik was de enige passagier, en mogelijk invalide, maar dat maakte het niet minder onmenselijk.

Stapel werd ik van zijn gefluit. Niet alleen vanwege de dissonantie, vooral vanwege de ongeremdheid. Mensen die uit volle overtuiging iets doen waar ze geen enkel talent voor hebben omdat ze nu eenmaal opgevoed zijn door toegevende ouders, die moeten dood van mij. Al na een paar minuten begon ik naar de noodrem te zoeken. Vroeg ik me af of ik de voorruit kon inslaan met zo’n mini-hamertje. En bedacht ik een manier om de chauffeur te wurgen zonder de bus te laten crashen.

Op het moment dat ik mijn schoenveter om zijn hals wilde trekken, verscheen er een oogverblindend licht voor de bus. Een Aloha hakbar? Een close encounter met een UFO? Een bijna-doodervaring? Nope, we waren in een Bollywoodfilm beland! Opgeroepen door de fluit van de buschauffeur! Prinsessen met zijden jurken en klatergouden kroontjes, gadegeslagen door prinsen/buschauffeurs met taxi-snorren en imitatie Ray-Bans, sierlijk swingend op volksmuziek zo opzwepend dat die nooit een hit kan worden in ons saaie westen. Eigenlijk is Bollywood de enige cultuur waar iedere aardbewoner zich mee verbonden voelt.

Lang duurde ons uitstapje niet. Maar toen de bus weer op het asfalt terecht was gekomen, betrapte ik me erop met de chauffeur mee te fluiten. Vals. Aanhoudend. Ongegeneerd. Alsof er niemand anders in de bus zat. Om even later, in Neerlands grootste stationshal, nog wat invalide danspasjes te maken, dit tot grote ergernis van de Hollanders die opgevoed zijn door calvinistische ouders.

Van de stadsmens

Over die wolkbreuk van gisteren. Even waande ik me in zo'n dramatische scène met Bogart & Bacall, waarbij de regenmachine zó hard aanstaat dat de acteurs bijna verzuipen. Na de opname werd mijn wijk nog eens gebombardeerd door hagelstenen zo groot als biologische struisvogeleieren. Een bijna hilarische overkill aan neerslag. Alsof het Opperwezen een woede-uitbarsting had gekregen, na zich dagen ingehouden te hebben met een passief agressieve hittegolf.

Ik persoonlijk ben niet zo van het genieten op balkonnetjes. Maar dit kleine leed wilde ik op de eerste rang meemaken. Doordrenkte fietsers, slippende Golfjes, water makende rijnaken, alles en iedereen probeerde dekking te zoeken. Prachtig, als de homo sapiens ontregeld raakt. Kan zijn façade even wegspoelen. En hij mens worden. Een verzopen filmster zelfs. Tijd dus voor een mooie wandeling - figureren in mijn eigen film noir.

En de mosselfietsen

Brullende dieselmotoren, fluoriserende pakken, grimmige blikken. Rijkswaterstaat én de rivierpolitie, druk manoeuvrerend in het kanaal. ’t Zál toch niet, verzucht ik. Alwéér eentje?

Als je bent opgevoed door iemand die het diverse keren geprobeerd heeft, ontwikkel je er een dikke huid voor. Terwijl ik zelfmoord toch als een uiting van levenslust beschouw. Immers, zelfdoders nemen geen genoegen met het Koude Prakje des Levens. Ze willen wég, naar een plek waar het mogelijk beter is, waar ze wél thuishoren. Daarvoor nemen ze een stap die veel moed vereist, naast de vanzelfsprekende wanhoop. Dat respecteer ik omdat ik zelf evenmin altijd trek heb. Van een heel andere categorie echter vind ik de sukkels die het slechts proberen. Dood aan deze drama queens! En waarom moet het uitgerekend voor mijn deur?

Soms lijkt het alsof ik in het epicentrum van zelfmoordend Nederland ben gaan wonen. Volgens mijn buurvrouw zijn er hier de afgelopen jaren vier springers uit het kanaal gehaald. Daar nodigt de overdaad aan bruggen blijkbaar toe uit. Zo ben ik op een zondagochtend in 2011 in een krimi ontwaakt toen ik de gordijnen opzij schoof en er aan de overkant een lijk uit het kanaal werd getrokken. Een springer van de Merwedebrug, zo zou blijken. Met dit beeld vers op het netvlies tikt het ontbijteitje toch net even anders.

En nu. Opnieuw een parelduiker? Kan ook om een liquidatie gaan. Of een ongeluk. Misschien die luidruchtige student-van-hiernaast, die met een blaas vol bier is thuisgekomen, de deur niet heeft gehaald, naar het kanaal is gerend voor een plasstop, zijn evenwicht heeft verloren en in het zwarte water is verdwenen. Natuurlijke selectie! grom ik misantropisch. Want ik kan enorm grimmig gestemd zijn.

Maar niet zo grimmig als de bergers. Onverminderd gaan ze door. Dreggend en peurend, met wilde gebaren en malende schroeven. Er wordt zelfs een enorme magneet ingezet waarmee ze een maand eerder een auto gevangen hebben, die overigens leeg bleek. Ditmaal willen de bolides niet bijten. De bijvangst, bemosselde fietswrakken, ligt verspreid op het gras van de kade. Ik inspecteer de overblijfselen met de cool van een patholoog anatoom.

Dan is het Schluss. Het materieel wordt opgeborgen. De mannen kijken teleurgesteld. Natuurlijk hadden ze liever de ongeruste familieleden uitsluitsel gegeven, hoe triest ook. Aan de andere kant, het kan loos alarm zijn geweest. Misschien heeft de vermiste zich inmiddels gemeld met een slappe app.

Wat de toedracht ook moge wezen, tot mijn verbazing ben ik enorm opgelucht. Mijn necrofiele bravoure is geheel vervlogen. Ik moet zelfs even slikken. Blijkbaar vind ik het meest loze alarm toch mooier dan de dapperste wanhoopsdaad. Of komt het doordat het spook-in-mij, dat niet wil bidden voor brune boon’n, als de dood is om zijn stoffelijkheid opgevist te zien worden? Eet je bord leeg! klinkt het in mijn achterhoofd als ik de mosselfietsen laat voor wat ze zijn. Ik sla een kruisje. En dank de goden dat ik opgevoed ben door een drama queen, in plaats van door een doorzetter.

De zelfmoordmagneet
Zware metalen

En zijn meiden

Vrijdagavond in de Intercity naar U. Tegenover mijn klapstoeltje neemt een vader met twee dochtertjes plaats in het viermanszitje. Hij is een slanke dertiger met stekels, stoppels en een parka. Een soort jonge versie van mijzelf, maar dan met christelijke glimlach. De meiden, een tweeling, schat ik op een jaar of tien. Ze zijn uitgerust met roze rugzakjes en koptelefoons vol K3. De knusheid straalt van hen af.

Als kinderloze man-met-kinderwens ben ik gelijk een beetje jaloers op de vader. Daddy cool, op pad met zijn meiden! Ouders beseffen vaak niet hoe bijzonder zo’n band met hun kroost is. Sterker, als ik mijn verlangen naar een gezinsleven opbiecht aan vrienden, drukken ze me gelijk op het hart dat ouderschap vooral een kwestie is van zelfopoffering. Alsof dat niet perfect past in mijn geromantiseerde plaatje!

Het trio zit nog maar net of de vader gebaart zijn dochters de koptelefoons af te doen. En begint hen vragen stellen. Hoe ze het gehad hebben bij mama. Wat voor spelletjes ze gespeeld hebben. Wat ze de leukste game vinden. En waarom. Wat er aan verbeterd zou moeten worden. En wat niet. Hij zit er bovenop, informeert naar ieder detail – alsof hij zelf mee had willen doen. Daarbij noemt hij zijn dochters steeds bij de naam, terwijl oogcontact volstaat om een misverstand uit te sluiten. Ook bizar is zijn neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken. ‘Pappa vindt dat Merel nu iets heel slims zegt,’ aldus een zelfvoldane Caesar.

De meiden, aanvankelijk verguld van al die aandacht, krijgen het op den duur zichtbaar benauwd van hem. Hoe dieper hij onder hun huid kruipt, des te hoekiger hun bewegingen, korter hun antwoorden, dieper hun zuchten. Na een uur hebben ze schoon genoeg van papa’s bonding. Daddy ain’t no cool no more.

Zelf voel ik de drang om hem een enorme bitch slap te verkopen. Dood moet deze papa! Mijn weerzin wordt zo heftig dat ik me afvraag waarom. Na de nodige soul searching valt de munt: als ik mij had voortgeplant, was ik geheid zo’n papa geworden. Zo’n man die de relatie met zijn koele vrouw niet had kunnen bolwerken, om zich na de scheiding op te werpen als ideale weekend daddy, daarbij voortdurend zijn inner child uit de kast trekkend om de band zo hecht mogelijk te maken. Zonder zich af te vragen of de kinderen daar wel behoefte aan hebben. Aan een papa die je beste vriend wil zijn...

