blog titels

Blog

Midlife in Mokum met gebroken nekjes

Het was de rook die tussen de scheef gelegde plankenvloer opsteeg waardoor ik mijn eerste twijfels kreeg over de verhuizing. Toegegeven, het was slechts sigarettenrook. En misschien kwam het ook door de kater, want ik was de avond ervoor met vriend P. doorgezakt om de grote oversteek te verwerken. Maar even brak het zweet me uit. Was dit mijn zoveelste midlifeblunder?

Op zich leek het een rationele beslissing. Om, na jaren mopperen op de Domstad, naar een echte stad te verhuizen. Terug naar Rotterdam was geen optie want terug naar af, dus ik had voor Amsterdam gekozen om mijn creatieve, dynamische persoonlijkheid tot zijn recht te laten komen. Daar zou het gebeuren! Niet langer slap ouwehoeren met vrienden in de kroeg, live life to the maxxx!

Dat maxxx was ongeveer 29 m². Als kerkrat kun je namelijk alleen verhuizen als je je woning ruilt, en mijn eengezinswoninkje te Zuilen was geen geweldig ruilobject geweest. Dus ingestemd met deze honderd jaar oude pijpenla op de Wilhelminastaat te Oud West, boven een schimmelend Turks witgoedzaakje. Lage huur en vlakbij het centrum. Daarbij hadden de vorige bewoners – inclusief zuigeling – er met z’n drieën gewoond. Niet zeuren dus. Benauwend wonen hoort bij dynamisch leven.

De avond ervoor was ik zelfs lyrisch over de verhuizing. In het buurtcafé aan de overkant had ik gespard met vlotgebekte Amsterdammers en geflirt met een artistieke babe. Mooi was ze niet maar heur haar zat wellustig en ze had haar knie tegen de mijne gehouden - hét signaal dat een vrouw ongeremde seks met je wil. Nog belangrijker: ze zong in een bandje. Een creatieve, dynamische persoonlijkheid! En een soulmate, want ze nodigde me uit voor haar optreden op Koninginnedag. Dat was nog eens een warm welkom.

Maar dat was de night before. Nu vriend P. op de trein naar Utrecht was gestapt, zat ik eenzaam tussen de verhuisdozen in andermans sigarettenrook peentjes te zweten. Ik had een sociaal leven nodig. Maar hoe doe je dat, overnieuw beginnen? Ik maakte kennis met de bovenbuurvrouw, een studente zonder kont maar met passie voor tango. En met de onderbuurman, een expat die kettingrookte alsof zijn leven ervan afhing. Toen was ik wel door mijn socialisatie-opties heen, want geen man van salsalessen, leesclubs of filmdisputen. Mijn vrienden uit Utrecht en Rotterdam kwamen nog even langs om iets typisch Amsterdams te doen (Somalisch eten zonder bestek), maar toen werd het stil. En om in de kroeg aan de overkant te hangen, daar voelde ik weinig voor. Straks zou mijn zangeresje denken dat ik geen sociaal leven had! Wat me restte waren ruzietjes met de Turk van beneden die zijn rottende ijskasten in mijn portiek etaleerde.

Het voordeel van de Wilhelminastraat was wel dat er beautiful MTV-people woonden. En het voordeel van klein behuisd zijn is dat je al snel voor het raam zit. Urenlang kon ik kijken naar een buurvrouw die, ingesnoerd door claustrofobisch strak corduroy, urenlang haar Smartje stond te wassen. Soms voelde ik aandrang om mijn Harley van stal te halen en deze nonchalant naast haar koekblik te duwen om er dan zogenaamd aan te sleutelen, maar iets in me zei dat dat wel eens extreem uncool gevonden zou kunnen worden. Bovendien, ik had mijn zangeresje al. Maar wanneer zou dat dynamische leven nou beginnen?

Veel alleen thuiszitten op 29 m² maakt een mens gevoelig voor geluiden. En dan heb ik het niet over de bovenbuurvrouw met haar tangohakken of de zijburen die ’s nachts een klopboor in de honderd jaar oude muur zetten. Leven-en-laten-leven dacht ik dan, al kauwend op een strip Xanax. Nee, ik was gespitst op de oorspronkelijke bewoners. Op de natives die ’s nachts en masse door mijn meubelement heen knaagden. Honderden keutels trof ik aan. Leven en laten leven, da’s leuk zolang dat leven niet aan je knaagt.

Ik besloot advies in te winnen bij de plaatselijke dierenspeciaalzaak. De uitbater, een man met opvallend veel neushaar, raadde me af om de muizen levend te vangen. “Dan komen ze klem te zitten in het kooitje”, bezweerde hij me met zenuwtic onder rechteroog. “U wordt geteisterd door een plaag, dat noodt tot extreme maatregelen. Is ook beter voor die diertjes zelf.” Ik knikte aarzelend. Hij keek schichtig om zich heen en opende een lade. Op dat moment leek er een siddering door de dierenwinkel te gaan: de kanaries hielden op met kwetteren, de hamsters stopten in hun rad en de puppies lieten hun rubber kluif vallen. De uitbater haalde een doosje uit de lade. Op dat doosje stond ‘plakstrip’. “Probeert u deze maar eens”, zei hij, terwijl de tic zich over zijn hele gezicht verspreidde. “Nog nooit een klacht over gehad.”

‘Plakken’. Dat klonk redelijk onschuldig. Dan kon je de muizen daarna losweken en vrijlaten. Diezelfde avond dus twee strippen met pindakaas in de keuken geplaatst. Met rein geweten naar bed. Maar ik was nog niet ingedommeld of er weerklonk een hartverscheurend gepiep. Met lood in de sloffen trof ik twee vastgeplakte muizen. Eén netjes op zijn rug, de andere gewenteld in de lijm, kronkelend in doodsstrijd. Even aarzelde ik, toen vulde ik een emmer en duwde de tweede muis-met-strip onder water tot hij ophield met spartelen. Uren leek de executie te duren, duizenden twijfels schoten door mijn hoofd (‘kan ik niet beter lauw water nemen, dan is het verdrinken minder erg’). Maar bij een open schotwond deel je geen pleisters uit. De andere muis bleek nauwelijks gewond. De plakstrip op zijn rug heb ik zoveel mogelijk weggeknipt tot het formaat van een mini-schotelantenne, en hem bij de Chinese Muur losgelaten. De volgende dag 15 echte muizenvallen aangeschaft. Dodelijke. Vijftien nekjes zouden er breken. Een van de slachtoffers had een kale, schotelvormige plek in zijn vacht. En stonk naar tjap tjoy.

Enfin. Drie weken, talloze nekjes en een tweede midlife crisis later was het eindelijk Koninginnedag. Hét moment om een genocide achter je te laten en life to the maxxx te liven. Ik millimeterde mijn haar extra kort, floste mijn tanden voor de vierde keer en trok mijn stoerste casuals aan. Showtime.

