blog titels

Blog

Van een vakantielul

Er zijn van die beslissingen die aanvankelijk een kwestie van gezond verstand lijken maar in de uitvoering volkomen desastreus blijken. Zoals die vakantie van 1986. Een vriend van mij wilde zijn geheelverzorgde trip naar Porto annuleren omdat hij plots verkering had gekregen. Hij vroeg me of ik zijn plaats wilde innemen. ‘Tuurlijk!’ reageerde ik zonder na te denken. Ik studeerde op dat moment Portugees en had geen cent te makken, dus dat was een no-brainer.

Nou had die vriend geboekt voor vijf man: voor hemzelf én voor vier sportschoolmaten. Die ik geen van allen kende. Terwijl vakantie toch behoorlijk intiem is, bedacht ik me op weg naar Schiphol. Die second thoughts werden nog eens aangewakkerd toen ik kennis maakte met mijn reisgenoten: een boomlange politieagent met haarstukje, een trambestuurder met monstrueuze overbite, een kale kantoorpik die alles wist van de Nits en een bodybuilder met ADHD. ‘Allemachtig,’ dacht ik, ‘dit zijn archetypen uit een rampenfilm!’

Nog voordat we airborne waren werden mijn vooroordelen bevestigd. De sportschoolkanjers hadden nooit eerder gevlogen dus gingen aan de lopende band grappen maken over uitvallende motoren, neerstortende Boeings, sexy stewardessen en uiteraard de Mile High Club. Drie uur lang. Dood schaamde ik me. Pas toen we per bus naar het motel vervoerd werden onder een fonkelende Portugese sterrenhemel, vielen ze even stil en kon ik wegdromen bij een surrealistisch kinderkoortje op de autoradio. Het zou het hoogtepunt van de vakantie worden.

Het appartement bleek – tot mijn ontzetting – uitgerust met slechts twee slaapkamers met ieder twee bedden. Ik moest mijn toevlucht nemen tot de bank in de woonkamer. Tien dagen zonder privacy dus! En erger: er zat geen raam in het kozijn boven de deur van het toilet. Ook nog eens tien dagen zonder poepprivacy dus! Zelden werden mijn neurologische paden zo kortgesloten. Alsof ik weer in dienst zat zonder ooit gediend te hebben.

Ik besloot zoveel mogelijk alleen te doen. Zonnebaden in de Atlantische Oceaan was echter uitgesloten want er waaide een landinwaartse storm die de huid van je lijf zandstraalde. Dus dan maar steeds weer de tien kilometer naar de stad lopen om daar op terrasjes brieven aan vrienden te schrijven. De heimwee sloeg toe als een onmogelijke liefde.

Onvermijdelijk stuitte ik soms op mijn nieuwe buddy’s, die niets om handen hadden omdat de gym-uit-het-foldertje verbouwd werd. Ongemakkelijke confrontaties waren dat. Ze lieten doorschemeren dat ze mij maar een rare snuiter vonden, met dat gemopper als zij ’s nachts luidruchtig thuis kwamen. En waarom wilde ik alles alleen doen? Voelde ik me soms beter dan hen?

Hun houding sloeg om als een blad toen ik ’s avonds een keer in de cocktailbar aanschoof. Met een glas op veranderde ik van neurotische kwezel in een charmante grappenmaker. Opeens vonden ze me een ontzettend toffe peer, zeker toen ik met twee Portugese zusjes aanpapte. Dat deed ik niet in hun moerstaal – mijn Portugees klonk als verbasterd Esperanto – maar in film-Engels. De oudste zus, een slimme meid, hing aan mijn lippen, maar ik flirtte vooral met haar jongere en veel mooiere zus die helaas alleen Portugees sprak. Ook de sportschoolkanjers legden het aan met wat Portugese dames. Maar dat deden ze mijns inziens veel te gretig. ‘Sukkels!’ dacht ik. Nee, dan Hannik met zijn kwinkslagen! Zo, hangend aan de cocktailbar, ben ik de hel doorgekomen.

Aan het eind van de vakantie wisselde ik adressen uit met de oudste zus in de hoop met de jongste in contact te blijven. De politieman deed dat niet met zijn Portugese vlam. ‘Nee, dat hoort niet bij een vakantieliefde,’ zei hij resoluut. Koud vond ik dat. Plat bijna. Paste helemaal bij het beeld dat ik van die lui had. Geen enkel raffinement!

Eenmaal thuis begon de oudste zus me te schrijven. Vaak. Uitgebreid. Een mengeling van filosofische bespiegelingen en ditjes&datjes. Prima leesvoer voor als je verliefd bent, maar ik kon geen interesse opbrengen. Soms stuurde ik een kort briefje terug in de hoop dat zij een foto zou opsturen waarop ook haar zus stond. Want die wilde ik nu meer dan ooit. Zozeer dat ik het jaar daarop besloot weer op vakantie naar Portugal te gaan. Nu met eigen vrienden.

Bij aankomst in de Algarve bleek alleen de oudste zus er te zijn. Volgens de campingbaas had ze vierentwintig uur op mijn vertraagde komst gewacht. ‘Godallemachtig!’ verzuchtte ik. Ook díe vakantie heb ik overleefd, nu door haar met mijn nukken op afstand te houden en mijn kritische vrienden weg te wuiven. Uiteindelijk ben ik naar een andere camping gevlucht waar ik weer vrijelijk kon flirten.

Eenmaal thuis bleven haar brieven komen. Niets liet ik van me horen. Tot, anderhalf jaar na die bewuste avond in de cocktailbar, er een boomlange politieagent-met-haarstukje in me opstond. Hij pakte mijn ego bij de lurven en dicteerde een Dear John Letter, een uitmaakbrief, koel genoeg om haar voor eens en voor altijd van deze verliefdheid te genezen. En mij van dat zogenaamde raffinement, van die besluiteloosheid die meer desastreuze gevolgen had gehad dan al mijn foute beslissingen tezamen. Ook moest ik van mijn inner cop alvast een plekje in de hel reserveren. Met eigen slaapkamer, dat wel.

Het raffinement van een vakantielul
Voor de raders: de mooie zus staat achter de camera

En lieve vrienden!

Dank voor jullie stortvloed aan felicitaties! Eigenlijk wilde ik helemaal niet jarig zijn (waar zijn alternative facts als je ze nodig hebt), maar deze morning after voel ik me toch precies de ouwe lul die ik volgens de wc-kalender wezen moet. En dan ben ik nog maar op de helft! Dus heus, jullie warme bad voelde als een defibrillator.

Hug van Rein die hoopt dat jullie zijn schrijfsels ook zullen lezen als hij over nog eens 58 jaar beeldend proza over de ins en outs van zijn incontinentie gaat posten…

jarig
De geest achter de schrijver

Van vlees en bloed

Een van de gymnasiasten op deze klassenfoto heeft zijn eindexamen niet gehaald. Terwijl hij toch voor een ijverige jongen doorging. Sterker, hij werd ‘Engeltje van Goud’ genoemd door onze lerares Engels. En niet alleen omdat hij tweetalig was, ook vanwege zijn brave voorkomen. Althans, dat laatste was onze interpretatie.

‘Engeltje’ genoemd worden door een leraar, dat staat op iedere zichzelf respecterende middelbare school gelijk aan een pestvonnis. Vooral in mijn vileine klasje, waar ik voor Tweetie versleten werd vanwege mijn piepstemmetje. Dood zijn wilde ik er vaak. Maar voor pesterijen was het Engeltje van Goud te zelfverzekerd, op het zelfgenoegzame af zelfs. Althans, dat in onze interpretatie.

Wat ook speelde was dat ie er te vaak niet was om gepest te kunnen worden. ‘Ziek’ werd er dan bij zijn naam in het klassenboek genoteerd. Hoe ziek precies kregen we van de rector persoonlijk te horen. ‘Hij lijdt aan een terminale ziekte,’ zo zei het schoolhoofd na een paar keer plechtig zijn keel geschraapt te hebben. ‘Bedoelt u dat ie dood gaat?’ vroeg iemand.

Nou was ons lyceum de laatste plek op aarde waar je medelijden kon verwachten. Maar doodgaan, dat was toch wel weer cool. En dat hij ondanks zijn terminaliteit geregeld naar school kwam om lessen te volgen, dat dwong respect af. Al vonden wij het ook wat vreemd. Want wat heb je aan de wortelformule en de Zestigjarige Oorlog als je toch straks tussen zes plankjes ligt? En waarom speelde die zelfgenoegzame glimlach nog steeds om zijn mond? Alsof hij zich op een ander geestelijk plan bevond dan wij ordinaire pubers!

Een echte vriend van me is ie niet geworden. Maar omdat hij bij me in de klas zat en door zijn dodelijkheid te boek stond als stoer, nodigde ik hem uit voor mijn feestje. Niet dat het een eer was om bij de vijftienjarige Tweetie te gaan beesten. Ik was te klein, te meisjesachtig en vooral te raar om een vet feest te kunnen garanderen. Daarbij hielp de ambiance van onze Fritzlkelder niet mee: een rode en een gele TL-lamp moesten zorgen voor een dynamische discofeer, paprikachips, lauw AH-bier en limonadeglazen vol Belinda’s waren de drugs of choice. Mijn Alice Cooperplaten kon ik niet draaien want te kinderachtig, Deep Purple’s Child in Time bleek niet dansbaar. Uit je bol gaan was toch al risicovol met dat lage plafond.

Gelukkig kwamen er nog aardig wat populaire leerlingen opdagen. Zoals E., waar ik verliefd op was en haar zusje C., waar ik ook op viel. Tegen beter weten in probeerde ik met mijn Tweetiestemmetje de gastheer uit te hangen, terwijl E. veel te close met klasgenoot W. ging slijpen en C. op een stretcher begon te vrijen met vriend G. Gedesillusioneerd trok ik me terug in een hoekje en probeerde ik me te verliezen in Ian Gillans gekrijs. Was ik maar terminaal! dacht ik. Tot ik tegenover mij het Engeltje van Goud zag zitten.

Hij had zijn arm geslagen om een klasgenote en keek voor zich uit, zelfverzekerd op het zelfgenoegzame af. Maar het meisje oogde benauwd, op het wanhopige af. Toen de Engel haar probeerde te kussen wendde zij haar gezicht af, toen hij zijn arm subtiel liet afzakken naar haar rechterborst haalde zij hem weg, toen zijn knie de hare raakte trok zij die op. Om één uur ’s nachts gingen de rode en de gele TL-buizen uit en werd de witte ontstoken. Lijkbleek was de Engel. Niet langer keek hij zelfgenoegzaam. Voor het eerst bespeurde ik iets in zijn blik wat ik al die maanden gemist had.

Op de begrafenis kreeg ons klasje onvermijdelijk de slappe lach. De lerares Engels was in tranen. ‘Hij is nu onder de engelen,’ zou ze later in de klas verzuchten terwijl ze zijn naam in het klassenboek doorkraste. ‘Off to a better place.’ Maar ik wist beter. Haar Engeltje had er Goud voor gegeven om zich eenmaal in ons aardse dal een wezen van vlees en bloed te kunnen voelen. Om één uur van zijn korte leventje ongegeneerd in een bloesje te graaien en er lustig op los te tongen. Wat ik nu ook wist, was dat ik nooit meer dood wilde zijn. Hoe onsterfelijk cool me dat ook gemaakt zou hebben in dat klasje met die eeuwige pubers.

De Engel
Dit is geen raadspelletje

Van de Ascona

Eigenlijk heb ik mijn autorijbewijs alleen maar gehaald omdat ik zo graag wilde motorrijden. Mijn vader had die voorwaarde gesteld: eerst je auto, dan pas je motor. Als bink had ik helemaal niets met auto’s want niet stoer genoeg voor mijn wilde haren, maar het leek me handig zijn Ascona te kunnen lenen als het noodweer was. Dus ik op mijn achttiende naar een autorijschool zoeken – en dan gelijk maar eentje waar ze met Ascona’s lesten. Kon ik alvast wennen aan het dashboard.

De rij-instructeur zag er bepaald niet uit als een typische Asconarijder. Zelfs niet als een Opel Mantaman. Zwart sluik haar over de oren, uitgeharde pornosnor, discobloes vol woekerend borsthaar en een macho Ray-Ban op de neus. Een patjepeeër met plat Rotterdamse bariton, luid op het onbeschofte af. Goed zo! dacht ik, van zo iemand leer je het meest! Ik had namelijk ooit gelezen over een zwarte soldaat in Vietnam die als groentje instinctief naar de ergste bad ass veteraan in het peloton was getrokken, omdat hij wist dat ie van zo’n ervaren klootzak, hoe redneck ook, het meest kon opsteken over survival.

En laten we wel wezen, autorijles lijkt verdomde veel op oorlog voeren. In elk hoekje zit wel een dodelijk ongeluk. Althans, dat meende de Pornosnor. Bij het lulligste foutje dat ik maakte rukte hij reflexmatig aan het stuur en snauwde hij me een ‘LET TOCH OP GODVERRRDOMME!’ of een ‘KIJK UIT JE DOPPEN GODVERDOMME! toe. Als hij even niet blafte sneed hij op over vrouwelijke leerlingen die hem in nature zouden uitbetalen om korting te krijgen. De alpha male van de asphalt jungle, dat was ie.

Om deze cerebrale kaalslag het hoofd te bieden bracht ik geregeld mijn theorieën over het automotive universum te berde, wat hem bijkans tot razernij dreef: ‘NEE GODVERDOMME ER KOMEN GEEN ZELFRIJDENDE AUTO’S!’ ‘NEE GODVERDOMME INSTRUCTEURS WORDEN NIET VERVANGEN DOOR ROBOTTEN!’ Als hij zo fulmineerde liep zijn hoofd rood aan, alsof er iets aanbrandde in zijn hersenschors. Aan het einde van de les droop het speeksel van de voorruit af.

Toch vermoed ik dat het vooral mijn zelfverzekerde, om maar niet te zeggen nonchalante rijstijl was die hem op de zenuwen werkte. Zo reed ik de Ascona eenmaal bijna de verkeerde kant van de snelweg op, waarop de Pornosnor zó schrok dat hij me vergat af te bekken bij het ingrijpen. Zelf kon ik er wel om lachen – aspirant motorrijders doen niet zo moeilijk over een beetje spookrijden. Ook trapte ik graag in woonwijken het gaspedaal in om te testen of er een muscle car in de Ascona schuilging, waarop de Pornosnor dan bovenop de rem ging staan. De man kon gewoon niet genieten van autorijden.

Vele weken heeft onze lesoorlog geduurd. Bij iedere ingreep werden mijn theorieën wat enigmatischer (‘Is het niet zo dat…’), zijn scheldkanonnades wat minder luid (‘K-k-kijk toch uit!’). Er kwamen wallen onder zijn Ray-Ban, de eerste grijze haren manifesteerden zich in zijn sluike coupe. En zag ik daar niet een tic bij zijn neus, zo een als Inspector Clouseau’s baas ook had? Toen we het verplichte minimum aantal lessen naderden verstomde het gesnauw. Zijn eens zo fiere snor hing slap om de mondhoeken. De capitulatie was nabij.

Ik vroeg het examen aan. En, zoals dat gaat bij nonchalante afrijders die geen ruk om een autorijbewijs geven, ik slaagde in één keer. Toen ik het goede nieuws kwam brengen in het CBR proestte de Pornosnor zijn koffie uit en kneep hij reflexmatig zijn plastic bekertje kapot. Hij keek me aan met een blik die het midden hield tussen ontzetting en afgrijzen. ‘W-w-wel rustig aan doen als je de w-w-weg op gaat hè,’ stamelde hij, terwijl er zich enorme okselvlekken in zijn discoblouse aftekenden.

Vier auto’s heb ik in de maanden na het examen in de prak gereden, mede dankzij mijn nonchalante rijstijl. Allez, niet de Ascona van mijn pa hè! Bedrijfswagens waren het, van uitzendbaanbaasjes die het gewaagd hadden mij af te snauwen. Ieder ongeluk kwam ik er zonder kleerscheuren af. Sterker, ik werd er alleen maar zelfverzekerder door. Daarom stuurde ik na het invullen van de verzekeringsformulieren altijd even een kaartje naar de Pornosnor. Om hem te bedanken voor zijn levensreddende lessen. Ik durf te wedden dat mijn casus onder zijn leerlingen tot een urban legend is uitgegroeid.

De Pornosnor
Muscle car for alpha males

In het insectenhotel

Bij mij aan de overkant van het kanaal was het ooit pais & vree. De A2 lag er gemoedelijk te ronken met haar onuitputtelijke modderstroom aan koekblikken die mij met hun fijnstoffen en uitlaatgeruis iedere avond in slaap wiegden. Geluk zit hem in kleine dingen! Helaas is er enkele jaren geleden een gemeenteraadslid op het onzalige idee gekomen om dit stukje snelweg ondergronds te maken, opdat de gruwelijk mislukte vinexwijk Leische Rijn erachter aansluiting kan vinden op de bruisende Domstad. Amaï! dacht ik, het is gebeurd met mijn woongenot!

En zo geschiedde. De A2 werd hier een paar honderd meter vertunneld waarna een colonne van kiepwagens er duizenden en duizenden kubieke meter aan hondenpoep op stortte, dat vervolgens met heipalen werd aangestampt. Jaren aan geluidsoverlast veroorzaakte deze nijverheid, maar dan heb je ook wat: in de poepheuvel wortelt nu het Prins Willem Alexanderpark, terwijl aan de voet ervan tweeverdienerswijk Leeuwensteyn zal verrijzen, met uitzicht op het kanaal – én op mijn doortochtflatje. Zelden was onbetaalbaar geluk zó binnen handbereik.

Nu wil het feit dat ik bijna dagelijks een binnensmonds vloekende zenwandeling door het park maak. In de eerste plaats om te checken wat voor mogelijke verstoringen ze er bouwen. Zo vrees ik voor een openluchttheater met The Voice of Leidsche Rijn of een voetbalveld vol juichende hooligans. Immers, de top van de heuvel zit op dezelfde hoogte als mijn penthouse en het kanaal werkt als een echobak. En voordat u me voor zeurkous verslijt: onze buurt wordt al jaren geteisterd door twaalf uur durende dancefestivals waarbij we letterlijk van onze balkonnetjes gedreund worden. Dus tel uit mijn oordoppen de komende jaren.

Ik wandel echter ook graag door het park omdat het nog ongerepte natuur is. Tussen de bulldozers en heimachines door kun je over een echte fazant struikelen of glijd je uit over een koppel parende vuursalamanders. Helaas ben ik ook op signalen van oprukkende vooruitgang gestuit: een hut met bordjes. Zo op het eerste gezicht lijkt het chalet bestemd voor een parkwachter die zich hier tijdens de lunch kan terugtrekken met boterhammetjes en pornoblaadjes, maar niets is minder waar. Volgens aanwijzingen hoort het bij een ‘insectenhotel’. Say what? Het staat er echt. Een hotel voor onze geleedpotige vrienden, die blijkbaar tot rust moeten komen na hun voetreis uit Leidsche Rijn. Probeer dat maar eens uit te leggen aan een expat.

Toch zie ik ook in deze vermutsing weer een uitdaging. Zo ben ik van plan op internet wat Chinese insecteneieren te bestellen en ga ik alle kamers van het hotel reserveren. Nog deze zomer zullen er duizenden van mijn reuzenhorzels (Vespa mandarinia hanniki) er hun koffer uitpakken om, op zo’n lome avond dat het Prins Bier Festival de geluidsbarrière wil doorbreken, de Leeuwensteyners en masse het kanaal in te drijven, terwijl ik aan gene zijde op mijn balkonnetje onder een bloedrode zonsondergang zit in te indommelen. Soms schuilt geluk in heel veel kleine dingen.

Met neon

In mijn wijk woont veel antisociaal volk. Ranzige tokkies, agressieve kampers, dreigende hangjongeren, chronisch klagende ziektewetters en een vreselijk boze witte schrijver die zich anders voelt dan alle andere bewoners. Een enkele keer trekt er een verdwaald hogeropgeleid paartje bij ons in, om na een jaartje huiveren weer te verkassen naar een starterswoning die wél aansluit bij hun wensdenken. Niet voor niets heeft de woningbouwvereniging onlangs twee en twintig (overigens opvallend Hollandsch ogende) studenten sociologie gevraagd om de bewoners met elkaar in contact te brengen. Arme schapen! Zij zullen in menig trappenhuis op een muur van onbegrip stuiten. We zijn hier nu eenmaal op onze privacy gesteld…

Ik mag dan mopperen op mijn buurt, eigenlijk voel ik me er helemaal thuis met mijn apocalyptische inborst. Ook vanwege het uitzicht. Want als je – zoals ik – gebukt gaat onder een welhaast masochistische arbeidsethos en voortdurend iets bedenkt om in godsnaam even niet te hoeven werken, kijk je graag uit het raam. Geen wonder, zullen mijn vrienden nu zeggen, met dat schitterende kanaal voor de deur! Maar voor dát raam hangen de gordijnen gesloten. Liever gluur ik aan de achterkant, uit mijn keukenraam. Achter mijn doortochtflat staat namelijk een andere woonkazerne, gescheiden door een binnentuin vol ludiek zwerfvuil. Zo heb ik zicht op een bijenkorf aan levens, net als in Hitchcocks Rear Window.

Nou is het niet zo dat ik tijdens het koken paaldanseressen in mijn blikveld tref die rekoefeningen doen in een helverlichte achterkamer, of echtgenoten betrap die hun eega met een slagersmes bewerken na het platina huwelijksfeest. Wel ben ik op een buitengewoon mysterieuze overbuur gestuit. Hij of zij heeft in de slaapkamer neonverlichting aangebracht, die bovendien van kleur verspringt.

Eerst vermoedde ik een lichtekooi, maar geen temeier die haar klanten klaar krijgt als zij verzuipen in een golf van ROOD-GROEN-BLAUW. Daarbij: áls je klanten wilt trekken laat je je baken toch in stemmig rood aan de voorkant branden. Nee, ik denk dat het om een vorm van contact zoeken gaat. Met aliens, of desnoods met buren. Dus. Als ik nou eens een schijnwerper van een aangemeerde rijnaak sloop en de buur vanaf mijn balkon in morsecode uitnodig tot een dialoog – om de laatste roddels door te nemen – dan krijgen we vanzelf dat stukje verbinding dat onze pauperbuurt tot prachtwijk zal maken. Ik zeg: pakken die kansen!

Nieuwjaar 2017
Klik op het plaatje!

*een waargebeurd kerstverhaal*

Het was een winter zoals we die al jaren niet meer meegemaakt hadden in ons landje. Sneeuwstormen teisterden de Heemraadssingel bij temperaturen zo laag dat zelfs de Elfstedentocht afgelast moest worden. De familie Hannik had zich met coltruien en wollen broeken tegen de elementen ingegraven rond de petroleumkachel die door onze vader zo hoog mogelijk opgestookt werd, terwijl moeder de vrouw in de keuken bezig was met het bereiden van een even voedzaam als zalig kerstmaal.

Groot was onze schrik dan ook toen er plots aangebeld werd. Wie kon dat zijn! In dit noodweer! Op dit uur! Een patiënt met slagaderlijke bloeding!? Behoedzaam opende mijn vader de voordeur. Daar stond de buurman, gehuld in maar liefst twee winterjassen, van top tot teen ondergesneeuwd. Nauwelijks verstaanbaar in de gierende wind vertelde hij ons dat er iets vreselijks gaande was op de singel. Of beter gezegd IN. Er was een meeuw gesignaleerd, VASTGEVROREN in het ijs! Bij het vernemen van zulk een gruwelijk nieuws barstten wij kinderen in snikken uit en trok mijn moeder lijkbleek weg. Op kerstavond nog wel liefst!

Mijn vader aarzelde geen moment. Hij haalde een ladder van zolder, een touw van de vliering en een zaklantaarn uit de kelder. Hij trok zijn ijsmuts tot over de oren en knoopte zijn kapiteinsjas dicht tot aan de neus. Even haalde hij diep adem, toen haastte hij zich met de buurman naar de plaats des onheils, recht tegenover ons huis. Ze waren niet de enigen. Een dozijn buurtbewoners had zich inmiddels aan de waterkant verzameld, wijzend naar een zwart stipje in het ijs. ‘Godzijdank!’ verzuchtten zij toen ze zagen wie de gelederen kwam versterken. ‘De dokter is er!’

Mijn vader richtte de zaklantaarn op het stipje in het ijs en tuurde er zwijgend naar. Hij stak een Chief Whip op, stampte vanaf de waterkant een paar keer op het ijs en legde toen met de vastberadenheid van een brandweerman de ladder op het bevroren oppervlak. Hoe hard het ook vroor, vorige week was er nog een patiënt onder het ijs verdwenen! Daarbij had mijn vader het postuur van een Russische tank. Oplettendheid was geboden!

Hij bond het touw vast aan de ladder, gaf het uiteinde aan de buurman, nam een laatste haal van zijn sigaret, pinkte de peuk weg en ging toen met zijn buik op de ladder op het allengs krakende ijs liggen. Stapje voor stapje sleepte hij zich met de ladder op zijn ellebogen naar het midden van de singel. Daar zat de meeuw met zijn pootjes muurvastgevroren. Zo versuft was het dier door koude en uitputting, dat het zich niet verzette toen mijn vader het ijs rond hem met de zaklantaarn aan stukken sloeg en de vogel oppakte. Dokter Hannik kreunde een signaal, waarop de menigte de ladder met vracht-en-al naar de oever trok, waar redder en slachtoffer onthaald werden op een daverend applaus.

Eenmaal thuis moest het kindeke in ons stalletje plaats maken voor de meeuw, die zich behaaglijk in het stro van de kribbe nestelde. De hele kerstavond zou hij gelijk een gans volgestouwd worden met mijn moeders kooksels – om aan te sterken voor de rest van de winter!

Of onze gast de feestdagen overleefd heeft weet ik niet meer. Wel kan ik me herinneren dat de kippensoep op Tweede Kerstdag anders smaakte dan gewoonlijk, al schrijf ik dat graag toe aan het onthutsende besef dat mijn vader de grootste held was van de hele dichtgevroren singel.

Ik wens jelui veel warme momenten in deez’ donk’re dagen…

Het vastgevroren kindeke
Goed laten trekken!

Van een sjoemeljournalist

Het is een kwestie van tijd. Hoe meer naam ik maak als authentiek en integer schrijver, hoe groter de kans is dat een jaloerse journalist onderzoek gaat doen naar mijn verleden. En die roots zullen een stuk minder authentiek en integer blijken. Om de dirt diggers een stap vóór te zijn volgen hierbij enkele bekentenissen van Berend van der Laan, drs. Samuel Boskoop en dr. Frank Mijnhart.

Het gaat om mijn eerste betaalde werkzaamheden als freelance journalist, zo’n dertig jaar geleden. Gezien mijn rijke fantasieleven en mijn weerzin tegen alles met waarheid zag ik mezelf vooral als een ‘creative reporter’. Moest kunnen vond ik, een beetje liegen, want schrijven kon ik als geen ander.

Die mening was ook mijn goede vriend H. toegedaan. Hij verzorgde de eindredactie van een fitnessmagazine. Eind jaren tachtig was iedereen nog lekker bezig met zijn body dus H. zat altijd verlegen om kopij. Hij kende mij als filmconnoisseur en vroeg me te schrijven over films met gespierde sterren zoals Stallone, Schwarzenegger en Eastwood. Bodyscope zou de rubriek heten. De stukjes waren prima leesbaar, al moest ik me inhouden om de films niet af te kraken.

Sterker, Bodyscope deed het zó goed dat ik van H. ook artikelen over fitness mocht schrijven. Onontgonnen terrein voor mijn persoon, geen probleem voor de creative reporter in mij. Het ene instructieve na het andere informatieve stukje poepte ik uit. Ik wist precies hoe het zat met reverse grip bench press, rationeel emotieve therapie, het belang van recuperatie en het verslavende effect van endorfine. Deze info roofde ik vooral uit Amerikaanse artikelen (‘Endogenous peptides and analgesia’) en alles wat ik niet wist of niet begreep verzon ik erbij. Overtuigende lulkoek, zo vond ik zelf.

Die mening was ook H. toegedaan. Bijna de helft van het blad mocht ik vullen. Dat moest natuurlijk wel onder pseudoniemen. Opnieuw geen probleem voor de creative reporter in mij. Deskundoloog Berend van der Laan zag het licht, die al spoedig gezelschap kreeg van Samuel Boskoop en Frank Mijnhart. Was de tweede een echte doctorandus, de derde had het zelfs tot doctor geschopt. Waarin precies bleef onduidelijk; men vermoedt iets met moleculaire levenswetenschappen.

Natuurlijk is het strafbaar om titulatuur te gebruiken als je slechts kunt bogen op een zwemdiploma en een bij elkaar gespiekt Atheneum A. Maar juist dat illegale gaf mijn antisociale inborst een kick. De Diederik Stapel van de bodycultuur voelde ik me, lang voordat Diederik uit zijn duim ging zuigen. Het was dan ook met smart dat ik de stekker uit mijn imaginaire wetenschappers moest trekken toen ik gevraagd werd om filmrecensent te worden bij de lokale omroep. Tijd voor echte journalistiek.

Of mijn intuïtieve fitnessstukjes ooit (blijvend) letsel veroorzaakt hebben ben ik nooit te weten gekomen. Wel hoop ik dat mijn jeugdzonden boven komen drijven als mijn integere en authentieke boeken beroerd blijken te verkopen, zodat ik in talkshows mag aanschuiven als prof. dr. ir. Berend S. Mijnhart, om de Peter R. de Vriesjes en andere allesweters even te laten merken wat een échte know-it-all is.

Bekentenissen van een zwendeljournalist
Meester in de rechten, dat ontbreekt nog

Op de Mathenesserdijk

Sommige auteurs lijken te schrijven om zichzelf te vereeuwigen. Ze hopen via hun werk voort te bestaan wanneer hun beenderen eenmaal zijn vergaan. Dan ben ik een stuk minder ambitieus. Ik schrijf om mijzelf ervan te overtuigen dat ik besta – scribo ergo sum als het ware.

Of bestaan héb. In 1980 bijvoorbeeld. Toen ik in het ex-peeskamertje van mijn vader woonde, op de Mathenesserdijk 273 te Rotterdam. Van het ene ongeschoolde baantje naar het andere doolde ik, op mijn reutelende Honda 550K3 viercilinder, om ’s avonds aan de bar van Dizzy te hangen. Als een geest op zoek naar zielenrust. Of was het een levensdoel?

Over dat jaar van mijn leven gaat mijn volgende boek. Een roman wordt het, maar ook voor autobiografische fictie moet je research doen om de couleur locale waarachtig te kunnen schilderen. Daarom duik ik regelmatig in het online fotoarchief van de gemeente Rotterdam.

Dit is de eerste foto waar ik op stuitte, van Mathenesserdijk nummer 273. Hij trof me als een mokerslag. Niet alleen omdat de foto me weer in 1980 bracht; op de Dijk, boven Textiel bij Hans, achter de telefooncel. Maar vooral omdat ik er zelf op blijk te staan. Stomtoevallig. Dat ben ik, die slungel met die gympen, amper meerderjarig, in gepieker verzonken, de hoes over de Honda trekkend. In het fotoarchief van de gemeente. Een overtuigender bewijs dat ik toen bestaan heb kan ik me niet wensen.

De kans is groot dat ik tijdens mijn research meer gemeentefoto’s uit die tijd zal posten. Minder groot is de kans dat ik ook zelf op al díe foto’s te zien zal zijn. Tenminste, dat mag ik hopen; het idee dat je overal bestaan hebt, zoals Woody Allens Zelig, is misschien nog angstaanjagender dan het gevoel dat je pas bestaat als je erover gaat schrijven.

Rein Hannik in 1980 op de Mathenesserdijk
In het gemeentearchief ergo sum

En hun rode viltstiften

Een van de weinige Nederlandse schrijvers die ik graag lees is mijn ex S. Tenminste, ik ken haar talent van twintig jaar geleden. Toen schreef ze columns in het Universiteitsblad. Naast die van mij. Onze stijlen konden niet méer verschillen. Haar stukjes gingen over de alledaagse halszaken van studenten, hadden een welhaast antropologisch karakter. Mijn schrijfsels waren vlammende pamfletten die ik vermomde als film- en televisierecensies - voor mij draaide alles om deductie en cadans. Concurrentie hoefden we van elkaar niet te vrezen.

We hadden ook zeer uiteenlopende roots. S. was opgegroeid in een strenggelovig, dorps milieu. Ze hield niet van de zelfkant of van de vurige discussies waarmee de grootstedelijke Rein haar tijdens redactieborrels probeerde in te palmen. Toch vertoonde deze brave meid ook radicale trekjes. Zo had ze ooit, toen ze zich voor een studie moest inschrijven, haar naam spontaan aan de balie veranderd van een ‘N……’ in een ‘S......’ Dat is nogal wat, zo’n metamorfose! Alsof je je doping ontkent! Aan de andere kant, ‘N……’ klinkt als een Hollandsche meid die met melkbussen door de zompige polder sjouwt, terwijl je met een ‘S......’ al gauw de literaire salon aan je voeten denkt te hebben.

Zoals dat gaat met tegenpolen, kregen we verkering. Die verliep uiterst moeizaam want daar heb ik nu eenmaal patent op. Geruzie, geweifel, gemok. En zeer verschillende dromen. S. wilde een echte schrijver worden, ik had mijn zinnen gezet op stand-up comedy en zingen in een bandje - iets met direct contact. Toch waren er momenten van harmonie. Mijn beste herinneringen zijn de keren dat we samen elkaars columns redigeerden. Dankzij mijn rode pen werden haar columns een stuk minder truttig, dankzij haar strenge viltstift de mijne veel minder macho. Na afloop van zo’n brainstormsessie hadden we knetterende seks, al kan die laatste herinnering ook het gevolg zijn van kortsluiting in mijn dementerende geheugen.

Hoezeer we elkaars schrijfkunst ook respecteerden, uitgaan moest het natuurlijk wel. Daarbij stuurde het Universiteitsblad ons na tien jaar de laan uit. S. en ik verloren elkaar uit het oog. Twee decennia passeerden. Tot ik enkele dagen geleden met mijn debuut ‘Coef’ bij het AD leurde, omdat daar een oud-collega van het Universiteitsblad werkt. Hij zei me dat een andere ex-collega van het U-blad, ons aller S., een uur eerder hetzelfde gedaan had met háar debuut! Wat!? reageerde ik. Is S. schrijver geworden! Synchroon met mij! Daar moest ik toch wel even om grijnzen.

Ik kon het ook niet nalaten om op haar blog te spieken naar de presentatie van haar roman. En jawel hoor, daar staat ze, glunderend in een veel te nette jurk. Dol- en dolgelukkig is ze. Apetrots. En terecht. Daar ben ik toch wel jaloers op, want ik voel zelf bar weinig bij mijn debuut, vastgezogen in een vacuüm. Misschien komt ‘het’ nog, bij de presentatie op zondag 16 oktober. Live contact is immers een stuk spannender en dus bevredigender dan veilig achter je pc’tje jongleren met deductie en cadans. En nee, ik heb S. niet uitgenodigd. Vind ik ongepast, aangezien zij ook niet aan mij gedacht heeft. Jammer eigenlijk, want we hebben toch aan elkaars schrijverswieg gestaan. Een pact dat dieper gaat dan verkering. En wie weet, kunnen we ooit elkaars volgende manuscript redigeren. Om even bejaard na te knetteren.

Kill each other's darlings
Even wat darlings over de kling jagen

Des levens

Met enige regelmaat stuit ik op Facebook op filosofische quotes. Van wijsgeren, wereldleiders, asceten. Ze zetten me zelden aan het denken. Niet omdat ik de inzichten allemaal onzin of gratuit vind, maar omdat ze de recalcitrant in me oproepen. Don’t teach me! schreeuwt het in me in fatsoenlijk Nederlands. Want ik weet het zelf zoveel beter. Of niet. Maar laat mij in godsnaam zelf ploeteren.

Eigenlijk is er maar één tegeltje dat ik uit mijn eigen bestaan heb weten te peuren: ‘De mensheid bestaat uit sukkels, en de grootste sukkels zijn de sukkels die denken dat ze geen sukkels zijn.’ Daarom laat ik me zo graag vervoeren door de lulligste foto’s uit mijn leven. