blog titels

Blog

De ademhaling

Resoluut. Gedecideerd. Vastberaden. De kalende, grijze rector loopt van bord naar bord als een grootmeester. Handen op de rug, blik naar beneden. Bij iedere zet neemt hij een trek van zijn sigaret, maar hij vermijdt oogcontact met zijn tegenstanders. Schaken, da’s oorlog voor hem. Rector Julius Caesar.

Ik kijk om me heen in het gymlokaal. Het gros van de deelnemers is al schaakmat afgedropen. Joost mag weten waarom ik meedoe aan de simultaanonzin. Ik ben dan gezegend met een hyperfocus, ik heb niets met spelletjes. Zeker niet met denksporten. Te stoffig. De enkele keer dat ik thuis een partijtje met mezelf speel doe ik dat om mijn moeder niet te horen schelden. Dan heb ik mezelf binnen een paar zetten mat. Een kwestie van tactiek.

De belangrijkste reden om het tegen Caesar op te nemen is de Amerikaan Bobby Fischer. Die heb ik op tv gezien. Hij heeft in IJsland de wereldtitel veroverd op de Rus Boris Spassky. Ik voel een connectie met Bobby. Hij is zo’n lone wolf die het opneemt tegen de rest van de wereld, net zoals ik dat dagelijks doe. Dat ik niet kan schaken maakt niet uit. Het gaat om de mindset. Bobby zou dat begrijpen.

De belangrijkste reden waarom de rector mij nog niet verslagen heeft is mijn guerrillatactiek. Al mijn zetten zijn gericht op verwarring zaaien. Ik rokeer zonder aanleiding, probeer met een pion de overkant te bereiken om een koningin te scoren. De rector ergert zich aan mijn onconventionele strategie. Als ie een stuk op mijn bord verzet doet ie dat bijna nijdig. Dit is geen fatsoenlijke oorlog! hoor ik hem sissen, dit is Caesar versus de Vietcong!

Fischer schaakt al vanaf zijn zesde. Hij is ermee begonnen omdat ie de situatie thuis met zijn moeder niet trok. Je concentreren om geestelijk elders te zijn, daar weet ik alles van. Maar vergeestelijkt is Bobby allerminst. Hij zwemt om fit te blijven en maakt charmante grapjes in talkshows. Een geboren ster. Precies zoals ik mij vaak voel.

Inmiddels ben ik de één-na-laatste der Mohikanen. De rector rekt een nekspier uit. Zucht diep. Eigenlijk word ik meer geboeid door de man zelf dan door zijn zetten. Vooral door zijn ademhaling. Hij ademt sissend in door de tanden, neemt na elke vijfde teug een trek van zijn sigaret en blaast de rook uit door de neus, als een getergde stier in de arena. Het rookgordijn kan het zweet op zijn voorhoofd niet verbloemen. Mijn guerrilla begint vruchten af te werpen.

Het schemert buiten als ik hem eindelijk laat winnen. Uit humanistische overwegingen. Dat heb ik van Bobby geleerd: soms geef je een wedstrijd weg, juist om over je tegenstander te heersen. De rector moet bijkomen. Hij heeft een stoel gepakt bij het tafeltje van de laatste indiaan, steekt nog een sigaret op en dept met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Intussen klim ik in de ringen van het gymlokaal om de gevolgen van mijn attaque te overzien. Vastbesloten de eerste niet-schakende grootmeester ter wereld te worden.

Het parallelle universum
Klik op de foto om hem te vergroten

Zondag… Moederdag! Of D-Day? Zoals bekend bij lezers van ‘Coef – de weg van de waanzin’, was mijn moeder niet bepaald in de wieg gelegd voor het moederschap. Agressief, koud, grillig. Daarom vonden de lezers het lovenswaardig maar ook onbegrijpelijk dat ik van de biografie geen wraakschrift heb gemaakt.

Ik heb die verwijtende toon vermeden omdat ie het boek onverteerbaar gemaakt zou hebben (en mij tot modieus slachtoffer). Verder kwam ik er al schrijvende achter dat ik soms op haar lijk, waardoor ik steeds meer begrip voor haar kon opbrengen. De belangrijkste reden voor mijn mildheid was het karma-effect. Stel je voor dat er ooit een J’Accuse over mij wordt geschreven! Door een nazaat bijvoorbeeld.

Nee, ik heb geen kinderen. Niet dat ik weet. Maar ik kan niet uitsluiten dat ik ooit, in the heat of the night, een dochter heb verwekt – laten we haar Rünhilde noemen. En dat de moeder het verstandig achtte om dit voor mij te verzwijgen omdat ze mij een grillige zak vond. Maar dat Rüna, als ze er decennia later achter komt wie haar vader is, besluit haar roots op te graven, waarschuwingen van de verbitterde moeder ten spijt.

Als ze een aardje naar haar vaartje is zal Rüna grondig onderzoek doen. Ze zal mijn exen opsporen om dier gruwelijke getuigenissen op te tekenen. Ze zal mijn blogs uitspitten op zoek naar leugens die mijn leven mooier doen lijken. Ze zal mijn vrienden uithoren naar politiek incorrecte uitspraken die ik ooit heb gedaan. Om dan, zonder me zelfs maar te ontmoeten, een wraakschrift te schrijven: ‘Rein – de weg van de weerzin’.

Het wordt een eclatant succes. Met optredens in talkshows, een Netflixfilm en een Van den Ende productie. ‘Mijn vader is een foute, pathologische leugenaar!’ citeert een kwaliteitskrant Rünhilde in een paginagroot interview. Als ze de BookSpot Literatuurprijs eenmaal binnen heeft volgen twee sequels, ‘Rein – de weg van de woede’ en ‘Rein – de weg van de walging’, die echter beduidend minder stof doen opwaaien. Daarna wordt het stil rond Rüna.

Intussen hoop ik stilletjes op een ontmoeting. Een gesprek. Een beetje bonding zelfs. Want we zijn vast two of a kind die, onder het genot van een fles Aldiwijn en veel geschater, een gemeenschappelijke vijand in haar rancuneuze moeder vinden. Om vervolgens samen een biografie over haar te schrijven. Met een opvallend milde toon. Als ultiem moederdaggeschenk.

PS Op de foto ben ik 42 jaar, maar Rüna ziet eruit als een vroege dertiger doordat FaceApp rekening heeft gehouden met mijn jeugdige genen. En zeg nu zelf: wat een prachtige denkbeeldige dochter heb ik voortgebracht! Daar moet ik toch even serieus van slikken.

De gouden berg

‘Kan het iedereen aanraden!’ mailde een vriendin me. Ik heb met haar een eeuw geleden in groepstherapie gezeten. Daar verwachtte ik toen veel van. Therapie, dat zou als een reset-knop werken, de weg naar geluk zijn. Vergeet het maar. Ik ben er hoogstens wat stabieler van geworden, niet happy go lucky. Dat komt doordat wijsneuzen die altijd overal vragen bij stellen en veel te hoge eisen stellen aan geluk, niet geschikt zijn voor verbale therapie. Die hebben een paardenmiddel nodig om niet cynisch te worden. Iets wat aankomt als een trein.

Nou wil het toeval dat die vriendin me geen haptotherapie aanraadde, maar een bijna-dood ervaring. Die had ze namelijk zelf gehad. Ik gelijk jaloers, want voor mij is de dood altijd een gouden berg geweest, een spiritueel thuiskomen, weer één worden met het al. Terecht, of valse romantiek van iemand die zo gezond is dat ie zich onsterfelijk waant?

Mijn berg wordt gestut door de Britse onderzoeker Peter Fenwick (1935), neuroloog én psychiater. Een wetenschapper met verstand en gevoel zogezegd. En belangrijker: met een open mind. Die kreeg deze scepticus als vanzelf door een leven lang duizenden bijna-doodervaringen en getuigenissen van stervenden op te tekenen. Relevant, zeker nu de dood zich weer comfortabel in de maatschappij heeft genesteld.

Fenwicks mensen vertelden van een spirituele ervaring met uittreding, tunnel-met-licht en begeleiding door overleden naasten. De gebruikelijke ingrediënten dus. Allen ervoeren de verkenning als overtuigend en gelukzalig, terwijl ze toch ook doordrongen raakten van het verlies van individualiteit, wat opgaan in het universum met zich mee schijnt te brengen. ‘Life changing’ noemden ze de sneak preview. Een paardenmiddel indeed.

Met een twinkeling in de hoogbejaarde ogen weet Fenwick de dood te presenteren als een übertroost waar we onbewust naar hunkeren. Natuurlijk zullen cynici de relazen afwimpelen als hallucinatie of religieuze folklore. Voor hen is het bestaan terug te brengen tot wat knetterende neuronen, het verscheiden synoniem aan ‘het licht uitdoen’. En andere dooddoeners. Toegegeven: bij een bijna-doodervaring is nooit sprake van hersendood. Maar je schouders ophalen bij Fenwicks levenswerk, getuigt dat niet ook van een huiver voor het onvoorstelbare?

Er is een catch. Volgens Fenwick hebben stervenden die moeizaam afstand nemen van hun ego een zware tijd tijdens het heengaan. Dat geldt vast ook voor wijsneuzen die altijd overal vragen bij stellen en veel te hoge eisen stellen aan geluk. Die blijven een eeuwigheid in de tunnel rondspoken, amechtig gravend naar een goudader, als ware het een bijna-leefervaring.

Daarom zou Fenwick graag zien dat terminaal zieken voorlichting krijgen als het zover is. ‘How to die well.’ Klinkt zinnig, mij schuurt het teveel aan therapie. Daarbij, ik wil niet sterven, maar bijna-doodgaan – liefst happy go lucky – om het leven te herwaarderen. Ik ben uit op een wedergeboorte met een defibrilleerapparaat. Maakt mij dat tot een ernstig gemankeerde levensgenieter? Het zij zo. Alles liever dan cynisch worden – c’est mourir un peu.

Interview met Fenwick op YouTube(3 miljoen views)

De golf

Doe het níet! zeg ik tegen mezelf, je wéet wat er dan gebeurt! Maar ik ben zwak. Zoek naar inspiratie – of is het iets anders? Dus wederom mijn foto-archief ingedoken. Stoffige negatieven tegen het licht gehouden. En verdomd, een kiekje gevonden dat ik niet kende. Gemaakt in café de Kroonkruk op Zuid, in 1981 of zo, toen ik 22 lentes was. Aangeschoten, euforisch, ontvankelijk. Jong.

Nog voordat de scanner is uitgebromd voel ik hem opkomen. De Golf der Nostalgie. Hij sleurt me mee de Zee der Emoties in, waar gevaarlijke stromingen met het gemoed sollen. Want natuurlijk wil ik die bos haar terug. Dat lenige lichaam. Die grote mond waarmee ik de scherpste grappen van Rotterdam maakte. Mijn jeugd! Ik ga kopje onder.

Als ik de oppervlakte weer bereikt heb en naar adem hap, realiseer ik me hoe vervuild de Zee is. Hoe vals het verlangen. Want behalve aangeschoten, euforisch en ontvankelijk was ik toen onwetend, onzeker en onhandig. Om maar niet te spreken van roekeloos en panisch. Dat vergeet ik graag tijdens zo’n fotoflashback, als ik mijn huidige levenservaring reflexmatig op de fysiek van snotneus Rein projecteer. Wat zou ik het nu anders doen! Youth is wasted on the young!

Maar jeugd kan alleen jeugd zijn dankzij de naïviteit die we bij onze geboorte meekrijgen. Een groot en miskend goed dat verwondering mogelijk maakt, en met de jaren aangevreten wordt door wat we graag levenswijsheid noemen. Het was onnozelheid die ons de ene na de andere stommiteit heeft doen begaan, waardoor we de persoon konden worden die we nu zijn. Een 22 jaar jonge Rein uitrusten met het uitgekookte brein van de 62 jaar oude versie, da’s een perfide fantasie, een revisionisme van mijn jeugd. De Golf der Nostalgie is giftig. Old age is wasted on the elderly!

Dat laatste zul je mij evenmin horen zeggen. Niet omdat ik mazzel heb met mijn jeugdige genen (alsof de Heer zich nog steeds schuldig voelt over het verwijderen van mijn schedelhaar), maar omdat ik opgelucht ben dat ik mijn jeugd niet opnieuw hoef te doen. Niet opnieuw hoef te voelen. De grillen, de twijfels, de gebroken harten. De levenslust die ieder moment kon omslaan in een angstaanval. Dus. Laat mij hier maar op het strand zitten en stukjes schrijven over de woeste baren van weleer, zonder terug te verlangen naar toen, terwijl mijn tenen spelen met het Zand der Herinnering dat vervliegt in de Wind der Tijd. Amen!

Maar. Toch. Niettemin. Nochtans. Edoch. Evenwel. Die bos haar!

Rise of the machines

Toen ik vanmorgen wakker werd en uit mijn keukenraam keek, wist ik het zeker: ik ben in de toekomst terechtgekomen. In de Nieuwe Tijd, die met zware klappen in het verleden geheid wordt. In míjn verleden. No mercy for dino’s!

‘Geachte….’

Want dat ben ik geworden. Een boze witte man, aanstichter aller kwaad, die boze witte brieven schrijft om zich te beklagen. Over bouwoverlast. Die begint namelijk elke dag een half uur eerder dan is afgesproken. Een half uur! Niet dat ik er als early bird wakker van word, maar ik kan het niet verkroppen dat de aannemer zich niet houdt aan de toezeggingen in zijn nieuwsbrief. Mooi weer spelen op papier, in de praktijk schijt hebben aan woonrust! Waar is een lockdown als je hem nodig hebt!

‘Ik ben in de pen geklommen omdat…’

Ik weet ’t. Het ligt vooral aan mij. Ik word met de dag overgevoeliger. Chagrijniger. Onverdraagzamer. Als je geen kinderen opvoedt, word je nooit echt volwassen is mijn theorie. En als je nooit echt volwassen wordt, weiger je ouderdom te accepteren. Alsof het echte leven nog moet beginnen. Straks, als ik een goede baan heb met een lief gezin en een klimaatneutraal huis… Maar die toekomst gaat achter mijn flat beginnen, bij iemand die wél volwassen is geworden.

‘Het zal u niet ontgaan zijn dat…’

Eigenlijk zou ik nu mijn kleinkind in slaap moeten wiegen. Met mijn dochter moeten discussiëren over de cancel culture, met mijn vrouw over de klimaatcrisis. Als je een echt leven leidt, worden bouwgeluiden als vanzelf gereduceerd tot een ruis die nu eenmaal bij een stedelijk bestaan hoort. Maar nee. Ik zit hier in mijn uppie boze brieven te schrijven, omdat de wereld onbetrouwbaar is gebleken.

‘Zelden, nee nooit heb ik…’

Aan de andere kant, liever het gedreun van die heipalen dan een kleinkind dat de boel bij elkaar krijst. Of een dochter die me de huid vol scheldt omdat ze me conservatief vindt. Of een vrouw die echtscheidingspapieren in mijn havermoutpap plempt omdat ik een nieuwe barbecue heb gekocht. Dan liever een perfect gedroomd leven dat ieder moment kan beginnen. Dus. Kom maar op met die machines!