Het café aan de overkant was afgeladen met vlotgebekte Amsterdammers. Dronken vlotgebekte Amsterdammers. Ze schreeuwden en lalden en grapten met zo een vet mogelijk Mokums accent. ‘t Kostte me wel een kwartier om een pilsje te bestellen – misschien omdat ik het een amsterdammertje noemde. Toen kwam ze op. Mijn zangeresje. Mijn soulmate. Heur haar nog wellustiger dan eerst. Wat voor songs zou ze zingen? Een eigen genre? Een kruising tussen fado en Billy Holiday, met spannende Arabische tegentonen? Iets met slam poetry en aria’s?

Niets van dat alles. Er weerklonk een Malle Babbe. Met veel te vette vibrato. En toen een Sammy die omhoog moest kijken. Toen een Manuela. Allemaal druipend van de ironie. De vlotgebekte Amsterdammers zongen en lachten uit volle borst mee. Ik sipte aan mijn pilsje, hunkerend naar een verstild leven.

Toen het eindelijk pauze was wurmde ik me door de massa naar het podiumpje. Tikte haar op de schouder. Ze keek om. Verbaasd. Ik murmelde iets onverstaanbaars over Billie Holiday. Ze glimlachte als iemand die bij god niet weet wie je bent maar beleefd wil zijn. ‘t Volgende moment was ze in gesprek met een vlotgebekte fan. Ik zette mijn halfvolle amsterdammertje op de bar. Knikte naar haar achterhoofd. Stapte de tent uit. En liep terug naar mijn negenentwintig vierkante meter, oranje grauw trotserend.

In de elf maanden die volgden heb ik me volledig op repatriëring gestort. Toen er eindelijk een geschikte kandidaat uit Utrecht langskwam verstopte ik mijn meubels op zolder, plaatste ik geurkaarsen en legde ik tapijttegels op de sigarettenrook. De pijpenla kreeg zoveel ruimtelijke sfeer dat ik er bijna zelf wilde wonen. Een boeddhistische tempel! Zelden zo creatief en dynamisch gevoeld.

Nog voordat het jaar om was kon ik over naar mijn huidige flat. Het is een moderne, uit de fifties. 100% beton, dus geen sigarettenrook. Bovenste etage, dus geen tangohakken. Zeer tochtig, dus geen muizen. Toen ik de ochtend na de verhuizing tussen de verhuisdozen zat uit te puffen, sijpelde het aroma van een naburige hennepplantage binnen. En wist ik dat ik mijn thuis gevonden had.

wilhelsmalhorcropklein450ve

Amundsen was a pussy

Enige overlevende van Code Oranje, trotseert Yeti Man Rein nu Code Bruin voor een halfje grof volkoren en twee ons pistachenoten in een dichtgepekeld Utrecht.

NB Let op zelfontworpen sneeuwbril!

amundsun450

For mayor!

Begin jaren tachtig kwamen de buttons in de mode. Door No Nukes! of Joy Division op te spelden wist de goegemeente in een oogopslag waar je voor stond. Ik dwong street cred af met Rein Jr.

button-hor-crop-450

Mozes aan het snelgas

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar doorgaans herkenbaar aan hun onaangenaamheid. Zo kon het geen toeval zijn dat Fortuyn net vermoord was én mijn sollicitatiegesprek plaatsvond om de hoek van mijn oude middelbare school. Nou was ik nooit een Pimmel geweest en zag ik niet op tegen dat gesprek – ik wilde de baan eigenlijk niet zoals ik nooit een baan wilde – maar ik deed ‘t wel in mijn broek voor een weerzien met Het Rotterdamsch Lyceum.

Veel te vroeg arriveerde ik op de Pieter de Hoochstraat. Decennialang had ik deze plek gemeden, als de dood voor een confrontatie met een ex-klasgenoot die daar misschien ook zou rondzwerven, panisch voor een reünie die er misschien net zou plaatsvinden. Maar het was er stil. Ik parkeerde mijn motor aan de voorkant, als eerbetoon aan mijn Yamahaatje dat hier ooit stond te pronken. De Zündapps, Kreidlers, Yamaha’s, Puchs en Tomossen van weleer hadden plaats gemaakt voor scooters en fietsen met gezondheidszadels. Welk een teloorgang.

Ik liep om het pand heen. Met voldoende nonchalance om niet voor stalker versleten te worden, makelaristisch genoeg om niet verjaagd te worden. Het gebouw herbergde geen lyceum meer. Er zat nu een soort MBO, iets praktisch vol uitdagingen. Aan uitstraling had het niets ingeboet: een bruine steenklomp met art deco-achtige gevangenisramen, trapsgewijs oplopende en naar fossielen riekende lokalen, een fietsenkelder met aanrandingsakoestiek en een schuifhek om vandalen uit de haven te weren. Een plek die hongert naar jonge zielen. In de jaren zeventig werd de school gerund door een freakshow. Denk een rector die sissend ademhaalde en aan simultaanschaak deed, een conrector met mosterdglazen en pedofiele glimlach, een conciërge zonder linkeroog en een leraar Frans die zijn leerlingen neukte. Nieuwe docenten zaten er om hun dienstplicht te ontlopen, oudgedienden zaten er hun tijd uit. Een broeikas voor cynisme, kweekvijver voor pestkoppen.

Mijn klas was geen uitzondering. Gymnasium 4 had de sfeer van een studentencorps zonder corps. Een plek die pulseerde van de hormonen maar waar niemand verliefd werd, met eikenhouten lessenaars die hoon ademden. Gelukkig was ik te onopvallend om te pesten. Camoufleerde mijn anderhalve meter aan acne met stripboeken en schouderlang haar. Bovendien wist ik met mijn Yamaahaatje nog enige schijn van mannelijkheid te wekken. Helaas was niet iedereen zo leep. Vooral niet tijdens gym.

Geen plek geschikter voor pesten dan de gymzaal. Hier wordt de hiërarchie bepaald. Letterlijk, als de leerlingen teams mogen formeren. Ik werd steevast als een-na-laatste gekozen – een positie die al mijn huidige vrienden bekleedden. De laatsten-met-gym waren de veel te magere, korte, lange en vooral dikke jongens die met een doffe dreun tegen het paard tot stilstand kwamen. Hans was een uitzondering. Hij werd niet als laatste gekozen omdat hij een afwijkende fysiek had, maar omdat hij zo ontzettend mieterig bewoog. Daarbij was ie niet aardig of grappig of slim, het laatste redmiddel van een pestprooi. Hans was een zeikerd. Het leek wel alsof hij erop uit was om gepest te worden.

Niemand kon beter pesten dan Willibrord. Willibrord de Graadt, de een-na-jongste telg van de zeven kinderen tellende De Graadt-clan, was twee meter lang en had zo’n dertig kilo overgewicht. Eigenlijk zelf ideaal als pestsubject, ware het niet dat hij de kunst van het sarcasme tot in de finesses beheerste. Met zijn tergende, nasale bas had hij hele volksstammen het Montessori ingetreiterd. Ook leraren wist hij te ondermijnen, zelfs het regime van de even gevreesde als gemummificeerde Mevrouw de Vries van Geschiedenis liep imagoschado op door Willibrords murmelende ‘lekkerrr wijf’. Tijdens gym was Hans zijn favoriete prooi omdat diens mieterige motoriek dan extra opviel. Hans rende en dribbelde en sprong als Mrs. Slocombe, waarop Willibrord iedere uitglijer tot in detail persifleerde. Dat leverde hem bulders op. En een toppositie als Stoere Jongen.