Als we in U. uitstappen ben ik niet langer jaloers. De meiden, uitgeput van vaders klamme compassie, verlangen ongetwijfeld naar hun moeder die hun misschien nooit een knuffel geeft, maar wel alle ruimte gunt. In de stationshal trekken ze de hoofdtelefoons alweer over de oren om in de muziek te verdwijnen. Ikzelf verdwijn weer in mijn kinderloze universum, mijn zegeningen tellend, het ouderschap vervloekend. Maar wel een K3-deuntje neuriënd.

De droomvader
Who's your daddy?

And stand proud

Dit is mijn role model. Iedere keer als ik haar langs zie komen is ze wat krommer getrokken. Kyfose heet dat. Het oogt grimmig, alsof de persoon door het leven afgeranseld wordt. Toch lijkt haar tred iedere dag meer vastberaden. Worden haar stappen kordater. Haar schreden vlotter. Ze mag dan gebukt gaan onder de ziekte, die zal haar niet achter de geraniums krijgen.

Als ik haar tegenkom groet ze me met een glimlach die helemaal niet hoort bij een lichaam dat capituleert. Zó stralend. Ze zou verbitterd moeten zijn. Verzuurd. Verbolgen. Of in ieder geval verongelijkt. Maar geen spoortje te bekennen van het zelfbeklag dat sommige van haar leeftijdsgenoten verteert. En een enkeling van mijn generatie, zonder dat die daar een legitieme reden voor heeft. Ik ken er wel eentje.

Daarom wandel ik graag een stukje achter haar aan. Probeer ik haar bij te benen. Is ze mijn Rocky geworden: een knokker die lang voordat bel geluid wordt beseft dat ie de wedstrijd zal verliezen, maar zegeviert op karakter. Stand proud and walk tall, juist als je dat niet meer kan. Ik mag bidden dat ik net zo stralend eindig als zij dat doet.

Stand proud, walk tall
Stand proud, walk tall

In de rioolbuis

Er is iets aan de hand met natuurliefhebbers. Hun emotionele huishouding is van slag. Zodra ze een voet in een bos zetten beginnen ze ongegeneerd te genieten. Instant geluk ervaren op basis van een paar struiken, dat is niet geloofwaardig. Óf ze liegen dat het gedrukt staat, of het zijn drama queens. Want de mens hoort helemaal niet thuis in de natuur.

Dat we ons aan het eind van de voedselketen wanen, is hoogmoed. We zijn gebouwd voor HoogCatharijnes. Daarbuiten overleven we niet. Kijk maar eens goed naar die mooie natuur. Overal beesten die elkaar opvreten, honger lijden of anderszins creperen. Een soort Oostvaardersplassen, maar dan echt. Moet je natuurlijk wel oog voor hebben. Zoals ik, tijdens mijn meditatieve snelwandeling door het Willem-Alexanderpark.

Dat is een kunstmatige heuvel waarop woningen voor tweeverdieners verrijzen. Mijn aandacht hier gaat vooral uit naar de aanleg van de riolering, op zoek naar een mooi verhaal. Maar ik heb ook oog voor het groen. Dat is namelijk nog genieters-vrij: van god verlaten greppels en plassen en sloten waarin beesten elkaar opvreten. Ongerept en rauw. Typisch een plek waar je op een exoot kunt stuiten.

Een exoot is een dierensoort die als verstekeling meegereisd is met de cokeboot uit Colombia, of ontsnapt is uit het terrarium van je neefje. Een ongewenste vreemdeling die zich hier tegoed komt doen aan inheemse flora & fauna. Inmiddels zitten onze beekjes vol bijtschildpadden, onze bomen vol krijsparkieten, onze wandelpaden vol grote boze wolven. Dus waarom geen anaconda in de greppels van Willem-Alexander. Het idee van zo’n Fremdkörper tussen onze bloemetjes & bijtjes, daar kan ik nou van genieten. Misschien omdat ik de miscasting herken.

En anders doet deze fazant dat wel. Geïmporteerd door de Romeinen is deze exoot nu vooral een vreemde eend in onze stadsbijt. Met zijn verenpracht en kuierende motoriek hoort ie thuis in zo’n 17e-eeuws schilderijtje van een herderspaartje dat de liefde bedrijft in romantisch struweel. Niet tussen de high end heimachines. Toen ik het dier wilde benaderen voor een stukje verbinding, stootte het een noodkreet uit alsof IK de exoot was. Zijn alarm werd vanuit alle hoeken van het park beantwoord. EIGEN EXOTEN EERST! klonk het overal. Eenmaal omsingeld heb ik mijn heil gezocht in een braak liggende rioolbuis – de enige natuurlijke habitat van de schrijver. Om daar eens ongegeneerd na te genieten.

In zijn loods

Wat weinig mensen weten, is dat God met het verstrijken der eeuwigheid een oude conciërge is geworden. Een sloeber met spataderen en spit die zonder veel animo een loods aanveegt, binnensmonds mopperend op de mensheid, af en toe een fluim spugend in eigen stofwolk. Not a pretty picture.

Toch is het allemaal hier begonnen, in dit duistere pakhuis. Eerst met de Big Bang, daarna de eencelligen, toen de dino’s. En uiteindelijk de mens. God heeft zich helemaal het apenlazarus gewerkt aan het leven. Maar vandaag de dag ziet geen hond hem nog staan. Genegeerd wordt ie, uitgelachen op zijn best, omdat niemand meer in hem wil geloven. Sterker, we denken dat wij hém uitgevonden hebben, in plaats van andersom. Godgeklaagd is het.

Toch begrijpt hij het allemaal wel. Vroeger was ie immers net zoals wij zijn. Vol van zichzelf, badend in een zee van ambitie. De hele dag bezig met zijn creatie. Pas toen zijn evenbeeld er een puinhoop van gemaakt had, is ie een toontje lager gaan zingen. Werd ie de bescheidenheid zelve. Om uiteindelijk een schim van zichzelf te worden.

Maar helemaal uitgespeeld is de Almachtige niet. Soms heeft hij diepe gedachten. Vooral tijdens het vegen, dan kauwt hij op de kleine lettertjes van ons contract. Op de passage waarin staat dat het leven der mensen gelijk moet zijn aan lijden. Die wil hij schrappen. Dat lijden, dat geeft alleen maar gedonder! Kijk maar naar die rotzoon van hem, die laat niets meer van zich horen! Probleem is dat het leven vaak lijden IS, zeker nu we niet meer in hem willen geloven. Kon hij de mens zijn somberheden en stommiteiten maar doen vergeten, zodat ze met een schone lei een doorstart kunnen maken. Misschien dat God dan zelf weer lol krijgt in zijn creatie.

Toegegeven, het is er nog niet van gekomen. ’t Is ook niet een echt plan, meer een voornemen. En natuurlijk weet God dondersgoed dat wij ook die tweede kans zullen verbruien. Met nieuwe somberheden en nieuwe stommiteiten. Toch vindt hij het een mooie gedachte, zo’n tweedekansknop. Daar zit meer muziek in dan in dat topzware geloof in een hiernamaals, mompelt hij terwijl ie nog een bakje inschenkt in de overigens verlaten kantine.

Eigenlijk vindt God zijn overpeinzingen op zich al indrukwekkend genoeg. Sterker, iedere keer als hij op de kleine lettertjes kauwt, hoor je hem fluiten. Licht hij even op in de loods. Wordt ie zichtbaar in zijn stofwolk. Dan sloft ie maar eens naar het toilet voor een grote boodschap, binnensmonds mopperend op de mensheid, wachtend op zijn eigen, tweede kans. Om na de bevalling een eeuwigheid zijn handen te wassen.

De conciërge
Hard werken

In de stadsboerderij

Je ziet ze wel eens langskomen op Facebook: foto’s uit verre landen waarop de stadsvernieuwing met de grootst mogelijke moeite om een huisje heen heeft moeten bouwen omdat de eigenaar ’t vertikt het pand te verkopen en te verkassen. Rare jongens, die Chinezen! denk je dan. Maar ik krijg er ook een toekomstvisioen bij.

Dat zit zo. Aangezien ik bezig ben met een autobiografische roman over een excentrieke schoolverlater-die-niet-weet-wat-ie-wil-worden, vraag ik mij regelmatig af wat ik toentertijd van mijn huidige zelf had gevonden. Vermoedelijk was ik me rot geschrokken. Wat een nukkige workaholic! Wat een kale kop! Wat een Iglobaard! Behoorlijk confronterend, zo’n fantasie. Daarbij is er geen enkele reden om aan te nemen dat ik me over NOG eens veertig jaar niet opnieuw zal rot schrikken van de dan 99-jarige Rein.

Tegen die tijd ben ik uit mijn flatje getrapt omdat de huurtoeslag is opgeheven. En heb ik mij, de maatschappij vervloekend omdat niemand mijn boeken wil kopen, teruggetrokken als kluizenaar. Ik weet ook precies waar: in de boerderij op de foto, gelegen bij de Douwe Egbertsfabriek. Deze hoeve wordt nu al ingeklemd door woekerend asfalt, drie parallelle bruggen, een megapopcornbios, een uitdijende yuppiewijk en een groeiend glaskantoor dat straks een schaduw op dit al zal werpen. Zo snoept de Toekomst iedere dag iets van het erf af.

Toch houdt de boerderij moedig stand. Ik heb dus goede hoop er in het jaar 2058 als senior kraker te zetelen. Dan zullen dagjesmensen op veilige afstand toezien hoe een uitgeteerde bejaarde met ZZ Top-baard heen en weer rent tussen methlabschuur, wietplantage en papaverkas, om af en toe met zijn dubbelloops wat hagel af te schieten op ’s lands laatste postbode, en zich ’s nachts te wijden aan wat – na zijn dood – zijn enige bestseller zal blijken: een autobiografische roman over een excentrieke schrijver-die-niet-weet-hoe-ie-kan-doorbreken. Damn. Ik heb er nu al zin an.

Boerderij
Leven in de moerassen

In de miezer

Drie maal hetzelfde schip. Links de belofte uit de brochure voor de pensionado’s. Rechts de realiteit in het kanaal bij mij voor de deur. De rechterkiek heb ik zelf geschoten vanaf de fietsbrug, vlak boven het schip, waardoor het even leek alsof ik mee voer.

Er is iets met zo’n mislukte cruise dat me mateloos aantrekt. Dat verlaten dek. Dat kille poedelbad. Dat verregende midgetgolfveldje. En, als je goed kijkt, die ene passagier met die beginnende longontsteking. Als het maar lang genoeg miezert gaat zo’n pleziervaartuig vanzelf op een spooktanker lijken. Zou er ooit een schilderij van de Oscar Wilde gemaakt zijn? The Ship of Dorian Gray?

Het lijkt mij een enorme uitdaging om aan te monsteren als gastheer-from-hell en de passagiers de tijd van hun leven te bezorgen. Ik zie de Wilde al aanmeren bij mijn prachtwijk. Eerst fungeer ik als reisgids voor een portie ‘slumming’, daarna word ik calamiteitenbegeleider omdat de hutten bij terugkomst geplunderd blijken door landrotten. ’s Avonds speel ik olijke Isaac die zijn gasten cocktails laat proeven uit Love Boat, vervolgens werp ik me op als braakcoach om de legionellasoep in goede banen te leiden. Voor het slapen-gaan lees ik de meest aansprekende rampverhalen uit de binnenvaart voor. Steward Rein wenst u alvast een onvergetelijke reis.

Oscar Wilde
Klik op de foto om hem te vergroten

Damn the torpedo's!

Het was een fijne Blitz-vakantie, maar behoorlijk Nederlands spreken doen ze er niet en je wordt uitgelachen als je een karaf zoete witte wijn bestelt.

U-Boot
This is your captain speaking

Met een hoera!-verhaal

Het krantje van mijn prachtwijk zit boordevol hoeraverhalen. Over vlekkeloos verlopen renovaties, bruisende braderieën en hangjongeren die al neuriënd zwerfvuil rapen. Eigenlijk staan we hier met z’n allen stijf van de verbinding! Als overtuigd wijk watcher weet ik beter. Sterker, ik heb een derde oog ontwikkeld voor misstanden. Maar steeds als ik me bij het gemeentelijk klachtenloket vervoeg, blijkt de voltallige afdeling met griepverlof / sabbatical / zelfmoord. Toch zal mijn wijk me ooit dankbaar zijn voor mijn waakzaamheid.

Zo heb ik, na duizenden manuren uit het raam gestaard te hebben, in de gaten gekregen dat de kade voor mijn deur misbruikt wordt als sluiproute. Geblindeerde Golfjes richting Kanaleneiland omzeilen jakkerend de spits, waarbij ze alle 30 km/u-borden negeren EN een lagere school passeren. Het wachten is op het eerste rouwbericht.

Op instigatie van bezorgde ouders heeft de gemeente een aantal verkeersdrempels opgeworpen. Daarbij lijkt ze te zijn uitgegaan van de redelijkheid van de mens en van die van de verkeershufter in het bijzonder, want de drempels zijn zo glooiend en dus schokbrekervriendelijk ontworpen, dat het een sport wordt om er zo hard mogelijk overheen te scheuren. Zelfs oma’s op e-bikes laten zich er graag even op lanceren.

Verder is er in het asfalt vóór de school in koeienletters ‘SCHOOL’ aangebracht, kennelijk in de veronderstelling dat een stadscoureur ontvankelijk is voor dergelijke signalen én dat ie op dat moment niet zitten te appen. Ook liggen er nu brailleachtige bobbeltjes die, als ze contact maken met gierende autobanden, de goede verstaander ‘zachtjesaan!’ zullen influisteren, waarop de automobilist voluit in de remmen zal gaan. Althans, dat wensdenkt de gemeente. Ik als overtuigd wijk watcher weet beter. Tijd voor een stukje burgerparticipatie!

Mijn plan is als volgt. In een Sus & Wis heb ik ooit gelezen hoe Lambiek belazerd werd door een zwendelaar die zijn fietswrak steeds zó voor passerende auto’s gooide, dat het leek alsof de bestuurder door onachtzaamheid een ongeluk had veroorzaakt. Tel uit de schadevergoeding! Dus ik dacht, als ik nu eens via een feestartikelensite een nepkind bestel, zo een in de stijl van een rubberen kip, en dat nét op het moment dat de school uitloopt onder de wielen van een scheurend Golfje werp... KABENG!! Gelijk een meute lynchende ouders op de been! Verkeershufter aan de hoogste lantaarnpaal! Onze prachtwijk autovrij! Mijn smoelwerk in een hoera-verhaal! Uitgeroepen tot Buurtpreventeur van de Eeuw!

Bij de uitvoering van dit masterplan rest mij slechts één piekerpunt: een mogelijk misverstand. Want ouders die denken dat je hun kind net onder een auto hebt geworpen, die kunnen zó impulsief reageren. Zou er al een klachtenformulier bestaan voor mensen die menen onterecht gelyncht te zijn?

Crash test voor de school
De vrijwilliger

Aan het hongerwinterkanaal

Bij een gevoelstemperatuur van -273 graden Celsius wist extreme hiker Rein Hannik zijn kadewandeling te overleven door eigen (linker)hand op te eten en borsthaar in de brand te steken. Laatste aantekening uit zijn logboek: ‘Al een kwartier geen andere wandelaars meer tegengekomen. Voel mijn krachten afnemen. Overweeg om kuit aan te vreten en baard te verbranden. Maar opgeven, dat never nooit niet! Global warming is voor mietjes!’ Diezelfde middag nog trof een jogger Hanniks lichaam aan met verschroeide kin en grote happen uit de kuiten. Zijn familie doet een beroep op fans om foto’s van Hanniks overblijfselen die op social media circuleren niet te delen, opdat hij herinnerd kan worden als de ontdekkingswandelaar die we gekend hebben.

Amundsen aan het kanaal
Klik op de foto voor de verbrande borstharen

Van Romeo

Trouwe lezers van mijn schrijfsels weten er alles van: hoe ik met plastic killerkraaien patatduiven en hun poepbombardement van mijn balkon probeer te weren. Dat heeft effect, ook omdat ik dag en nacht met een plantenspuit paraat sta. Maar mijn strategie heeft een onverwacht neveneffect gekregen. Ik ben aanstichter geworden van een onmogelijke liefde.

Hij is helemaal smoor, zij negeert hem zoals alleen plastic bitches dat kunnen. Hij probeert haar stamelend te versieren met verhalen over sappige wormen en doorzonnestjes, zij doet alsof ie lucht is. Het tafereel oogt zo hartverscheurend dat zelfs de plantenspuit nu zijn snuit houdt.

Mijn hoop is dat er een soft body versie van de killerkraai op de markt komt. Zo eentje met echte veren en lange wimpers, die steunend krast als ze de liefde bedrijft. Toch denk ik dat onze Romeo daar niet van wil weten. Dat hij van zijn killerkraai houdt zoals zij is. Afstandelijk, hard to get en zwijgzaam. Maar ook trots, standvastig en afgetraind. Voor Romeo is het juist de perfectie die van plastic is. En gelijk heeft ie. De mooiste liefde is altijd een gemankeerde.

Het verlangen
Ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me...

Van de zelfspot

Zelfspot. Misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor mijn vriendschappen. Er zit zó veel in. Humor uiteraard. Maar ook introspectie. Zelfrelativeringsvermogen. Moed. Dat maakt het tot een perfect bindmiddel voor contact. Zó uitnodigend! Maar het is evenzeer een lakmoesproef. Ga maar na: als iemand inhaakt op jouw lachwekkende ontboezeming met een eigen – liefst nog genantere – anekdote, dan schept dat meteen een band. Als de ander echter met jouw zelfgrap aan de haal gaat door hem in te koppen, dan weet je dat die persoon valse trekjes vertoont.