‘Geachte bouwfirma,
Is het mogelijk dat u de bouwwerkzaamheden voortaan reeds om 05:00 aanvangt? De bedrijvigheid heeft een helend effect op mijn gemoedsrust. De zegeningen van de toekomst! En mocht u een tekstschrijver nodig hebben voor uw nieuwsbrief, of een enthousiaste getuigenis van een omwonende, dan hoor ik dat graag. Samen bouwen aan een betere wereld!’

De blik van opa

Mijn vader was een amateurhistoricus met en een nuchtere kijk op de geschiedenis. Lang voordat dat mode werd, ontmaskerde hij onze nationale helden als de schurken die ze veelal waren (‘Geuzen? Tuig van de richel!). Ook mocht hij graag zijn eigen roots opgraven. Zo wist hij onze achternaam te herleiden tot een piraat in de 17e eeuw. Althans, dat was de conclusie die hij grijnzend trok toen bleek dat deze koopvaarder verdacht snel rijk was geworden. Ik zag mijn betovergrootvader al voor me: een oerHannik met stoere baard!

Toch had ik als kind weinig op met stambomen. In mijn optiek ontstond familiegeschiedenis pas bij je eigen geboorte. Je lichaam en je eigenschappen mochten dan erfelijk belast zijn, je ziel was dat niet. Ieder mens moest zichzelf uitvinden en zijn voorouders achter zich laten! Eigenlijk vind ik dat nog steeds, al word ik op de hielen gezeten door mijn genen.

Zoals die van mijn ene opa, de vader van mijn vader. Arts te Charlois, in een tijd dat die nog voor notabele doorging. Opa was een oudere man, getrouwd met een veertien jaar jongere vrouw. Hij stond te boek als autoritair. Zo oogt hij ook op portretten. Zelfs de Duitse soldaten deden het voor hem in hun broek toen ze zijn huis wilden inspecteren, op zoek naar de jongste zoon voor tewerkstelling. Opa heeft ze de straat uit gescholden. Wat een charisma!

Mijn vader was een nakomertje. Misschien keek hij daarom zo op tegen mijn opa. Sterker, hij zou later ook arts worden om opa te behagen, terwijl hij misschien meer tot zijn recht was gekomen als leraar geschiedenis. Ik kon dat niet uitstaan, dat ontzag van mijn vader. Mede omdat ik mijn pa nooit op een voetstuk had geplaatst. Hij was zo iemand die autoritair probeerde te doen maar het charisma ontbeerde. Zijn woedeaanvallen riekten naar onmacht. Om maar niet te spreken van die verwijtende blik, als ik weer eens gefaald had.

Aan het eind van zijn leven heb ik hem gevraagd of hij nou werkelijk geen enkel kritiekpuntje op opa kon bedenken. Hij, de grote ontmaskeraar! Mijn vader schudde het hoofd. Zweeg even. Maar begon toen over het bombardement. 14 mei 1940. Hoe hij als 12-jarig knulletje, trillend van de angst, onder de tafel was gekropen. Hoe zijn vader voor het raam was blijven staan, handen in de broekzakken, alsof de brandbommen voor zijn strenge blik zouden wijken. Maar het was een andersoortige blik waarmee hij omkeek naar zijn schuilende zoon. Dat was die van minachting. Althans, dat las mijn vader erin. Hij moest slikken van zijn ontboezeming. En zweeg toen weer. Het was de enige keer dat ik het machteloze jongetje in hem gezien heb.

Nu, 70 jaar na de dood van opa, ben ik zelf een oudere man. Die zijn baard heeft afgeschoren om zijn roots te onderzoeken. Een zelfontmaskering? Onder de vacht zit wat ik de afgelopen jaren al vreesde: opa’s evenbeeld. Precies dezelfde autoritaire gelaatstrekken, maar dan zonder het charisma. Ingehaald door mijn genen! Wat nu? Afwachten tot de Duitsers terugkomen? Of de baard weer laten staan voor de piratenlook? En hoe zit het eigenlijk met die veertien jaar jongere vrouwen?

Der Himmel über Berlin

Of ik wel eens naar de vogels kijk, vroeg een vriendin me op Facebook. Ik voelde me betrapt, want eigenlijk vroeg ze daarmee of ik wel eens geniet. Blijkbaar straal ik dat niet uit. Ik heb inderdaad weinig op met kwelende merels in de lentezon. Liever kijk ik naar kraaien die op slinkse wijze een gedumpte milkshake openwurmen. Maar dat valt onder cerebraal genot.

Als ik spontaan geniet is dat meestal van straatkunst. Van een muurschildering die een achterbuurt omtovert tot tropisch paradijs. Van een antieke Harley die het asfalt markeert met carterolie. Of van een straatmuzikant die de juiste snaar weet te raken. Daar zijn er helaas weinig van. In mijn stad had je zo’n zanger die slechts één cover kende en die ook nog eens monotoon afdraaide, alsof hij een diepe weerzin tegen performen koesterde. Zijn hond leed er het meest onder, gezien de platgedrukte oortjes.

Mijn favoriete straatmuzikant is Alice Phoebe Lou, een meisjesachtige vrouw van 27 uit Zuid-Afrika. Hoogblond en petite als een engel, heeft ze de power van de duivel. Ik ken haar werk niet van de stoep, maar van de digitale snelweg. Het was haar cover van Walk on the Wild Side die mijn aandacht trok op YouTube. Niet zo vreemd, want de opname was viraal gegaan. Wat wel opmerkelijk is, is dat ik Lou Reed niet kan uitstaan maar door Alice’ versie onmiddellijk betoverd werd.

Dat kwam door de dynamiek van haar stem en haar schor gezongen timbre. Het optreden klonk alsof ik erbij stond in dat Mauerpark, als een YouTube-geest, samen met miljoenen anderen. Zelfs de passerende tijd hield even in om te luisteren. De beste straatmuziek weet stadshectiek tot pantomime te reduceren.

Alice is jaren geleden na een vakantie in Berlijn blijven hangen. Toen het geld op was probeerde ze haar brood verdienen als vuurdanseres, daarna als straatmuzikant. Eerst met covers, later met eigen werk. Inmiddels is ze een gevierd singer/songwriter. Maar Lou heeft geen spotlights nodig. Ze zal iedere lockdown overleven met haar street wise melancholie.

Society, haar mooiste song, is een maatschappelijke aanklacht. Komt dat soort engagement vaak gratuit over, Lou heeft haar oog voor menselijk tekort ontwikkeld door zelf op straat te leven. Daar heeft ze ook dat vocale rafelrandje aan overgehouden. Society klinkt als een heartfelt sfeerschets van de betonnen jungle. Alsof de hemel uit de goot wordt opgetrokken.

De maatschappij zal Alice Phoebe Lou niet veranderden. Mijn stemming wel, als ik haar weer hoor galmen door de straten van digitaal Berlijn. Dan laat ik mijn toetsenbord voor wat ie is om spontaan te genieten van haar wild side. Tot ik afgeleid wordt door een video van een andere straathoek, waar twee kraaien in pantomime overleggen hoe je het best een frikandel uit een vuilnisbak kunt trekken.

Walk on the Wild Side op YouTube

Society op YouTube

Het droomhuwelijk

Facebookfoto’s van ouders die een eeuwigheid met elkaar getrouwd zijn, gepost door kinderen die zielsveel van hun ouwelui houden... ik kan ze niet uitstaan. Allemaal schone schijn! hoor ik mezelf dan sissen, als een boos kind.

Voordeel van ouder worden is dat je beseft wanneer weerzin eigenlijk afgunst is. En waar die afgunst vandaan komt. Natuurlijk was ik ook liever grootgebracht door ouders die elkaar niet de hele dag uitscholden. Ruzie was de norm in mijn jeugd. Dat heeft gevolgen gehad. Althans, ik zie graag een oorzakelijk verband, omdat ik me dan minder verantwoordelijk hoef te voelen.

Zo heb ik bij geen enkele relatie ooit gedacht dat die verkering een lang leven beschoren was. Daar zorgde ik wel voor. Door me onmogelijk te maken met nukken en grillen, of door te gluren naar het gras van de buren. Aan mijn vriendinnen lag het in ieder geval niet, want ik had een neus voor fijne meiden. Je relatie torpederen omdat je je pas thuisvoelt als er ruzie is, zouden meer kinderen van gescheiden ouders dat doen?

Deze foto van mijn ouwelui is 24 jaar geleden genomen, 17 jaar na hun scheiding. Mijn vader was inmiddels hertrouwd, mijn moeder Coef krankzinnig. Coef kon het goed vinden met mijn vaders nieuwe vrouw. Toen ze na een verjaardag door het stel met de auto naar de inrichting werd teruggebracht, verzuchtte ze opgelucht: ‘Het is goed zo. Nu hoef ik niet meer met hem naar …’ Daar moesten ze dan gedrieën gezellig om grinniken.

Mijn vader heeft zich nog lang na de scheiding om zijn ex bekommerd. Door haar manische telefoontjes geduldig aan te horen als ze weer eens een psychose had. Door haar geld toe te stoppen als ze weer eens schulden had gemaakt. En soms door haar, als ze ‘goed’ was, bij hem thuis uit te nodigen voor een verjaardag. Zo kon deze foto van hun faux parelmoeren huwelijk genomen worden. Waar ze dan gedrieën gezellig om grinnikten.

Het is zo’n kiek waar Faceboekvrienden met gescheiden ouders zich naar hartelust aan zullen ergeren. Mij doet ie beseffen dat ik misschien damaged goods ben, maar tevens iets dierbaars geërfd heb: loyaliteit. Want ik heb nog regelmatig contact met mijn exen, meestal naar aanleiding van mijn blogs of boeken. Nee, geen boze mailtjes. Zou ik dan toch een plekje in hun hart veroverd hebben? Zeker is dat zij dat in het mijne gedaan hebben. Maar een groepsfoto van Rein met zijn exen op de bank, dat zit er niet in. Rest de vraag of ze opgelucht zijn dat ze niet meer met mij…

De Man van het Raam

Er zijn momenten dat ik een zakenman wil zijn. Zo’n executive, die belangrijke beslissingen neemt. Een cosmopoliet. Een volwassene. Dan ga ik voor de passpiegel staan, trek ik een pak aan, maak ik gedecideerde gebaren en wil ik in mijn imaginaire Tesla naar een imaginaire businessdeal rijden. Er zijn ook momenten dat ik voor het andere uiterste ga. Dan doe ik een muts op, trek ik een legerjas plus boots aan, en beeld ik me in een ex-commando te zijn. Zo’n veteraan die meer gezien heeft dan een mens kan verstouwen, die zich door niemand meer wat laat zeggen.

Het toeval wil dat ik beide alter ego’s dagelijks kan bestuderen. Ik hoef er slechts voor langs mijn spiegel uit het raam te kijken, naar de kade langs het kanaal.

Daar verschijnt om 14:30 een man met zijn herder. Hij draagt een nette jas boven een keurige pantalon met glimmende schoenen. Net als ondergetekende is ie in de zestig en kaal, maar hij heeft de kin gladgeschoren. De man kijkt om zich heen met een air alsof het leven een project is. Zíjn project. Hij is een Man van de Wereld.

Om 14:45 komt er andere vent aanlopen. Die is een jaar of tachtig en heeft een baard die de mijne doet verbleken. De grijsaard draagt een muts, stoere laarzen en een parka – de outfit van een urbane jager. Zijn hond is van het soort dat naar buurtkinderen hapt. Maar daarvoor krijgt ie de kans niet, want zijn baasje is een ijzervreter. Hij is de Man van het Kanaal.

Als de honden een metafoor zijn voor het leven, dan heeft de Man van de Wereld een probleem. Want zijn herder is speels op het dolle af, heeft duidelijk nog sturing nodig. Waar zijn baasje de toewijding voor mist. Dat ruikt de herder. Dus iedere keer als de man hem tot kalmte maant, de armen streng over elkaar gevouwen, blaft de hond de buurt bij elkaar. Dat kabaal wordt iedere dag wat luider.

Zoiets zou de Man van Het Kanaal niet overkomen. Zijn blik is nors, de motoriek vastberaden. Puur op charisma weet hij de pitbull te reduceren tot een schoothondje dat gedwee achter zijn baasje aan kuiert. De jager dwingt respect af. Maar hij lijkt geen enkel plezier in zijn wandelingen te hebben. Hij kijkt alsof ie op ijzer kauwt, de Apocalyps afwacht. Zijn blik wordt iedere dag wat grimmiger.

Dan ben ik toch liever The Third Man. My own man. Iemand die graag naar honden kijkt als ze langs het kanaal rennen. Die zich een afgedankte, eigenwijze en chronisch kwijlende blindengeleidehond droomt, maar weet dat ie daar beter niet aan kan beginnen. Een man die daar stukjes over schrijft en beseft dat dit zijn bescheiden rol in het leven is. Wat hem niet let om af en toe voor de passpiegel te gaan staan. Om zich een man te wanen die hij niet kan zijn. En dáar dan weer een stukje over te schrijven. Zodat hij even de man kan zijn die hij altijd geweest is. De Man van het Raam.

What’s he building?

Het begon allemaal met een handgeschreven brief die ik in mijn bus vond. Eerst dacht ik dat ie van een spiritueel genezer afkomstig was, maar de afzender bleek mijn onderbuurvrouw. Ze schreef dat ze verhuisd is. Niets van gemerkt.

Ik schrok van het bericht. Niet omdat we zo’n hechte band hadden, maar omdat ik gewend was aan haar geruisloze aanwezigheid. En zij aan die van mij, vermoed ik. Woonrust, 17 jaar lang. Een zegen. Bovendien cruciaal om het in onze prachtwijk uit te houden, zeker tijdens een lockdown.

In vorige woningen heb ik een allergie ontwikkeld voor geluidsoverlast. Vooral voor gescheld, dat klinkt invasief. Dieptepunt was een psychotische buurman die dag en nacht de boel bij elkaar schreeuwde. Nooit meer, besloot ik toen. Via uitgekiende woningruil ben ik in mijn huidige penthouse beland. Zonder bovenburen dus.

Maar nu gaat het appartement onder mij verhuurd worden. Aan vreemden. Een gezin met 13 krijsende koters. Een doedelzakspeler die thuis voor de fanfare oefent. Een klusser die ’s nachts de slijptol in de radiatoren zet. Dat ga ik allemaal horen, want de flat stemt uit de jaren ’50.

Als ik mijn doemscenario aan vrienden opbiecht, krijg ik steevast te horen dat het toch ook kan meevallen. Right. De enige manier waarop ik mijzelf gerust kan stellen is door het ergste te verwachten. En alvast maatregelen te treffen.

Mijn 4-stappenplan begint zo dicht mogelijk bij de gehoorgang. Zo heb ik een slaapbare hoofdbandkoptelefoon besteld. Kan ik ’s nachts een 9 uur durende geluidsopname van een waterval over mijn foon streamen. Let wel, mét schuimrubber dopjes in de oren, terwijl er naast mijn bed een ventilator staat te brommen in een dichtgeplakte kartonnen doos. Eens zien of mijn oren (die ik pas heb laten uitspuiten), in deze afleidingsmanoeuvre stinken.

Stap 2 bestaat uit het watteren van de slaapkamer. De vloer heb ik jaren geleden al in een visionaire bui geïsoleerd met een zwevende laag. Maar daarop ligt laminaat, en dat echoot als een gek. Moeten dus tapijttegels op, die ik ook tegen de wanden plak zodat er geen herrie via de muren in mijn hersenpan kan kruipen. Schrik ik ook niet wakker van eigen gesnurk.

In het ergste geval is er stap 3: de geluidsdichte bedstede. Oftewel een kamer in een kamer bouwen. Ook weer zwevend geplaatst, op de al zwevende vloer. Gemaakt van vuistdik multiplex, want massa is alles bij isolatie. En geventileerd, want de deuren moeten hermetisch sluiten. De kolossale isokist zal tevens dient doen als panic room bij home invasions.

Stap 4 wordt door mijn nieuwe (en ongetwijfeld muisstille) onderburen genomen. Zij dienen een klacht in bij de woningbouwvereniging, omdat ze gek worden van mijn gezaag, geboor en getimmer. Waarop een uitzettingsprocedure wordt gestart. Voor mijn persoon. Maar voordat het zover is lig ik vredig te snurken in mijn urbane grot, tot de ventilator uitvalt en ik aan zuurstofgebrek overlijd. Uitdrukkelijke wens in mijn testament is dat ik in mijn isokist begraven word. Voor dat stukje zuurverdiende safe space.

Passende soundtrack voor dit verhaal: What’s He Building? van Tom Waits

The Dutch

Ik heb lang een weerzin gekoesterd tegen Holland. Het platte landschap, de lompe bewoners, de schrapende keelklanken, de kneuterige films, de bloedeloze literatuur… niets kon deugen. Pas de laatste jaren realiseer ik me dat dit een kwestie van inprenting is.

Aanleiding vormt deze kiek. Gemaakt door mijn vader, kerst 1957. Op het eerste gezicht een verwaarloosbare foto: een overbelicht achterhoofd, onherkenbare gezichten, onduidelijke handelingen… Maar als vanzelf worden onze ogen getrokken naar de vrouw, tweede van links. En lijkt de foto geplukt uit een Nederlandse versie van The Americans, dat fotoboek waar ik het in een vorige blog over had. Dat komt doordat mijn moeder zo misplaatst oogt.

Dat was ze ook, omringd door de familie van haar man. Burgers die weinig hadden meegemaakt en nog minder van de wereld hadden gezien. Terwijl mijn moeder al een stormachtig bestaan achter de rug had in Indië. Holland, dat was een cultuur van melkboeren! Ze liet geen gelegenheid na om haar kroost dat in te peperen. Ik slikte alles. En bleef dat nog jaren doen.

Dat kwam mede doordat ik mijzelf een misfit voelde. Anders dan andere jongens, en later anders dan andere burgers. Een levensworstelaar met een onbruikbaar talent. En natuurlijk is het vreselijk romantisch om jezelf een Einzelgänger te vinden. ‘Rein Hannik, getormenteerd schrijver’ had er op mijn visitekaartje kunnen staan. Ik ben uniek! Sure. Als er geen internet had bestaan.

Sinds het web van de wereld een dorp heeft gemaakt, lijkt de aardbol vergeven van de outsiders. Die stuk voor stuk de meest fantastische kunst online presenteren. Stand-up comedians, straatmuzikanten, undergroundschrijvers, animatiemaker, decorontwerpers, no-budgetfilmers, motorfietsbouwers, striptekenaars, aquascapers. You name it. Een leger aan creatieve misfits, dat me bij iedere dip weer weet te inspireren.

De globalisering doet me ook beseffen hoe door-en-door Hollands ik ben. Dankzij de vermaledijde melkboercultuur word ik niet gemuilkorfd door een godsdienst, geterroriseerd door een dictatuur of vermorzeld door kapitalisme. Ik heb alle gelegenheid gekregen om mijn afwijkende zelf te cultiveren. Zou nergens anders kunnen leven. Daarom dank ik de Voorzienigheid op mijn blote knieën voor mijn nationaliteit. Ich bin ein Holländer!

Maar te veel driekleur, daar pas ik voor. Dus als ik deze foto bekijk en iets moet wegslikken omdat ik iets herken, laat me dan. Het motiveert mij om stukjes te schrijven waarmee ik contact kan maken met andere Einzelgängers. Zodat we ons samen wat minder einzel voelen.

De naaktfotograaf

Het bibliotheekboek was al maanden te laat. Ik had het kapot gebladerd. Elk van de 83 foto’s zat op mijn netvlies gebrand. Ik heb het over The Americans, het eerste echte straatfotografieboek van Zwitser Robert Frank. Gepubliceerd in 1958, toen America zich nog the beautiful waande, verslaafd was aan Coke en geloofde in Cadillac.

Zo niet de States van Frank. Hij zag armoede, racisme, kapitalisme en consumptie. Zijn visie is nog steeds rauw als steak; de korrel oogt grof door de lichtgevoelige film, de motion blurr overdadig doordat de sluiter Franks oog niet kon bijhouden. Gezichten kijken somber, hautain, argwanend, afwezig. Expressies die ik herkende als ik met mijn verrekijker uit het raam vierhoog vóór gluurde (of als het raam mijn smoel reflecteerde). De mens en zijn alledaagse wanhoop. Daar moest ik wat mee.

Eind jaren zeventig was ik twintig. Ik had mijn atheneum op zak en wilde fotograaf worden. Althans, dat dacht ik. Mijn portfolio zat nog in het hoofd. Bij het toelatingsgesprek namen de docenten van de academie me vertederd op. Ik hield mijn blik beschaamd op het fotoalbum vol kiekjes. Een Frank was ik nog niet nee. Eenmaal afgewezen ben ik gaan studeren, om tijdens het college uit het raam te staren, dromend van een wild bestaan als straatfotograaf.

Anno 2021 ben ik zo goed als blind aan mijn linkeroog. Het rechter houdt fier stand. Daarmee blader ik Google Images kapot met de beeldenhonger van een academiestudent. Want het internet is uitgevonden om ouderen een retrospectief te bieden van hun popculturele verleden. Zo kan ik dode helden nieuw leven inblazen – met het risico dat ze door de mand vallen. Ook Franks werk passeert de revue, want het bibliotheekboek heeft de verhuizingen niet overleefd.

Tot mijn opluchting staat The Americans nog steeds als een huis. Niet zozeer door de politieke context die de foto’s wederom tot hit maakt, maar door het poëtische commentaar dat Frank ermee levert. Hij toont de mens op zijn naaktst, met oog voor diens aangeboren onvermogen. Frank fotografeert zoals ik probeer te schrijven.

Hij blijkt trouwens van oorsprong een keurige modefotograaf. Maar dan wel een met een even brutale als onopvallende verschijning. Dat vermoedde ik al in ’79. Wat ik toen niet wist is dat ie de 83 foto’s uit 28.000 contactafdrukken heeft geplukt. Zo wist Frank De Amerikaan te destilleren uit een waterval van impressies, om hem te maken tot een tijdloze Mensch.

En nu schettert Miles uit mijn boxen. Ga ik voor het eerst prat op mijn bouwjaar uit de fifties. En laat ik mij voor een laatste maal meeslepen door Franks duistere lust for life. Door zijn anti-perfectionisme, vrij van angst voor onscherpte of overbelichting. Het vertelt zoveel meer dan autofocusbeelden. De houtskoolschetser versus het kopieerapparaat.

Ik besef nu ook dat ik nooit straatfotograaf had kunnen worden. Omdat ik de onbeschaamdheid mis en een muggenzifter ben. Maar mocht het ooit mogelijk worden om via een implantaat met de ogen te fotograferen, dan kies ik voor het linker. Dat kiekt met een defecte lens, maar kijkt daardoor met de brutaliteit van een academiestudent.

Catwoman

Ik weet ’t. Ze is gitzwart en dat brengt ongeluk. Het betonnen trappenhuis oogt grimmig. De lichtinval is als die in een crematorium. En buiten liggen vervuilde sneeuwresten die nooit lijken te verdwijnen. Ik heb nog een lange weg te gaan qua poezelige kattenfoto’s. Maar onze liefde is onmiskenbaar.

We hebben elkaar een jaar geleden leren kennen. Steeds als ik mijn fiets uit het hok haalde of hem opborg, kwam ze me mauwend tegemoet. Spontaan, alsof ze iets in me herkende. Dat kan kloppen. Net als ondergetekende is ze een ongegeneerde vrijkous. Liefst wordt ze opgetild en uitgebreid gekroeld. Daar trek ik wel een kwartier voor uit. Langer durf ik niet, omdat de buren dan misschien een BOA bellen. Anderhalve meter!

Ik heb haar Poesje gedoopt. Nee, bijster origineel is dat niet. Maar onze liefde heeft geen poespas nodig. Soms, als de eenzaamheid op de bagagedrager mee naar huis is gefietst, één arm om mijn middel geklemd, en mijn hart van steen lijkt, word ik door haar bij het hok opgewacht. Dan mag ze mee naar boven. Krijgt ze melk van me, die ze gulzig soldaat maakt. Daarna gaat ze op mijn beddensprei liggen, in een verleidelijke pose, als une chatte fatale. Dan moet ik sterk zijn. En haar met zachte hand de deur uit werken.

Want ik vermoed dat Poesje al samenwoont met een ander. Ze is te weldoorvoed voor een zwerfkat. Te aanhankelijk. Natuurlijk, de verleiding is groot om die chip uit haar te peuteren en haar een halsband om te doen met een fotootje van haar nieuwe vriendje. Maar onze liefde moet onbezoedeld blijven. Liever neem ik naast haar plaats in het trappenhuis, om samen naar de eeuwige sneeuw te turen. Zwijgend, zoals geliefden dat kunnen. Tot mijn hart niet langer van steen is.

Het proefdier
© Coef Hannik, zomer 1966

Ik houd van strenge vorst. Niet omdat ik iets met Elfstedentochten, après ski of Glühwein heb, maar omdat ik bij de huidige temperatuur normaal lijk. Omdat het dragen van twee truien even legitiem is. En iedereen zich een kelderbaby voelt.

Volgens de Medische Encyclopedie uit 1959 – de door mij geheel herziene editie – bestaan er twee uitersten op het gebied van baby’s: de smoorbaby en de kelderbaby. De smoorbaby heeft van zijn moeder te veel warmte gekregen. De liefde was overdadig, verstikkend zelfs. Eenmaal volwassen krijgt deze persoon het snel benauwd. Hij slaapt ’s winters met het raam open, is verslaafd aan outdoor actie, gaat vaak vreemd en heeft een drang om carrière te maken.

De kelderbaby is een resusaapje. Dit kind heeft zo weinig knuffels van moeder gekregen dat er een chronische, emotionele onderkoeling is ontstaan. Eenmaal volgroeid is deze persoon immer op zoek naar een vaste relatie, maar wantrouwt hij de liefde evenzeer. Hij draagt te warme kleding en slaapt onder te veel dekens, omdat die hem de illusie van koestering bieden. In de maatschappij stelt hij zich liefst verdekt op, tot de IJsstorm des Levens is uitgeraasd.

Als ik zie hoe uitgebreid mijn moeder mijn jeugd heeft vastgelegd, moet ik haast wel een smoorbaby zijn geweest. Honderden dia’s, foto’s en beschrijvingen heeft ze me nagelaten. In tegenstelling tot veel Facebookvrienden, die nauwelijks materiaal van hun jeugd rest omdat hun ouders niet op het idee kwamen of niet creatief waren. Ik ben verwend! Dus waarom heb ik dan twee truien aan?

The devil is in the detail. De dagboeken die mijn moeder bijhield van mijn kindertijd zijn minutieuze, welhaast uitputtende beschrijvingen van elk scheetje dat ik liet. Ze lezen als het logboek van een antropoloog. Niet verwonderlijk. Ze was werkzaam geweest als laborante en blonk uit in toewijding en precisie. Op papier lijkt ze een betrokken moeder. Maar een knuffel kan ik mij niet herinneren. Niet één. Alsof ik voor haar een pedagogisch proefdier was.

Allez, we gaan geen drama maken. Met de jaren heb ik geleerd om begripvol naar mijn ouders te kijken. Hoe strenger het vriest, hoe milder mijn blik. Ze probeerden ook maar wat. Misschien was mijn moeders documentatiedrang een poging om haar gemankeerde liefde te uiten, was ze zich onbewust bewust van haar tekortschieten als ouder en waren die babyboeken de enige optie om haar kroost iets te bieden. Haar manier van smoren. Toch?

Rest de vraag of ik een afstandelijke ouder zou zijn geweest. Een keldervader. Want als ik een verhaal schrijf waarmee ik lezers probeer te raken, moet ik een methodische, bijna kille werkwijze hanteren, die toewijding en precisie vereisen. Anders gezegd: om u wat te laten voelen moet ik te werk gaan als een taallaborant.

Maar voordat u zich nu een proefdier waant, als mijn verhalen en mijn moeders foto’s u iets doen, en ik me bij iedere reactie even een smoorbaby voel, dan is haar gemankeerde liefde toch goed terechtgekomen? Alsof ik een draai heb weten te geven aan de genetische vervloeking. Maar of ik haar dankbaar moet zijn… Allez, we gaan geen therapie doen. Wees blij dat ik een van mijn truien uittrek.

Far from the madding crowd
De iglo is echt en bijna twee meter hoog

Toen zijn blijspel over de opwarming van de aarde (‘Lange Zwartgevroren Tenen’) hem niet het beoogde succes bracht, ging de auteur een teruggetrokken bestaan leiden.

Het Grote Niets

Een vriendin van me heeft een carrièreswitch gemaakt. Ze was eindredactrice, is stemactrice geworden. Geweldig vind ik dat. Jaloersmakend. Want oplezen, da’s een vak waar je uitgebreid in getraind moet worden, en ook nog eens aanleg voor moet hebben. Een combinatie van focus, ontspanning, acteer- en zangtalent. Een sexy stem is mooi meegenomen.

Dat weet ik zo goed omdat ik eind jaren ’80 voor de Utrechtse radio zelfgeschreven filmrecensies voorlas. Iedere week mocht ik een filmhuisdarling of een Hollywooddraak afkraken. Eigenlijk paste mijn strenge toon niet bij de gezellige sfeer van stadsomroep. Ook mijn outfit viel uit de toon. Gekleed in gitzwart Waterloopleinpak vond ik mezelf uitermate cool tussen de pastelkleurige dj’s die Top 40 muzak draaiden. The lonesome critic!

Het radiopraatje werd van te voren opgenomen. Daarvoor moest ik met mijn A4-tje de studio in. Versprekingen, kuchjes en hatsjoes konden achteraf werden weggesneden, dus veel druk voelde ik niet. En belangrijker: de studioleidster vond dat ik een sexy stem had. ‘Met een empathisch timbre,’ voegde ze er flirterig aan toe.

