blog titels

Blog

Zoek de zeven verschillen

alfred-def-450

Full frontal

Censuur op Facebook? Schande! roept iedereen. Mooi bloot is niet fout! Lekker bloot moet kunnen!

Ik begrijp al die consternatie niet. Het medium is gratis en niet verplicht, dus als je er gebruik van wilt maken houd je je aan de regels. Dat die regels Victoriaans overkomen, tja, dat heb je al snel bij een commercieel Amerikaans product. Bedenk wel dat Z*ckerbergs kruistocht tegen onze losse zeden niet moralistisch is maar amoreel: het gaat hem erom adverteerders te behagen, niet om naturisten te verjagen.

Interessanter dan al die verontwaardiging vind ik de criteria van de censuur. Wat acht Z*ck nog frivool en wat is volgens hem vieze vuile stinkporno? Worden foute foto’s opgespoord door software die vastloopt zodra er een secundair geslachtskenmerk in het filter komt? Of is de klopjacht ‘t levenswerk een overijverige, gepensioneerde Stasi? Om dit uit te testen zal ik mijn full frontal iedere dag opnieuw posten, met een steeds kleiner wordend sterretje, tot mijn profiel verwijderd wordt. Dan zou ik het op prijs stellen als jullie hier zo'n Dwaze Moederactie beginnen - zo geëngageerd ben ik ook wel weer.

bloot-def-450

Parijs in één dag

1981 zal het geweest zijn. Onderuit gezakt in café De Kroonkurk zaten we. Dronken want vrijdagavond. Verveeld want geen spannende vrouwen. Lamlendig want snotneuzen. Tot één van ons met de vuist op tafel sloeg. ‘Laten we naar Parijs gaan! Spannende Françaises versieren!!’ We zaten gelijk rechtop. Keken elkaar aan. Kregen een big smile op onze smoelen. ‘Jaaaaaaah!’ klonk het even luid als asynchroon. ‘Laten we naar Parijs gaan! Spannende Françaises versieren!!’

Nog geen half uur later zaten we met z’n vijven in een 150 jaar oude Opel Kadett. Zonder achteruitversnelling, mét slaapzakken en tandenborstels. Allez hop vers Paris! Euforisch, want bier mee en vals zingen en Frans oefenen. Ça plane pour nous!

In de Lichtstad aangekomen eerst wat rondgereden, op zoek naar bruisend uitgaansleven. Om acht uur ’s morgens. Paar rondjes om de Arc de Triomphe, waarbij onze dronken B.O.B. de autochtonen duidelijk maakte hoe een Hollander zijn territorium afbakent in de Parijse spits. Maar nergens spannende Françaises te bekennen.

Uren later nog niet. Ondertussen begon de kater toe te slaan. Een willekeurig cafeetje ingedoken. Biertje gedronken. Uitsmijter gegeten. Shagje gerold. Nog een biertje gedronken. Nog een shagje gerold. Nog een biertje gedronken. Toen viel het stil. Erg stil.

‘Laten we maar naar huis gaan, stelde iemand uiteindelijk slaperig voor. ‘Ja, laten we maar naar huis gaan,’ klonk het even slaperig als asynchroon. Na 12 uur Parijs en een vergeefse poging om met z’n vijven een dutje te doen in de Opel Kadett, zijn we diezelfde zaterdagavond nog terug gekacheld naar Rotterdam, elkaar bezwerend nooit een woord over dit wapenfeit los te laten. Waarvan akte.

parijs-def-450

Wildplassers

Het gezin tijdens een collectieve plasstop in de berm van 1964. (Oma hield het drie weken op.)

opel-def-450

Komt allen tot mij!

Als je maar voldoende slaaptekort opspaart begin je als vanzelf op de Heiland te lijken.

insomnia-def-450

Verdund slempen

Tipsy na verdunde rosé op terras te Varigotti. Let op de sabeltandtijgertand-aan-halsketting, het jazzy hoedje en de UFO-beam. 1974?

varigotti-terras-def-450

Webcam method acting

Augustus 2007. Neppapa Rein en zijn nepkroost verkennen de grenzen van de debiliteit (en van de digitale ruis).

roothaan-defdef

In haar element

1963. Tussen de ruïnes van Aquileia. V.l.n.r. vader, kinderen en oma. Moeder – zoals altijd – achter de camera.

ruine-def-450

Oefening in ongenaakbaarheid

1989. Vereeuwigd in een stationsautomaat.

30-jarige-kroegtijger-def

Sweet white wine blues

wijn-450

Het ruisen van de branding

Als je, zoals ik, kampt met insomnia en extreem licht slaapt, probeer je een achtergrondgeluid te creëren dat menselijke uitingen overstemt. Er bestaan diverse opties.

Zo lijkt een radioruis of televisiesneeuw een goedkope oplossing (geen abonnementskosten), maar vereist aanschaf van dure hardware. Slapelozen met meer ambitie kiezen voor een snelweg achter hun slaapkamer (slim huren of aanleggen). En echte doorzetters betrekken een woning aan een kanaal waarin ze een waterval uitgraven (ontwerp moet nog uitgewerkt worden in CAD).

Voorlopig behelp ik mij met een even simpele als effectieve geluidsbron: een ventilator, verpakt in een vuilniszak die gaat vibreren en met wasknijpers zodanig afgesteld kan worden dat hij klinkt als een debiel die op een didgeridoo zit te blazen. Zonder adem te halen.

De insomnia mag dan onverminderd aanhouden, met zo’n concert is het een stuk lekkerder wakker liggen. Patent pending.

flaterfoon-def-450

De roep van de cassetterecorder

Het was met schier bovenmenselijke inspanning dat ik mijn gezicht in de plooi wist te houden, ternauwernood een yabba dabba doo onderdrukkend. Slechts een wenkbrauw trok ik op. Nam voorzichtig een slokje bier. Had ik haar goed begrepen? Wilde S. met mij, een door acne geteisterde klokkenluider, vier weken rondtrekken in de wildernis van Canada? We hadden nog niet eens gezoend! ‘Goh,’ antwoordde ik een octaaf lager dan mijn eigenlijke stem, ‘leuk idee.’

Eigenlijk kenden we elkaar alleen van de Kroonkurk. Ze vond mij grappig, dat wist ik. Maar zij was, met haar lange krullen, slaapkamerogen en kantelbekken, het Stuk van de Kroeg, al werd die sexiness enigszins teniet gedaan door haar gereformeerde stugheid. Waar ik voor viel was haar wild streak: S. reed motor. Een tweecilinder Honda CB350 met het geluid van een dronken grasmaaier. Natuurlijk had ik zelf ook mijn motorrijbewijs, maar was nog sparende voor een Jap. Zij had een echte baan als dierenartsassistente en maakte de Boergoensevliet onveilig op haar gorgelende caféracer. One of the guys!

Daar zat ik dan, quasi nonchalant aan mijn pilsje te nippen. Dat ik tweede keus was omdat haar best friend forever verstek had laten gaan, dat kon me niet bommen. Ze was er eerlijk over, dus wuifde ik iedere zweem van opportunisme grootmoedig weg. En natuurlijk wilde ik mee naar dat ruige Canada! Woonden daar niet een paar voortvluchtige familieleden? Nog diezelfde avond beklonken we ons plan en fantaseerden we over Indianen, bisons en mountain men. Haar romantische kijk op de natuur vond ik ontwapenend.

Om elkaar beter te leren kennen besloten we eerst een motorritje te maken. Ik achterop. Dat voelde dubbel: spannend om zo dicht tegen dat kantelbekken aan te zitten, lullig om niet zelf het beest bij de hoorns te mogen vatten. Ook moest ik na de rit even wennen aan haar moeder die Rien Poortvlietfauna vereeuwigde in borduurwerk. En aan die ene plaat van Kate Bush die S. steeds opnieuw opzette. En waarom keek ze mij niet aan zoals ik haar aankeek? Ach, dat zou allemaal veranderen, daar in de ruige Rocky Mountains. Zonder Rien.

Een maand later werden we door mijn vrienden, die heimelijk weddenschappen hadden afgesloten over mijn op til zijnde ontmaagding, uitgezwaaid op Schiphol. The call of the wild! Of beter gezegd: of the family, want S. wilde ook naar Canada afreizen om haar drie geëmigreerde broers te bezoeken. Stoere, self made men, die ’s winters in telefoonpalen klommen om kapotgevroren kabels te repareren.

Aanvankelijk kon ik het weerzien tussen deze ruwe bolsters en hun kleine zusje wel waarderen. Maar naarmate S. zich dieper onderdompelde in dat warme bad begon ik steeds meer op de tocht staan. Een afgedankte chaperonne voelde ik me. En toen we vier lange dagen later eindelijk de camper de sporen gaven richting Rockies, en S. weer romantische verhalen begon af te steken over Indianen, bizons en mountain men, kon ik me niet langer inhouden. Die edele natuur van haar, zo stelde ik, was niets anders dan een sadistisch universum vol dronken Apaches, hondsdolle wolven en Klanleden die het voorzien hadden op sukkels zoals wij. Wat deden we hier eigenlijk! Wat deed ik hier eigenlijk!

Tranen met tuiten, die ene nacht samen in de bush-bush. Helemaal van slag was ze. Ik deed nog een schamele poging het goed te maken, maar die ene glimp van Mr. Hyde was genoeg voor haar. Terug naar haar broers wilde ze. First thing in the morning.

De terugrit was er een van dieseldreun en ijzige stilte. De broers reageerden verbaasd. Maar vooral argwanend. Waarom was hun oogappeltje in tranen! Wat had die vieze vuile klokkenluider met haar uitgespookt? De oudste broer, op wiens boerderij we logeerden, stelde me voor de trip alsnog te maken, maar dan solo. Daar bedankte ik vriendelijk voor. Van huis uit wist ik dat je bij crisis zo stil mogelijk moet blijven zitten, dus dat was ik ook hier van plan. Daarbij was ik een kei in mokken.

Maar 24 dagen overbruggen in den vreemde, afhankelijk van vreemden, hoe doe je dat? En vooral: hoe doe je dat ’s nachts? Ik deelde de logeerkamer met S., we sliepen in hetzelfde bed. Knap krap voor twee jonge mensen, vastgevroren in een Koude Oorlog. De matras werd een krater van emoties.

Een gefrustreerd mens maakt rare sprongen. Ik stortte me op de fotografie. Maakte heel veel sfeerimpressies van de farm en daarna nog veel meer impressies van de farm - voor National Geographic, zo stelde ik me voor. Ook liet ik me verleiden tot grimmiger activiteiten. De broer had een luchtdrukpistool waarmee ik urenlang oefende. Tot er een roodborstje in mijn vizier kwam. The call of the wild! Béng! Dood borstje. Misselijk van schuldgevoel dwong ik mezelf nog diezelfde avond een discussie aan te gaan met de broers, die een lans braken voor het doodknuppelen van zeehondjes. Ik verloor.

Dat ik die 24 dagen overleefd heb dank ik aan muziek en zon. September 1980 was Calgary ondergedompeld in een weergaloze nazomer: 27 graden met bloeddoorlopen ondergangen. Iedere namiddag trok ik me terug op het landgoed, gewapend met een sixpack en een cassettebandje-van-een-vriend. Languit drinkend op de tuinstoel gaf ik me over aan muziek die ik nooit eerder gehoord had; Indian Summer van The Doors meanderde over de prairie, bracht me tot de natuur die ik zo beschimpt had. En ja, die zes blikjes bier hielpen mee.

Het moment van vertrek naderde. Mijn zelfvertrouwen groeide. De laatste nacht heb ik de stoute schoenen aangetrokken. Ik begon S. aan te raken. In bed. In het donker. ‘Vrijen’ is zo’n eufemisme dat vaak misbruikt wordt om lust te bagatelliseren, in dit geval dekte het de lading: voorzichtig, verlangend, onschuldig. Maar eenzijdig. Want S. reageerde niet. Helemaal niet. Ze wees me niet af, zei niets, verkrampte evenmin maar gaf geen krimp. Ze onderging de aanrakingen alsof ze zich die liet welgevallen. Na een paar minuten in het duister tasten hield ik op. Draaide me om. Wachtte het einde van de nacht af. Zelden was een slaapkamer zo stil.

‘Vindt u het heel erg om van plaats te wisselen met deze meneer,’ vroeg de stewardess op een toon die allesbehalve vragend klonk. ‘Dan mag u een kijkje nemen in de cockpit.’ De beste plek in de 747 had ik. De enige stoel met beenruimte. Mijn troost voor vier weken Canadese hel! Komt er zo’n godvergeten rolstoel binnenhobbelen! De rest van de thuisvlucht werd ik weggepropt achter het chemisch toilet, mijn benen in de nek, alle invalide én valide Canadezen én S. én haar broers vervloekend. Alleen een kaping ontbrak nog.

Twee jaar zou het duren voordat ik de bel eindelijk kon luiden. Niet bij S. Mijn klepel slingerde bij G., op een zwoele zomernacht in Zuid. G. had geen plaat van Kate Bush. Ook geen broers. Een stuk was G. ze evenmin, wel hartelijk en goedlachs en lustig. We deden het met bonzend hart, niet in de laatste plaats omdat ik nog geen half uur daarvoor mijn Honda 550 viercilinder met schier bovenmenselijke inspanning uit een slip in de Maastunnel had weten te trekken, G.’s armen vol vertrouwen om mijn middel geklemd. De Rockies, die waren voor watjes.

