blog titels

Blog

Door de pony

Zoals gewoonlijk was mijn vraag weer eens veel te pragmatisch voor de geestelijke gezondheidszorg: is het mogelijk om mij onder hypnose terug te brengen naar het jaar 1979, naar het toilet van Café Sjaan op de ’s Gravendijkwal te Rotterdam om precies te zijn? Op die manier kan ik een gedetailleerde indruk krijgen van het toenmalige uitgaansleven, waardoor ik de couleur locale van mijn nieuwe roman een nóg waarachtiger uitstraling kan meegeven. Mentale research, zeg maar. Briljant idee vond ik zelf.

De hypnotherapeute, met zwartgeverfde pony en dichtgeplamuurde groeven, type ‘meesteres-voor-provinciale-parenclubs’, keek me aan met zo’n blik van christustepaardhebikweer. Terwijl het toch flink googlen was geweest naar een certified peut. De meesten beloven je een vorig leven terwijl ik al zo’n moeite met het huidige heb, of beschikken niet over de vereiste papieren. Ik mocht blij zijn dat ik tussen de wichelroedelopers zeggen & schrijven één hypnotiseuse trof met diploma en no-nonsense houding. En pony dus.

Uitgerekend zij reageerde vol onbegrip op mijn voorstel om samen het Rotterdamse uitgaansleven van de vorige eeuw in te duiken. Ik haastte me eraan toe te voegen dat ik mogelijk ook op wat jeugdtrauma’s zou stuiten. (Dat klonk wat sociaal wenselijker.) Maar toen ik begon te raaskallen over mijn gekke moeder die LSD-hypnose heeft gekregen van professor Bastiaans en toen terug moest naar het jappenkamp en daar bijna in gebleven is, onderbrak de therapeute me streng. Ze drukte me op het hart dat hypnose zoals je die op tv ziet, met idioten die als kippen gaat kakelen, theatrale onzin is. ‘Toneelhypnose’ noemde ze dat. Of me dat duidelijk was. Ik knikte bedrukt. En werd richting sofa gedirigeerd, alsof ik al in trance verkeerde.

Liggen, dat lukte me nog wel. Maar toen moest ik van haar ook nog eens ontspannen. Op commando. Eerst mijn ene been, daarna het andere. Ledemaat voor ledemaat, orgaan na orgaan. ‘CONCENTREER JE!!’ beet ze me toe als ik weer eens in een ‘planking’ schoot. Waarom kon ze me niet gewoon instralen, zoals echte hypnotiseurs dat doen! Ze zette een metronoom aan die me deed denken aan de klok van mijn oma die naar spruitjes en grijs gehakt stonk, details uit 1979 waar ik helemaal niet aan herinnerd wilde worden. Ik wilde naar de wc! ‘CONCENTREER JE!!’ klonk het weer.

Dus ik in mijn geheugen op zoek naar de plee van Café Sjaan. Kon hem met geen mogelijkheid vinden. Logisch, want daarvoor wilde ik nu juist in trance! Bovendien begon ik me zorgen te maken of ik misschien zo’n geval was dat extreem vatbaar is voor hypnose. Stel dat er diep weggestopte shit in me naar boven zou komen, met die zwartgeverfde pony naast me! Dat zou blijken dat mijn ouders me als peuter hebben laten ombouwen omdat ze liever een zoon wilden, dat ik door aliens ontvoerd ben voor spermatologisch onderzoek of dat ik door gymnasium 3 gegangbanged ben na het volleyballen! Of last but not least: dat ik opeens op de plee van Sjaan zit om daar voor eeuwig in de hypnose te blijven hangen! ‘CONCENTREER JEEE!!’

Niets gebeurde er. Helemaal niets. Ik heb daar drie kwartier liggen zweten zonder ook maar een pleeborstel voor de geest te kunnen halen. Het bleef duister in mijn bovenkamer. Geen uitstraling zonder instraling, dat was duidelijk. Nog geen portie provinciale SM kon ervan af. Ik voelde me bekocht met deze slappe hap. Morgen maar eens googlen naar een krachtiger therapie. Iets met een paardenmiddel. De zoon van Bastiaans, was die niet ook psychiater?

De instraling
Disclaimer: de foto is niet genomen tijdens de hypnosesessie, 
maar nagespeeld met een erkend wichelroedeloopster

Met wolvenogen

Bijna dertig jaar kennen we elkaar nu, nog steeds maken we dezelfde flauwe grappen die onze vriendschap pantsert tegen de erosie des tijds. Begin jaren tachtig was hij als een oudere broer voor me. Hij leerde me spannende schrijvers kennen als Céline, Hamsun, London en Lovecraft. Urenlang konden we ouwehoeren over Star Trek’s Uhura, de afwijking van onze luchtbuksen of de inner logic van Monty Python. Terwijl we toch uit zeer uiteenlopende milieus stamden. Hij een slagerszoon die zich uit zijn milieu had geleerd, ik een zoon van de dokter die nergens voor wilde deugen. Kon hij rake karateklappen uitdelen, ik was een ster in het uitlokken van conflicten. Beiden zijn we beschadigd in onze jeugd. Hij fysiek, ik emotioneel.

Inmiddels heeft hij twee geweldige dochters grootgebracht en probeer ik wekelijks een verhaal te baren. Hij staat nu model voor personage ‘Frans’ in mijn aanstaande boek, een roman die zich afspeelt in het Rotterdam van 1979. Voor nieuwsgierigen volgt hieronder een fragment.


‘Rinus, zet m'n benen effe bij de reanimatiespullen,’ vraagt Frans als hij zijn kleedhokje opendoet. Ik pak de benen aan, samen met de sleutels van de kast. De prothesen zijn lichter dan verwacht, terwijl de broek, sokken en schoenen er toch nog aan vast zitten. Als ik ze in de kast van de staf plaats blijven ze rechtop staan. Eigenlijk zien de benen zonder Frans er vreemder uit dan Frans zonder benen – alsof zijn bovenlichaam heel secuur ontploft is. De holtes waarin hij zijn stompen vacuüm trekt ruiken naar vers zweet. Mijn oksels stinken naar angstzweet.

Steunend op zijn palmen schommelt Frans zijn dubbelgespierde romp in noodtempo over de zwembadtegels richting vijftigmeterbad. Hij heeft de massale lenigheid en autoriteit van een Zilverrug – een alfa gorilla die zijn territorium komt opeisen. Ik kan hem nauwelijks bijbenen. Bijna niemand in het Sportfonds kijkt op van deze toch niet alledaagse verschijning. Misschien komt dat doordat hij wel alledaags is. ‘Hé Frans, laat je biceps eens zien!’ echoot het. ‘Mr. Olympia!’, ‘Franzzz the Champ!’ Ik slof achter the Champ aan, handdoekje over mijn tanige schouders. De meeste jongens hier dragen een Speedo waarin je dinges groot lijkt. Mijn zwembroek is nog van het lyceum en uitgerust met een binnenbroek. De buitenbroek rafelt en heeft een ruitjespatroon waardoor mijn dinges er vooral verkreukeld uitziet.
‘Niet zo schichtig, RT!’ zegt Frans terwijl hij zijn romp met Erroll Flynnzwier op de rand van het bassin slingert om overzicht te krijgen. Een lollige Zuidwijker naast ons maakt een bommetje. Ik huiver van de spetters, sla de handdoek verder om me heen. Frans grijpt me bij een kuit en wijst naar een plek naast de duikplanken. ‘Daaro. Daar gaan we liggen. Bij die brunette. Die heeft bij ons in de slagerij gewerkt. Zúlke kokosnoten. En die blondine ernaast, da’s haar zus, die mag jij.’ Ik knik en verlang naar mijn baantje aan de lopende band.

De brunette ligt op haar buik de Viva te lezen. Ze heeft zo’n volwassen lichaam met breed bekken en haartjes die uit het bikinibroekje kruipen. Een echte vrouw! Frans sluipt van achteren op haar af en sluit zijn handen om haar ogen. ‘Mag het een onsje meer zijn?’ vraagt hij grinnikend. Het Bekken draait zich schaterend om en toont haar boezem met de flair van een marktkoopvrouw. Terwijl de twee grappen maken over de slagerij, check ik de waterspiegel op haaienvinnen, maar krijg het gevoel alsof ik zelf beloerd word. Dat kan kloppen. De zus, een blondine met stekkerneus en zwaar voorhoofd, kijkt me aan met schalkse blik die ze laat afglijden naar mijn ruitjes. Ik schuif mijn handdoekje ervoor en ga een paar meter verderop zogenaamd zitten lezen in Martin Eden.