Maar Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo bleek de dag dat Hans 16 was geworden. En hij ter brommer op school verscheen. Mieterige Hans, op een buikschuiver! Helaas miste hij ook op automotive gebied de nodige Fingerspitzen. Hij had gekozen voor een Batavus. Oerdegelijk, maar ook oerlullig. Lullige tank, lullige kleur, lullig stuur, lullig zadel, lullig geluid. Lullig alles. Zelfs de meisjes zagen dat. Stoere Jongens reden Zündapp, Kreidler, Yamaha, Puch of Tomos. Op Willibrord na dan, die op Puch Maxi-automaatje-met-snelgas zat, maar Willibrord was zo sarcastisch dat hij zelfs een wijvenbrommer cool deed lijken.

Zo niet Hans en zijn Batavus. Ze versterkten elkaars lulligheid, de som was minder dan de delen. Dat kon niet onbestraft blijven. Die eerste dag, na schooltijd, ging het al mis. Hans deed zijn Willempiehelm op, maakte het slot los, deed het contact aan. En trapte op de kickstarter. Niets. Tweede poging. Nada. Derde keer. Nichts. Hans trapte en trapte en trapte. Trapte zich het leplazarus. Zijn mieterige motoriek kreeg zowaar een kordate zij het wanhopige schwung. Mocht niet baten. De splinternieuwe brommer was lam.

De jongens op het plein proefden bloed. Zwermden om hem heen als een school hamerhaaien. Eerst 10 stuks. Toen 30. Toen het halve lyceum. Met Willibrord als voorhamer. Hij gaf Hans lulkoektips over diesel en lekke banden, waar hoonbulders op volgden. Nooit was Willibrord zó populair geweest. Maar toen Hans zijn de honderdste trap had gegeven, veranderde er iets aan Willibrord. Iets in zijn blik. Hij hield op met honen. Ging achter de Batavus staan. Boog zich naar het zadel toe. Greep het vast. En commandeerde: “Pak het stuur!” Hans pakte trillend het stuur. “Koppeling in!” Hans kneep de handle in. “In z’n twee!” Hans trapte hem in de tweede versnelling. De menigte verstomde een beetje. Was dit nog wel lachen?

Willibrord begon te duwen. Geen gezicht, die dikke, duwende kont, maar niemand lachte. Sarcastische Willibrord duwde mieterige Hans en zijn lullige Batavus dwars door de lynch mob heen, die week als de zee voor Mozes. Willibrord duwde harder en harder, zweet parelend op zijn voorhoofd. “Koppeling los!” riep hij toen ze snelheid hadden gemaakt. Mieterige Hans liet de koppeling los. De Batavus sloeg aan. Met een hoop geknal en vette walmen, maar hij deed het. Hans was airborne. Hij gaf volgas, richting haven, een hijgende en doorweekte Willibrord achter zich latend. De menigte droop af, zichtbaar teleurgesteld in deze sisser.

Gepest is Hans niet meer sinds die dag op Het Rotterdamsch Lyceum. Nog steeds werd hij gekozen als laatste-met-gym, maar Willibrord liet hem ongemoeid. De Graadt zelf had afgedaan als alfamannetje. Hij was nu gewoon 2 meter lang met dertig kilo overgewicht. Als hij Mevrouw de Vries lekkerrr wijf noemde werd er nauwelijks meer gegniffeld.

De baan heb ik niet gekregen, die dinsdag in 2002. Ik werd tweede. Kreeg ik gelijk te horen, want het waren fijne mensen, met respect voor tweede-met-gymmers. En gelukkig startte mijn motor met één kick. Een eerbetoon aan Mozes? Volgens de geruchten zit Willibrord nu op een bus van de RET. Met snelgas. De enige mislukte telg van de De Graadt-clan. En Hans? Die is ergens CEO geworden. Met een voorkeur voor saneren. Want Gods wegen mogen dan ondoorgrondelijk zijn, ze zijn doorgaans onaangenaam.

laurens-450

Het zit allemaal tussen de oren

Zoooo. De living winterdepressieklaar gemaakt. Laat nu die ijsmeesters maar komen!

winterklaar-def-450

De woedehuil van een prille autonoom

‘Lees en huiver’ was het enige dat er in het mailtje stond. Plus een hyperlink. Niks voor mijn ‘ex om zo dramatisch te doen, dus ik klikte met enige huiver door. Kwam op de site van theatergroep Max. Daar stond een tekst, ingezonden voor een wedstrijd. Over een meisje dat fantaseert over een coma. Behoorlijk ruig. De stijl was een beetje pretentieus en niet gespeend van effectbejag, maar onmiskenbaar pennenvrucht van een ervaren auteur – ’t had niet voor niets de hoofdprijs gewonnen. Huiveren deed ik niet. Kippenvel kreeg ik er wel van. Want dit prozagedicht was geschreven door een 12-jarig meisje. Josse genaamd. Míjn Josse.

Zo lang ik me kan herinneren sta ik ’s morgens op met het gevoel dat mijn gezin bij een vliegtuigongeluk is omgekomen. Dat is opmerkelijk, want ik heb geen gezin. En ook geen vliegtuig. Ik wijt het aan een eeuwig sluimerende kinderwens; zo lang ik me kan herinneren voel ik me een geboren vader. Dat deze roeping meer is dan grootspraak kon ik bewijzen tijdens mijn tropenjaren met Josse Posse.

Josse was onderdeel van een package deal met Sanne, mijn nieuwe lief in 2006. Sanne was behalve erg leuk ook moeder van twee jonge dochters. Omdat ik daar regelmatig bivakkeerde, en omdat Sanne geen geboren moeder was en de vader al enkele jaren dood, kreeg ik al snel de rol van neppapa toebedeeld. Dat heb ik geweten.

Aanvankelijk leek Josse de droomwens van iedere neppapa. Toegankelijk, stralend, bruisend, gevat, spontaan. Door haar open persoonlijkheid voelde ik me direct opgenomen in het gezin. Ik herdoopte haar in Josse Posse, een geuzennaam die ze glunderend accepteerde (al hadden we geen flauw idee wat Posse betekende). Een monsterverbond was gesloten.

Toen ik eenmaal tot het meubilair behoorde leerde ik een andere Josse kennen. Een Mrs. Hyde. Een meisje dat schold, kneep, schopte, spoog en beet. Dat loog alsof het gedrukt stond en dat vol bleef houden lang nadat ze door de mand was gevallen. Dat ‘t vertikte om een poot uit steken bij het huishouden. Dat haar eigen feestjes saboteerde met driftbuien en daardoor wegvluchtende gastjes. Berucht waren haar woedehuilbuien waarmee ze d’r zin probeerde door te drukken. Of haar inner consigliere waarmee ze ieder opvoedkundig argument wist te pareren. Het dreigen met de Kindertelefoon als we haar probeerden te kalmeren. Zeven jaar was ze toen ik haar leerde kennen. Josse dwong het respect af van een tijdbom.

Logisch dat haar grillen de huiselijke sfeer ondermijnden. Tripjes met z’n vieren werden ondernemingen, vakanties expedities. Het was niet óf maar wannéer Josse uit haar vel zou springen. Als zelfuitgeroepen gezinscoach werd ik daarbij nogal eens voor boeman versleten. “Jij ben mijn vader niehieeeeeeeet!!” slingerde ze dan woedehuilend naar mijn hoofd. Niet alleen het gezin en haar kameraadjes hadden onder Josse’s grillen te lijden. Vooral Josse zelf ging er gebukt onder. Want populair word je niet als Damiennetje. Therapeuten die zich over haar casus bogen waren vooral onder de indruk van haar charmes en hoestten iets op over ADHD. Uiteraard werd de overleden vader erbij gehaald, al was Josse volgens haar moeder al sinds het kraambed een woedend wezen. Gewoon een moeilijk kind?

Dat ik het in deze loopgraven vier jaar heb volgehouden schrijf ik graag toe aan mijn aangeboren nepvaderschap. Ik zag in dat Josse een autonome entiteit was, een natuurkracht die zich niet zou laten insnoeren. En eigenlijk wilde ik dat ook helemaal niet. Want ik was gek op Josse. Er zat zoveel leven in haar, zoveel creativiteit, zoveel nieuwsgierigheid, zoveel enthousiasme, zoveel liefde. Het was de kunst om met haar om te gaan alsof ze een volwassene was. Dat ging eigenlijk vanzelf. Vooral tijdens discussies over Interessante Dingen. Of we het nu hadden over de nieuwe Pixar, een Francis Bacon, een abstracte drol in het Kröller-Müller of gewoon over de buurvrouw, Josse had altijd een oorspronkelijke mening die getuigde van een zich razendsnel ontwikkelend stijlgevoel. Een wonderkind? Vooral een mooi mensch. Dat dwong nog meer respect af.

Toch was dat talent niet de crux. Dat ik ondanks de spanningen zo lang gebleven ben kwam doordat Josse mij het gevoel gaf dat ik een echte vader was. Dat deed ze heel fysiek. Door zonder te aarzelen bij me op schoot te kruipen als we tv keken. Door kraaiend in d’r blote kont mijn werkplek nat te spetteren met d’r doucheharen. Door zich in te laten stoppen alsof ik altijd over haar zou waken. Door zich te laten troosten als ze een nachtmerrie had gehad en met dikke oogjes onderaam de trap stond. Door een kind te durven zijn bij een man die niet haar vader was. Josse schonk me het vertrouwen dat me de stoerste man ter wereld maakte.

Twee jaar geleden is het nu dat ik Josse voor het laatst zag. Ze kwam bij mij logeren omdat ze moest optreden in de schouwburg te U. Had een sleutelrol in Het Lied van de Stad, een theaterproductie waarvoor haar moeder het decor had ontworpen. Zenuwachtig? Josse niet. Ik wel. Tranen met tuiten heb ik geplengd, apetrots applaudiserend voor mijn nepkind. Ben ik nog steeds. Zeker nu ze de haar woede omzet in creativiteit. Bijvoorbeeld in een prozagedicht over een onderwerp waar leeftijdsgenootjes niet het flauwste benul van hebben.

Het schijnt erg goed te gaan met Josse. Ze maakt vrienden op de middelbare school. Echte vrienden, die haar respecteren en zelfs bewonderen. Ik hoop dat ze nog wel eens aan mij denkt. Niet alleen omdat we zo goed konden lullen. Maar vooral omdat ik de enige was die haar woedehuil met een bear hug tot bedaren wist te brengen. Mijn jaren met Josse Posse waren de enige jaren dat ik ‘s ochtends opstond zonder vliegtuigcrashgevoel. Misschien wel omdat ik mij middenin het rampgebied bevond...

NB! Talent scouts en andere geïnteresseerden, gelieve een blik op Josse’s coma te werpen. Lees en huiver op de site van Max.

josse-def-450

Selectieve devotie van de 13e discipel

Of het nu komt door een streng religieuze opvoeding of juist door een atheïstische achtergrond, geen van mijn vrienden heeft iets met Geloof. Sterker, ze gruwen van refo’s, herkennen in elke priester een pedo en wensen de paus een kruisiging toe. Geloof is voor hen synoniem aan corruptie. Dan voel ik me gezegend. Bij ons thuis werd de Bijbel nooit opengeslagen, maar God evenmin verwenst. Alle ruimte voor een open mind. Zo kon het komen dat ik spontaan een religieus mens werd.

Ik heb God ontdekt via de koptelefoon. Niet een almachtige oude man met baard en sadistisch gevoel voor humor, maar een metafoor voor contact met het ‘al’. Klinkt zwaar, is licht. Als ik, geholpen door een paar slokken Albert Heijnschroefdopwijn, diep geconcentreerd naar muziek luister, voel ik mij zozeer verbonden met het alles & iedereen, dat ik dit als een religieus moment ervaar. Maar ja. Om me nou de hele dag met koptelefoon op een beetje verbonden te voelen met ‘t alles & iedereen, da’s op termijn niet bevredigend. Daarom besloot ik onlangs tot een bezoek aan een koor in de Dom. Zonder koptelefoon, met open mind.

Beetje huiverig fietste ik naar de kerk. Niet alleen vanwege een schroefdopkater, maar vooral omdat ik onbekend ben met christelijke rituelen. Word je als contactdiscipel wel getolereerd in het Huis des Heren? Moet je speciale kleding aan? Word je na afloop verondersteld te bidden? Mijn kerkgang was beperkt tot wat toeristische momenten, waarvan twee diepe indruk hadden gemaakt: een kleine, in de mediterrane rotsen uitgehouwen kerkgrot met gebocheld nonnetje omringd door een miljoen kaarsen. En, biggest motherf*cker of them all, de Sint Pieter, met zuilen zo dik als een dorpskerk. Dan is het toch maar behelpen in de Dom.

Om te beginnen maakte hij een erg kale indruk. Zal wel iets te maken hebben met de Beeldenstorm, maar hadden ze niet wat spullen terug kunnen zetten? Nu leek ’t mijn eigen antimaterische inrichting wel. Ook de ontvangst viel tegen. Ik had nauwelijks voet op heilige grond gezet of twee hoogbejaarde, bladmuziek uitdelende piranha’s beduidden me dat ik mijn muts moest afdoen. Een longontsteking oplopen voor de Heer wil ik best, maar op zo’n toon zul je mijn zieltje niet winnen.

De kerkgangers zagen eruit zoals gewone mensen. Laverend tussen capitulatie en wanhoop, zoekend naar berusting in een bestaan dat niet zo is uitgepakt als hen in hun jeugd was voorgespiegeld. Ze staarden door hun multifocusbrillen naar de vloer, wachtend op de rest van hun leven. In schril contrast hiermee fladderde er enkele personen langs in gewaden die de KKK gewoon is bij feestelijkheden te dragen, maar dan in het rood en zonder vrolijke puntmuts. Als iedereen er een aan zou trekken was mijn ontmaskering nabij.

Maar of het nu kwam door de katervermoeidheid of door de gebrandschilderde lichtinval, langzaam begon de Dom me te veroveren. Ik nam plaats achterin, zo onopvallend mogelijk, op een houten herniabank waarop mijn bruine jas als camouflage zou dienen. Mijn synapsen kwamen tot bedaren als een middernachtelijk padvinderskampvuur. Helaas werd het al rap drukker. Het grauw schoof aan. Ik kon een huivering niet onderdrukken, maar vermande me. Voor Contact was ik immers gekomen.

Een bel werd geluid. De figuren in rode gewaden verschenen voor het immense orgel. De oudste van hen nam het woord. Een priester? Hij zag er nogal pedofiel uit. Een echte preek stak ie niet af, maar nadat hij de inhoud der liederen had samengevat deelde hij wel sneer uit naar spiritualiteit, volgens hem een ‘klef’ begrip. Of mijn contactafgoderij daar ook onder viel bleef in het midden. Hij kondigde Psalm 9 aan. Het orgel en het koor zetten in, waarop de kerkgangers en masse opstonden en mee begonnen te zingen. Publieksparticipatie! Daar had ik niet voor betaald! Uit angst dat de priester zou komen checken of er voldoende geluid uit me kwam, playbackte ik uit volle borst mee. Maar hemels klonk het niet.

Na de psalm verstomden het grauw en het veel te nadrukkelijk Bruce Springsteenorgel. Het koor ging solo. En hoe. Schitterend klonk het. Melancholisch, euforisch, betoverend. Het bood wat alleen muziek de mens kan schenken, wezenlijker dan alle liefde & lust, kennis & macht bij elkaar: troost. De tranen liepen me over de wangen. Niet zonder gevaar overigens, want anders dan in de bioscoop, blootgesteld aan daglicht. En niemand had hier rode ogen. Misschien was ik wel té religieus.

Of waarschijnlijker: was het grauw helemaal niet bezig met Iets Hogers. Het zat te fluisteren, te frummelen, te frutselen. Te bladeren, te kuchen, te verzitten. Het verveelde zich als snotneuzen in de bios. Verstoorde mijn euforie. Zo kon ik geen contact maken met ’t alles & iedereen! Ook de dirigerende priester begon me op de zenuwen te werken. Hij was veel te expressief, zwiepte met het stokje als een dronken Jeltsin. Hoe kun je nu zwiepend tot God komen! DOOD MOEST IE! DOOD MOEST IEDEREEN! DOOOOOOOD!

Na een uurtje verstoorde devotie was het schluss. Het publiek sloeg de kladden op elkaar om al rap in ovatie te ontsporen, toch wel de forte van ons volk. Ik haastte me naar de uitgang, maar niet voordat ik 3,55 aan kleingeld in de mand van de piranha’s geworpen had. ‘Doneer naar draagkracht, RICHTPRIJS: VIJF EURO’ stond er bij de kerkdeur vermeld.

Nu zit ik weer thuis. Koptelefoon op de schedel. Flesje schroefdopwijn aan de mond. Gedownload koortje aan de oren. Contact makend met ’t alles & iedereen. Nou ja, met het alles & iedereen dat niet fluistert, frummelt, frutselt, bladert, kucht of verzit. Contact is dan misschien goddelijk, maar volgens het evangelie van Johannik is God ook maar een mens.

dom450

Urinoire herinneringen

Als je je ogen een beetje samenknijpt lijk je minder aangeschoten, of beter nog: een beetje wreed.

sam_4485-450

20121012_215455-450

Toevalsreünie in Springhaver

Met ex-ex Hananja en maat Peter thuiskomen in café Springhaver. Slappe lach binnen een halve minuut, hét symptoom van hardcore vriendschap.

20121004_reinhananjapeter45

Rock star in een appelsilo

If you put your mind to it, you can accomplish anything. Als je opgevoed bent met duizenden uren aan Amerikaanse televisiepulp, krijg je onvermijdelijk een tik mee van the American Dream. Mijn idee-fixe is dat met focus alles mogelijk is. Zelfs nu ik over de helft ben en zo min mogelijk mogelijk heb gemaakt van mijn leven, geloof ik nog steeds in gerichte passie. Echter, om volgende generaties te waarschuwen voor de consequenties van ongebreidelde hartstocht, hierbij het relaas van een krijger die decennia gebivakkeerd heeft op het slagveld der gêne.

In welk jaar precies ik besloot rock star te worden weet ik niet meer. ‘t Was op een leeftijd dat echte rock stars zichzelf als pensioengerechtigd beschouwden. Een gewaagde carrièreswitch dus. Gelukkig was er in mijn geval weinig sprake van carrière. Of eigenlijk helemaal niet. Ik had zes studies afgebroken en vond het tijd om iets zinnigs met mijn leven te doen. Rock stardom leek een verantwoorde keuze.

Niet dat ik op enige expertise kon bogen. Ik bespeelde geen instrument en wist evenmin iets van akkoorden, laat staan van notenbalken. Maar omdat ik ooit een rock ’n roll-verzamelplaat van K-tel had grijsgedraaid en jarenlang de luchtmicrofoon had ingezongen, vermoedde ik star quality in me. Ik moest en zou mijn leven wijden aan muzikale adrenaline. Een kwestie van doorzetten.

Met mijn if-you-put-your-mind-manie wist ik enkele vrienden ervan te overtuigen een band te formeren. Rain & the Brains doopten we onze claim to fame. Die Brains konden uiteraard allemaal een instrument bespelen, maar als frontman bleek ik evenmin gespeend van talent. Zo had ik een flair voor componeren (uit het hoofd!) en schreef ik surrealistische lyrics. Rain had ‘iets’. ‘t Kwam er alleen niet uit zoals gehoopt.

Dat bleek na ons eerste optreden. Een volle zaal hadden we getrokken. Met een dijk van een performance, zo meende ik. Helaas was de ‘gig’ op video vastgelegd door een onverlaat. Met ontluisterend resultaat. The Brains bleken inderdaad als een dijk te spelen en mijn gepassioneerde présence oogde overtuigend, maar er was iets mis met mijn zang. Alsof ik een halve noot onder de akkoorden zat. Consequent, dat wel. En opeens dacht ik aan die blik van mijn ex, na afloop van het concert, die hoe-ga-ik-hem-dát-vertellen blik. Ook de reactie van haar nieuwe vriend, een boomlange (en naar het scheen zeer zwaargeschapen) drummer, was in retrospectief verdacht: ‘Zag er leuk uit!’

Navraag bij The Brains over mijn ondertoonse zangstijl leverde slechts wat schouderophalingen op. Ik moest niet zeuren, want frontmannen zeuren niet. Maar de twijfel was in mijn bravoure geslopen. Volgende optredens werden met klamzweet tegemoet gezien. Ik nam zelfs zangles, tegen beter weten in. Van de nukkige, hoogbejaarde sopraan (100 gulden p/u, toentertijd mijn jaarinkomen) tot de veel te empathische jazzzangeres-met-overgewicht, alle juffen keken me aan met die hoe-ga-ik-hem-dát-vertellen blik. ‘Mooi stem,’ zeiden ze ‘Je hebt alleen soms wat moeite met tonen pakken.’

‘Soms’. Dat was natuurlijk een eufemisme voor ‘altijd’. Tonale dyslectie had ik. De diagnose kwam aan als een mokerslag. Niet omdat mijn carrière nu in de kiem gesmoord was, maar omdat mijn passie voor zang wortel had geschoten. En niet ongegrond. Áls ik de toon te pakken kreeg kon ik aardig sfeerzingen.

If you put your mind to it, you can accomplish something else, besloot ik. Het moest kleinschaliger. Emotioneler. Rain hief zijn Brains op en ging verder met toetsenist en gitarist. Trio Cathedral City was geboren. Exit rock, enter ballads. De oerbrul werd ingeruild voor een gevoelige croon. We regelden een oude appelsilo als oefenruimte en schaften een digitale 8-sporenrecorder aan. Kun je eindeloos mee opnemen. En zo volgden jaren van componeren, arrangeren en opnemen. Ik ervoer wat ik altijd al geweten had, dat muziek de schoonste aller kunsten is. Zeker als je het zelf maakt. Noem het contact met God, het universum, jezelf, de melkboer. Zingen is goddelijk. In mijn geval was die god alleen paralympisch.

De bravoure van podiumbeest Rain heb ik nooit teruggekregen. Ook niet na eindeloos inzingen in de appelsilo, gefocust als een monnik. Optredens beperkten we tot een enkele keer in een cultureel café vol klaverjassers. Na vijf jaar zweten met de recorder en 19 songs later vond ik het mooi geweest. We zetten de nummers op www.cathedralcity.nl. En ik begroef mijn microfoon.

Hoe trots ook op iedere noot van die 19 songs, ik ben nooit de zanger geworden die ik dacht te zijn. Wel de schrijver die ik niet wilde worden. Schrijven is niet goddelijk. En de verleiding is groot. Soms, als de stembanden beginnen te jeuken, zet ik de video van Rain & The Brains even op. Dan sluit ik de ogen, zet ‘t volume op 10 en stoot een diepe kreun uit. Misschien moet ik de tape viraal laten gaan op YouTube, ter desensitisatie van de gêne. En als waarschuwing voor andere rock stars-in-wording. Of als inspiratie voor schrijvers: if you put your mind to it, you can write about anything.

Wat rest van mijn carrière als rock star zijn deze screenshots. IJdeltuiterij? Zeker. Gun mij die 15 minutes of American Dream. Sommige illusies moet je koesteren. Daarbij, Rain is dan misschien verdwenen, zijn passie zeker niet.

Mijn dank gaat uit naar toetsenist Wym van Noort en gitarist/zanger Ramon van der Hout voor hun jarenlange geduld, hun inspiratie, vakmanschap en – uiteraard – prachtige spel. Wie weet, ooit…

band12luik450

De killer van Kanaleneiland

‘Een béétje vent zou ‘em de nek omdraaien,’ schoot ‘t door m'n hoofd toen ik de hem had opgepakt. Nou is mijn relatie met de Columba livia domestica, oftewel de vieze vuile stinkstadsduif, niet altijd even goed geweest. Maar dit was een jonkie met kapotte vleugel en Bambi-ogen, voor mijn ogen te grazen genomen door zo’n verveelde PVV-kat die effe wou laten zien wie de baas is in Kanaleneiland. Dus of het nu kwam door mijn schuldgevoel of door een vlaag asbest in de herfstwind, ik kon het niet over mijn hart verkrijgen.

Gelukkig passeerde er een gemeentemedewerker. Zo’n veertiger met bodywarmer en levenslustige MBO-blik. Die zou raad weten! Hij schrok wat van mijn manische motoriek, maar na enig aandringen was hij bereid de dierenambulance te bellen. Helaas. Die had het te druk met elders reuzenpanda’s redden. 'Zal ik ‘em de nek omdraaien?' vroeg de gemeentemedewerker toen aan mij (alsof ik daar zelf niet toe in staat zou zijn!). Zijn blik was nog levenslustiger dan eerst. 'Nee, ik breng hem wel naar een veilige plek,’ improviseerde ik. De ambtenaar keek me aan met een ‘sure you will’ en vertrok.

Zijn scepsis was niet onterecht. Mijn veilige plek was een paar honderd meter verderop onder de brug, bij zo’n bosje dat zelfs door vieze mannen gemeden wordt. Ik liet Bambi los in het vochtige struweel. Maar veel beweging kwam er niet in. 'Een beetje vent zou 'em de nek omdraaien' galmde het weer door m'n kop.

Bambi opnieuw gevangen. Op de fiets, mee naar huis. Thuis in een doosje gedaan met wat brood en een ongewassen onderbroek, zodat ie rustig bij kon komen. Vogelopvang gegoogled en gebeld. 'Kom maar brengen!' klonk het enthousiast. ‘Maar het is een vieze vui... het is een stadsduif,’ merkte ik op. ‘Boeit niet. We maken geen onderscheid.’ Geen onderscheid!? Right! Fuck de reuzenpanda.

Een jonge Toots Thielemans opende de poort. ‘Ja, we doen ook aan duiven,’ zei hij en liet me een fraaie volière zien vol vieze vuile stinkstadsduiven, een kweekcentrum voor biologische oorlogsvoering. In de ziekenboeg overhandigde ik het doosje. Hij haalde Bambi eruit, onderzocht diens vleugels. Even verwachtte ik een ‘een beetje vent had 'em de nek omgedraaid’, gevolgd door een kille executie. Niets daarvan. 'Die redt ’t wel,' zei Toots. Hij pakte een soort comedonendrukker, stak die in een flesje en vervolgens diep in Bambi’s strot. ‘Om te ontwormen.’

Helemaal zeker weet je ’t natuurlijk nooit, of zo'n opvangcentrum geen dierproevenlab is, waar ze nagellakremover testen op de ogen van jonge Bambi’s. Of misschien heeft Toots 'em gewoon de nek omgedraaid toen ik de poort achter me had dichtgetrokken. Feit is dat mijn karma weer in balans is. Morgen mag ik weer een verse Columba livia domestica afschieten op m’n balkonnetje.

duif-450

Het whiteboard van een medisch enigma

Hij lag erbij alsof ie een king size kater had. Haar door de war. Gelaat grijsblauw en ongeschoren. Pak verfomfaaid. En dat koelelement onder zijn bed had ook iets Alka Seltzerigs. Niets dramatisch aan. Was zijn stijl ook niet. Plugge wilde het liefst overkomen als een conventionele, gereformeerde zak. Dat dwong respect bij mij af.

Hoe vanzelfsprekend mijn vriendschap met Ronald T. Plugge ook was, voor de hand liggend was ie zeker niet. Sterker nog, we hadden bijna niets gemeen. Ik was een snelle analyticus met flair voor mind fucks, Plugge een breedsprakige krantenlezer met ‘t metrum van Chriet Titulaer. Ik hield van crooners, hij luisterde naar getoupeerde emobandjes. Ik keek film, hij las Reve. Wat ons bond was de specie aller vriendschappen: zelfspot. En grapjes over de dood, daar leefden we voor.

Wat we verder deelden was een gebrek aan maatschappelijke ambitie. Hoewel hij dat zelf graag anders zag. De reden dat hij op z’n dertigste nog steeds bij Van der Valk oberde was dat hij terminaal was, terwijl mijn in between no-careers-baantje bij de PTT een kwestie was van posttraumatisch stressgezeik. Hij was chronisch hartpatiënt, ik deed chronisch moeilijk. Maar omdat ie zijn studietijd had weggespoeld met ‘t ontwerpen van leerschema’s op whiteboards, mocht ik hem met recht loser noemen.

Nou moeten we Plugge’s terminaliteit niet al te zwaar opnemen. Dat deed hij zelf ook niet. Hij rookte en zoop een stuk meer dan ik. En veel meer dan hij van zijn artsen mocht. Bovendien weigerde hij stelselmatig een harttransplantatie. Dan was ie officieel terminaal, zo stelde hij. Gelijk had ie. 15 jaar staat er voor zo’n geleend orgaan. Dus roeide hij met de hartkleppen die hem restten. Tot ergernis van de specialisten, die hem als een medisch enigma beschouwden. Immers, sinds hij op z’n twintigste een virus had opgelopen in Australië, was zijn hart uitgelubberd tot de proporties van een goodiebag. Plugge hoorde dood te zijn in plaats van terminaal. Zijn casus was niet voor niets de Number One hit op cardiologische seminars, zo placht hij te pochen.

Always a sucker for losers, mocht ik Ron Plugge direct. Misschien ook wel omdat hij zo weinig op mij leek. Geen spoortje stress. Dat hij door iedereen bij zijn achternaam genoemd werd en in Libanon gediend had, gaf onze omgang bovendien instant street cred. Jaren aan uren hebben we weggespoeld in de kroeg, discussiërend over halszaken als Saddams voorliefde voor Hemingway. We flirtten met dezelfde vrouwen, lachten om de lulligheid des levens. Ron was iemand die ik graag op maandagochtend tegenkwam, om samen de dag mee te verknoeien. Killing quality time.

Niet verbazingwekkend dat onze vakanties een aaneenschakeling waren van anti-avonturen. Alles wat een toerist probeert te voorkomen maakten wij mee. Meestal doordat Plugge iets ontzettend stoms deed en ik zo ontzettend stom was om daarin mee te gaan. Op ’t heetst van de dag naar een fout stierengevecht waardoor zonnesteek, dagenlang liften naar een Frans theaterfestival dat al jaren niet meer bestond, met een local tegen een winkelruit vrijen om er vervolgens doorheen te storten. En altijd weer bracht zijn neus voor down & out ons in de allerluguberste underground bars. Plugge was trouble. Om dat vol te houden moest ie zelf 16 uur per etmaal bijslapen.

95% arbeidsongeschiktheid ten spijt, liet Plugge het graag breed hangen. Geld moet rollen, was zijn devies, ook als je het niet hebt. Daarom had ie twintigduizend gulden aan doorlopend krediet opgemaakt aan staafmixers, citroenpersen en kamerbrede tv’s. Toen ik hem eraan herinnerde dat ik nog tweeduizend piek van hem tegoed had, kreeg ik een J'accuse van acht handgeschreven pagina’s op de mat. Gelukkig misten we de stamina voor langdurige brouille. Sterker nog, na een paar maanden mokken gingen we samen in zaken. Duistere zaken. Over dat debacle straks meer.

Zo lijdzaam als Plugge was bij geldkwesties, zo krachtig stelde hij zich op tijdens zijn vele ziektebedden. Nooit klagen, altijd meedenken met de artsen, hen soms adviserend of zelfs verbeterend. Met zijn manische focus had ie ALLES over hartziekten en kunstharten eigen gemaakt. Pre-internet, mind you. Als hij in conclaaf ging met de doktoren luisterde ik bescheiden toe, m’n posttraumatische stressgezeik wegfrommelend. Na iedere ziekenhuisopname keerde hij ongeopereerd huiswaarts, fris als een terminaal hoentje. Plugge’s veerkracht was ongekend.

Zijn gehannes met vrouwen was dat ook. Relaties waren beperkt tot weekendseks, samenwonen was geen optie (volgens hem vanwege zijn hart, volgens mij vanwege zijn teringzooi thuis). Tot ik een etentje gaf voor mijn vrienden, om mijn veertigste verjaardag te vieren. En hij naast Eva kwam te zitten. Eva was links. Plugge niet. “Heb je wel eens in de gevangenis gezeten?” was zijn opening line. “Ja!” antwoordde ze eerlijk én met de breedste grijns van het noordelijk halfrond. Een paar dagen later woonden ze samen. Nog wat maanden later werd hun dochter geboren. Hij hield de kleine in zijn armen met de triomf van een onsterfelijke. Plugge kon niet meer kapot.

Of toch wel. Zijn hart was nu echt op aan ‘t raken. En als verse vader wilde-ie opeens 100 worden. Of in ieder geval 50. Plugge stemde in met transplantatie. Weken later kreeg ik een telefoontje van hem, midden in de nacht. Dat het hart gearriveerd was. Dat ie afscheid wilde nemen, voor het geval dát. En dat ie van me hield. Dat laatste moest ie eruit persen, maar toch. Sentimentele lul. Enfin, de operatie slaagde met vlag en wimpel, Plugge werd een gezonde huisman. Niet dat dat veel aan hem veranderde. Nog steeds wilde hij het breed laten hangen, spoelde hij gezonde uren weg met het ontwerpen van gokschema’s op whiteboards waarmee hij het casino zou kraken.

Het tweede telefoontje kwam niet van Plugge, maar van zijn zwager. Dat zei me genoeg. Het donorhart was alsnog afgestoten. Na een jaar. God zegent, maar doet dat graag met mate. Gelukkig was Plugge’s zesjarige dochtertje niet thuis toen het gebeurde. Ze hield zich kranig tijdens de crematie, toen Plugge’s vrienden zich en masse over zijn lastigheid beklaagden, maar hem na afloop wel op een tien minuten durende staande ovatie bedienden.

Tot zover mijn vriendschap met Ronald T. Plugge. Nou zou ik kunnen beweren dat ik vaak moet huilen om zijn dood. Maar dat is niet zo. Ik mis hem zoals je een lastige broer mist. Het gemis van een aanwezigheid waar je je ongegeneerd aan kan ergeren en ongeremd mee kan bekvechten. Ware vriendschap is niet romantisch. Het is vooral gewoon. Zo gewoon dat een opgebaard lichaam op een vriend met een kater lijkt.

Uit respect voor Plugge nog even wat spam: het verhaal over onze zakelijke escapade zal ik in de toekomst pimpen tot een roman. Waargebeurd, sort of, al zal Plugge het nodige commentaar hebben op mijn interpretatie als hij me opwacht aan het einde van de metrotunnel. Zolang ik die 2000 piek maar terugkrijg.

plug-450

De John Holmes-sound van een eenzame wolf

Het is moeilijk uit te leggen aan iemand die op z’n zestiende niet onder de puisten zat, twee koppen kleiner was dan de gemiddelde prom queen en met zijn stem steevast drie octaven te hoog uitkwam, wat een motorfiets voor een puber kan betekenen. In mijn dagdromen was een motor meer dan instant machismo. Hij had een filosofische dimensie, maakte je tot een kruising van alpha dog en lone wolf. Een motorrijder was zo diep dat ie niet eens seks hoefde te hebben.

Infantiel als ik oogde, naïef was ik bepaald niet. Zo constateerde ik dat slechts enkele merken zo’n shot testosteron garandeerden. De meeste motorrijders reden op modellen die praktisch waren – of erger nog: sportief – met veel te veel cilinders die een kleinepikkengeluid produceerden. Sukkels! Het geheim van de smid lag besloten in less is more en more is more: zo min mogelijk cilinders met zoveel mogelijk cc’s. Ergo: een Harley-Davidson.

In die tijd reed er slechts een handjevol Harleys in Nederland rond. Ze waren een bezienswaardigheid, iets waarvoor het grauw uit haar krochten kroop. Ik kende het merk vooral uit tijdschriften. Research deed ik in vakliteratuur als Easyriders en In the Wind, chopperblaadjes die bol stonden van de blote tieten en opgestoken middelvingers. Voor dat soort flauwekul had ik uiteraard geen oog. Mijn hart sloeg over bij de Harley-Davidson Low Rider, ‘s werelds eerste echte fabriekscustom, met kings & queens zadel, gun metal grey fatbob tank en drag bar stuur. Beyond masturbation.

Jaren verstreken. Een nieuw decennium kondigde zich aan. Het rijbewijs was binnen, maar een Harley kostte in die tijd iets van 15.000 gulden. Daarvoor moest ik, even omgerekend, 233 jaar sparen van mijn ongeschoolde baantje als assistent-manusje-van-alles in het St. Clara Ziekenhuis. Dus toen een metamorfose in lone wolf urgent werd (ik was nog steeds maagd en dat werd alleen maar erger), besloot ik water bij de wijn te doen. Veel water. Het werd een derdehands Honda 550 K3. Yep, zo’n praktisch model met een kleinepikkengeluid. Maar daarmee zou vriend B. wel raad weten. Die was namelijk drie jaar ouder. En onbevreesd sleutelaar.

Een paar maanden later stond de 550K3 voor mijn deur. Vriend B. had hem niet alleen gereviseerd maar tevens in bordeaux-rood en Marianentrog-zwart gespoten. Très chic. Maar niet bijster chopperachtig. Gelukkig had hij wel zóveel gaten in de uitlaten geboord dat de Honda nu een middelgrotepenisgeluid produceerde. Daarbij had hij highway pegs gemonteerd waardoor ik met mijn knieën in de nek ultra cool door uptown Rotterdam kon cruisen. Een leek had dit aangezicht misschien een hoog bavianengehalte toegedicht, de ware aficionado herkende onmiddellijk een Captain America als ik over de tramrails van de Nieuwe Binnenweg glibberde.

Jarenlang heeft de viercilinderpik mijn zelfdunk opgekrikt. Het liefst op boulevardsnelheid, want echt scheuren durfde ik alleen met een slok op, zoals toen in de Maastunnel, stomdronken inhalend met 120 over de doorgetrokken streep. Toen ik eenmaal ontmaagd was en merkte dat mijn thrills toch meer op dát vlak lagen (en dat verbale zelfspot meer meiden aantrok dan een bavianenlook), hield ik het lone wolfen voor gezien. De tot op de velgen versleten 550K3 werd ingeruild voor een racefiets. En witte Batavus met crèmekleurig zweetzadel. Très chic.

Het rijbewijs verdween in een oude sok. Tot er begin jaren negentig onverwacht een tante de geest gaf. Kinderloos. Niet dat ze verknocht was aan haar neefje (toen ik haar opzocht in het ziekenhuis riep ze luidkeels: “Als zelfs Rein langskomt zal het wel echt beroerd met me gaan!”) maar ze liet me een erfenis na die al uit mijn zak brandde voordat de laatste tonen van Ivan Rebroff het crematorium uitgegalmd waren.

Dus, en dat voelde u al aankomen, werd er alsnog een Harley-Davidson Low Rider aangeschaft. En, dat voelde u ook al aankomen, het was te laat. Dat ligt niet aan hem. Hij rijdt als een mammoet, is gecustomised met geraffineerde details en ergonomisch verantwoorde higway pegs, en de tweecilinder 1340 cc produceert een ongekende John Holmes-sound. Maar hij geeft me Het Gevoel niet. Niet zonder puistjes, groei-achterstand en falsetto. Daarbij heeft het Harley-virus zich als ebola over Nederland verspreid; ieder weekend klimt het grauw in het zadel om als orthodontist slash outlaw biker verkeersregelaars op Laag Catharijne te intimideren. Harley is het permanentje onder de motorfietsen geworden. Beyond midlife crisis.

Maar verkopen durf ik hem niet. Mag ik niet. Doe je niet met een 35-jarige dagdroom. Wel ben ik overgegaan tot een rigoureuze maatregel: ik heb de Low Rider opgesloten in een raamloze garagebox. Aan de ketting gelegd, met voldoende olie in z’n mik om een paar decennia door te komen. Wachtend op een neefje dat mijn sterfbed aandoet.

honda-harley-def450

Delen hun geheim

Het geheim van een 36-jarige vriendschap? (Naast alcohol dan.) Een welgemeend gebrek aan wederzijds respect.

Vereeuwigd met Ed Bleij in café De Ridder te Rotterdam.

20120721edrotterdamderidder450

En het nieuwe intellectualisme 

Al schuilend op de Witte de With bespreken Rein en love-of-his-life-van-30-jaar-terug Claudia Borges de invloed van Zabībah wal-Malik op de wereldliteratuur en de westerse samenleving.

collage-claudia-borges-450

Vol belofte

Na mijn oogoperatie mocht ik een hele week lang met een ooglapje lopen. Een sjáns! 

De vraag is natuurlijk waarom zo'n lapje zo geil staat, wat het belooft. Een extra geslachtsorgaan? Een rol zwarte euro's? De Waarheid?

mean-mofo-crop-450

Of a rose in Spanish Harlem?

Er groeit een struik uit het overloopputje van mijn aanrecht. Betekent dit dat er in mij een innovatief, ecologisch verantwoord entrepeneur met onbewuste neus voor niches (indoor wijndruiventeelt voor kleinbehuisden) schuilgaat? Of dat ik een vieze oude man ben geworden die aan de Glorix moet? Of beide?

afvoerplant-crop-450

Met tak en wortel

Als ik in een vlaag van identiteitsverbijstering mijn - toch zeldzame - achternaam bij Google Afbeeldingen inklop, verschijnt dit portret als een van de eerste resultaten. Dat stemt me hoopvol over mijn roots.

hannik-in-google