blog titels

Blog

Doomsday

Vandaag de dag is het precies zestig jaar geleden. Dat dictator Batista werd afgezet door revolutionair Castro. Dat Prins Bernhard aan de dunne raakte van Paraguay’s exotische spijzen. En dat ondergetekende het levenslicht zag, in de vrieskou van vrijdag 13 februari 1959. Ik vond het maar niets, zo buiten die warme baarmoeder.

Precies 525.816 uur later sta ik achter mijn toetsenbord. En vind ik het nog steeds niets. Dit leven zonder succes, kinderen en linkeroog. Bovendien word ik gekreupeld door een aanval van spit. Niet bukken! lees ik op internet. Gewoon doortypen! zegt mijn inner sergeant.

De tijdelijke invaliditeit dwingt me tot een zeldzaam moment van bezinning. Nederigheid. Dankbaarheid zelfs. Ik besef wat een mazzel ik heb gehad. Om geboren te worden in een oase van overvloed en zorg. In iedere andere samenleving was ik tot de bedelstaf veroordeeld, met die afgekeurde persoonlijkheid van mij. Al had ik dan vast geen spit gekregen.

Gelukkig duurt mijn dankbaarheid maar kort. Om plaats te maken voor dat vertrouwde gevoel van onvrede. Want in al die jaren buiten de baarmoeder heb ik me nooit ergens thuis gevoeld. Ook niet toen de aarde digitaal werd en zichzelf Facebook ging noemen, een verchroomde versie van het bestaan die roestplekken moet verdoezelen. Voel me een Fremdkörper tussen artefacten, een conciërge tussen carnavalsvierders.

Graag zou ik die Unheimlichkeit wijten aan de ongelukkige timing van mijn geboorte. Maar dat is onzin. Ik zoek het zelf op, de donkere luchten. Heb afzondering nodig om te kunnen schrijven. Om de juiste glans te vinden. De patina van melancholie oogt nu eenmaal sierlijker dan het geblikker van levenslust. Daarom woon ik in mijn verhalen, waarin ik het anderszijn kan vieren. Laten we het De Kracht van het Wegdromen noemen.

Maar laten we het ook niet mooier maken dan het is. Ik bivakkeer te vaak op de achterkant van de maan. In een duister vacuüm, tastend naar onderwerpen die wringen met de sunny side of life. Heel romantisch. Maar als ik niet oppas ga ik nog in mijn eigen kaalslag geloven. Gelukkig ben ik niet alleen. Gezien de reacties op mijn verhalen komen jullie graag schuilen in mijn schemerbestaan. Al was het maar om je even te laven aan de zwarte humor die het rijk is. Home is where the laughter is.

Over thuiskomen gesproken, nu mijn verjaardag de sfeer van een crematie heeft gekregen, rond ik af met een dankwoord. Zonder jullie was ik allang met typen opgehouden. Had ik mij nog dieper ingegraven in mijn krater. Was ik met een astroïde richting vergetelheid gelift. Had de spit gewonnen. Dus dank voor jullie leeshonger en schouderklopjes. Geeft de schrijver moed. Laten we het De Kracht van het Nog Net Niet Doorgebroken noemen.

Als icing on the cake ga ik nog even een scheve verjaardagswandeling maken. Eerst in het trappenhuis bijkletsen met de kickboksende schoonmaker voor tips bij onderrugpijn. Dan naar de drogist voor de meest verslavende pijnstiller die ze onder de toonbank verkopen. En allez hóp naar de volgende zestig jaar, met de veerkracht van een revolutionair die iets verkeerds gegeten heeft.

XR!

Zestig jaar
In één keer blazen!

Van een junkie

Equilibrium is mijn nieuwe devies. Na jaren van barhangen en kroegtijgeren heb ik mijn wilde haren afgeschud. Ik zoek stabiliteit. Voor mij geen portiekseks meer, geen LSD-trips, geen cocktail binges. Slechts een enkele keer bezondig ik me aan een flesje wijn, vergezeld van een sporadisch sigaretje.

Voor dat laatste haal ik zo eens in het kwartaal bij de sigarenboer een pakje shag (dat ik vervolgens laat uitdrogen in een lade). Ik kom er graag omdat het zo’n familiebedrijfje is met een dorpse sfeer. De dochter verwelkomt me met een ‘Zo, bent u daar weer!’ en lacht me speels toe, wat ik graag interpreteer als een flirt. Achterin de winkel hoor ik haar kettingrokende vader instemmend hoesten.

Dat was ooit. Maar niet weer. Sinds de familie mijn ware gezicht heeft gezien durf ik mijn smoelwerk er niet meer te vertonen. Achter al mijn schone schijn gaat namelijk een consumptiejunkie schuil. Een geldsmijter die in het halfduister van zijn woonkamer de koopgoten van het internet afstruint naar Onmisbare Dingen.

Een antieke leren jas. Een 27 inch 4k monitor. Authentieke mijnwerkersschoenen. Een full frame camerabody. De verleiding is groot omdat het altijd om nuttige spullen gaat. Maar ze zijn veel te prijzig voor mijn knip. Bovendien maak ik mezelf wijs dat ze me gelukkig zullen maken. Dat ik er generaties lang plezier van zal hebben. En vooral: dat ik er recht op heb. ‘Je hebt er recht op!’ hoor ik wijlen mijn moeder in mijn oor krijsen als ik weer eens op ebay zit te loeren. Al gauw wordt ze overstemd door wijlen mijn vader met een bulderend ‘Komt niets van in! Ga jij eerst maar eens je flat opknapp...’ Nog voordat hij zijn zin heeft kunnen afmaken is het kwaad geschied. Online betalen, het voelt zo gratis.

Dat gevoel duurt ongeveer een milliseconde. Dan gaat het duikbootalarm in mijn achterhoofd af. Word ik bevangen door een panisch schuldgevoel, dat escaleert in visioenen van deurwaarders, faillissementen en een ouwe dag als crackhoer in de catacomben van Hoog Catharijne.

Zover zal het niet komen. Ik heb mijn verslaving weten te beteugelen. Door uitsluitend binnen Europa te kopen, en wel bij firma’s die doen aan gratis retourneren. Probleem is dat er zich nu een nieuwe verslaving heeft aangediend: ik ben een retourjunkie geworden. Negen van de tien aankopen moeten terug van mijn hemelende vader, terwijl mijn moeder woedend de hellepoort dichtslaat.

Ik moet dus om de haverklap bij mijn sigarenboer aankloppen, het dichtstbijzijnde post.nl-punt in de buurt. Maar die winkel biedt de service in de verwachting dat ik me tot een impulsaankoop laat verleiden. Een slof Gauloises. Een Valentijnskaart. Een zakje kauwgomballen. Extreem onnuttige dingen. Terwijl ik er juist kom om geld te verdienen.

Inmiddels verwelkomt de dochter me niet meer als ik een koopzonde kom brengen. ‘Zo, bent u daar weer,’ klinkt het grimmig. Geen speelse lach maar een blik alsof ik op mijn retour ben. Achterin de zaak hoor ik haar vader een longblaasje oprochelen – het signaal dat ik tot ongenode gast ben verklaard.

Nu ben ik genoodzaakt voor iedere retourzending door te rijden naar een ander post.nl-punt, de Gamma. Maar ook daar begint mijn verslaving op te vallen, wordt de druk om een impulsaankoop te doen ondragelijk. Met als gevolg dat ik steeds thuiskom met een pak laminaat. Extreem nuttig! Liefst zou ik ze allemaal retour willen doen. Maar dat mag niet van wijlen mijn vader. ‘Je hebt er recht op!’ buldert hij in mijn ene oor, terwijl ik wijlen mijn moeder in het andere hoor krijsen dat ik weer moet gaan kroeghangen. Equilibrium, ik wou dat ik er nooit aan begonnen was.

Equilibrium
En dan luisteren naar de zang van parende walvissen

Voor verbinding

Het is mijn favoriete orgaan. Niet alleen vanwege zijn afmetingen, maar vooral door zijn functie. Ik kan ermee tijdreizen. Met mijn neus pik ik geuren op die me direct terugbrengen naar Toen. Het reukorgaan ontsluit de kluisdeuren van het geheugen.

Omdat deze flash-backs primair opgewekt worden zijn ze ook nog eens betrouwbaar. Dit in tegenstelling tot het actieve geheugen, dat de neiging heeft om het verleden bij elkaar te fantaseren. Zo heb ik zelf de neiging om mijn leven met terugwerkende kracht negatief in te kleuren. Dat doe ik niet opzettelijk, da’s een erfenis van een zwartkijkende ouder. Aard van het beestje. Geen therapie tegen opgewassen.

Nu zou ik graag beweren dat ik bij iedere snuif beelden doorkrijg van mijn jeugd. Van die vakantie op mijn opgevoerde Yamaha door de Pyreneeën, van die glimlach tijdens de sportdag op de middelbare school, van dat idyllische viswatertje vol zeelten bij Zestienhoven. Maar zo werkt het niet. De flashbacks zijn diffuus, bestaan uit emoties en stemmingen. Wat ze gemeen hebben is dat ze vederlicht aanvoelen. Misschien omdat ik toentertijd nog niet gebukt ging onder de déjà vu’s van het heden. Door veel te ruiken verjong ik mijzelf even.

Jammer genoeg is deze vorm van tijdreizen niet te sturen. Misschien maar beter ook, want dat zou ten koste gaan van de magie. Wel gebruik ik mijn orgaan bewuster. Iedere dag opnieuw. Even genieten van de unbearable lightness.

Ik had dus aangenaam verrast moeten zijn toen de gemeente afgelopen lente een bloempluktuin langs het fietspad naar mijn sportschool aanlegde. Opeens stonden er tientallen plantjes in geuren en kleuren wortel te schieten. Maar licht in het hoofd werd ik er niet van. Integendeel, ik ergerde me er dood aan. Dat had niets te maken met de plantjes zelf. Het waren de spreuken op de bloembakken. Zoals: Jij bent leuk / Kom lekker zitten / Je mag trots zijn op jezelf / Ben blij je te zien / Leuk dat je er bent / Een tuin met alle antwoorden / Wat zie jij er zonnig uit / Pluk de dag / Ik zou niets aan jou veranderen.

Niets mis mee? Alles mis mee. Ze klinken vals. Zalvend. Belerend. Aanmatigend. Therapeutiserend. De bordjes maken mijn gevoelens zwaar. Ze wekken de schijn op van spontane betrokkenheid, maar lezen alsof opgehoest tijdens een brainstormsessie van een reclamebureau, ingehuurd door een wethouder die wil scoren met een project over verbinding. Als je dat in deze buurt wilt bereiken moet je er een wietplantage neerzetten. Of ben ik weer eens negatief aan het inkleuren?

Natuurlijk laat ik mijn tijdreisjes niet ontsporen door een paar aalgladde tegeltjes. Ik snuif stug door met mijn herontdekte orgaan. Iedere keer als ik van de sportschool langs de bakken naar huis fiets, half zwevend op de endorfine, scherm ik mijn ogen af met mijn linkerarm. En ruik ik aan het verse zweet in mijn oksel. In de hoop op dat gelukzalige gevoel van die sportdag, toen zij naar mij glimlachte. Met een beetje mazzel hoor ik haar ook nog zeggen ‘Jij bent leuk!’ Maar dat is dan bij elkaar gefantaseerd.

De Tegeltuin
Ik zou alles aan jou veranderen!

En de blokjes

Soms duurt het even voordat ik helder heb welk verhaal er schuilgaat achter een foto die me inspireert. In dit geval achter een reeks van vier portretten, van mij gemaakt in het voorjaar van 1965. Twee springen er uit. De ene Rein heeft een billion dollar smile, de andere een blik die het ergste doet vermoeden. Ze zitten te spelen met debiliserende blokjes, ongetwijfeld op instigatie van een ongeduldige fotograaf.

Pas na een nachtje marineren begreep ik wat de knulletjes me willen vertellen:

De foto’s zijn nog steeds actueel. Het is een kwestie van volgorde. De bovenste volgorde illustreert hoe ik het leven ervaar, de onderste laat zien wat ik van dat leven probeer te maken door erover te schrijven. Gezien de blokjes is er voor die positieve houding wel een destructieve geest vereist.

De blik
Geen bloksnorretje onder tekenen!

Van onmogelijke liefde

Halverwege de jaren zeventig kwam er een nieuw paartje bij ons op de singel wonen. Eelco & Ferdinand noem ik ze maar even. Eelco was huidarts, Ferdinand zijn assistent. Het klikte gelijk met mijn ouders. Vooral tussen mijn moeder en Eelco. Want hij kwam óok uit Indië. En bleek nét zo kunstzinnig als zij. Smoor was ze. Op haar manier.

Eelco & Ferdinand klopten regelmatig bij ons aan om een partijtje Mayjong te spelen met mijn ouders. Dan namen zij hun Bassett hounds mee, twee kolossale teckels die winden lieten. Terwijl de volwassenen beneden hun spel speelden, lagen wij kinderen boven te slapen. Toch kan ik me herinneren hoe er geschaterd werd in de huiskamer. Dat gebeurde zelden, dat ik mijn moeder ongeremd plezier hoorde maken. Durf te wedden dat ze nog vals speelde ook.

Wat ik mij niet kan herinneren is dat mijn ouders ons ooit iets uitgelegd hebben over de homoseksualiteit van Eelco & Ferdinand. Die geaardheid was als een vanzelfsprekendheid. Daar waren mijn ouders goed in, het ongewone gewoon te laten lijken, zonder er meer of minder van te maken dan het is. Bij ons thuis was niemand gelijker dan een ander.

Tussen Eelco & Ferdinand is het uitgegaan. Maar Eelco’s band met mijn moeder is onverwoestbaar gebleken. Hij zocht haar op in het gekkenhuis, ook toen ze knetterpsychotisch was geworden en de nachtzuster voor ‘vies lesbisch varken’ uitmaakte. Hij nam haar mee naar musea, ook toen zij zich onmogelijk maakte met paranoïde gekrijs. En eenmaal zelf te ziek om te reizen stuurde hij haar iedere week een kaartje met kunst. Tot aan zijn dood toe. Zo kom je nog eens wat te weten, als biograaf van je moeder.

Natuurlijk wil ik geen verband suggereren tussen Eelco’s loyaliteit en zijn geaardheid. Wel denk ik dat hun vriendschap minder kans had gemaakt als Eelco op vrouwen was gevallen. En mijn moeder geestelijk gezond was geweest. Zij voelde zich veilig bij hem omdat hij niets seksueels van haar hoefde. En hij voelde zich geaccepteerd door haar omdat zij als psychiatrisch patiënte zelf tot een minderheid behoorde. Twee afwijkende zielen die elkaar wisten te vinden tijdens een spelletje Mahjong. Heeft onmogelijke liefde al een eigen zebrapad?

Mahjong match
The Hounds of the Baskervilles

Damn the torpedo's!

2019
Land ahoy!

In een bevroren Schiedam

Ik was getipt door een vriend die de advertentie in de Havenloods had zien staan. ‘Platenverkopers hebben veel sjans,’ beweerde hij stellig. En aangezien ik mezelf beschouwde als een echte muziekkenner, zo een die niet alleen naar Top 40 luisterde maar ook naar klassieke crooners, was ik in de pen geklommen.

De ochtend van het sollicitatiegesprek had ik me verslapen. Ik moest me als de sodemieter aankleden: lange onderbroek, motorjack en ook nog eens mijn knalrode regenpak. Want anno 1979 bestond er dan nog geen gevoelstemperatuur, het vroor dat het kraakte.

Het stukje van de Mathenesserdijk naar Schiedam was zo glad dat ik bij iedere bocht een voet op het asfalt hield. Alsof ik door een Hogere Macht werd tegengehouden. Op een uitgestorven rotonde ging ik onderuit, in slow motion, voortglijdend als een omgewaaide oma op onderbinders. Toen ik mezelf en mijn Honda opgehesen had bleek er een flinke jaap in mijn pak te zitten. Ik zag eruit als een kerstman die door zijn rendieren te grazen was genomen.

Eenmaal bij de winkel aangeland had ik geen tijd meer om mijn pak uit te trekken. Ik deed in vol ornaat de deur open, om getroffen te worden door Paul McCartney’s Wonderful Christmastime. De kersthit van dat jaar, en met afstand de ergste aller tijden. De medewerker achter de balie had een kerstmuts over de oren getrokken, terwijl de platenzaak toch tot tropische temperaturen was gestookt. Ik stelde me voor en maakte duidelijk waarvoor ik kwam. De verkoper knikte. Hij had zwarte kringen onder de ogen. Er schemerde iets van wanhoop door in zijn blik. Was hij bang dat ik hem van zijn troon zou stoten? Kon hij de sjans niet aan? Hij wees me door naar het kantoortje áchter.

Nog voordat ik kon aankloppen werd de deur geopend door de uitbater. Een joviale dertiger met ijdel haar en rode broek. Hij schudde me de hand, schonk thee in en zette de kachel nog iets hoger. Vervolgens begon hij een verhaal af te steken over zijn LP-business. Grootse plannen had ie. Een imperium van platenzaken wilde hij opbouwen. In iedere stad een shop! ‘Zodat iedere dag als kerst voelt!’ Op de achtergrond hoorde ik Paul McCartney opnieuw inzetten.

De platenboer zocht een dynamische medewerker. Een muziekkenner, maar vooral een rasverkoper. ‘Een kanjer die weet what’s hot and what’s not!’ en ‘Een people’s person die de klant warm kan maken voor de nieuwste kersthit!’ Zijn hoofd was rood aangelopen van de emotie, zijn blik zo vurig dat er kooltjes in leken te branden. Hij nam me op alsof hij iets in mij herkende. Misschien kwam dat door mijn dynamisch opengescheurde rode regenpak, waarin ik het knap benauwd begon te krijgen.

De uitbater besloot zijn vlammend betoog met een ‘nu alleen nog even deze vragenlijst invullen’. Het was multiple choice. De vragen gingen allemaal over de Top 40, niet over klassieke crooners. Uit balorigheid heb ik overal keuze A omcirkeld. De platenboer scande mijn antwoorden. Allemaal correct! volgens hem. Hij schudde me de hand. ‘Don’t call us, we call you!’ zei hij met diabolische grijns. Onder mijn regenpak voelde ik een Niagara aan zweet over mijn ruggengraat kletteren.

Terug in winkel weerklonk opnieuw Wonderful Christmastime. Dat was het beleid kennelijk. Ik moest huiveren. De medewerker keek me aan alsof ie ieder moment in tranen kon uitbarsten. ‘NEEM ME MÉÉÉ!!’ las ik in zijn ogen. Even was ik bang dat hij zich aan mij zou vastklampen. Ik gaf hem een bemoedigende knijp in de schouder (zoals je dat doet bij een ter dood veroordeelde), en liet de platenzaak achter me.

De weg terug slipte mijn achterband bij iedere bocht, maar onderuit gegaan ben ik niet meer. Thuis stond de stem van de platenboer op mijn antwoordapparaat. Ik was aangenomen. Kon rekenen op een mooi salaris. Geweldige secundaire arbeidsvoorwaarden. Vette bonussen. Nog diezelfde avond heb ik hem een briefje geschreven. Dat ik afzag van de functie. En van de sjans, dacht ik erbij. De rest van de week heb ik iedere avond Bing Crosby’s White Christmas moeten draaien. Om Paul McCartney voorgoed uit mijn kerstgeheugen te spoelen.

Jingle hell
Simply having a wonderf... PETS!

In de toekomst

Lang geleden, toen ik nog een snotneus was die de Kijk las, bestond er zoiets als de Toekomst. Althans, dat beweerden futurologen. Zij presenteerden hun visioenen in fraaie tekeningen van vliegende auto’s, kolonies op mars en steden op de oceaanbodem. De beelden waren bij voorkeur gedateerd rond de millenniumwisseling, want ‘2000’, dat klonk in mijn jeugd nog als toekomstmuziek.

Bijster origineel of fantasierijk vond ik hun kristallen bol echter niet. Pas later besefte ik waarom. De concepten borduurden voort op al bestaande technologieën. Niets nieuws onder de zon! Bovendien maakte hun Toekomst een wel erg ordentelijke en optimistische indruk. Allemaal brave gezinnetjes, omringd door techniek die de mens dient. Geen spoor van overbevolking, wereldhonger, epidemieën en haves en have nots die elkaar naar het leven staan. De schaduwzijde van de mens, die ik zo goed had leren kennen uit persfotoboekenserie Het Aanzien van Negentienzoveel, zou in de Toekomst geheel en al verdwenen zijn. Zelfs op de zeebodem scheen het zonnetje.

Hoe kortzichtig de futurologen waren blijkt uit het feit dat geen van hen de informatierevolutie heeft voorspeld. In de Kijk nergens een tekening van een Zalando of een Facebook. Natuurlijk oogt zo’n homepage weinig fotogeniek, maar zelfs áls de visionairs het internet voorspeld hadden, dan zouden ze het opgediend hebben als een medium waar ideeën en ervaringen respectvol uitgewisseld worden. Niet als een digitale beerput waarin je kinderporno kunt bekijken, handgranaten kunt bestellen, andersdenkenden de huid kunt vol schelden of je buurman met webcambeelden kunt afpersen. Futuristen hebben een blinde vlek voor het menselijk tekort. Misschien wel een vereiste om in progressie te geloven.

Waar ik sinds de Kijk op wacht zijn journaalbeelden waardoor ik zeker weet dat ik in de toekomst terecht ben gekomen. Geen AH-karretje op Mars, maar aliens die Poetin de tentakel komen schudden. De eerste foto’s van het Hiernamaals, van de menselijk geest, van een droom. Giant-leap-for-mankind beelden. Maar ik kan wachten tot ik een ons weeg. We staan met z’n allen in de File der Vooruitgang, onze koekblikken vol behangen met high tech lulkoek.

Het enige wezenlijke verschil met Vroeger is dat er tegenwoordig tweemaal zoveel mensen zijn. Waardoor het menselijk tekort verveelvoudigd is. De nieuwe generatie futurologen werpt zich daarom graag op als onheilsprofeten die duurzaamheid prediken. Maar hoe duister hun kristallen bol ook, voor het menselijk tekort hebben ze nog steeds geen oog. Want de meeste stervelingen kunnen zich helemaal geen Toekomst veroorloven. Laat staan een duurzame. En de lezertjes van de Kijk zitten niet te wachten op een tekening van de mensheid die wegzinkt in haar plasticsoep van gesmolten poolijs. Hoe fraai de zonsondergang ook.

Gelukkig leven we nog even in het Heden. En daarin is toch één beeld dat indruk gemaakt zou hebben op de snotneus in mij: een stadion vol mensen die tijdens een concert een klein schermpje in de lucht houden. Weer iets wat futurologen gemist hebben. Maar zelfs áls ze de telefooncamera voorzien hadden, dan zouden ze geen tekening gemaakt hebben van filerijders die een gruwelijk ongeluk aan de andere kant van de snelweg vastleggen om er thuis van na te kunnen genieten. Misschien is dat de reden waarom we ons nu blind staren op een duurzame toekomst: we hebben nooit echt naar onszelf durven kijken in het vluchtige Heden. Heb ik het al over de selfie gehad?

Duurzaam tekort
De Kracht van het Nu voor het Straks

En de U van het bakkermeisje

Mijn eerste hoed kocht ik op mijn zestiende. Voor schoolfeestjes. Om interessanter te lijken, maar vooral ouder. Met die hoed op transformeerde ik van een androgyne Smurf in een ruige rocker. Zeker als ik wild op Alice Cooper danste. Zoenen was dan nog een brug te ver, de meisjes zagen me nu in ieder geval staan.

Onlangs heb ik mijn tweede hoed gekocht. Om interessanter te lijken, maar vooral ouder. Niet voor een feestje. Voor het meisje van de bakker.

Het zal zo’n jaar of vijf geleden zijn geweest dat Het Begon. Ik vroeg haar om een halfje volkoren. Zoals iedere ochtend. Waarop zij mij begon te be-U-wen. Voor het eerst. Zonder aanleiding. Niet met een o-bent-u-misschien-die-geweldige-schrijver-die-ieder-moment-kan-doorbreken-U. Nee, het was de hé-ouwe-trekpop-moet-jij-niet-een-halfje-Viagra-U. Dat was even slikken voor mij, na een leven lang stelselmatig vijf jaar te jong te zijn ingeschat. Wat zeg ik, tien jaar, als we mijn moeder meerekenen.

Toch heeft het meisje van de bakker gelijk. Volgens de wc-kalender word ik volgend jaar zestig. Het voelt alsof iemand een practical joke met me uithaalt. Of dat er een vloek over me is uitgesproken. Want geestelijk ben ik steeds nog iets van veertig. Emotioneel zelfs een jaar of zestien. Als ik lang in de spiegel kijk zie ik die knul er nog doorheen schemeren (stadium I van ontkenning). En eigenlijk verwacht ik dat ook het bakkersmeisje hem ziet schemeren (stadium II van ontkenning). Maar dat doet ze niet. Ze vuurt de ene na de andere U op mij af. Dan kijk ik maar wat om me heen, of ze het misschien tegen een échte zestigjarige heeft.

Het komt allemaal door mijn weerzin tegen volwassen worden. Normale mensen, die doen aan levenfasen. Zij doorlopen stadia, groeien na hun zestiende emotioneel dóór, kiezen voor huwelijk en kinderen. Als ze zestig worden, zijn ze opa. Is hun cyclus voltooid. Not me. Ik ben nog steeds op zoek naar het begin van de Cirkel des Levens. Bijna zestig jaar van rondjes rennen, dat doet rare dingen met een mens.

Uit protest tegen de ouwelullen-U’s heb ik besloten me voortaan tien jaar te oud te laten inschatten (stadium III van ontkenning). Dat doe ik door een poolbaard te laten staan. Een anachronistische lederen jas te dragen. En een hoed op te doen. Een Sandeman-from-hell hoed, die instant ontzag afdwingt. Ik zie het al helemaal voor me.

Die dag regent het zoals ’t in geen maanden gedaan heeft. Dikke druppels kletteren op de rand van mijn hoed om van mijn lederen schouders te sijpelen. Ik zwiep de bakkersdeur open zoals alleen een man van statuur dat kan. Mijn silhouet neemt bezit van de deuropening. Er gaat een siddering door de winkel. Moeders nemen hun kinderen in de armen, opa’s maken ruim baan voor me. Met gedecideerde tred stap ik op de toonbank af, die terstond in de bar van een westernsaloon transformeert. Ik grom om een halfje grof volkoren, de overige klanten negerend. Buiten flitst een bliksemschicht en weerklinkt een donderklap. Het meisje van de bakker aarzelt, alsof ze achter de toonbank naar een verbale shotgun zoekt, naar een hier-heb-je-je-zakje-bobo’s-Sandemannetje-U. Maar ik schud langzaam het hoofd. Veeg de druppels van de rand van mijn hoed, die ondanks de hoosbui strak is blijven staan. Het meisje van de bakker moet even slikken. Ze neemt me op zoals ze in jaren niet gedaan heeft. Overhandigt me het brood. ‘Het volkoren is extra grof,’ vertrouwt ze me toe met licht trillende stem. Ik werp haar iets toe wat lijkt op een diabolische glimlach, leg een tientje op de toonbank, tik met mijn wijsvinger tegen de hoedenrand en stap, zonder op wisselgeld te wachten, de winkel uit. Achter me zwiept de deur dicht als de hellepoort, boven me bereikt de zondvloed haar hoogtepunt.

Het statuur weet ik vol te houden tot ik weer thuis ben. Dan trek ik mijn anachronistische jas uit. Doe ik een knusse pyjama aan. Zoek ik een YouTubeje van School’s Out. En ga ik wild voor de spiegel dansen. Met hoed op uiteraard. Stadium IV, de slotfase van ontkenning, is misschien wel de mooiste.

Sandeman
Sandeman in actie bij de bakker

Van de dagdromer

Iedereen doet het. In het geniep, want het is niet iets waar je graag voor uitkomt. Sterker, je voelt je er per definitie schuldig over. Vooral Facebookers zijn er verslaafd aan. Uren en uren zijn ze d’r zoet mee. Tijdens het maken van een spread sheet, onder de tafel bij een OR-vergadering, tijdens het invullen van het belastingformulier, bij het installeren van de laserprinter. Over procrastineren heb ik het natuurlijk. Niets zo krachtig als het vluchtgedrag van de digitale uitsteller.

Misschien ben ik zelf de ergste der procrastinanten. Zo heb ik tijdens het schrijven van dit stukje stiekem YouTubejes zitten bekijken over het probleemoplossend vermogen van de octopus, over Charlie Parkers eerste optreden, over Jordan Petersons kijk op Trumps intelligentie, over de oorlogszuchtigheid van chimpansees, over de casting van Elaine voor sitcom Seinfeld, over Jack Kerouacs dronken moeder, over de alien abduction van Travis Walton, over Tom Waits die liedjes zingt aan de keukentafel van Coppola, en over de hink-stap-sprongvlucht van de eerste helikopter in 1907. Iedere seconde ervan heb ik mij schuldig gevoeld.

Met reden. De volwassene-in-mij beschouwt dit als pure tijdsverspilling. Ik had me nog zó voorgenomen om vandaag aan dit stukje voor Facebook te werken! Aan de andere kant, ik ben aan het stukje begonnen omdat ik geen zin had om aan mijn boek te werken. En aan dat boek ben ik ooit begonnen omdat ik het niet langer kon opbrengen om teksten te redigeren. En aan dat redigeren ben ik ooit begonnen omdat me de lust verging om te studeren. En aan die studie ben ik ooit begonnen omdat ik als de dood was voor een baan. Eigenlijk is alles wat ik ooit gedaan of geleerd of gemaakt heb voortgekomen uit een diepgewortelde weerzin tegen datgene wat ik eigenlijk moest doen.