‘Je had je toch wel even kunnen voorstellen, Rinus Tinus!’ bijt Frans me even later toe. Hij zucht en gaat naast me op zijn buik liggen. ‘Volgens mij heeft die zus een oogje op jou.’
‘Die zus heeft een stekkerneus en een zwaar voorhoofd.’
‘Je moet érgens beginnen.’
Ik ga ook op mijn buik liggen. We luisteren zwijgend naar de kakofonie van het zwembad, turen naar bekkens en kokosnoten die stunten op de planken.
‘Zeg Frans.’
‘Zeg Rinus.’
‘Was je zenuwachtig, de eerste keer?’
‘Dat ik hier kwam zwem…’
‘Nee, je weet wel.’
Frans grijnst vanonder zijn taxisnor. ‘Mijn eerste keer was met Bonnie van de apotheek. Die zat onder de puisten maar had flink wat hout voor de deur. En ik was natuurlijk zestien hè.’
‘Vond je het niet eng met je benen en zo.’
‘Ze had me hier al vaak gezien. Als ik haar nou had opgepikt in ’t Schaapje…’
‘Hé mister Bicep!’ klinkt het opeens achter ons. Twee gebodybuilde beach boys-met-permanentjes gaan op hun hurken tussen Frans en mij in zitten, hun stuitjes naar mij toe gekeerd. De grootste heeft tussen zijn schouderbladen een tatoeage van een tijger waarvan de snoet geknakt wordt als de gozer op zijn armen steunt. Frans begint met de boys te kletsen over steroïden, deurbeleid en de nuances van armpjedrukken. Ze praten net zo luid als de Kralingse uitzendkrachten, maar dan plat. Een serie lachbulders en schouderkloppen later vervolgen ze hun weg, hun brede schouders laverend door het glibberende zwemvolk.
‘Arie en z’n broer Joop,’ verduidelijkt Frans. ‘Geen lichten, maar beste jongens. Arie heeft soms wat emotionele problemen.’
‘Je bedoelt als ie niet hard genoeg op iemands hersenstam in heeft kunnen beuken?’
Frans knikt. ‘Dan wordt ie onzeker. Heeft ie behoefte aan een luisterend oor.'
‘Frans?’ klinkt het opeens. Er bungelen twee kokosnoten boven zijn hoofd. Boven het mijne hangt een zwaar voorhoofd. ‘Zin in een duik?’ vraagt het Bekken aan Frans. ‘Je vriend misschien ook?’ Frans kijkt me streng aan. Ik kijk benauwd terug. ‘Prima idee,’ zegt hij zonder zijn blik van mij af te wenden. ‘We komen zo.’
Als het Bekken richting bassin loopt met haar zus staren we haar kont achterna, te lustig om nonchalance te veinzen. Maar het is ’t Voorhoofd dat even omkijkt voordat ze in het water verdwijnen.
‘RT, ga je mee?’ vraagt Frans. ‘Nog effe lezen.’ ‘Je bent toch niet bang van die stekker hè.’
‘Ben gewoon niet zo in de stemming.’
‘Jij moet gewoon wat aan je uiterlijk doen. Zet eens een Black&Decker in die apenplaneetcoupe van je, en ga eens mee naar het krachthonk om je… ’
‘Jij hebt makkelijk praten, met die bouw van je.’
‘Heb IK makkelijk praten?’ Frans kijkt me een moment hard aan, draait zich dan zwijgend om en hobbelt naar de duikplanken. Bijna geheel op armkracht klimt hij de trap op naar de bovenste plank, hobbelt naar de rand, gaat daar op zijn handen staan, stompen triomfantelijk in de lucht, wel vijftien seconden lang. Het hele zwembad kijkt toe. De kakofonie verstomt. Dan zet hij zich af. En duikt hij het chloor in als een afgetrainde ijsvogel.

 

De zilverrug
'Frans' in 1983 op het toenmalige Muscle Beach te Hoek van Holland, links vooraan, met wolvenogen en taxisnor.

En zijn stadshorzel

Toen ik een jaar of zestien was deed ik niet anders. Meestal om indruk te maken op mijn klasgenootjes die meer baard op de kin en in de keel hadden dan ik wist te kweken. Maar ’t was ook voor de kick. Want zakgeld kreeg ik genoeg. Mijn ouders hadden me zelfs een dure brommer cadeau gedaan.

Meestal sloegen we toe in de schoolpauze. Stroopwafels en Chocoprinsen bij het bakkertje, of peuken bij AH. In de super ging dat jatwerk gemakkelijker dan het klinkt. Er was toen nog geen cameratoezicht en de sigaretten lagen in een open rek parallel aan de lopende band van de kassa. Twee, soms wel drie pakjes verdwenen zo in mijn legerjas. Liefst vergreep ik me aan Dunhills omdat die klasse hadden. Daarna nog even met bezweet voorhoofd en wat hakkelende small talk een pakje kauwgum afrekenen, en deze jongen stond weer buiten. Gesnapt ben ik nooit. Daar was ik te vingervlug voor. Te paranoïde. Te onzichtbaar. Dus bij iedere diefstal werd ik iets stoerder. Schuldig voelen, dat was voor mietjes. Zeker bij zo’n grote zaak als AH.

De schoen begon pas te wringen toen we voor de honderdste keer onze zakken liepen te vullen in het bakkertje bij school. En het bakkersmeisje daar iets van zei. Niet tegen mij (van mijn Chocoprinsen had ze niets gemerkt), maar tegen een Deense klasgenoot van me die veel te omzichtig een pak stroopwafels in zijn jaspand had gestoken. Of ie dat thuis ook deed, vroeg ze hem. Waarop mijn maat iets in het Deens vloekte, het bakkersmeisje dichtklapte en ik een rode kop kreeg. De politie bellen deed ze niet. Maar die nacht droomde ik dat ze de gestolen waar uit eigen zak moest betalen, ontslagen werd wegens onoplettendheid, aan de drugs raakte en dakloos werd. Allemaal vanwege mijn Chocoprinsen.

Gelukkig straft God direct. Nou ja, een jaar later om precies te zijn, toen we met de klas naar een operette gingen. Ik had mijn Yamaha FS1, een roestbruine stadshorzel met anabole megacilinder, voor het theater geparkeerd maar was zo druk geweest met hem zo nonchalant mogelijk op de middenbok te hijsen, dat ik vergeten was hem op slot te doen. U voelt hem al aankomen. Toen de operette eenmaal uitgetetterd was en wij waren bijgekomen van de slappe lach (mijn Deense maat had een scheetkussen meegenomen), bleek de Yamaha verdwenen. Ontvreemd door een onverlaat die zich ook wel eens prins te paard wilde voelen. De diefstal kwam aan alsof ik in het kruis getrapt werd.

Het wachten was op de verzekeringspremie. Wekenlang moest ik me behelpen met het Mobiletje van mijn vader. Een wijvenbrommer vond ik dat! Uit pure vernedering was mijn stem een octaaf gestegen. Toen de premie eindelijk in zicht kwam en ik mijn zinnen gezet had op een tweedehands opvolger, werd mijn vader opgebeld door hoofdagent Haring. De Yamaha was terecht! zei de diender. Er moest nog wel wat aan gedaan worden, voegde hij eraan toe, want de brommer was opgevoerd. OMG, dacht ik, ze gaan hem castreren! En jawel hoor. Toen ik hem even later zag staan op het politiebureau, het motorblokje volledig ontmanteld, slaakte ik een hysterisch gilletje. Ik kon het nu wel schudden bij de meiden, met of zonder Dunhills.

Toegegeven: sindsdien heb ik nooit meer iets gestolen. Nog geen stroopwafel. Tot een paar jaar geleden dan. Toen ik ’s avonds wat geld wilde pinnen bij de flappentap. En daar een briefje van vijftig trof. Zomaar! Onbeheerd! Vergeten! Even voelde ik me weer dat prinsje van zestien. Ik trok mijn muts tot over de ogen, griste het biljet weg, sprong op de fiets en trapte als een dief in de nacht richting vergetelheid.

U voelt hem weer aankomen. Eenmaal onder de wol gedoken kwam het bakkersmeisje tot mij. Of ik dat thuis ook deed, vroeg ze me. Ik schrok wakker met bezweet voorhoofd. Zuchtte eens diep. Trok mijn kleren weer aan. Fietste terug naar de flappentap, in de volle overtuiging dat ik daar het bakkersmeisje zou aantreffen: dik in de zestig inmiddels, nog steeds dakloos en ónder de ebola, wanhopig zoekend naar dat briefje van vijftig waar ze dan een jaar van zou moeten leven. Hopend op een prins op een wit paard.

Niets van dat al. Geen bakkersmeisjes te bekennen. De flappentap stond er eenzaam te pronken met zijn buidel vol cash. Vertwijfeld hief ik mijn hoofd ten sterrenhemel. Misschien, bedacht ik mij, is dit een teken Gods. Een openbaring. Vindt Hij dat ik na al die jaren van eerlijkheid met mijzelf in het reine moet komen. Dat ik dat biljet moet beschouwen als een stichtelijke oorkonde, als Gods Verklaring Omtrent het Gedrag. Opgelucht en met een warm gevoel vanbinnen ben ik weer op de fiets gesprongen. Om die nacht prinsheerlijk weg te dromen. En de volgende dag een slof Dunhills te kopen.

De roofprins
Met anabole megacilinder

Van Rien en Rein

Iedere ochtend als ik voor dag en dauw opsta, ben ik even alleen op de wereld. Er is dan geen teken van leven te bespeuren in mijn wijk. Of toch? Helemaal aan de andere kant zie ik wel eens licht branden. In net zo’n doortochtflatje als het mijne. Ook op de vierde etage. Maar ik denk niet dat het nóg een vroege vogel betreft. Volgens mij is het een nachtbraker. Een levensgenieter. Een Rien.

Als je zijn volle haardos zou wegshoppen en hem een baard zou opplakken, zou hij sprekend op mij lijken. Sterker, wie jeugdfoto’s van ons onder de loep neemt zou zweren dat we hetzelfde jongetje zijn geweest. Zelfs onze moeder dacht soms dat we Siamees waren! Misschien was dat ook wel zo. Op onze manier. Jaren geleden zijn we ieder ons weegs gegaan. Botsende karakters en zo.

Rien was zo’n kerel die onbevangen van het leven hield. Een dagjesplukker in hart en nieren en full time charmeur. Na de middelbare school is ie getrouwd met zijn high school sweetheart van wie hij vijf prachtige dochters heeft gekregen. Ook wist ie het, ondanks zijn moeite-met-leren, te schoppen tot topmanager-met-topsalaris. Hun herenhuis aan een sfeervolle Rotterdamse singel werd een zoete inval voor vrienden die van het goede leven houden. Iedere zaterdagavond was het raak! Soms, als zijn echtgenote hem zo bezig zag met zijn car dealer-babbel en afgetankte sherryglas, vond ze Rien een beetje oppervlakkig. Maar wat hij tekort kwam aan persoonlijkheid maakte hij goed met levenslust. Rien zorgde er altijd voor dat alles weer op zijn pootjes terechtkwam! Zijn glas stroomde over! Een beetje te veel, zo zou blijken.

Nog niet zo lang geleden is zijn vrouw erachter gekomen dat Rien al jaren buiten de pot piest. Met zo’n beetje iedere secretaresse waarmee hij ooit gewerkt heeft. Bij één heeft ie zelfs een zoon verwekt. Ook met het geld-van-de-baas is Rien niet altijd netjes omgesprongen. ‘Leningen’ volgens hemzelf, ‘diefstal’ volgens de accountant. Vorig jaar werd hij ontslagen door de directeur – nota bene zijn studiemaatje – omdat Rien zijn dure avontuurtjes als ‘zakelijke onkosten’ gedeclareerd had. Exit Prince Charming.

Aan passend werk is het lastig komen op zijn leeftijd, zeker ook omdat zijn drieduizend LinkedIn-contacten niets van zich laten horen. Daarbij heeft Riens vrouw haar trouwring door de plee getrokken en haar ex op straat gezet. Zijn dochters hebben hun moeders achternaam aangenomen. Zijn vriendin is er vandoor met haar spiritueel coach. En zijn zoon is genderneutraal geworden. Gedegradeerd tot uitkeringstrekker heeft hij zijn toevlucht moeten zoeken tot een kansenwijk vol tweedehands meuk, waar hij iedere nacht zit te dubben hoe hij zo diep heeft kunnen zinken. Dan grijpt hij wel eens naar de fles. En heeft hij al zijn positiviteit nodig om niet van de Dafne Schippersbrug te springen.

Gelukkig is Rien geen doorzetter. Om zijn gepieker wat te temperen is hij poëzie gaan schrijven. Ook niets voor Rien eigenlijk, creatief doen met taal. En de rijmelarij stelt weinig voor. Maar hij put er moed uit. Zo gaat zijn laatste gedicht over een imaginaire overbuurman. Over ene Rein, een levensworstelaar die moeite heeft met middelmaat & small talk, maar wel iedere ochtend het universum te lijf gaat met een onstuitbare schrijflust. Een survivor in hart en nieren.

Soms wil Rien een beetje Rein zijn. Lang duurt dat nooit. Want zit er in Riens glas altijd nog een bodempje levenswater, dat van zijn overbuurman ligt al jaren in de glasbak. Toch kijkt Rien iedere ochtend, voor het krieken van de dag, even uit zijn raam. Naar dat ene andere raam dat verlicht is in de duistere wijk. Om dan zijn nest in te duiken. En zich even niet alleen op de wereld te voelen.

De glazen van Rien en Rein
Klik op de foto voor een beter uitzicht

Van de junkies

Tweemaal ben ik geopereerd aan mijn linkeroog. Tweemaal vond ik dat geweldig. Om te beginnen omdat ik daarna een tijd met een stoer ooglapje mocht rondlopen. Maar vooral omdat ik uit de narcoses ontwaakte met een sloot morfine in mijn donder – een doekje tegen het bloeden zeg maar. En mensen, laat u zich niets wijsmaken over liefde en zo, morfine is het mooiste dat er bestaat in het leven. Nooit eerder heb ik me zó verbonden gevoeld! Ik drukte de verpleegsters van Recovery op het hart dat ze de mooiste, liefste en hardst werkende wezens op aarde waren, en de chirurg vloog ik bijkans om de hals. Overstromen van geluk deed ik. Pas toen de dope langzaam uitwerkte en de pijn zijn intrede deed en de alledaagse lelijkheid zich aan me opdrong, moest ik denken aan de keerzijde. Aan een junkie die ik ooit gekend heb. Laten we hem Piet noemen.

Het zal zo’n dertig jaar geleden zijn geweest dat ik op een vrijdagavond met benevelde kop het sleutelgat van mijn huisdeur probeerde te vinden. Ik woonde in het smalste huis van Utrecht, iets van twee meter zeventig breed, met een keukenbarretje op begane grond. Plots stond er een lang, mager silhouet op een fiets naast me. Hij vroeg of ik hem wilde kopen, zijn gloednieuwe opoe. Voor slechts vijfentwintig piek. Eerst vertrouwde ik het niet. Ik keek eens goed om mij heen in het lantaarnlicht. Pas toen ik nergens politie zag, knikte ik, trok ik mijn poeplap en gaf ik hem een geeltje.

Aangezien ik met een slok op een echt mensenmens ben, nodigde ik hem uit voor een night cap aan mijn barretje. Onder het genot van blikje AH-bier vertelde deze Piet over zijn dagelijks bestaan. Over het non-stop jacht maken op fietsen en andere dingen van waarde waarmee hij zijn verslaving kon bekostigen. Al meer dan twintig jaar stal hij alles wat los en vast zat, vertrouwde hij me toe met gejaagde blik en knarsende tanden. ‘Wat een toewijding!’ merkte ik op als een begripvol barman. Maar Piet maakte vooral indruk omdat hij er een streng moreel besef op nahield. Zo waren roofovervallen voor hem de limit, daar deed ie never nooit niet aan. Terwijl ie toch uitgerust was met imposant uitgebeend postuur waarop een vierkante kop met nijdige underbite prijkte – een soort aan lager wal geraakte Wim de Bie leek ie.

Dat Piet meer was dan mooie woorden alleen bleek toen ik hem diezelfde avond nog eens vijfentwintig piek leende en hij het geld de volgende dag netjes kwam terugbrengen. Een junk waar je op kunt bouwen! wist ik. Steeds als ik hem in de stad trof, maakte hij even tijd voor een praatje, altijd met gejaagde blik en knarsende tanden. Fietsen kopen van hem deed ik niet meer, want ik had nu ook een moreel besef gekregen.

Iets van een jaar zou hij uit mijn gezichtsveld verdwijnen. Dat had achteraf gezien te maken met zijn metamorfose, want toen ik hem weer tegen het lijf liep bleek hij iets van twintig kilo te zijn aangekomen. Hij had een nette regenjas aan. Een sjawl om. Gekamde haren. Zelfs blosjes op de wangen – de moederszoon van Wim de Bie leek ie. U raadt het al: Piet was afgekickt. Een normale burger geworden. Hij trok netjes een uitkering. Huurde een kamertje bij een hospita. At iedere dag warm. Maar erg content leek ie niet met zijn nieuwe bestaan. Zijn blik was dof. Hij knarsetandde niet langer. Ik maakte me zorgen.

Een paar maanden later stuitte ik weer op Piet, opnieuw vlak bij mijn huis. In trainingspak was ie nu, met een afgesloten Batavus racefiets om de nek. Hij oogde uitgebeender dan ooit, had weer een gejaagde blik en vermaalde zijn kunstgebit als vanouds. ‘Het was de verveling,’ vertrouwde hij me even later toe aan mijn huisbarretje, een blikje AH-bier achterover klokkend. ‘Ik had niets meer om voor te leven.’ Piet was tijdens zijn drooglegging tot het inzicht gekomen dat hij op aarde was gezet om fietsen te stelen en dope te scoren. ‘A man’s gotta do what a man’s gotta do,’ vulde ik hem aan met de wijsheid van een herbergier. Piet verkreukelde zijn lege bierblikje en verdween in de nacht. Het was de laatste keer dat ik hem gezien heb.

Sinds ik geopereerd ben weet ik dat er een Piet in mij huist. Een euforiezoeker die hunkert naar dat ene gevoel dat het dagelijks leven me niet kan bieden. Soms hoop ik dat mijn halfblinde oog wat sneller kapot gaat en er dan uitgelepeld moet worden en dat ik dan heel veel doekjes voor het bloeden krijg van de zusters. Beetje laf eigenlijk, dat ik geen verantwoording durf te nemen voor mijn levensgeluk en gewoon aan de heroïne ga. Maar ik ben tot het inzicht gekomen dat ik op aarde ben gezet om verhalen te schrijven. Dus dan doe ik dat maar. Non-stop, als een toegewijde taaljunk. Met gejaagde blik en knarsende tanden, dat wel.

De toewijding
A man's gotta do what a man's gotta do

En de Stekel

Hij had mijn redder kunnen zijn. Mijn mentor. Een sprankje hoop in mijn overigens zo vrees’lijke jeugd! Over mijn tekenleraar op het lyceum heb ik het. Diepe indruk maakte hij op me, alleen al door zijn verschijning: rechtopstaande haardos, grijze Nietzschesnor, mosterdglasbril, tweedjasje en de motoriek van een gepensioneerd veldheer. Een impressionist pur sang, dacht ik. Maar vooral: een excentriekeling die mijn anderszijn begrijpt en mijn creatieve talent erkent! Dat laatste was belangrijk, want ik droomde van een carrière als striptekenaar. Ik nam me voor bij hem in het gevlij te komen. Maar er zat iemand tussen.

Datzelfde jaar kwam er een minstens zo afwijkende leerling in onze klas. Hij was pafferig, had stekeltjes (we schrijven halverwege de jaren zeventig!), droeg een veel te nette blouse en zelfs een das onder zijn Bommelcolbert. Uren en uren besteedde hij aan het huiswerk, waardoor hij met zijn alfabrein ook wist te scoren bij exacte vakken als Scheikunde. Maar bovenal viel hij op doordat hij zo verschrikkelijk beleefd en ijverig en braaf deed tegen de leraren, op het genante af. Hij wilde de ideale leerling zijn.

Om de een of andere reden hadden de onderwijzers een zwak voor deze persoonlijkheidsloze gozer. Vooral de tekenleraar, die altijd even de tijd voor hem nam. Durfde ik maar zo ideaal te zijn! dacht ik. Tot die een of andere reden uit de mouw kwam. De Stekel bleek de zoon van de Impressionist. Nou hoorde je wel eens van leraren met eigen kinderen in de klas die dan extra streng deden tegen die kinderen om niet de schijn te wekken dat ze hen voortrokken. Dus gaf ik me niet zonder slag of stoot gewonnen. Maandenlang deed ik verschrikkelijk beleefd en ijverig en braaf tijdens de tekenles, op het genante af. Het kon de leraar niet deren. Hij smoorde mijn dromen met zesminnetjes, terwijl zijn zoon op de ene negen na de andere getrakteerd werd. Radeloos besloot ik tot een radicale stap.

Die kans kreeg ik toen we vlaggen moesten tekenen. Ik koos voor de Japanse. Met reden. Nadat ik het rood van de zon met mijn waterverfkwastje netjes binnen de cirkel had aangebracht, liet ik een druppel ‘bloed’ in het wit vloeien – als creatief protest tegen keizer Hirohito die op dat moment ons land aandeed, en geïnspireerd door mijn moeders kampsyndroom. Een bloedende zon, dat zag ik andere leerlingen nog niet maken! (Die waren fantasieloos bezig hun Stars & Stripes en Union Jacks vol te kliederen.) Toen de leraar tijdens zijn surveillance langs mijn tafeltje kwam, hield ie acuut in. Hij pakte mijn schetsblok, keek me aan door zijn 120x vergrotende brillenglazen, gromde iets onverstaanbaars, haalde een Parker uit zijn colbert en kraste toen een kruis door mijn schitterende vlag. Alsof mijn borstkas met een bajonet bewerkt werd! Er huisde een kampbeul in deze impressionist.