Dat timbre steeg uiteraard naar mijn hoofd. Ik kreeg de ambitie om de woordkunstenaar in mij aan te boren. ‘Laten we het volgende week live doen,’ stelde ik voor. ‘Uit het blote hoofd.’ Ik durfde dat aan omdat ik in de kroeg kon lullen als Brugman. Dan jongleerde ik mijn woorden als een stand-up comedian en stileerde ik mijn intonatie als een method actor. Het empathisch timbre zou de rest doen.

De week daarop zonder tekst de studio in. Live. De eerste paar zinnen gingen wel. Daarna was het gedaan met de improvisatie. Ik begon te stotteren, te hakkelen, te mompelen. Mijn tong raakte verstrikt in volzinnen die zich achterin de keel hadden opgehoopt, mijn timbre verschrompelde tot een benauwd gekreun. Seconden duurden uren. Ik verdween in een gat, zwarter dan mijn pak. Het Grote Niets.

De studioleidster draaide me weg met Top 40 muzak. Ik strompelde de studio uit, het gelaat lijkbleek, het Waterloopleinpak doorweekt. ‘Volgende keer weer oplezen?’ stelde ze voor – zonder te flirten. Ik knikte. En bad dat mijn pastelkleurige collega’s me niet zouden nawijzen. Zelden voelde een critic zich zo lonesome./p>

Kortsluiting in de frontaalkwab, het kan de grootste ouwehoer overkomen. En zo’n black out vergeet je niet. Ook dertig jaar na dato ontsnapt er bij een flashback een benauwd kreuntje aan me. Het achtervolgt me als een schaduw, gaapt vóór me wanneer ik het ’t minst kan hebben. Bijvoorbeeld als ik uitgenodigd word voor een radio-interview, om over mijn boeken te praten. Dan probeer ik van te voren de vragen los te krijgen, zodat ik de antwoorden uit het hoofd kan leren. Klinkt verkrampt, is het ook, maar alles liever dan het Grote Niets.

Wat ik evenmin vergeet zijn de complimenten voor mijn stem. Die heb ik hard nodig, mocht ik een carrièreswitch maken, van schrijver in verteller. Columns voorlezen op YouTube. Maar wat als mijn channel gespot wordt door een oudgediende van de stadsomroep, en hij me in de comments fijntjes aan mijn meltdown herinnert? Of erger: deze online zet, waarop ie viraal gaat! Paranoia, is dat niet de ergste vorm van hoogmoed?

De klokkenluider
© Coef Hannik, najaar 1962

Mijn lagere school was een nette school. Een plek waar nette kinderen van nette ouders werden klaargestoomd voor het VWO. Niet voor niets stond bovenaan het rapport vermeld wat de leerling voor Gedrag, Vlijt en Netheid gescoord had. Met drie constante achten wist ik mijn totaalscore steevast op te krikken, want ik was een bijzonder nette jongeman.

Dat kon niet gezegd worden van de leerlingen aan de overkant. Hun school werd in de volksmond de Schoffieschool genoemd. De leerlingen daar waren vechtersbaasjes die opgroeiden voor galg en rad. Soms wachtten ze je in de pauze op, verstopt in de struiken, om ferme klappen uit te delen.

In mijn klas zat een jongen die eigenlijk op de Schoffieschool thuishoorde. Deze Cor zag er uit als een jeugdige klokkenluider. Kromgetrokken schouders, hoekige jukbeenderen, ingevallen ogen, flaporen en een bloempotkapsel. Hij droeg zelfs een lederen tuigje dat zijn gestel moest rechttrekken voor een ordentelijk profiel. Ik had medelijden met hem.

Maar Cor deed nooit gezellig mee met de rest van de klas. Bij zangles zat hij op de achterste rij door onze hemelse keeltjes heen te brommen. Als hij een beurt kreeg gaf hij geen antwoord, als de onderwijzer een grap maakte moest hij nooit lachen. Cor werd steeds vaker genegeerd, zelfs door mij.

Zo ook die middag toen hij een vinger opstak. Eerst met zijn rechterarm, daarna met de linker. De onderwijzer deed alsof zijn neus bloedde. Na een kwartier van opgeheven vingers begon het lokaal zich te vullen met een doordringende stank. De oorzaak werd al spoedig duidelijk: onder Cors bankje had zich een poel van diarree gevormd, die met gestage golven uit de pijpen van zijn korte broek op het linoleum gutste. Cor keek voor zich uit met onheilspellende grijns, alsof hij net een mitrailleur op ons had leeg geschoten. Zijn wraak was van korte duur. Na een moment van stilte werd hij bedolven onder een lachsalvo. Ik schaterde niet mee, maar had evenmin medelijden met hem.

De volgende dag verscheen Cor niet op school. De dag erna ook niet. In de wandelgangen werd gefluisterd dat hij verbannen was naar de Schoffieschool, om daar in de klas te poepen en door klasgenootjes in elkaar geslagen te worden. Maar in de struiken troffen we hem niet. We zouden niets meer van Cor vernemen.

Iets van een jaar later was het mijn beurt. Ik had schoolmelk gedronken die verkeerd viel. Dus ik stak benauwd mijn vinger op, maar de onderwijzer was verzonken in de leerstof. Cors meltdown indachtig wachtte ik niet af. Ik stormde de gang op, rende naar het toilet en smeet de bril naar beneden. Voordat ik mijn riem kon losmaken had de ramp zich voltrokken. Met de staart tussen de benen ben ik terug gelopen naar de klas. Toen ik het ongelukje opbiechtte weerklonk er een lachsalvo. Maar naar de Schoffieschool werd ik niet gestuurd.

Helemaal safe zat ik evenmin. Soms werd ik door klasgenootjes spottend aan mijn ongelukje herinnerd. Dan wist ik hen te overstemmen met verhalen van Cor. Hoe vies en raar die was! Meestal sorteerde de afleidingsmanoeuvre effect, want het is makkelijker een verbannen zonderling belachelijk te maken, dan een nette leerling die naast je in de schoolbanken zit.

Maar de 8 voor Netheid op mijn rapport zou voortaan een 6 worden. En mijn middelbare schooltijd nadien werd een ramp. Om over mijn werkende leven maar te zwijgen. En nu, iedere keer als de kerkklokken in mijn buurt geluid worden, haast ik me naar mijn veel te nette toilet dat zich dan vult met een doordringende stank, terwijl de figuurtjes in het linoleum onheilspellend naar me grijnzen.

De keukentrap

Ik kom er niet doorheen. Door die tv-serie die opgediend wordt als een spookverhaal maar meer wegheeft van een ordinair familiedrama. Hij is niet griezelig genoeg. Terwijl ik toch een bijzonder lage angstdrempel heb als het om spoken gaat. Sterker, ik hoor ’s nachts wel eens gekraak bij de kapstok op de gang.

Dat komt doordat ik ben opgegroeid in een herenhuis. Zo’n monumentaal pand vol duistere hoeken. Mijn ouders trokken er in 1957 in, twee jaar later werd ik geboren. ’s Nachts droomde ik dat er geesten kwamen. Ze waarden rond, beneden in de woonkamer. Ze kreunden op de gang. Zuchtten bij de kapstok. Azend op prille zieltjes, om zich te laven aan de kinderangsten.

Als ik uit zo’n nachtmerrie ontwaakte werd ik door mijn vader getroost. Mijn moeder moest altijd grinniken om mijn verhalen over spoken. Ze vond dat ik er een levendige fantasie op nahield. Of lachte ze iets weg? Een stille kracht?

Ik heb nu bewijs gevonden dat het inderdaad niet pluis was in het ouderlijk huis. Kijk maar eens goed naar deze foto van het pand op de Heemraadssingel, door mijn moeder gemaakt in het voorjaar van ’57, kort voordat mijn vader het huis met artsenpraktijk overnam. Ik trof de kiek onderin een doos aan. Hij ontbreekt in alle familiealbums. Heel verdacht.

Te meer omdat de twee vrouwen mij onbekend zijn. Terwijl ik toch diep in de familiegeschiedenis ben gedoken. En waarom kijkt die oudere vrouw zo sinister in de lens? Waarom lacht de jongedame zo naargeestig? Ze lijken niet in de opname thuis te horen. Alsof ze pas na het ontwikkelen van het negatief manifest zijn geworden. Ik zie dat soort dingen.

Vermoedelijk is het de echtgenote van de daar nog woonachtige arts, samen met haar dochter. Zo’n taart met een beroerd huwelijk, die haar kind verbood om met mannen om te gaan. ‘Ik wil niet dat je ons te schande maakt met je vunzigheden!’ beet ze de jongedame toe als die uit wilde gaan. Iedere avond kreeg het meisje huisarrest. Tot er iets in haar knapte. Bij de zoveelste ‘vunzigheden!’ vloog ze haar moeder naar de keel. Waarop die, uit hetzelfde hout gesneden, haar dochter bij de strot pakte. Geen van beiden liet de wurggreep verslappen.

Zo kon het zijn dat de arts hen bij thuiskomst aantrof in de Greep des Doods: de lichamen rechtopstaand in rigor mortis, met gestrekte armen elkaar in evenwicht houdend, als een uitgeklapte keukentrap. Een fysiologisch wonder? Een natuurkundig mirakel? Een familiedrama was het zeker.

Even overwoog de arts de autoriteiten te verwittigen. Maar met negatieve publiciteit zou hij het huis nooit kunnen verkopen. En eigenlijk was hij opgelucht van de krengen verlost te zijn. Hij maande zich tot kalmte. Broedde op een plan. Liep naar de schuur waar een voorhamer, bakstenen en specie gereed lagen voor laatste werkzaamheden aan het huis.

Een nacht later waren de lijken achter de gangmuur naast het toilet gemetseld. Rechtopstaand, met verbeten blik, de handen nog om elkaars strot gevouwen. Tevreden met zijn stucwerk schroefde de arts er een kapstok voor. Alsof die er altijd gehangen had.

Natuurlijk gaat u mijn vermoeden niet doodchecken in de annalen. Heus, ergens in een NRC van 1957 staat de kop ‘Artsenvrouw en dochter vermist op statige singel’. En geen gegrinnik om mijn ‘levendige fantasie’ als ik na een spookfilm niet naar het toilet durf. Ik voel krachten die gewone stervelingen voor een ordinair familiedrama verslijten.

Ventje
© Coef Hannik, zomer 1962

zoon: Jezus pap, moet dan nou?
vader: Hoor eens, als ik zelfs dood niet mag roken, wanneer dan wel! Bovendien, we wandelen in de buitenlucht, dus je moet niet zo piepen.
z: Dat was ik bijna vergeten, dat je zo’n hork kon zijn. Meneer-de-dokter-die-recht-heeft-op-genot-omdat-ie-zo-hard-gewerkt-heeft.
v: Door dat harde werken kon jij anders studeren tot je een ons woog!
z: Alsof dat me wat heeft opgeleverd. Allemaal flutbaantjes.
v: Wou je mij daar de schuld van geven? Je dominante pa die het altijd gedaan heeft! En anders je gekke moeder wel. Had je me niet wat minder buik kunnen geven?
z: Ik vond het leuk om je even oud te maken als ik nu ben. Minder buik zou geschiedvervalsing zijn geweest. Wees blij dat ik je na 13 jaar weer tot leven wek.
v: Je gaat me toch geen woorden in de mond leggen hè?
z: Natuurlijk niet. Ik verzín je niet, ik zet je ‘aan’ in mijn hoofd. Bij een schrijver komen personages als vanzelf tot leven.
v: Personáges!? Je edelmoedige vader zal je bedoelen! En waarom zet je me eigenlijk aan? Ik dacht dat je opgelucht was van me verlost te zijn.
z: Ben ik ook. Maar soms mis ik je.
v: O ja? Vertel.
z: Nou. Ik mis je gezelligheid. Je luisterend oor. Je bullshit detector. Je trotse blik als ik je aan het lachen had gemaakt, waardoor ik me minder mislukt voelde.
v: Da’s fijn om te horen, ventje.
z: ‘Ventje’… da’s lang geleden, dat ik zo genoemd werd.
v: Vind je het kleinerend?
z: Neenee. Ik moet even slikken, that’s all. Maar ik heb je gereanimeerd om me gezelschap te houden tijdens mijn wandeltochten. Zodat ik een ander geluid hoor dan mijn eigen gemaal.
v: Wist je dat Dickens dat ook deed, lange wandelingen maken? Soms wel 20 mijl per dag. Door het stinkende Londen van de 19e eeuw.
z: Dat bedoel ik nou! Zoiets had ik zelf nooit geweten.
v: Ik zie je wel lopen hoor, langs het kanaal, met die zorgelijke blik. Meer marcherend dan mijmerend. Waarom neem je geen vriendin op sleeptouw, of een kameraad? Vroeger bracht je de leukste meiden mee naar huis. En je had een vrachtlading vrienden.
z: Die vriendinnen hebben nu allemaal een normale vriend, pap. En mijn vriendenkring is verpieterd sinds ik al mijn energie in schrijven steek.
v: Waarom is dat zo belangrijk voor je? Toch niet vanwege je vader?
z: Ha! Als je eens wist hoe vaak ik heb gedroomd van jouw teleurgestelde zucht! Maar dat schrijven doe ik vooral voor mijzelf. Ik wil dat er iets wezenlijks uit mijn handen komt. En als ik in mijn eentje wandel, kan ik op verhalen kauwen.
v: Samen met je dooie vader. Gaat het eigenlijk wel goed met je?
z: Jawel. Ik heb leren leven met mezelf.
v: Kijk eens even aan. Hoe doe je dat?
z: Door contact te maken met mijn lezers. Een boek schrijven kost me járen van eenzaam zwoegen, en als het dan eindelijk gelezen wordt, merk ik daar weinig van. Daarom schrijf ik nu weer verhalen voor Facebook. Dan weet ik gelijk of er iemand ontroerd wordt of moet schateren. Ik geniet van die reacties – alsof ik weer een vrachtlading vrienden heb.
v: Klinkt goed, ventje.
z: Hé, nu kijk je me aan zoals dat je vroeger deed, als ik je aan het lachen had gemaakt.
v: En jij kijkt nu net als je moeder, met die fonkel in je ogen.
z: Besef je wel hoe angstaanjagend dat compliment is?
v: Count your blessings! En ik moet terug naar het Hiernamaals. Heb God beloofd naar zijn spit te kijken. Die man is erger dan mijn ergste patiënt. Vind je het goed als ik een laatste sigaretje opsteek?
z: Ik heb zelfs een vuurtje voor je.
v: Fijn. Boven hangen overal bordjes met ‘rookvrije eeuwigheid’. Ik had goddomme voor de hel moeten kiezen. Daar zit je moeder en die heeft de grootste lol naar het schijnt.
z: Weet je dat ik ook wel eens een peuk opsteek? Bij een glas wijn op een terrasje. Als ik wil mijmeren in plaats van kauwen. Niet tegen God zeggen hoor. Zelfs een schrijver heeft recht op genot.
v: Volgende wandeling weer samen doen?

2021
It's a bird! It's a plane! It's...