Hoezeer ik zelfspot ook koester, het is altijd ooit ontsprongen uit drama. Zo ook bij mij. Daarvoor moeten we terug naar 1974, toen ik als vijftienjarige met gym 4 op vakantie naar Scandinavië ging. Voor mij een enorm avontuur, want voor het eerst op pad zonder familie. Niet dat ik me thuis voelde in die klas. Met mijn piepstemmetje en anderhalve turf bungelde ik onderaan de hiërarchie – een Fremdkörper tussen die grote, sarcastische Kralingers. Maar ik vermande me. En pakte mijn koffertje.

In Zweden aangekomen gingen we voetballen. Zwemmen. Dansen op Deep Purple uit een lamme cassetterecorder. Smooowwwke on the woooaaater! Kicken vond ik dat, want swingen durfde ik als geen ander. Dus toen er gevraagd werd wie er mee wilde naar de sauna, stond ik te trappelen. In mijn zwembroekje. Maar dat was de bedoeling niet! zei de leraar. Mannen onder elkaar, die gaan nakend! Het leplazarus schrok ik me, want nog nooit bloot geweest buitenshuis. Binnenshuis eigenlijk ook niet. Broers had ik niet. Op een sportclub durfde ik niet. Ik had de naakte waarheid altijd nauwlettend weten te ontlopen.

Even later zaten er vijf blote konten op een getrapte houten bank in honderd graden Celsius. Vier stoere gozers. En één sukkeltje. Zij maar lullen. Over meiden en n*uken, terwijl ik nooit verder gekomen was dan een onuitgesproken verliefdheid. Daarna ging het over lichamen. Onze lichamen. Mijn lichaam. Mijn nog haarloze lichaampje. Die Hannepik! klonk het. Da’s net een kind! Wat ook zo was. Een androgyne pedofantasie leek ik. Al spoedig vulde de sauna zich met hoonbulders. De ene na de andere sneer vloog me om de oren. Ze konden er geen genoeg van krijgen. Afgebrand werd ik, bevriezend in die honderd graden Celsius.

Maar juist de hitte bleek mijn bondgenoot. Het is immers uitputtend honen als het zweet uit je poriën gutst. Daarbij belette dat zweet mij te voelen dat er (zoals ik later vernomen heb) van hogerhand tegen mijn schouderbladen aan gepiest werd. Ik rechtte steeds mijn rug om alles van me af te laten glijden.

Toch is er iets wezenlijks gebeurd die avond. Het leek wel alsof ik geestelijk uit mijn lichaam probeerde te ontsnappen. Om me bij hen aan te sluiten. Om met hen mee te kunnen lachen. Om me tot zelfsarcasme te verlagen. Alles liever dan me alleen op de wereld voelen. Maar het liep iets anders.

Na afloop gingen we douchen. IJskoud, zoals dat hoort. Onder de douchestraal werd ik bevangen door een bijna suïcidale rust. En maakte ik een grapje over koud water en krimpende organen. Niet bijster leuk, wel zó triomfantelijk opgehoest dat de anderen in schateren uitbarstten. Dit keer klonk hun lach anders. Alsof zij publiek waren, en ik entertainer. Ik was in charge van mijn eigen lynch mob. Machtig voelde dat.

Zo is het toch nog goed gekomen met mij. Mijn lichaam werd volwassen, als ik mijn ex-vriendinnen mag geloven (ontzettend volwassen zelfs, als ik maar lang genoeg aandrong). Zelfspot werd mijn tweede natuur, waardoor ik snel en met iedereen kan ‘bonden’. Alleen mijn onderbewustzijn is wat achtergebleven. Soms keert de sauna terug, als beerput van mijn geheugen. Bijvoorbeeld als er een boom van een kerel ongegeneerd naast me komt staan kletteren in de pisbak van de sportschool. Dan gutst het zweet weer even over mijn rug. En maak ik een grapje. Waar meestal om gelachen wordt. Want iedereen is wel eens bevroren in een sauna. Toch?

In die zin is dit stukje dus een lakmoesproef voor mijn Facebookvrienden. Wie reageert er met een eigen ontboezeming, wie gaat er inkoppen met een geintje over bondjes op toiletten? Ik zet de thermostaat alvast op honderd.

Het zweet
Androgyn wezentje

Voor een mensenmens

Liefst wijt ik mijn onmogelijke persoonlijkheid aan iets dat buiten mijn macht ligt. Mijn jeugd. Mijn genen. De middelbare school. Of de fijnstoffen van de rijnaken die mijn flatje passeren. Smoesjes allemaal. Ik ben geworden wie ik ben doordat ik mijzelf zo gemaakt heb: een man die de eenzaamheid opzoekt om te kunnen schrijven, maar schrijft om contact te maken met mensen die daarna weer moeten ophoepelen omdat hij anders niet kan schrijven. Een grillig wezen, maar daarom niet minder een mensenmens.

Als ik mijn dagboeken mag geloven worstel ik inmiddels zo’n vier decennia met het doseren van contact. In al die jaren is mijn levensmotto geen spat veranderd. ‘Het Is Nooit Goed’ kan er op een tegeltje boven mijn hoofdeind gekalligrafeerd worden. Mijn relaties waren niet goed genoeg, mijn vriendschappen niet, mijn familieleden niet, mijn collega’s niet, mijn buren niet. En vooral ikzelf was het niet. Eigenlijk wil ik al vanaf mijn puberteit naar Huize Zonnegloren verkassen om daar (in een aparte vleugel) mokkend mijn vlaflip leeg te lepelen. Die natuurlijk ook niet goed genoeg is.

Inmiddels begint de zon in het kanaal voor mijn flatje te zakken. En probeer ik mezelf mondjesmaat te vermenselijken in plaats van iedereen (gelijk) dood te wensen. Dat doe ik door achteloos contact meer te waarderen (small talk kan van grote waarde zijn als je maar lang genoeg monomaan hebt zitten typen). Verder is het een kwestie van oude vriendschappen reanimeren. En nieuwe vriendschappen sluiten. Dat laatste gaat echter lastig zonder kader van cursus, stamkroeg of kantoor. Gelukkig is er het vermaledijde Facebook.

Daar heb ik jaren geleden X. leren kennen. Zo op het eerste gezicht zijn we tegenpolen. Als zij van het activisme en de rechtvaardigheid is, dan ben ik meer van de apocalyps en andere common sense. Wat we gemeen hebben is een oog voor mooie dingen. Maar vooral een scherpe blik. Zelden is iets goed genoeg voor ons. Dat voelt vertrouwd, opbieden wie de meest kritische zeikerd is.

Aangezien X. in de moerassen woont moet ze voor cultuur naar de Randstad afreizen. Dan mailt ze me of ze kan komen logeren. En schiet ik gelijk in de stress. De plee ontstoppen! Het laminaat ontsmetten! De vitrage desinfecteren! Maar haar de deur weigeren, dat never nooit niet. Daarbij kan het X. geen reet schelen dat ik onbewoonbaar verklaard woon. Zolang ze maar uren met me kan kletsen. En lachen, want ook zij weet waarom Het Nooit Goed Is.

Als dank voor mijn onbeholpen gastvrijheid kreeg ik onlangs dit boekje van haar cadeau. X. weet van mijn weerzin tegen literatuur (lezen = werken) dus was ze zo verstandig om voor een minuscuul exemplaar te gaan (7 x 10 cm), slechts leesbaar met een loep en bestaand uit een paar honderd woorden. De Schrijver heet het essay. U raadt nooit wat het thema is. Inderdaad: Het Is Nooit Goed. Alsof speciaal voor mij neergepend. Tel daarbij een auteur (Giovanni Papini) die al fout was vóór de oorlog en tekeningen (van Jan Stegweg) die uitermate naargeestig ogen, en u begrijpt dat dit kleinood een gaatje brandt in mijn imaginaire boekenkast. Ieder dag werp ik er even een blik op, als bewijs dat Het Soms Goed Is. Om daarna weer mokkend naar mijn vlaflip in Zonnegloren te verlangen.

De Schrijver
Giovanni Papini's De Schrijver

Met je infuus vol epo

Het einde van sick shaming is in zicht!

Voor patiënten die zo snel mogelijk willen herstellen van hun TBC, pest of syfilis, heeft het UMC deze unieke en CO2 neutrale bromfietsbar geïnstalleerd. Sfeervol gesitueerd tegen een decor van uitgestorven woestijnplanten, en uitgevoerd met voldoende afstand tussen de buddyseats opdat u niet geconfronteerd wordt andermans gejammer, garandeert deze medibikebar dat u ook tijdens uw opname aan die o zo noodzakelijke 30 minuten beweging per dag komt. Trek aan die gele UMC-trui!

*krijgt visioen van drie nijdig trappende mannen met rode koppen die elkaar met mind power te lijf gaan*

Medibikebar
(Gespot tijdens mijn halfjaarlijkse controle voor blindheid)