Zo vader, zo zoon, zou spoedig blijken. Kreeg de jongen aanvankelijk mijn sympathie omdat ie nog raarder was dan ik, toen hij vanwege zijn verschijning geplaagd werd begon hij sarcastische opmerkingen te maken tegen een meisje dat met acne kampte. Wat waren haar puisten afzichtelijk! HAHAHA! Wat stonden ze op knappen! HAHAHA! Straks zou de hele klas onder de pus zitten! HAHAHA! Al spoedig kreeg hij de honers op zijn hand. En wist hij de bliksem van zijn eigen stekels af te leiden. Deze gozer is helemaal niet anders, dacht ik. Hij is laf.

Nou moet gezegd worden dat hij het als enig kind van zo’n pa ook niet makkelijk gehad moet hebben. Want de Impressionist spoorde echt niet. Zo had ie de gewoonte om stiekem blote vrouwen achterin de schetsblokken van zijn leerlingen te tekenen, en dan die leerlingen te confronteren met de vraag waarom zij blote vrouwen achterin hun schetsblok getekend hadden! Er huisde een vies mannetje in deze kampbeul.

De ontgoocheling luchtte me eigenlijk wel op. Niet langer hoefde ik me te verloochenen, ik kon weer mijn monsterlijke zelf zijn. Dus toen we als opdracht ‘perspectief’ kregen, maakte ik bijgevoegde SF-rampenprent. Het was zo’n tekening die zijn zoon gemaakt had moeten hebben, vol opgekropte agressie die er in dat aangepaste lichaam huisde. Toen de leraar langs mijn tafeltje kwam hield hij in alsof ik een terroristische aanslag aan het voorbereiden was. Hij trok zijn Parker met de zwier van een vlindermessenvechter, maar voordat ie een kruis in mijn 9/11 kon krassen wist ik het schetsblok met mijn romp te beschermen. Het was de enige keer dat ik uit de klas gestuurd ben.

Zo kon het gebeuren dat ik geen wereldberoemd striptekenaar ben geworden. Allemaal te wijten aan deze diabolische vader & zoon. Soms, als ik het litteken op mijn borstkas voel branden, google ik hem even. De zoon dan, want de vader zit inmiddels ergens in de hel blote vrouwen te tekenen. Volgens LinkedIn is de Stekel nu een big shot in de farmacie. Geen babyvet meer, noch stekeltjes of Bommeljasje, wel een ijzige blik die aast op kwetsbare zielen. Vast zo’n CEO die straks een streep door de prijs van het AIDS-medicijn zet om deze met 5000% te verhogen. Een rampenscenario waar ik dan weer fijn een tekening van kan maken.

De Impressionist
De gemoedsrust van een middelbare scholier

In de Ardennen

‘MAAR DIT IS HELEMAAL NIET ZOALS IK HET BEDOELD HAD!’ galmt het door mijn hoofd als ik mezelf weer eens zie zwoegen in mijn van god verlaten flatje, de zoveelste hittegolf negerend, hamerend op een smoezelig toetsenbord alsof mijn leven ervan afhangt. ‘Ik zou nu eigenlijk ergens in de Ardennen moeten zitten,’ mijmer ik dan. ‘Aan zo’n lange eikenhouten tafel, met een geweldige vrouw en een dozijn kinderen en kleinkinderen, het bestaan vierend met een kan rosé, vers stokbrood en een salvo hartelijke schaters, met achter ons een natuurstenen huisje dat ik gekocht heb van de opbrengst van mijn tekenfilmstudio. Een echt Facebookleven, dat is wat wil!’

Helaas. Geen kinderen. Geen vrouw. Geen studio. Geen Ardennen. Zelfs geen klomp natuursteen. Voor mij geen zelfvoldaan terugblikken op een leven vol leven. Mij rest slechts een groezelig toetsenbord in een broeierig flatje. En een vreselijk koppige persoonlijkheid, die meer op Facebook zit dan erin.

Toch was ik ooit iemand die heilig geloofde in de maakbaarheid des levens. Dat je, als je je angsten, pessimisme en spanningen maar grondig genoeg aanpakt, het bestaan kunt boetseren in een bevredigend leven. De gouden bergen van de psychotherapie! Helaas trekt het leven zich geen reet aan van zachte wetenschappen. Het schaakt met een veel machtiger stuk: het Lot. De kleine lettertjes in je levenscontract.

Nou is er in mijn leven nooit sprake geweest van een ‘bedoeling’ in de zin van langetermijnplanning. Voor mij geen huisje-boompje-beestjewens of carrièredrang. Wel heb ik altijd gedaan wat mijn hart me ingaf, mijn dromen nagejaagd. Keer op keer tevergeefs. Laten we ter leedvermaak eens door mijn LinkedIn rennen.

Als schoolverlater werd ik door alle kunst-, foto- en filmacademies geweigerd. De zes academische studies die volgden heb ik afgebroken. De filmprogramma’s die ik vervolgens als vrijwilliger voor lokale radio- & televisie maakte leverden geen betaald werk op. Toen ik op mijn dertigste eindelijk mijn eerste boterham wist te verdienen als self made recensent-columnist-copywriter, brandde ik bij ieder baantje op door mijn perfectionisme. Ondertussen had ik verkering met de leukste vriendinnen denkbaar, maar nooit voelde dat als ‘forever’. Ik richtte bandjes op en zong het hart uit mijn lijf, maar hoorde alleen mijn valse ondertonen. Zelfs het hoongelach bij mijn stand-up comedy-optreden klonk niet overtuigend. En over mijn cursus deltavliegen hoeven we het al helemaal niet te hebben. De Wet van Behoud van Ellende had in mij de ideale posterboy gevonden.

Toch zult u mij niet op een midlife crisis betrappen. Laat staan op sterfbedspijt. Sterker, ik zou het allemaal precies wéér zo doen. Ben immers de optelsom van mijn eigen gepassioneerde geklooi. Dus waarom zit ik het laatste kwartaal van mijn leven dan zo wanhopig door te typen?

Misschien omdat ik me als schrijver een macht toe-eigen die ik met psychotherapie nooit heb kunnen verwerven. Als mijn leven niet maakbaar is, dan verzin ik er toch een! Een middelvinger naar het Lot zogezegd. Helaas wil de ironie dat ook een fictief leven dicht bij de realiteit moet blijven om te kunnen overtuigen. Daarom is de roman waaraan ik nu werk, over een dolende schoolverlater die zijn gouden jaren wegspoelt aan ongeschoold uitzendwerk en een desolaat uitgaansleven, autobiografisch van aard. Op de catharsis na. Dan stuur ik het lot van mijn held even bij. Door hem een beschermengel te geven. Deze intercedente, zelf beschadigd, gelooft in de puisterige jongeman en geeft hem zelfvertrouwen op een moment dat ik dat zelf met node gemist heb. Zo krijgt zijn betonnen universum even een hart. En daarmee het boek.

Natuurlijk eindigt het verhaal niet aan een eikenhouten Facebooktafel in de Ardennen. Want ook in een verzonnen levenscontract tref je kleine lettertjes. Ik licht slechts zijn levenstunnel wat bij, zodat hij kans maakt op een dozijn fictieve kinderen en kleinkinderen. Heel zelftherapeutisch van mij allemaal. Rest de vraag of ik van dat licht-in-die-tunnel op het laatste moment niet alsnog een aansnellende metrowagen zal maken, mezelf kennende...

De maakbaarheid van een Facebookleven
Deze schoolverlater weet precies wat ie wil in het leven

Van huisvader P.

Eenmaal per jaar hebben we een etentje ter ere van P., ooit een boezemvriend van me. Gezellige uitjes zijn dat, met lekkere hapjes en leuke grapjes en warme woorden. Echt iets om op Facebook te delen. Maar dat doe ik niet. Omdat ik dat niet vind kloppen.

Om te beginnen is zo’n etentje bepaald niet de setting waarin ik P. zou plaatsen. Hij had een voorkeur voor down & out bars, voor dichtgerookte kroegen zonder zicht op de ochtend, waar je naast je pilsje automatisch een borrel ingeschonken kreeg en die ene lonkende meid een Oekraïense pro bleek. Het was in deze afvoerputjes der maatschappij dat P. zijn ‘quality of life’ vond.

Nou heb ik een broertje dood aan sukkels die hun gezondheid met studentikoze arrogantie door de plee trekken. Of eerlijker gezegd: ik vind dat je een kater moet verdienen, met intense discussies, genante danspartijen en liederlijke zoenpartijen. Met levenslust. Maar van P. kon ik het hebben, die passie voor nihilistische roofbouw. Sterker, het dwong respect af. Dat kwam doordat hij ten dode was opgeschreven.

Een kapot hart had ie. Artsen probeerden hem al jaren een transplantatie aan te smeren, maar die boot hield hij af omdat ie zijn quality of life dan op zijn buik kon schrijven. Medicijnen en zo. Bovendien gaat na zo’n operatie de klok tikken – vijftien jaar was de prognose toentertijd. Dan liever wachten tot er een mechanisch hart ontwikkeld werd. Om de tijd te doden moest ie natuurlijk wel stug doorzuipen en doorroken, zíjn manier om het onderste uit de kan halen.

Voordat ik nu weer met mijn wijsvingertje begin te zwaaien, voor P.’s middelvinger naar Magere Hein was een bizar soort lef nodig, want in denial verkeerde hij allerminst. Ook was er doorzettingsvermogen voor vereist, want iedere kater betekende voor hem een king size aderlating: dagenlang lag hij dan in coma zijn lakens vol te zweten. P. en P. alleen, zou bepalen hoe hij kapot zou gaan.

Dat ik me hem herinner als een wannabe Bukowski wil niet zeggen dat ie ook werkelijk zo was. Een jaar of acht voor zijn dood leerde hij de liefde van zijn leven kennen. Van het ene op het andere moment veranderde de kroegloper in een burgerman: samenwonen, cocoonen, bankhangen. Zo kon er een klein wonder geschieden: hij werd vader van een prachtige dochter. Onze vriendschap liet hij echter helemaal versloffen. Schrootjes timmeren voor de kinderkamer, dat was nu zijn lust en zijn leven. Doodvallen kon ie van me. Uit woede ben ik fanatiek gaan sporten.

Dat P. een nieuw bestaan verworven had impliceerde niet dat zijn lichaam het daarmee eens was. Zijn polsslag werd met de dag zwakker. Uiteindelijk besloot hij overstag te gaan. Onder het mes! Zijn artsen helemaal in de gloria, want P. was toch een cardiologisch fenomeen geworden. En de transplantatie verliep vlekkeloos. Met hernieuwde energie kon hij zich weer op de schrootjes storten. Tot zijn vrouw en dochter hem onderaan de trap troffen. Het donorhart was met vertraging afgestoten.

Tot zover mijn herinnering aan P. Ik heb wel eens eerder over hem geschreven, maar wil hem met dit stukje weer even reanimeren. Ook al kan ik hem nog steeds schieten. Dat ik onze etentjes ter herinnering aan P. niet op Facebook plaats heeft echter niet alleen met rancune te maken. Waar ik moeite mee heb is dat hijzelf ontbreekt. P. had zijn tweede leven als saaie gezinsman dagelijks moeten kunnen vieren. Op Facebook, vijftien jaar lang, met onverteerbaar kleffe foto’s van zijn nieuwe geluk. Kiekjes die ik dan – al vloekend en tierend en zuipend en rokend – allemaal geleukt zou hebben.

Kroegtijger P.
P. werd door iedereen altijd bij zijn achternaam genoemd

Van het val

Het wordt een beetje gênant zo langzamerhand. Steeds als ik door die stad wandel schiet ik vol, moet ik even slikken van het plat-Rotterdams dat door mijn stembanden trilt. En neem ik me stellig voor om terug te verhuizen, liefst voordat ik een ouwe lul geworden ben. Vals sentiment? Lijkt er veel op. Ik ben de stad niet voor niets ooit ontvlucht. Daarbij, Míjn Rotterdam bestaat al dertig jaar niet meer.

Maar aangezien mijn volgende boek zich daar afspeelt heb ik een excuus om er regelmatig virtueel te vertoeven. Bijna dagelijks mag ik schuldvrij ‘research’ doen, oftewel úúúrenlang foto’s en filmpjes van Rotterdam bekijken op de site van het gemeentearchief. Een traktatie voor mijn jongensgeest! Vooral de haven, een belangrijk decor in mijn roman, maakt iets los bij me.

Wel vermoed ik dat de meeste Rotterdammers er iets anders in zien dan ik doe. Is de haven voor hen een machtig schouwspel van stuurmanschap, bedrijvigheid, handel en techniek, voor mij lijkt het een poort naar een ander universum, een leven vol hoop en avontuur met Belofte fonkelend op de golven. Tenminste, heden ten dagen wil ik mezelf graag wijsmaken dat ik dit toentertijd dacht. En da’s nou het valse van sentiment. Het waren juist dat zwarte water en die striemende regen en die dreigende hijskranen en die verkleumende eenzaamheid die me de stad uit joegen, waarna ik mijn heil zocht in een Anton Pieckdorp aan een fantasieloos Amsterdam-Rijnkanaal.

Dit vergeet ik natuurlijk allemaal even als ik onderzoek doe naar de Maasbruggen anno 1980. Zoveel vragen die beantwoord moeten worden. Welke brug werd precies wanneer gebouwd c.q. afgebroken. Hoe zag het fietsgedeelte van de oude Willemsbrug er uit. Hoe was het uitzicht op het westen. Trivia die cruciaal zijn voor een waarachtige enscenering van deze love story, onmisbaar om de ‘filmset’ in mijn brein op te bouwen.

Omdat het avontuur me lokte ben ik dit keer wat dieper in de historie gedoken. Zo las ik over een waaghals die het in 1933 aandurfde van de Hef te springen. Dat is de spoorbrug waarvan het middengedeelte (‘het val’) opgehesen kan worden om oceaanstomers te laten passeren. De negentienjarige arbeidersjongen Lou Vlasblom was zo gek/moedig om op een steenkoude ochtend in januari de noordelijke toren te beklimmen en, geheel gekleed!, de vijfenzestig meter naar beneden te duiken, daarbij twee salto’s makend om zijn vaart af te remmen. Wat een held!

“Op vrijdagavond 20 januari 1933 om half tien werd hij gehuldigd in een stampvol Grand-Théatre (Grand Thalia Olympia Royal) wegens zijn verbetering van het ‘wereld-duikrecord’ met zijn sprong van de heftoren. Chef de réception Alexander de Haas prees zijn heldenmoed, zag in hem het verleden van Michiel de Ruyter en voorspelde dan ook een grote toekomst voor de jongen. Vervolgens kreeg hij namens de Tuschinsky-directie een bloemstuk overhandigd bestemd voor zijn moeder, die hij ongetwijfeld de schrik van haar leven had bezorgd. Van de firma Gebrs. Gerzon, waar zijn vader werkte, was een couvert ingekomen; fotohandel Walch aan de Coolsingel had een vergroting van 30 x 40 van de held en de Rotterdamse Aeroclub zegde een gratis vliegtochtje toe.” [geknipt uit blog hethistorischatelier.blogspot.nl]

Een typisch Rotterdamsch verhaal. Maar voordat ik een lange, chauvinistische zucht kon slaken stuitte ik op het relaas van de twintigjarige Jan Tabbernee, die minder lof wist te oogsten. Deze matroos deed de dag na Vlasbloms duik eveneens een poging. Zonder al die kleren en vanaf een zes meter hoger punt. Enkele uren later werd zijn lijk uit het zwarte water gevist. Zwemmen kon hij als geen ander, zei zijn moeder in tranen. Maar van duiken wist hij niets.

Dat had ik even nodig, deze mokerslag. Rotterdam kan je maken en kan je breken. Mij heeft ze dertig jaar geleden bijna vermorzeld, en daar had ik niet eens een vrije val van het val voor nodig. Dankzij Tabbernee’s rampspoed ben ik nu in de juiste stemming om me te verliezen in mijn roman, waarin ik de stad van toen wil neerzetten in al haar desolate hardvochtigheid. Een afrekening met nostalgie dus. En nergens ter wereld doe ik zoveel inspiratie op over Mijn Rotterdam als in Mijn Anton Pieckdorp, hiero aan dat fantasieloze Amsterdam-Rijnkanaal.

De sprong van het val
Het zwarte water van de nostalgie

De foto van Lou Vlasblom op de Hef is afkomstig van www.engelfriet.net.

Op de Heemraadssingel

Toen ik woensdag de trein naar Rotterdam nam voor een borrel met vrienden, moest ik denken aan ‘El ciudadano ilustre’, een Argentijnse film over een Nobelprijswinnende schrijver die na zelfverkozen ballingschap terugkeert naar zijn geboortedorp. Dat doet ie officieel om er gelauwerd te worden, maar eigenlijk om er te slenteren down Memory Lane. Van dat laatste komt weinig terecht. De aanvankelijk enthousiaste bewoners veranderen langzaamaan in een lynch mob als blijkt dat de schrijver niet gezellig mee wenst te doen aan de voor hem georganiseerde festiviteiten, en ze beseffen hoezeer hij met hen de draak heeft gestoken in zijn boeken. De thuiskomst eindigt even open als gruwelijk.

Mijn Nobelprijs laat nog even op zich wachten, maar steeds als ik naar de Maasstad afreis vrees ik er een woedende middelbareschoolvriend te treffen die zich in een van mijn blogs herkend heeft. Wat woensdag meespeelde was dat we afgesproken hadden op een terras op de hoek van de Nieuwe Binnenweg en de Heemraadssingel. Een kroeg die zich niet alleen op plasafstand van mijn ouderlijk huis bevindt, maar tevens een kwart eeuw geleden door de H*lls Ang*ls geannexeerd is. Godallemachtig dacht ik, straks word ik door een roedel ex-klasgenootjes/outlaw bikers tegen de karaokemachine gegangbangd terwijl mijn jeugdtrauma’s zich voor me op de singel als een horrorfilm ontvouwen en ik ondertussen mijn debuut ‘Coef’ moet promoten!

Niets van dat al. De kroeg blijkt onlangs overgenomen door een fatsoenlijke horecaclan en is uitgerust met elegante gastvrouw, duurzame wijnen en postmoderne snacks. Daarbij werd de welhaast zomerse Heemraadssingel op een naburig trafohuisje bejubeld met schitterende historische foto’s van de net bevrijde singel in mei ’45. Wat kom ik toch uit een prachtbuurt, verzuchtte ik. Dáar heeft het niet aan gelegen...

Geen lynchpartij dus. Maar evenmin een feest der herkenning, hoe vaak ik de kroeg ook vanaf het terras belde om te vragen of De Schrijver Rein Hannik aanwezig was. Misschien moet ik het lot een handje helpen en enkele selfie-posters op het trafohuisje plakken, als ode aan Rotterdams minst erkende ereburger, een schrijver zo bescheiden dat ie zelfs zonder nominatie afgezien heeft van de Nobelprijs.

Ode aan bescheidenheid
Op de achtergrond het café

En de voice-mail

De meeste zoons zullen het bizar vinden om deze cartoon van Gummbah toegestuurd te krijgen door hun vader. Zeker als die arts is. Voor mij was het een uiting van genegenheid. De grap stond voor wat ons bond: de zwartste humor denkbaar. Hij zat bij mijn vaders laatste brief, gericht aan zijn ‘ventje’ zoals hij me placht te noemen.

Maar laten we het niet sentimenteler maken dan het was. We hadden weinig gemeen. Zo weinig dat er in het geheel geen sprake leek van de bloedband waaraan hij zoveel waarde hechtte. Soms wenste ik me heimelijk een andere pa toe. Bij voorkeur een bioloog-met-baard die me kon leren hoe je een Harley Liberator restaureert of een Super 8 film monteert. En misschien had hij liever een zoon gehad die wat meer in zijn traditionele straatje paste. Zo’n kerel met baan & gezin, waarmee hij had kunnen bomen over mens & maatschappij. Maar we waren nu eenmaal zoals we waren. Diametraal verschillend.

De correspondentie was zijn idee, ongetwijfeld om de afstand te verkleinen. Mijn afstand. Want langskomen deed ik niet vaak, hoe gastvrij ik ook ontvangen werd. Als hij opbelde liet ik hem inspreken op mijn antwoordapparaat, huiverig voor die Toon (‘Waarom kom je nooit eens langs!’), hoe oprecht zijn interesse ook. Zelfs zijn brieven ademden een sense of entitlement waaraan het mij ontbrak; mocht ik van mezelf ternauwernood bestaan, mijn vader had na gedane arbeid recht op een gigantische portie levensgenot – waaronder de aandacht van zijn zoon. Die behoefte vond ik belastend. Ik kon geen zoon-van zijn. Moest mezelf uitvinden. Stommiteiten begaan.

Ons laatste contact was telefonisch. Ik nam op, hoewel ik aan het nummer gezien had wie het was. Dat deed ik deels uit schuldgevoel omdat ik wist dat hij ziek was, al kon je met die kankersoort van hem wel honderd worden naar het scheen. Eerst informeerde hij uitgebreid naar mijn welzijn en gezondheid. Pas toen ik na een kwartier uitgezwamd was, nam hij het woord. Hij vertelde over het slechtnieuwsgesprek dat hij achter de rug had. De kankersoort bleek van een agressieve subvariant. Hij was stervende.

Mijn vader klonk anders dan anders. De Toon ontbrak. Geen moment hoorde ik de verwende benjamin in hem doorklinken, de halve corpsbal die zijn eigen geluk zo belangrijk leek te vinden. Dit was een vader die zijn zoon miste en de afstand wilde overbruggen, die wezenlijk contact wilde maken met zijn Ventje. Sprakeloos was ik. Niet alleen vanwege het doodsvonnis, maar vooral omdat ik opeens zo'n respect voelde voor deze man waar ik zo vaak zo weinig mee had gehad. Mijn vader was mijn vader geworden.

Voor even dan. Hij was overleden voordat ik afscheid kon nemen. Wel heeft hij me sindsdien enkele keren opgezocht in mijn dromen. Meestal om me te negeren. Of om kwaad op me te zijn. Zijn teleurstelling in mij voelt nog even rot als toen. Maar soms is ons wederzien fijn. Zoals in mijn laatste droom, toen we ergens enorm om moesten lachen - vermoedelijk om zijn doodzijn. Op het moment dat ik ons bondje wilde vastleggen met een selfie, schrok ik wakker van de wekker. En miste ik hem zoals alleen een Ventje dat kan. Even hoopte ik zelfs dat ie op mijn voice-mail zou staan, desnoods met een ‘Waarom laat je nooit eens wat van je horen!’. Maar je hebt nu eenmaal slecht bereik in het geestenrijk. Eigenlijk is er niets veranderd aan ons contact.

Het slechtnieuwsgesprek
Gummbah's universum biedt altijd troost

In de Bijlmer

Het was even thuiskomen afgelopen moederdag, toen ik mijn ex S. en haar dochter J. opzocht in hun nieuwe flat in de Bijlmer. Wat een hartverwarmend wederzien!

Hun adelaarsnest biedt een schitterend uitzicht op toekomst en verleden. Maar ik had vooral oog voor het heden, want J. is uitgegroeid tot een bruisende jongedame van wel zeventien lentes, zo een met hectische bijbaantjes en chronisch appende vriendinnen.

Toch was ik niet geheel van haar horizon verdwenen. Integendeel, ze begon spontaan over Coef: de weg van de waanzin. Dat ze het eigenlijk best raar vond om te lezen dat haar ex-neppapa zelf ooit een snotneus is geweest – een beetje zoals ik het vreemd vond om in Coefs dagboeken te lezen dat mijn moeder al bestond vóórdat ze mij gebaard had. Life is but a dream, toch?

Vast. Want J. mag dan met één been in het volwassen leven staan, toen ik haar in mijn armen sloot voelde ze weer als dat zevenjarig halfverweesde monstertje dat ik altijd een knuffel gaf voor het slapengaan. Sommige brokken in de keel hoor je nooit doorgeslikt te krijgen

En goed gezien: cameravrouw S. kreeg bijkans een flauwte bij het aanschouwen van zoveel emotie, al beweert ze zelf bij hoog en laag dat ze bevangen werd door een aanval van acute acrofobie...

Te Katendrecht

Drie boze blanke mannen (nou ja, één belanda en twee halve Javanen) beklagen zich op het bankje van café de Ouwehoer te Katendrecht over de Maasstad die volgens hen veertig jaar te laat is gaan bruisen.

Voor Café de Oudehoer te Katendrecht
De boosheid druipt ervan af

Aan de overkant

Deze brug wordt bij mij aan de overkant van het kanaal in elkaar geschroefd. Een kolos van een constructie die de mens tot mier reduceert. Als ie over een paar weken klaar is mag hij dienst doen als extra spoorbrug, maar ik heb hem reeds vastgelegd omdat hij momenteel gericht staat op het nieuwe, plastieke asielzoekerscentrum - en in de lucht blijft hangen alsof ie nooit zal aansluiten.

De halve brug lijkt symbolisch voor de pogingen van de gemeente om haakse culturen in één wijk tot elkander te brengen. Dat probeert ze met met flyers en meet & greets. Goedbedoeld maar weinig effectief, aangezien de ene cultuur nu eenmaal niets heeft met spruitjeslucht en de andere het integratieprobleem beu is. Je kunt nog zo vaak ‘verbinding’ roepen, het moet van twee kanten komen, terwijl beide partijen zich niet gehoord voelen.

Daarbij zijn wij autochtonen niet eens in staat een brug naar onszelf te slaan. Kijk maar naar de schreeuwers op de blogs en social media. Rechtse honers versus linkse haters, populisten versus wegkijkers, pessimisten versus moralisten. Iedere dag opnieuw maken ze elkaar uit voor rotte vis om zich vervolgens in hun eigen gelijk te wentelen. Debat is ongewenst want het wereldbeeld moet intact blijven, gespeend van twijfel, zwart-wit. Grijstinten leiden tot innerlijke onrust.

Terwijl die onrust heel constructief kan zijn. Zo hebben we misschien geen brug van staal nodig, maar een Indiana Jones-brug. Een gammele, zwabberende hangbrug van versleten hennep, die ons allen dwingt om, net als de mieren die we zo even nog onbeduidend vonden, arm-in-arm een ketting te vormen die de brugconstructie verstevigt, opdat onze dierbaren veilig van kade naar kade kunnen klauteren. Want daar snakken we diep in ons hart naar: wederzijdse afhankelijkheid, een even noodzakelijke als spontane als wezenlijke solidariteit, zonder dat daar gelijk een Derde Wereldoorlog, een lekkende kernreactor of een verdwaalde tsunami voor aangesleept hoeft te worden. Dus ophangen die brug. En oefenen. Een long weekend lang.

Zelf zal ik op gepaste afstand vanuit mijn reddingsvletje het tafereel in de gaten houden. Niet omdat ik me verheven voel boven de etnische en ethische twisten van het grauw (fi donc!), maar om eventuele dissonerende schreeuwers uit de plomp te vissen. Die mogen dan het hele survivalweekend corvee doen.

Bruggen slaan
Het is nooit genoeg

Van de herborene

Als student psychologie heb ik er een paper over geschreven. Kreeg ik een 8 voor. Toch begin ik er zelden over, want dan volgt er onvermijdelijk een pijnlijke stilte of een honende schater. Het is nu eenmaal geen onderwerp dat mensen snel serieus nemen. Op zich begrijpelijk: op Google staan er massa’s reïncarnatietherapeuten te trappelen om jou, op weg naar je goddelijke verlichting, voor nog geen vijftig euro een voormalig leven als Marie Antoinette of Toetanchamon aan te smeren. Zo’n dramatisch continuüm geeft ons burgerbestaan instant verdieping, zelfs als het suggestieve lulkoek is. Toch mag ik er graag over lezen: jonge kinderen die vertellen over een vorig leven.

Neem het onderzoek van de Canadese psychiater Ian Stevenson (1918 - 2007). Hij tekende duizenden verslagen op van kleuters die het steeds weer over ‘dat andere thuis’ hadden. Niet in de zin van historische figuren maar van alledaagse leventjes, zij het dus als een ander persoon, in een andere tijd, op een andere plek. Verhalen die vergezeld gingen van een schat aan details. Uiteraard heeft Stevenson onderzocht in hoeverre er sprake kon zijn van cognitieve lekkage. Of hem dat gelukt is? The Journal of the American Medical Association noemde Stevenson’s Cases of the Reincarnation Type (1975) ‘a painstaking and unemotional collection of cases that are difficult to explain on any assumption other than reincarnation’.

Nee, deze blog is geen opmaat voor een discussie over de ins en outs van wedergeboorte, want als reïncarneut lul je je geheid vast. Evenmin beschouw ik het als een religieus fenomeen. Ik zie het als iets aards. Dat onze geest, tjokvol ervaringen, emoties en verwachtingen, niet vervliegt als de fysieke drager eenmaal afgestorven is maar verkast naar een ander lichaam, lijkt me een doodnormale gang van zaken.

Mocht ik zelf een vorig leven geleid hebben, dan was dat als negentiende-eeuwse sloof. Een moederkloek met lillende bovenarmen, enorme heupen en dertien kinderen waarvoor ik me dag en nacht uit de naad moest werken. Luiers wassen, piepers jassen, vloeren dweilen en ’s avonds ook nog eens mannie bevredigen als die na een zware dag in de mijnen en de kroeg het bed in rolde. Een uitputtend bestaan waarbij ik me stilzwijgend wat vrije tijd toewenste, alsmede het talent om iets speciaals met mijn leven te doen. En vooruit, ook een wormvormig aanhangsel tussen de benen om serieus genomen te worden in de maatschappij. Toen haar tijd gekomen was is deze ziel door tijd & ruimte naar de Heemraadssingel gezweefd om daar – na de nodige aarzeling – bezit te nemen van een wel heel erg eigenwijze foetus. The rest is history.

Nu kun je reïncarneren wat je wilt, er bestaat ook zoiets als de Wet van Behoud van Ellende. Zo ben ik in mijn huidige bestaan weliswaar gezegend met de tijd en focus om verhalen te schrijven, maar verlang ik dagelijks naar een bruisend gezinsleven. Sterker, ik sta iedere ochtend op met het gevoel dat mijn vrouw en kinderen bij een vliegtuigongeluk zijn omgekomen. Daarom type ik als een bezetene dóór, om mezelf bestaansrecht te geven.

Dat doorbijten doe ik ook omdat de vorige levens uit het onderzoek van Stevenson allen aan een gewelddadig einde zijn gekomen. Vermoord, verongelukt, noem maar op – alsof hun ziel te zeer in shock was om naar gene zijde af te reizen. Voor mij reden om geen gekke dingen te doen als ik het even echt niet meer zie zitten, want ik moet er niet aan denken een kleuter op te zadelen met herinneringen aan mijn welvaartsweltschmerz.

Dus iedere ochtend na het vliegtuigongeluk verzamel ik de moed om een verhaal te schrijven dat een glimlach of een traan aan mijn vorige persoonlijkheid ontlokt zou hebben, tussen het baren, wassen, koken, dweilen en bumsen door. Want als onze ziel inderdaad herboren kan worden, dan is dat vast om onszelf te leren troosten - wat toch een stuk humaner klinkt dan dat we voor onze zielenrust een godvergeten Weg naar Perfectie dienen af te leggen.

Reïncarnatie tussen het sloven door
Soms zit troost in grote dingen

Met Igor

Yours truly in 1973 met Igor de Carnivoor, een van mijn gruwelijke roodwangsierschildpadden, welbekend uit mijn debuut Coef: de weg van de waanzin. Vermoedelijk heeft Igor net een levende goudvis achter de kiezen, anders had ie ongetwijfeld een hap uit mijn neus genomen – en was deze kiek viraal gegaan op Facebook.

Igor de roodwangsierschildpad en ik
Om te zoenen

Van alt-Rein

De VVD heeft de verkiezingen gewonnen. Daar ben ik reuze content mee, want diep in mij huist een full blown middenstander die nodig uit de kast moet komen als winkelier. Dat zit als volgt.

Ooit behoorde ik tot de klasse der noodzakelijk ondernemers. Dat zijn zelfstandigen die eigenlijk veel liever een luizenbaantje hebben met stabiel salaris, gezellige collega’s en lollige bedrijfsuitjes. Maar, omdat ze niet opgewassen zijn tegen de gijzelingssituatie die schuilgaat in loondienst, voor zichzelf móeten beginnen. Ongelukkigen!

Zij beseffen nog niet dat ondernemen – in mijn geval tekstschrijven – gelijk staat aan netwerken. Oftewel vage bekenden aanspreken met een portie small talk in de hoop een opdracht los te peuteren, terwijl er in je frontaalkwab een duikbootalarm afgaat omdat dat aanpappen zo verschrikkelijk onnatuurlijk aanvoelt. Waarom ben ik geen bakker geworden! dacht ik vaak. Zo mogelijk nog slopender is de eenzaamheid. Iedere ochtend jezelf aan het werk schoppen zonder even lekker met collega’s op je klotenbaan te kunnen schelden… wat een gemis! Om de ellende compleet te maken moet je dagelijks watertrappelen van een inkomen dat je langzaam ruïneert, want de uren rekenen die het je kost om een goede tekst te schrijven leidt onvermijdelijk tot hoongelach. Iedereen kan immers schrijven.

Zo kwam het dat ik ging fantaseren over een tekstwinkeltje. Uniek in Nederland: een typeshop waar klanten binnen kunnen lopen voor een kekke reclameslogan, een fijn foldertje of een stevige sollicitatiebrief. Dat zou ik allemaal typen waar zij bij zaten (klaar terwijl u wacht!), zodat ze getuige konden zijn van mijn bloed, zweet & tranen. Helaas ontspoorde het plan in mijn doembrein reeds in een rampenscenario, waarbij ik mezelf tot in de kleine uurtjes zag zweten op een krom zinnetje, terwijl de klant naast me ronkend in slaap gevallen was, of erger: over mijn schouder mee las om me vloekend te verbeteren. Weer zo’n gulden Rein-concept dat zich meer leent voor een kort verhaal.

Uiteindelijk heeft mijn weerzin tegen netwerken me ertoe gezet een boek te schrijven. Eerst een product maken, dán de klant zoeken was mijn redenatie. Net als de bakker. Mijn halfje grof volkoren werd biografie Coef, over mijn gekke jappenkampmoeder. Moet gezegd worden dat het stukken beter voelt om tegen belangstellenden over Coef te lullen dan bij onbekenden met mijn expertise te leuren. Steeds als ik moet opdraven voor een interview op de radio, een discussie in een psychiatriecafé of zelfs een lezing aan de universiteit, schalt de loftrompet in mijn frontaalkwab. Ik ben eindelijk geworden wie ik was! Nu alleen nog even binnenlopen qua geld.

Komen we weer bij die winkel. Dat plan vatte opnieuw vlam toen ik op de bodyshop op de foto stuitte. Een ideale toko om potentiële Coef-lezers-die-niet-beseffen-dat-ze-potentieel-zijn in te palmen, dacht ik onmiddellijk. Aan de naam hoef ik niets te veranderen (niet vergeten de huidige Rein te gijzelen!). Alleen het product even aanpassen. Dat doe ik guerrilla style.

De diensten van de alt-Rein bestaan uit pedicure, manicure, facials, waxing en massage. Intuïtieve beroepen die ik in no time onder de knie heb, zo schat ik in. Mijn werkelijke product breng ik sluipenderwijs onder de aandacht. Als de klant het tijdens mijn massage benauwd krijgt trek ik een parallel met Coefs LSD-therapie (‘Weet u waar je het ook benauwd van krijgt?’). Als de Brazilian wax job even pijn doet begin ik achteloos over de martelpraktijken in jappenkampen (‘Weet u wat voor lijfstraffen er in Banjoebiroe toegepast werden?’). En als ik bij de manicure per ongeluk een nagelriem open rijt vertel ik tussen neus en lippen door over gewelddadige moeders (‘Weet u wie ook heel gemeen was?). Als zoetebroodjesbakker kan ik bijzonder overtuigend zijn.

Om de brainwash compleet te maken zullen er over de speakers opnamen van mijn radio-interviews klinken, die daardoor weer een live karakter krijgen. Op de koffietafel liggen kranten uit 2016 met artikelen over Coef. En als het oog van de klant op het stapeltje Coefs naast de kassa is gevallen, masseer ik nog even na met een ‘eigenlijk heeft zij aan de wieg gestaan van de Rein-keten…’, waarop er zonder aarzeling twee tientjes extra uit de portemonnee getrokken worden. Kampsyndroom in de bodyshop? Heel normaal! hoor ik Rutte al zeggen.

De succesformule van alt-Rein
Coef bij alt-Rein in de bodyshop

Van de krachtwijk

In tegenstelling tot de meeste buurtbewoners ben ik een early bird. Ik sta graag op voor dag en dauw zodat ik gereed ben als de Apocalyps zich aandient. Maar afgelopen zondagochtend was iemand mij vóór. Ik schrok wakker van gekrijs op straat en zag met mijn slaapdronken kop dat er iets op de kade in de fik stond – vlak bij Nicolae. O mijn God! flitste het door mijn kop, ze zal toch niet…

Maar laten we bij het begin beginnen. Nicolae is dus een buurvrouw van me. En quite a character. Haar gordijnen zijn immer gesloten. Als ze snelwandelend boodschappen doet kijkt ze strak naar de stoeptegels. Door haar taaie motoriek is haar leeftijd onmogelijk in te schatten – ergens tussen de vijfentachtig en honderddertig. Ze is afkomstig uit Roemenië naar het schijnt, en woont hier sinds mensenheugenis, ook naar het schijnt. Zeker is dat ze geen woord Nederlands spreekt. En me mateloos ontroert.

Dat komt niet alleen doordat ze nog slechter geïntegreerd is dan ondergetekende. En me altijd allervriendelijkst groet. Maar vooral doordat ze me aan mijn moeder doet denken – een aandoenlijk soort monsterlijkheid. Niet voor niets heb ik haar heimelijk tot Nicolae gedoopt, naar Roemenië’s voormalige First Lady Ceaușescu. Want Nicolae mag onze moerstaal dan niet bezigen, als iets haar niet zint krijgt de hele buurt dat te horen.

Bijvoorbeeld de woningbouwvereniging die ons gettootje krampachtig probeert op te leuken met jaren negentig kleurtjes en gedoemde rododendrons. En onlangs zelfs met een kleine beurt. Brullend en gebarend liet Nicolae weten waar ze allemaal niet van gediend was. Verkeerde kraan! Verkeerde keuken! Verkeerde struik! Verkeerde stoeptegel! Haar toorn deed menig bouwvakker verschrompelen tot een schuldbewuste kleuter.

Maar zelfs de kampers van verderop lopen op hun tenen langs haar flat. Als hun onaangelijnde pitbull haar tuintje passeert houdt ie de staart tussen de achterpoten geklemd en maakt ie een piepend geluid. En o wee als ie van de zenuwen zijn behoefte daar doet, dan krijst Nicolae alsof ze voor het vuurpeloton gesleept wordt.

Zoals ze dat dus ook die zondagochtend deed. Iets voor vijven was het, zelfs voor mijn doen vroeg.Wakker geschrokken van haar gekrijs opende ik mijn slaapkamerraam en zag ik hoe iets op de kade in lichterlaaie stond. Een autootje, een Renault Twingo of zo, waar enorme vlammen uit sloegen. Geparkeerd pal voor Nicolae’s appartement. Nicolae, zelf op de stoep, verkeerde in alle staten. Gelukkig was de politie reeds ter plaatse om haar te kalmeren, al liet ze zich dat niet zomaar gebeuren. Schelden! Krijsen! Brullen! Haar stem galmde over het kanaal alsof ze zelf in brand stond – tot in Amsterdam was ze te horen.

Weldenkende lezers zullen nu wellicht opperen dat Nicolae zo uit haar doen was omdat ze vreesde dat ook haar huis vlam zou vatten. Of dat de brand een trauma uit haar Roemeense jaren had opengereten. Of beide. Maar jullie kennen Nicolae niet. Ik vermoed dat zij die Twingo zelf in de fik heeft gestoken. Omdat ie met twee wielen op haar stoep geparkeerd stond. Omdat ie haar uitzicht belemmerde. Omdat ie de verkeerde kleur had. Omdat het een Twingo was.

Laten we het hopen. Het zou een krachtig statement zijn richting de straatterroristjes die onze buurt denken te kunnen teisteren. Nicolae rules here! Deze First Lady weet pas wat buurtpreventie is! Met deze geruststellende gedachte ben ik zondagochtend weer mijn nest ingedoken. Om, voor het eerst in eeuwen, eens onbezorgd uit te slapen. Alsof wijlen mijn moeder over me waakte.

De First Lady van de krachtwijk
Eigenlijk een soort buurtbarbecue

Van Vlieland

De scène staat op mijn netvlies gebrand als een fragment uit een helse musical. De setting: het pleintje achter de lagere school. Het jaar: 1971. Klasgenoot Wouter van 6A staat tegenover Eloïse van 6B. Ze tasten elkaar af met glunderende blikken, smoor en smoorverliefd als ze zijn. Langzaam maar zeker worden ze omsingeld door zo’n beetje alle leerlingen. Van beide klassen. Het net sluit zich – en dan gebeurt het. De menigte moedigt de tortelduifjes aan om elkaar een eerste zoen te geven! Als die dat na tienduizend zinderende minuten eindelijk doen, ontsteekt het publiek in een daverend applaus en gejuich. Ik ben de enige die niet meedoet. Want ik ben zelf smoor en smoor op Eloïse.

Moet gezegd worden dat Eloïse quite a catch was. Ze heette Calmhout of zoiets van achteren, een deftige naam die paste bij haar aristocratische trekken. Alhoewel ze toch wijde soulpijpen droeg, wat gewaagd was op onze oerdegelijke school. Modegevoelig of niet, voor mij stond ze voor tijdloze perfectie.

Moet ook gezegd worden dat het lastig concurreren was met Wouter. Met zijn blonde manen en diepblauwe ogen oogde hij als een posterboy, terwijl ik met mijn nukkige lok en brutale lach meer overkwam als een schoffie. Droeg Wouter een azuurblauw corduroy jack, ik was gehuld in een roestbruin exemplaar. Werd Wouter altijd als eerste gekozen met gym, ik moest het hebben van balontwijkende behendigheid. Was Wouter de populairste jongen van 6A, mij zag niemand staan. Daarbij mocht zijn vader zich een echte miljonair noemen, wat toch behoorlijk aristocratisch klonk.

Dat Eloïse verkering had met Wouter betekende niet dat ik minder verliefd werd. Integendeel. De onmogelijkheid leek mijn hunkering te voeden. Als ze me alleen maar eens opmerkte! Dat moest dan snel gebeuren, want over een paar maanden zou de middelbareschooltijd aanbreken. Dus sloofde ik me tijdens de Sportdagen uit bij slagbal door met Olympische lenigheid een snoekduik te maken naar het thuishonk, helaas precies op het moment dat Wouter een homerun sloeg, wat aan Eloïse een kreun en een gilletje ontlokte. Ik leek gedoemd tot een bestaan in de schaduwen.

Mijn laatste hoop had ik gevestigd op het schoolreisje naar Vlieland. Op zich al een avontuur, want de eerste keer dat ik zonder ouders op pad ging. We werden begeleid door meester Pieters, een onooglijk mannetje met een underbite waarmee hij knarsetandde als je iets deed wat hem niet zinde. Onder zijn vleugels bleek het schoolreisje vooral een doe-vakantie met allerhande speurtochten, die volledig aan me voorbij gingen omdat ik met mijn hoofd in de wolken verkeerde. Wel had ik steevast een fotocamera om de nek hangen, want als ik ergens naar speurde dan was het natuurlijk naar Eloïse – die elders druk was met andere puzzeltochten.

Pas op de terugreis trof ik haar. Op het dek van de oceaanstomer die ons naar het vasteland zou brengen. Daar lag ze, zomaar languit in de lentezon, met die aristocratische gelaatstrekken van haar. Geen Wouter te bekennen! En even, heel even, voelde ik de moed opkomen om me naast haar te vleien. Om zonder een woord te zeggen samen met haar naar de wolken te turen, een milliseconde in de illusie te leven dat ik verkering met haar had. Helaas. Op dat moment doemde Wouter op in zijn azuurblauwe jack. Half in paniek en zonder zelfs maar door de zoeker te durven kijken, maakte ik een gluurfoto van het scheepsdek, hopende dat Eloïse de mechanische sluiter niet zou opmerken boven de cadans der dieselmotoren. Als zij mij niet zag staan, dan wilde ik toch in ieder geval haar vereeuwigen.

Het laatste schooljaar werd afgerond met een expositie van handenarbeid over Vlieland. Knutselen en tekenen, dat waren de enige vakken die me boeiden. Ik kon me erin verliezen, vond troost in mijn creaties. Kwamen de meeste leerlingen aanzetten met kunstprutsels van meegenomen trofeeën uit de waddennatuur, ik had een tekening gemaakt van meester Pieterse. En niet zomaar een tekening, nee een echte karikatuur. Je kon het mannetje door het papier heen horen knarsen.

Toen ik aan de vooravond van de expositie de tekening aan de andere leerlingen toonde, waren die danig onder de indruk. Ik wist me bijkans omsingeld door hun ogen! En plots was daar ook Eloïse, geflankeerd door kirrende chaperonnes. Ze keek naar de tekening. Toen naar mij. Nam me eens goed op. En glimlachte, zoals alleen een aristocrate dat kan. Om het volgende moment voorgoed uit mijn leven te verdwijnen.

Niet veel later zou meester Pieterse me apart nemen. Hij pakte mijn tekening erbij, spiedde schielijk om zich heen, en meldde toen tandenknarsend dat ik de karikatuur niet mocht gebruiken voor de tentoonstelling. Waarom, dat zei hij niet. Maar ik voelde aan mijn water dat mijn meesterwerk gecensureerd werd. Ik had mijn onschuld verloren. Het kon me niet deren. Ik had mezelf zichtbaar gemaakt. Door mijn hoofd hoog te houden in de wolken. En iets positiefs te creëren uit iets negatiefs – het enige dat ik ooit op school geleerd heb.

De wolken van Vlieland
Het is hier erg bruin en ik word heel leuk

Voor Mariëlle

Dit is een foto van Mariëlle. Ik heb hem genikabd omdat ik wil voorkomen dat ze herkend wordt, al is de kiek bijna twintig jaar geleden genomen. En natuurlijk heet ze geen Mariëlle, maar haar ware naam klopt ook niet. Ze is namelijk een Colombiaanse die op jeugdige leeftijd werd afgestaan door haar straatarme moeder en in Nederland werd grootgebracht door pleegouders. Wat niet zonder emotionele kleerscheuren verlopen is. Anders was ze niet bij mij in een therapiegroepje terecht gekomen,

Ik vond Mariëlle een leuke meid. Ze was iets van zeventien jaar jonger dan ik maar een stuk roekelozer. Ze hield van feesten & beesten en snoof dan wel eens een lijntje. Of twee. Daardoor kwam ze steevast in de problemen. En speelde haar vorige leven op, al kon ze zich daar weinig van herinneren. Misschien vond ik Mariëlle wel zo leuk omdat ze onbetrouwbare trekjes had – een verademing tussen al die brave Hollandsche mutsen met hun biechtdrang.

De therapiegroep werd geleid door een uitermate betrouwbare psychologe. Lia, een zestigjarige overlevende van een vernietigingskamp, liet geen gelegenheid voorbij gaan om te benadrukken hoe ze ieder jaar haar zomervakantie opofferde om getraumatiseerde vrouwen in oorlogsgebieden te ondersteunen. De integriteit droop van haar af.

Wierp deze matriarch zich graag op als oermoeder, voor ons was ze toch vooral een strenge therapeute. Als je niet hard genoeg emotioneel werkte, gaf ze acuut de beurt aan een ander. Zonder genade. Op zich was ik wel voorstander van die harde opstelling. Therapie doen betekent immers worstelen met weerstanden, anders kun je beter thuisblijven. Maar voor een zwaargetraumatiseerde is het even wat gevaarlijker om bij je gevoel te komen dan voor de doorsnee neuroot. En Mariëlle was niet iemand die gemakkelijk haar tranen toonde. Ze kon je aankijken met een argwanend glimlachje waarachter alleen een nauwkeurig observator de lawine van verdriet zag doorschemeren. Steeds als Mariëlle van Lia moest VOELEN, probeerde ze zich er uit te redden met een grapje. En werd ze overgeslagen.

Op een kwade dag verscheen ze op therapie met een bleker gelaat dan gewoonlijk. Ze had weer eens de beest uitgehangen, zoveel was duidelijk. Akela Lia zat er gelijk bovenop. Of Mariëlle soms drugs gebruikt had? Mariëlle knikte. Of ze soms vergeten was dat dat niet mocht? Mariëlle schudde het hoofd. Ze bekende coke gesnoven te hebben. En keek ons bijna uitdagend aan met dat glimlachje.

Voor Lia was het vonnis zonneklaar: Mariëlle moest de groep verlaten. Basta! De groep zelf vond dat oordeel veel te hard. Het was de eerste keer dat ze gezondigd had. En ze had het eerlijk opgebiecht. Ook ik vond Lia’s scherprecht onrechtvaardig. Regels, prima. Strenge therapie, prima. Maar iedereen verdient een tweede kans. Lia was onverbiddelijk. Mariëlle moest afscheid nemen. Bij het vaarwel was dat glimlachje verdwenen.

Het zal een jaar na die verbanning zijn geweest dat ik Mariëlle terugzag. Niet in therapie of in het uitgaansleven. Op televisie. Ze was te gast bij Spoorloos. Jawel. Mariëlle zou herenigd worden met haar ware moeder, die was opgespoord in Colombia. Godallemachtig! Snotterend van ontroering keek ik toe hoe de moeder de dochter na twee decennia afstand weer in de armen sloot. Drie zakdoeken vol snoot ik.

Zo niet Mariëlle. Zij nam haar nieuwbakken familie op met dat vertrouwde wantrouwende glimlachje, alsof er een besef achter schuilging dat noch de gouden bergen van therapie, noch de wonderen van een hereniging ervoor konden zorgen dat de spoken van vroeger verjaagd zouden worden. Voor Mariëlle was het leven net zo onbetrouwbaar als zijzelf geworden was.

Toen de aftiteling over het scherm rolde kon ik de moeder even goed observeren. Een krachtige vrouw met een intrieste glimlach. Een matriarch als Lia? Dan wel eentje die door twintig jaar schuldgevoel gebroken was. Geen eerzuchtige oermoeder die haar dochter ooit zou laten barsten, ook niet als deze zich aan Colombia’s meest geëxporteerde product zou bezondigen. Een oude ziel die beseft dat juist de meest kwetsbaren onder ons soms een paardenmiddel nodig hebben om iets te durven voelen. Mariëlle kon thuiskomen.

De tweede kans
Wantrouwende charme