 

PS Mijn fotoreportage is direct na de survivaltocht zoekgeraakt. Ik had hem meegenomen naar het café, dus wellicht dat S. de kiekjes daar op een onbewaakt ogenblik door de plee heeft gespoeld. Mocht het een scout van National Geographic geweest zijn die mijn kunstschat ontvreemd heeft, laat die dan zo fideel zijn alsnog een special rond dit drama te publiceren.

indian-summer-450

Je moet ze ook wel willen zien hè

Happy 2013! Geniet van 365 dagen vol nieuwe kansen!

oud-en-nieuw-450

Alcoholische bekentenissen van een big game hunter

‘Fish hunters’. Met die term doe ik hun verschijning het meest recht. De sportvissers die zich verzamelden in het voormalige tramhuisje aan de Westersingel. Grote mannen met buiken en Brandaris, gewapend met karperhengels waarmee je een bultrug uit de sloot kon trekken, een arsenaal aan dobbers, een paar honderd kilo lokvoer en zelfs ergonomische klapstoeltjes. Dan was het voor kameraad Jan en ik toch maar behelpen met onze telescoopsprietjes en een uitgedroogde kadetje als aas. Een wedstrijd met ongelijke kansen.

Gelukkig was God die snikhete zomermiddag in 1973 consequent in zijn onrechtvaardigheid. Hij liet ze bij niemand bijten. Ze waren er wel. Dat konden we zien. Onder onze snufferd. Sterker nog, de voltallige karperpopulatie van Rotterdam Centrum was komen opdagen voor de parade, loom happend naar lucht, parasieten afschurend tegen onze dobbers, een lange neus trekkend met hun vinnen. Zelf het bloemencorso was minder genant.

Niemand ving wat. Helemaal niemand. Geen enkele vis. Naarmate de zon zakte werden de fish hunters steeds wanhopiger. Ze wisselden van werpmolen, probeerden scherpere haken uit, gooiden dikke klompen voer in de hoop een bewusteloos exemplaar naar de kant te kunnen dreggen. Not a pretty picture. Jan en ik behielden onze cool. Van huis uit niet echt gezegend met jagersbloed, concentreerden we ons vooral op tukjes doen of bespraken we de borsten van klasgenote Marianne K. , die volgens onze inschatting van maat B moesten zijn.

Maar ja. Toen de fluit gegaan was had de organisatie wel een probleem. Want de Grote Mannen, Jan en ik hadden ieder een knaak betaald om aan deze big game hunting mee te mogen doen. De penningmeester restte geen andere optie dan de prijzen te verloten in het tramhuisje. Ik begon alvast in te pakken, want won toch nooit wat. Tot mijn nummer opeens werd omgeroepen. Prijs: een fles port. Say what?

Kameraad Jan, zoon van de Belgische consul, vertrouwde mij de prijs toe. Dat had hij niet moeten doen. De fles brandde in mijn legerpukkel als een afgezaagde shotgun. Een eigen fles drank! Sterke drank! Tenminste, zo zag de port eruit: troebel en auberginig. Gevaarlijk. Thuis plaatste ik hem op de koelkast, strategisch verscholen achter de 3-literflessen AH-sherry waar mijn ouders zich aan laafden.

Die avond heb ik hem voor de helft leeggedronken. Tijdens de André van Duin Show. Een béétje ouder zou het zijn opgevallen dat de zoon iedere 10 minuten naar de keuken sloop en wel erg hard om André moest lachen. Maar misschien waren ze zelf te druk met iedere tien minuten naar de keuken sluipen voor een shot sherry. Nog voor André klaar was braakte ik mijn enige prijs ooit uit in de plee. 14 jaar oud was ik. Een wapenfeit voor de annalen.

Liefhebber van André van Duin ben ik nog steeds. Een glaasje port sla ik echter liever af, uit angst voor posttraumatische flash-backs. En vissen doe ik sinds die dag helemaal niet meer. Zogenaamd uit ethische overwegingen, maar de stille getuigen in de Westersingel weten beter.

vis-def-450

Die visionaire blik zat er al vroeg in

Let op het linkerhandje dat een eerste poging doet tot Mr. Spocks 'live long and prosper'-groet

tas450

Midlife in Mokum met gebroken nekjes

Het was de rook die tussen de scheef gelegde plankenvloer opsteeg waardoor ik mijn eerste twijfels kreeg over de verhuizing. Toegegeven, het was slechts sigarettenrook. En misschien kwam het ook door de kater, want ik was de avond ervoor met vriend P. doorgezakt om de grote oversteek te verwerken. Maar even brak het zweet me uit. Was dit mijn zoveelste midlifeblunder?

Op zich leek het een rationele beslissing. Om, na jaren mopperen op de Domstad, naar een echte stad te verhuizen. Terug naar Rotterdam was geen optie want terug naar af, dus ik had voor Amsterdam gekozen om mijn creatieve, dynamische persoonlijkheid tot zijn recht te laten komen. Daar zou het gebeuren! Niet langer slap ouwehoeren met vrienden in de kroeg, live life to the maxxx!

Dat maxxx was ongeveer 29 m². Als kerkrat kun je namelijk alleen verhuizen als je je woning ruilt, en mijn eengezinswoninkje te Zuilen was geen geweldig ruilobject geweest. Dus ingestemd met deze honderd jaar oude pijpenla op de Wilhelminastaat te Oud West, boven een schimmelend Turks witgoedzaakje. Lage huur en vlakbij het centrum. Daarbij hadden de vorige bewoners – inclusief zuigeling – er met z’n drieën gewoond. Niet zeuren dus. Benauwend wonen hoort bij dynamisch leven.

De avond ervoor was ik zelfs lyrisch over de verhuizing. In het buurtcafé aan de overkant had ik gespard met vlotgebekte Amsterdammers en geflirt met een artistieke babe. Mooi was ze niet maar heur haar zat wellustig en ze had haar knie tegen de mijne gehouden - hét signaal dat een vrouw ongeremde seks met je wil. Nog belangrijker: ze zong in een bandje. Een creatieve, dynamische persoonlijkheid! En een soulmate, want ze nodigde me uit voor haar optreden op Koninginnedag. Dat was nog eens een warm welkom.

Maar dat was de night before. Nu vriend P. op de trein naar Utrecht was gestapt, zat ik eenzaam tussen de verhuisdozen in andermans sigarettenrook peentjes te zweten. Ik had een sociaal leven nodig. Maar hoe doe je dat, overnieuw beginnen? Ik maakte kennis met de bovenbuurvrouw, een studente zonder kont maar met passie voor tango. En met de onderbuurman, een expat die kettingrookte alsof zijn leven ervan afhing. Toen was ik wel door mijn socialisatie-opties heen, want geen man van salsalessen, leesclubs of filmdisputen. Mijn vrienden uit Utrecht en Rotterdam kwamen nog even langs om iets typisch Amsterdams te doen (Somalisch eten zonder bestek), maar toen werd het stil. En om in de kroeg aan de overkant te hangen, daar voelde ik weinig voor. Straks zou mijn zangeresje denken dat ik geen sociaal leven had! Wat me restte waren ruzietjes met de Turk van beneden die zijn rottende ijskasten in mijn portiek etaleerde.

Het voordeel van de Wilhelminastraat was wel dat er beautiful MTV-people woonden. En het voordeel van klein behuisd zijn is dat je al snel voor het raam zit. Urenlang kon ik kijken naar een buurvrouw die, ingesnoerd door claustrofobisch strak corduroy, urenlang haar Smartje stond te wassen. Soms voelde ik aandrang om mijn Harley van stal te halen en deze nonchalant naast haar koekblik te duwen om er dan zogenaamd aan te sleutelen, maar iets in me zei dat dat wel eens extreem uncool gevonden zou kunnen worden. Bovendien, ik had mijn zangeresje al. Maar wanneer zou dat dynamische leven nou beginnen?

Veel alleen thuiszitten op 29 m² maakt een mens gevoelig voor geluiden. En dan heb ik het niet over de bovenbuurvrouw met haar tangohakken of de zijburen die ’s nachts een klopboor in de honderd jaar oude muur zetten. Leven-en-laten-leven dacht ik dan, al kauwend op een strip Xanax. Nee, ik was gespitst op de oorspronkelijke bewoners. Op de natives die ’s nachts en masse door mijn meubelement heen knaagden. Honderden keutels trof ik aan. Leven en laten leven, da’s leuk zolang dat leven niet aan je knaagt.

Ik besloot advies in te winnen bij de plaatselijke dierenspeciaalzaak. De uitbater, een man met opvallend veel neushaar, raadde me af om de muizen levend te vangen. “Dan komen ze klem te zitten in het kooitje”, bezweerde hij me met zenuwtic onder rechteroog. “U wordt geteisterd door een plaag, dat noodt tot extreme maatregelen. Is ook beter voor die diertjes zelf.” Ik knikte aarzelend. Hij keek schichtig om zich heen en opende een lade. Op dat moment leek er een siddering door de dierenwinkel te gaan: de kanaries hielden op met kwetteren, de hamsters stopten in hun rad en de puppies lieten hun rubber kluif vallen. De uitbater haalde een doosje uit de lade. Op dat doosje stond ‘plakstrip’. “Probeert u deze maar eens”, zei hij, terwijl de tic zich over zijn hele gezicht verspreidde. “Nog nooit een klacht over gehad.”

‘Plakken’. Dat klonk redelijk onschuldig. Dan kon je de muizen daarna losweken en vrijlaten. Diezelfde avond dus twee strippen met pindakaas in de keuken geplaatst. Met rein geweten naar bed. Maar ik was nog niet ingedommeld of er weerklonk een hartverscheurend gepiep. Met lood in de sloffen trof ik twee vastgeplakte muizen. Eén netjes op zijn rug, de andere gewenteld in de lijm, kronkelend in doodsstrijd. Even aarzelde ik, toen vulde ik een emmer en duwde de tweede muis-met-strip onder water tot hij ophield met spartelen. Uren leek de executie te duren, duizenden twijfels schoten door mijn hoofd (‘kan ik niet beter lauw water nemen, dan is het verdrinken minder erg’). Maar bij een open schotwond deel je geen pleisters uit. De andere muis bleek nauwelijks gewond. De plakstrip op zijn rug heb ik zoveel mogelijk weggeknipt tot het formaat van een mini-schotelantenne, en hem bij de Chinese Muur losgelaten. De volgende dag 15 echte muizenvallen aangeschaft. Dodelijke. Vijftien nekjes zouden er breken. Een van de slachtoffers had een kale, schotelvormige plek in zijn vacht. En stonk naar tjap tjoy.

Enfin. Drie weken, talloze nekjes en een tweede midlife crisis later was het eindelijk Koninginnedag. Hét moment om een genocide achter je te laten en life to the maxxx te liven. Ik millimeterde mijn haar extra kort, floste mijn tanden voor de vierde keer en trok mijn stoerste casuals aan. Showtime.

Het café aan de overkant was afgeladen met vlotgebekte Amsterdammers. Dronken vlotgebekte Amsterdammers. Ze schreeuwden en lalden en grapten met zo een vet mogelijk Mokums accent. ‘t Kostte me wel een kwartier om een pilsje te bestellen – misschien omdat ik het een amsterdammertje noemde. Toen kwam ze op. Mijn zangeresje. Mijn soulmate. Heur haar nog wellustiger dan eerst. Wat voor songs zou ze zingen? Een eigen genre? Een kruising tussen fado en Billy Holiday, met spannende Arabische tegentonen? Iets met slam poetry en aria’s?

Niets van dat alles. Er weerklonk een Malle Babbe. Met veel te vette vibrato. En toen een Sammy die omhoog moest kijken. Toen een Manuela. Allemaal druipend van de ironie. De vlotgebekte Amsterdammers zongen en lachten uit volle borst mee. Ik sipte aan mijn pilsje, hunkerend naar een verstild leven.

Toen het eindelijk pauze was wurmde ik me door de massa naar het podiumpje. Tikte haar op de schouder. Ze keek om. Verbaasd. Ik murmelde iets onverstaanbaars over Billie Holiday. Ze glimlachte als iemand die bij god niet weet wie je bent maar beleefd wil zijn. ‘t Volgende moment was ze in gesprek met een vlotgebekte fan. Ik zette mijn halfvolle amsterdammertje op de bar. Knikte naar haar achterhoofd. Stapte de tent uit. En liep terug naar mijn negenentwintig vierkante meter, oranje grauw trotserend.

In de elf maanden die volgden heb ik me volledig op repatriëring gestort. Toen er eindelijk een geschikte kandidaat uit Utrecht langskwam verstopte ik mijn meubels op zolder, plaatste ik geurkaarsen en legde ik tapijttegels op de sigarettenrook. De pijpenla kreeg zoveel ruimtelijke sfeer dat ik er bijna zelf wilde wonen. Een boeddhistische tempel! Zelden zo creatief en dynamisch gevoeld.

Nog voordat het jaar om was kon ik over naar mijn huidige flat. Het is een moderne, uit de fifties. 100% beton, dus geen sigarettenrook. Bovenste etage, dus geen tangohakken. Zeer tochtig, dus geen muizen. Toen ik de ochtend na de verhuizing tussen de verhuisdozen zat uit te puffen, sijpelde het aroma van een naburige hennepplantage binnen. En wist ik dat ik mijn thuis gevonden had.

wilhelsmalhorcropklein450ve

Amundsen was a pussy

Enige overlevende van Code Oranje, trotseert Yeti Man Rein nu Code Bruin voor een halfje grof volkoren en twee ons pistachenoten in een dichtgepekeld Utrecht.