De vraag is of de procrastinant zijn leven wegspoelt aan trivia en social media, of dat ie het er juist mee verrijkt. Want in al dat escapisme kunnen we tegentonen horen doorklinken die de ruis van het alledaagse doorbreken. Frisse lucht in ons maatschappelijk vacuüm. Misschien is de procrastinant dus gewoon een dromer die alleen inspiratie kan putten uit zaken die niet op werk lijken. Zoals de beste seks gepaard gaat met een zekere schaamte, zo begint het grote genieten voor de procrastinant pas als het schuldgevoel toeslaat.

Of zijn er uitzonderingen? Zeker. ‘Invisible People’ op YouTube bijvoorbeeld. Tien minuten durende filmpjes over veelal hoger opgeleide dakloze Amerikanen. Over bad luck, angst, survival, solidariteit, wanhoop en hoop, ons toevertrouwd door onzichtbare zielen. Hun getuigenissen verspillen geen seconde van onze tijd. Misschien omdat hun umwelt ons voorland is, misschien omdat ze ons influisteren dat de rat race voorbij gaat aan de essentie van ons wezen. We zijn niet voor niets allen procrastinant.

Dus. Tijdens de tienduizenden uren die we van ons leven hebben weg geprocrastineerd, hebben we vermoedelijk meer opgestoken van dat leven dan tijdens de momenten dat we onszelf forceerden om wat van het leven op te steken. Maar na dit Facebooktegeltje moet u weer verder met uw hectiek. En ik met mijn roman over een dagdromende schoolverlater. Dat wil zeggen, nadat ik een YouTubeje heb bekeken over de hoogste golf ooit besurft (33 meter, Portugal, 2014). Voel me er nu al schuldig over.

De vlucht naar voren
Invisible surfer

En het afwaswater

Het was nog warmer dan het nu is. De ergste hittegolf sinds mensenheugenis, zei men. We lagen op bed. Naakt. Badend in elkaars zweet. Het raam wijd open, de luxaflex neer. Beneden raasde het verkeer door het lauwe afwaswater van de nacht. Toeterend... bandenpiepend... wegstervend...

We waren dronken, zoals altijd na het uitgaan. We hadden liederlijke seks gehad, zoals altijd na het drinken. Nu smeulden we na als de half verkoolde resten van een veldslag, deinend op de geluidsgolven uit de speakers, de pick-up op repeat voor een hypnotische cadans.

Tegen mijn gewoonte in bleef ik die nacht bij haar. Misschien omdat ik te moe was. Misschien omdat ik besefte dat dit Het Moment was. Dat het nooit beter zou worden dan deze ogenschijnlijk banale, slapeloze droomnacht. Omdat het universum even klopte. Het Lot ons elkaar gunde.

Natuurlijk is het niet ‘aan’ gebleven. Ik was te moeilijk, zij te onzeker. Die obstakels verdwenen alleen met een wijnhoofd. Dan werden we beesten. Lounge lizards die elkaar al in de kroeg in een target lock namen, elkaar onbeschaamd tegen de toog opvreeën tot ze door verbolgen stamgasten en barmannen de tent uit gejaagd werden. Triomf der lust!

Nu is ze met een man die geen drank nodig heeft om te genieten. Hij hoeft niet moeilijk te doen om zichzelf te zijn. Hij is een man met balans. Innerlijke rust. Een man die altijd blijft slapen en haar dan overstelpt met liefde. Bij hem is ze nooit onzeker, hoeft ze nimmer aan de wijn. Met hem klopt het universum. Iedere dag opnieuw.

Tot er een hittegolf uitbreekt.

Dan kan ze de slaap niet vatten. Doet ze het raam wat verder open. Zet ze die ene grijs gedraaide plaat op repeat. Trekt ze een fles wijn open. En deint ze weg op de hypnotiserende geluidsgolf, terwijl beneden het verkeer door het lauwe afwaswater van de nacht raast. Toeterend... bandenpiepend... wegstervend...

De hittegolf
Venetian blinds

Van Noah

Mijn favoriete procrastinatiefilm is Waterworld. Hij speelt zich af in een postapocalyptische toekomst waarin de continenten onder water zijn gelopen. Eenzame held Kevin Costner jaagt er met zijn steam punk trimaran over de eindeloze baren. Hij drijft handel in spullen die hij van de zeebodem opduikt dankzij kieuwen die hij ontwikkeld heeft (don’t ask). Costner wordt voortdurend belaagd door zeerovers. Maar het is niet de actie die me boeit. Het is dat eindeloze wateroppervlak. Die ruimte! Die mogelijkheden! Iedere keer als ik moet werken zit ik fragmenten te bekijken op YouTube, dromend van een reset der mensheid, als individualist pur sang.

En iedere keer als ik tijdens mijn wandeling langs de vloot van Noah kom, moet ik aan Waterworld denken. Noahs moederschip ligt sinds mensenheugenis in het kanaal aan ‘mijn’ kade, vlak vóór de drie bruggen. Met het verstrijken der jaren is Noah een eenzame oude man geworden, met schichtige, wantrouwige blik. Ik knik hem altijd glimlachend toe, op een manier die je van een postapocalyptische kapitein mag verwachten. Ook pas ik mijn tred aan zodat het lijkt alsof ik zeebenen heb. Maar Noah knikt noch glimlacht terug. Hij mag mij niet. En de rest van de mensheid vermoedelijk evenmin.

Toch kan hij onmogelijk voor kluizenaar versleten worden, want hij bevoorraadt passerende binnenvaartschepen. Sommige schippers meren langszij aan, andere komen per bestelbus. Voor de laatste categorie rolt Noah vloekend vaten over de veel te smalle strip naar de kade. Hij verkoopt van alles, van rollen beschuit tot loodzware ankers. Maar Noah is meer dan een nautische bedrijfsleider.

Achter die schichtige ogen gaat de blik van een ziener schuil. Noah verzamelt namelijk scheepjes. Een half dozijn heeft ie inmiddels aan het moederschip vast gesjord. Ze lijken compleet doorgeroest. Toch weet hij ze op een of andere manier drijvende te houden. Inmiddels kunnen we spreken van een bescheiden vloot. En ik denk te weten wat hij ermee van plan is.

Lang voordat de global warming was uitgevonden, voelde Noah al aan zijn water dat het zeepeil zou stijgen. En dat dat sneller zou gaan dan de mensheid zou willen inzien. Het lijkt er op dat ie gelijk gaat krijgen. Zeker nu met die Oost-Duitse zomers zal het niet lang meer duren of de ijsberen komen langs drijven op het laatste stukje Noordpoolijs. Dan is het kanaalwater voor mijn deur gestegen tot aan mijn etage, de bovenste verdieping van vier woonlagen. Mocht Noah langs komen met zijn vloot, dan hoop ik dat hij mij zal oppikken. Zodat ik geen kieuwen hoef te ontwikkelen.

Maar ik voel nu al aan mijn water dat Noah niet voor mij zal stoppen. Dat hij alleen zal aanmeren voor mijn onderburen, bij wie het water tot aan de lippen is gekomen omdat ik hen de deur heb gewezen, uit angst dat ze mijn appartement zullen overnemen. Voor mijn slag is geen plaats aan boord, aldus Noah. Hij is dan misschien een eenzame man, hij houdt niet van einzelgängers die dromen van een decimering der mensheid om zelf tot hun recht te komen. Volgens hem is het de individualist pur sang die toe is aan een reset.

Dus. Terwijl zijn vloot met mijn buren richting toekomst vaart, zet ik de zaag in mijn laminaat. Voor Plan B. Een steam punk trimaran zal het niet worden, mijn vloot van laminaatvlotten is geënt op een andere favoriete procrastinatiefilm: Cast Away. Over een schipbreukeling. Daar ga ik nu alvast fragmenten van bekijken. Tot YouTube is ondergelopen.

De vloot van Noah
Klaar voor de zondvloed

Met de alien in ons

De belangrijkste reden waarom ik verhalen op Facebook plaats, is omdat ik zo contact kan maken met zielsverwanten. Daar bedoel ik niet alleen vrienden mee, ook mensen die ik helemaal niet ken. En mensen waar ik ogenschijnlijk weinig gemeen mee heb, of in het dagelijks leven niet snel zou ontmoeten. Die virtuele lijntjes vind ik bijzonder. Dus hoe bizar ik mijn universum ook moge presenteren, het is altijd de bedoeling dat de lezer iets herkent in mijn levensworstelingen en observaties. Hoe meer herkenning, des te krachtiger de connectie.

Natuurlijk is contact maken niet alleen voor een schrijver cruciaal. Het is een levensvoorwaarde voor iedere homo sapiens. De apensoort lijkt zich intrinsiek eenzaam te voelen, te hunkeren naar nóg meer broeders & zusters. Die bij voorkeur buiten bereik zijn. Waarom anders sturen we radiosignalen de ruimte in en proberen we uit diezelfde ruimte tekenen van leven op te vangen met enorme schotelantennes, terwijl we hier al met zijn acht miljarden langs elkaar heen praten? Alsof we onszelf het minst graag willen leren kennen.

Maar zelfs áls we contact kunnen maken met ander intelligent leven, dan is dat alleen zinnig met wezens waar we iets mee gemeen hebben. Die hier bijvoorbeeld ook wonen. Nou zijn er koffiedikkijkers die stellen dat UFO’s bestuurd worden door superieure aardbewoners, aliens die zich steeds terugtrekken in een dimensie die wij niet kunnen bevatten. Gaat uw lulkoekdetector vast van loeien. Toch loont het de moeite eens buiten uw doos te denken. Door een walvis onder de loep te nemen.

Uitgerust met het grootste brein ter wereld, houdt de potvis zich op in een ons grotendeels onbekend medium dat we oceaan noemen. Toegegeven, hun hersenen zijn in verhouding tot hun lichaamgewicht kleiner dan die van ons, maar ze communiceren op een niveau dat dat van ons wel eens zou kunnen overstijgen. Daarvoor maken ze gebruik van een klikachtig geluid. Aanvankelijk dachten wetenschappers dat dit slechts dienst deed als echolocatie, maar de klikcombinaties zijn zo extreem gevarieerd en complex, dat we van een taal moeten spreken, compleet met dialecten. Daarbij kunnen de mouse clicks ‘uitgeschreeuwd’ worden met een volume zo krachtig dat de signalen duizenden kilometers door het zeewater gedragen worden. Potvissen gebruiken de oceaan als een organisch internet.

Momenteel worden hun sound bytes geanalyseerd met behulp van kunstmatige intelligentie. Voor een juiste interpretatie dient de audio gekoppeld te worden aan gedrag. Maar potvissen observeren is lastig. Het dier moet niet veel hebben van de mens. Vermoedelijk bekijken zij ons zoals wij UFO’s waarnemen – met een flinke portie argwaan. Scheepsrompen staan bij hen te boek als Unindentified Floating Objects (die soms familieleden ontvoeren!). Van close encounters met bubbelende kikvorsmannen lopen ze een trauma op. Pas als wij zonder zuurstoffles in hun wereldje afdalen durven ze ons te benaderen. Sterker, free divers worden bedolven onder hun geklik. De potvis wil contact maken met de mens! Althans, zo zien wij dat graag.

Maar. Stel dat wij hun taal ooit ontcijferen. Stel dat we ooit kunnen terug klikken. Dan nog wordt het lastig communiceren. We leven immers in zeer verschillende omgevingen. Probeer een potvis maar eens duidelijk te maken hoe je een metrokaartje koopt in downtown New York. Dan zal hij je proberen uit te leggen hoe het is om in de complete duisternis van twee kilometer diepte op gehoor een reuzenpijlinktvis op te sporen. Zouden we elkaar ooit kunnen begrijpen? Misschien hoeft dat niet. Een vakantieliefde is immers zo betoverend door de taalbarrière. Misschien is de gewenste herkenning meer emotioneel dan praktisch, zoeken we slechts contact met een illusie die ons minder intrinsiek eenzaam doet voelen. Dan maakt het weinig uit of we dat signaal opvangen in de oneindige ruimte, de onmetelijke oceaan, of op het world wide web.

Contact met de alien in ons
Potvissen poseren in een verticale meditatiehouding om de fotograaf in de maling te nemen (zo heeft een analyse van hun morse ons geleerd)

En de autobeul

Iets verderop in de wijk woont een dertiger die er nog onguurder uitziet dan ondergetekende. Lang vet haar, pornosnor, kiloknallerpens en ogen zo diep in de kassen dat de man blind lijkt. Ik vermoed een rijk TBS-verleden – het type dat stiekem filmpjes maakt van veel te jonge buurmeisjes. Als ik een zoon had gehad, was hij zo geworden.

Moet gezegd worden dat hij consistent is in zijn verloedering, want hij rijdt uitsluitend in sloopauto’s. Drie heeft hij er voor de deur staan. Geërfde familiestukken? Alle drie verkeren in verregaande staat van ontbinding. Ongetwijfeld onverzekerd en ongeAPK’d, want hij rijdt er alleen mee over de kade. Heen en weer, ronkend, rochelend, reutelend, met halfzachte banden en een gierende distributieriem, de carrosserie krakend onder de corrosie. Als hij me met 3,2 km/u passeert staart hij door de nog nooit gewassen ramen met de chagrijn van een afgewezen kinderlokker.

Aanvankelijk zei ik tegen mezelf: niet zo snel met al die oordelen! Misschien is het een liefhebber met een kleine portemonnee! Zo een die járen Marktplaats afstruint op zoek naar unieke vehikels, collector’s items die hij dan schroefje voor schroefje restaureert! Een automotive dromer!

Misschien. Maar hij sleutelt op een manier waardoor ik weet dat hij niets van sleutelen weet. Hij gebruikt steeksleutels in plaats van dopsleutels. Maakt veel te bruuske bewegingen. Scheldt de nokkenas uit onder de motorkap. Rijdt bij voorkeur als er gepekeld is. Daarbij, zijn auto’s gaan steeds slechter lopen. Alsof hij de ontsteking expres verkeerd afstelt, de koppakking moedwillig laat lekken, de oliefilter met opzet laat verstoppen. Net zo lang tot de voertuigen bezwijken aan een vastloper of stikken in hun eigen vloeistoffen. Kortom, Hier is een autobeul aan het werk.

Gisteren heb ik gluurfoto’s gemaakt van zijn bolides. Die wil ik anoniem opsturen aan de RDW. Opdat de wagens in beslag in beslag genomen worden. En ze bij de sloper kunnen inslapen. Eindelijk, verlost uit hun lijden! Maar dat voelt fout, je buurman NSB’en. Daarbij, het blijft je droomzoon. Misschien moet ik eens contact met hem maken. Hem aanspreken op zijn gedrag. Vragen of ie die andere hobby niet weer kan oppakken (buurtkinderen zat!). Trekken we er een blikje Aldi-pils bij open. Laat ik hem eens goed uithuilen. Krijgt ie een hug van me. En rijden we gezamenlijk in een van zijn reutelende auto's naar de RDW. Voor een mooie biecht. Krijg er nu al een realityshowgevoel van.

De autobeul
Patina, of littekens als gevolg van jarenlange foltering en moedwillige verwaarlozing? Op de achterbank ligt een dichtgelast olievat (met daarin de resten van zijn natuurlijke vader?) om de assen onnodig te belasten

Van de kansloze winkel

Het is niet iets waar ik graag aan herinnerd word. Aan mijn plan om middenstander te worden, nog niet zo heel lang geleden, ergens eind jaren negentig. Als voormalig filmrecensent wilde ik een ‘kwaliteitsvideotheek’ beginnen. Ik was op dat onzalige idee gekomen door de introductie van de DVD. Eindelijk een drager die het medium waardig is! dacht ik, na me jarenlang geërgerd te hebben aan de smoezelige VHS-bandjes. Ik zag mijn shop al voor me: een cinefiele oase waar filmliefhebbers van heinde en ver op af zouden komen. Door een tekort aan liquide middelen is het er nooit van gekomen. Sterker, ik had mijn masterplan geheel verdrongen tot ik het onlangs met Facebook-vriendin Pien over troosteloze etalages had.

Iedereen heeft er wel eens een gezien: zo’n winkel met een etalage zó deprimerend dat je weet dat daar never nooit een klant over de vloer komt. In mijn jeugd zat er op de Nieuwe Binnenweg een beschimmelde drogisterij waar jarenlang een ruggenkrabber-met-minihandje van één gulden aan een zuignap tegen de etalageruit geplakt hing. Iedere keer als ik er langs liep voelde ik een onstuitbare drang om naar binnen te gluren. Nooit een klant gespot. Jaren later kwam ik in Crooswijk te wonen tegenover een sigarenboer annex kiosk die nooit open was. Met vergeelde, door het zonlicht kromgetrokken softpornoblaadjes in de etalage. Grote kans dat het lijk van de eigenaar zich in gemummificeerde staat achter de toonbank bevond.

Een speciale subcategorie wordt gevormd door etalages die zo mistroostig zijn dat ze instant medelijden oproepen. De schoenenzaak op de foto is er zo een. Pien, die hem vereeuwigd heeft omdat zij eenzelfde fascinatie koestert voor kansloze winkels, viel als een blok voor de nihilistische, zeg maar post mortem styling. Toen ze eenmaal de moed verzameld had om naar binnen te gaan, raakte ze zo mogelijk nog dieper onder de indruk van het interieur, dat gevuld was met gesloten, tot aan het plafond opgestapelde schoenendozen. Alsof de eigenaar na inkoop van zijn waar de lust was vergaan om die op een aantrekkelijke manier uit te stallen.

Als ik toentertijd mijn videotheekplannen had doorgezet, was Pien nu op mijn vergeelde etalage gestuit. Dat zit zo. Het afblazen had niet alleen te maken met geldgebrek. Het was tot me doorgedrongen dat sommige ondernemers alleen maar willen ondernemen omdat ze dan geen baas hebben die zegt dat ze aan het werk moeten. Zo’n ondernemer was ik. Ik wilde videotheekhouder worden om de hele dag films te kunnen snoepen, niet om winst te maken. Als ik over voldoende startkapitaal had beschikt, was dat inzicht vermoedelijk tijdens de opstartfase – bij de inrichting van de shop – bij me ingedaald. Wat tot een knoeperd van een depressie had geleid. Én tot een troosteloze etalage, waarin een paar stoffige DVD-doosjes met softpornofilms. Ikzelf zou door Pien zijn aangetroffen achter de toonbank, in gemummificeerde staat, met één vinger op de pauzeknop van de DVD-speler. Het had een geweldige foto opgeleverd, dat wel.

Credit foto: Pien Niehe

De gemummificeerde etaleur
Alleen het linkermodel is beschikbaar

Op de invalidenstoel

Voor een bewoner van een wijk waar de integratie volkomen mislukt lijkt, is het moeilijk de zegeningen van de multiculti te tellen. Een mens zou er bijkans nationalistisch van worden. Gelukkig maak ik ook momenten van verbinding mee die niet door de overheid gefabriceerd zijn. Zo trof ik in de bus richting U. een Indiase chauffeur die mij in mijn hoofd deed dansen. Maar niet voordat ik duizend doden was gestorven.

Ik had plaatsgenomen in de solo-stoel vooraan, die eigenlijk gereserveerd is voor invaliden. Hier zou ik gezellig met de chauffeur ‘mee’ kunnen rijden om dan onvermijdelijk in een middagdutje af te glijden. Het was me niet gegund. De man bleek miskend muzikant. Ik zat nog maar net of hij begon te fluiten. Vals. Aanhoudend. Ongegeneerd. Alsof er niemand anders in de bus zat. Toegegeven, ik was de enige passagier, en mogelijk invalide, maar dat maakte het niet minder onmenselijk.

Stapel werd ik van zijn gefluit. Niet alleen vanwege de dissonantie, vooral vanwege de ongeremdheid. Mensen die uit volle overtuiging iets doen waar ze geen enkel talent voor hebben omdat ze nu eenmaal opgevoed zijn door toegevende ouders, die moeten dood van mij. Al na een paar minuten begon ik naar de noodrem te zoeken. Vroeg ik me af of ik de voorruit kon inslaan met zo’n mini-hamertje. En bedacht ik een manier om de chauffeur te wurgen zonder de bus te laten crashen.

Op het moment dat ik mijn schoenveter om zijn hals wilde trekken, verscheen er een oogverblindend licht voor de bus. Een Aloha hakbar? Een close encounter met een UFO? Een bijna-doodervaring? Nope, we waren in een Bollywoodfilm beland! Opgeroepen door de fluit van de buschauffeur! Prinsessen met zijden jurken en klatergouden kroontjes, gadegeslagen door prinsen/buschauffeurs met taxi-snorren en imitatie Ray-Bans, sierlijk swingend op volksmuziek zo opzwepend dat die nooit een hit kan worden in ons saaie westen. Eigenlijk is Bollywood de enige cultuur waar iedere aardbewoner zich mee verbonden voelt.

Lang duurde ons uitstapje niet. Maar toen de bus weer op het asfalt terecht was gekomen, betrapte ik me erop met de chauffeur mee te fluiten. Vals. Aanhoudend. Ongegeneerd. Alsof er niemand anders in de bus zat. Om even later, in Neerlands grootste stationshal, nog wat invalide danspasjes te maken, dit tot grote ergernis van de Hollanders die opgevoed zijn door calvinistische ouders.

Van de stadsmens

Over die wolkbreuk van gisteren. Even waande ik me in zo'n dramatische scène met Bogart & Bacall, waarbij de regenmachine zó hard aanstaat dat de acteurs bijna verzuipen. Na de opname werd mijn wijk nog eens gebombardeerd door hagelstenen zo groot als biologische struisvogeleieren. Een bijna hilarische overkill aan neerslag. Alsof het Opperwezen een woede-uitbarsting had gekregen, na zich dagen ingehouden te hebben met een passief agressieve hittegolf.

Ik persoonlijk ben niet zo van het genieten op balkonnetjes. Maar dit kleine leed wilde ik op de eerste rang meemaken. Doordrenkte fietsers, slippende Golfjes, water makende rijnaken, alles en iedereen probeerde dekking te zoeken. Prachtig, als de homo sapiens ontregeld raakt. Kan zijn façade even wegspoelen. En hij mens worden. Een verzopen filmster zelfs. Tijd dus voor een mooie wandeling - figureren in mijn eigen film noir.

En de mosselfietsen

Brullende dieselmotoren, fluoriserende pakken, grimmige blikken. Rijkswaterstaat én de rivierpolitie, druk manoeuvrerend in het kanaal. ’t Zál toch niet, verzucht ik. Alwéér eentje?

Als je bent opgevoed door iemand die het diverse keren geprobeerd heeft, ontwikkel je er een dikke huid voor. Terwijl ik zelfmoord toch als een uiting van levenslust beschouw. Immers, zelfdoders nemen geen genoegen met het Koude Prakje des Levens. Ze willen wég, naar een plek waar het mogelijk beter is, waar ze wél thuishoren. Daarvoor nemen ze een stap die veel moed vereist, naast de vanzelfsprekende wanhoop. Dat respecteer ik omdat ik zelf evenmin altijd trek heb. Van een heel andere categorie echter vind ik de sukkels die het slechts proberen. Dood aan deze drama queens! En waarom moet het uitgerekend voor mijn deur?

Soms lijkt het alsof ik in het epicentrum van zelfmoordend Nederland ben gaan wonen. Volgens mijn buurvrouw zijn er hier de afgelopen jaren vier springers uit het kanaal gehaald. Daar nodigt de overdaad aan bruggen blijkbaar toe uit. Zo ben ik op een zondagochtend in 2011 in een krimi ontwaakt toen ik de gordijnen opzij schoof en er aan de overkant een lijk uit het kanaal werd getrokken. Een springer van de Merwedebrug, zo zou blijken. Met dit beeld vers op het netvlies tikt het ontbijteitje toch net even anders.

En nu. Opnieuw een parelduiker? Kan ook om een liquidatie gaan. Of een ongeluk. Misschien die luidruchtige student-van-hiernaast, die met een blaas vol bier is thuisgekomen, de deur niet heeft gehaald, naar het kanaal is gerend voor een plasstop, zijn evenwicht heeft verloren en in het zwarte water is verdwenen. Natuurlijke selectie! grom ik misantropisch. Want ik kan enorm grimmig gestemd zijn.

Maar niet zo grimmig als de bergers. Onverminderd gaan ze door. Dreggend en peurend, met wilde gebaren en malende schroeven. Er wordt zelfs een enorme magneet ingezet waarmee ze een maand eerder een auto gevangen hebben, die overigens leeg bleek. Ditmaal willen de bolides niet bijten. De bijvangst, bemosselde fietswrakken, ligt verspreid op het gras van de kade. Ik inspecteer de overblijfselen met de cool van een patholoog anatoom.

Dan is het Schluss. Het materieel wordt opgeborgen. De mannen kijken teleurgesteld. Natuurlijk hadden ze liever de ongeruste familieleden uitsluitsel gegeven, hoe triest ook. Aan de andere kant, het kan loos alarm zijn geweest. Misschien heeft de vermiste zich inmiddels gemeld met een slappe app.

Wat de toedracht ook moge wezen, tot mijn verbazing ben ik enorm opgelucht. Mijn necrofiele bravoure is geheel vervlogen. Ik moet zelfs even slikken. Blijkbaar vind ik het meest loze alarm toch mooier dan de dapperste wanhoopsdaad. Of komt het doordat het spook-in-mij, dat niet wil bidden voor brune boon’n, als de dood is om zijn stoffelijkheid opgevist te zien worden? Eet je bord leeg! klinkt het in mijn achterhoofd als ik de mosselfietsen laat voor wat ze zijn. Ik sla een kruisje. En dank de goden dat ik opgevoed ben door een drama queen, in plaats van door een doorzetter.

De zelfmoordmagneet
Zware metalen

En zijn meiden

Vrijdagavond in de Intercity naar U. Tegenover mijn klapstoeltje neemt een vader met twee dochtertjes plaats in het viermanszitje. Hij is een slanke dertiger met stekels, stoppels en een parka. Een soort jonge versie van mijzelf, maar dan met christelijke glimlach. De meiden, een tweeling, schat ik op een jaar of tien. Ze zijn uitgerust met roze rugzakjes en koptelefoons vol K3. De knusheid straalt van hen af.

Als kinderloze man-met-kinderwens ben ik gelijk een beetje jaloers op de vader. Daddy cool, op pad met zijn meiden! Ouders beseffen vaak niet hoe bijzonder zo’n band met hun kroost is. Sterker, als ik mijn verlangen naar een gezinsleven opbiecht aan vrienden, drukken ze me gelijk op het hart dat ouderschap vooral een kwestie is van zelfopoffering. Alsof dat niet perfect past in mijn geromantiseerde plaatje!

Het trio zit nog maar net of de vader gebaart zijn dochters de koptelefoons af te doen. En begint hen vragen stellen. Hoe ze het gehad hebben bij mama. Wat voor spelletjes ze gespeeld hebben. Wat ze de leukste game vinden. En waarom. Wat er aan verbeterd zou moeten worden. En wat niet. Hij zit er bovenop, informeert naar ieder detail – alsof hij zelf mee had willen doen. Daarbij noemt hij zijn dochters steeds bij de naam, terwijl oogcontact volstaat om een misverstand uit te sluiten. Ook bizar is zijn neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken. ‘Pappa vindt dat Merel nu iets heel slims zegt,’ aldus een zelfvoldane Caesar.

De meiden, aanvankelijk verguld van al die aandacht, krijgen het op den duur zichtbaar benauwd van hem. Hoe dieper hij onder hun huid kruipt, des te hoekiger hun bewegingen, korter hun antwoorden, dieper hun zuchten. Na een uur hebben ze schoon genoeg van papa’s bonding. Daddy ain’t no cool no more.

Zelf voel ik de drang om hem een enorme bitch slap te verkopen. Dood moet deze papa! Mijn weerzin wordt zo heftig dat ik me afvraag waarom. Na de nodige soul searching valt de munt: als ik mij had voortgeplant, was ik geheid zo’n papa geworden. Zo’n man die de relatie met zijn koele vrouw niet had kunnen bolwerken, om zich na de scheiding op te werpen als ideale weekend daddy, daarbij voortdurend zijn inner child uit de kast trekkend om de band zo hecht mogelijk te maken. Zonder zich af te vragen of de kinderen daar wel behoefte aan hebben. Aan een papa die je beste vriend wil zijn...

Als we in U. uitstappen ben ik niet langer jaloers. De meiden, uitgeput van vaders klamme compassie, verlangen ongetwijfeld naar hun moeder die hun misschien nooit een knuffel geeft, maar wel alle ruimte gunt. In de stationshal trekken ze de hoofdtelefoons alweer over de oren om in de muziek te verdwijnen. Ikzelf verdwijn weer in mijn kinderloze universum, mijn zegeningen tellend, het ouderschap vervloekend. Maar wel een K3-deuntje neuriënd.

De droomvader
Who's your daddy?

And stand proud

Dit is mijn role model. Iedere keer als ik haar langs zie komen is ze wat krommer getrokken. Kyfose heet dat. Het oogt grimmig, alsof de persoon door het leven afgeranseld wordt. Toch lijkt haar tred iedere dag meer vastberaden. Worden haar stappen kordater. Haar schreden vlotter. Ze mag dan gebukt gaan onder de ziekte, die zal haar niet achter de geraniums krijgen.

Als ik haar tegenkom groet ze me met een glimlach die helemaal niet hoort bij een lichaam dat capituleert. Zó stralend. Ze zou verbitterd moeten zijn. Verzuurd. Verbolgen. Of in ieder geval verongelijkt. Maar geen spoortje te bekennen van het zelfbeklag dat sommige van haar leeftijdsgenoten verteert. En een enkeling van mijn generatie, zonder dat die daar een legitieme reden voor heeft. Ik ken er wel eentje.

Daarom wandel ik graag een stukje achter haar aan. Probeer ik haar bij te benen. Is ze mijn Rocky geworden: een knokker die lang voordat bel geluid wordt beseft dat ie de wedstrijd zal verliezen, maar zegeviert op karakter. Stand proud and walk tall, juist als je dat niet meer kan. Ik mag bidden dat ik net zo stralend eindig als zij dat doet.

Stand proud, walk tall
Stand proud, walk tall