NB Let op zelfontworpen sneeuwbril!

amundsun450

For mayor!

Begin jaren tachtig kwamen de buttons in de mode. Door No Nukes! of Joy Division op te spelden wist de goegemeente in een oogopslag waar je voor stond. Ik dwong street cred af met Rein Jr.

button-hor-crop-450

Mozes aan het snelgas

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar doorgaans herkenbaar aan hun onaangenaamheid. Zo kon het geen toeval zijn dat Fortuyn net vermoord was én mijn sollicitatiegesprek plaatsvond om de hoek van mijn oude middelbare school. Nou was ik nooit een Pimmel geweest en zag ik niet op tegen dat gesprek – ik wilde de baan eigenlijk niet zoals ik nooit een baan wilde – maar ik deed ‘t wel in mijn broek voor een weerzien met Het Rotterdamsch Lyceum.

Veel te vroeg arriveerde ik op de Pieter de Hoochstraat. Decennialang had ik deze plek gemeden, als de dood voor een confrontatie met een ex-klasgenoot die daar misschien ook zou rondzwerven, panisch voor een reünie die er misschien net zou plaatsvinden. Maar het was er stil. Ik parkeerde mijn motor aan de voorkant, als eerbetoon aan mijn Yamahaatje dat hier ooit stond te pronken. De Zündapps, Kreidlers, Yamaha’s, Puchs en Tomossen van weleer hadden plaats gemaakt voor scooters en fietsen met gezondheidszadels. Welk een teloorgang.

Ik liep om het pand heen. Met voldoende nonchalance om niet voor stalker versleten te worden, makelaristisch genoeg om niet verjaagd te worden. Het gebouw herbergde geen lyceum meer. Er zat nu een soort MBO, iets praktisch vol uitdagingen. Aan uitstraling had het niets ingeboet: een bruine steenklomp met art deco-achtige gevangenisramen, trapsgewijs oplopende en naar fossielen riekende lokalen, een fietsenkelder met aanrandingsakoestiek en een schuifhek om vandalen uit de haven te weren. Een plek die hongert naar jonge zielen. In de jaren zeventig werd de school gerund door een freakshow. Denk een rector die sissend ademhaalde en aan simultaanschaak deed, een conrector met mosterdglazen en pedofiele glimlach, een conciërge zonder linkeroog en een leraar Frans die zijn leerlingen neukte. Nieuwe docenten zaten er om hun dienstplicht te ontlopen, oudgedienden zaten er hun tijd uit. Een broeikas voor cynisme, kweekvijver voor pestkoppen.

Mijn klas was geen uitzondering. Gymnasium 4 had de sfeer van een studentencorps zonder corps. Een plek die pulseerde van de hormonen maar waar niemand verliefd werd, met eikenhouten lessenaars die hoon ademden. Gelukkig was ik te onopvallend om te pesten. Camoufleerde mijn anderhalve meter aan acne met stripboeken en schouderlang haar. Bovendien wist ik met mijn Yamaahaatje nog enige schijn van mannelijkheid te wekken. Helaas was niet iedereen zo leep. Vooral niet tijdens gym.

Geen plek geschikter voor pesten dan de gymzaal. Hier wordt de hiërarchie bepaald. Letterlijk, als de leerlingen teams mogen formeren. Ik werd steevast als een-na-laatste gekozen – een positie die al mijn huidige vrienden bekleedden. De laatsten-met-gym waren de veel te magere, korte, lange en vooral dikke jongens die met een doffe dreun tegen het paard tot stilstand kwamen. Hans was een uitzondering. Hij werd niet als laatste gekozen omdat hij een afwijkende fysiek had, maar omdat hij zo ontzettend mieterig bewoog. Daarbij was ie niet aardig of grappig of slim, het laatste redmiddel van een pestprooi. Hans was een zeikerd. Het leek wel alsof hij erop uit was om gepest te worden.

Niemand kon beter pesten dan Willibrord. Willibrord de Graadt, de een-na-jongste telg van de zeven kinderen tellende De Graadt-clan, was twee meter lang en had zo’n dertig kilo overgewicht. Eigenlijk zelf ideaal als pestsubject, ware het niet dat hij de kunst van het sarcasme tot in de finesses beheerste. Met zijn tergende, nasale bas had hij hele volksstammen het Montessori ingetreiterd. Ook leraren wist hij te ondermijnen, zelfs het regime van de even gevreesde als gemummificeerde Mevrouw de Vries van Geschiedenis liep imagoschado op door Willibrords murmelende ‘lekkerrr wijf’. Tijdens gym was Hans zijn favoriete prooi omdat diens mieterige motoriek dan extra opviel. Hans rende en dribbelde en sprong als Mrs. Slocombe, waarop Willibrord iedere uitglijer tot in detail persifleerde. Dat leverde hem bulders op. En een toppositie als Stoere Jongen.

Maar Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo bleek de dag dat Hans 16 was geworden. En hij ter brommer op school verscheen. Mieterige Hans, op een buikschuiver! Helaas miste hij ook op automotive gebied de nodige Fingerspitzen. Hij had gekozen voor een Batavus. Oerdegelijk, maar ook oerlullig. Lullige tank, lullige kleur, lullig stuur, lullig zadel, lullig geluid. Lullig alles. Zelfs de meisjes zagen dat. Stoere Jongens reden Zündapp, Kreidler, Yamaha, Puch of Tomos. Op Willibrord na dan, die op Puch Maxi-automaatje-met-snelgas zat, maar Willibrord was zo sarcastisch dat hij zelfs een wijvenbrommer cool deed lijken.

Zo niet Hans en zijn Batavus. Ze versterkten elkaars lulligheid, de som was minder dan de delen. Dat kon niet onbestraft blijven. Die eerste dag, na schooltijd, ging het al mis. Hans deed zijn Willempiehelm op, maakte het slot los, deed het contact aan. En trapte op de kickstarter. Niets. Tweede poging. Nada. Derde keer. Nichts. Hans trapte en trapte en trapte. Trapte zich het leplazarus. Zijn mieterige motoriek kreeg zowaar een kordate zij het wanhopige schwung. Mocht niet baten. De splinternieuwe brommer was lam.

De jongens op het plein proefden bloed. Zwermden om hem heen als een school hamerhaaien. Eerst 10 stuks. Toen 30. Toen het halve lyceum. Met Willibrord als voorhamer. Hij gaf Hans lulkoektips over diesel en lekke banden, waar hoonbulders op volgden. Nooit was Willibrord zó populair geweest. Maar toen Hans zijn de honderdste trap had gegeven, veranderde er iets aan Willibrord. Iets in zijn blik. Hij hield op met honen. Ging achter de Batavus staan. Boog zich naar het zadel toe. Greep het vast. En commandeerde: “Pak het stuur!” Hans pakte trillend het stuur. “Koppeling in!” Hans kneep de handle in. “In z’n twee!” Hans trapte hem in de tweede versnelling. De menigte verstomde een beetje. Was dit nog wel lachen?

Willibrord begon te duwen. Geen gezicht, die dikke, duwende kont, maar niemand lachte. Sarcastische Willibrord duwde mieterige Hans en zijn lullige Batavus dwars door de lynch mob heen, die week als de zee voor Mozes. Willibrord duwde harder en harder, zweet parelend op zijn voorhoofd. “Koppeling los!” riep hij toen ze snelheid hadden gemaakt. Mieterige Hans liet de koppeling los. De Batavus sloeg aan. Met een hoop geknal en vette walmen, maar hij deed het. Hans was airborne. Hij gaf volgas, richting haven, een hijgende en doorweekte Willibrord achter zich latend. De menigte droop af, zichtbaar teleurgesteld in deze sisser.

Gepest is Hans niet meer sinds die dag op Het Rotterdamsch Lyceum. Nog steeds werd hij gekozen als laatste-met-gym, maar Willibrord liet hem ongemoeid. De Graadt zelf had afgedaan als alfamannetje. Hij was nu gewoon 2 meter lang met dertig kilo overgewicht. Als hij Mevrouw de Vries lekkerrr wijf noemde werd er nauwelijks meer gegniffeld.

De baan heb ik niet gekregen, die dinsdag in 2002. Ik werd tweede. Kreeg ik gelijk te horen, want het waren fijne mensen, met respect voor tweede-met-gymmers. En gelukkig startte mijn motor met één kick. Een eerbetoon aan Mozes? Volgens de geruchten zit Willibrord nu op een bus van de RET. Met snelgas. De enige mislukte telg van de De Graadt-clan. En Hans? Die is ergens CEO geworden. Met een voorkeur voor saneren. Want Gods wegen mogen dan ondoorgrondelijk zijn, ze zijn doorgaans onaangenaam.

laurens-450

Het zit allemaal tussen de oren

Zoooo. De living winterdepressieklaar gemaakt. Laat nu die ijsmeesters maar komen!

winterklaar-def-450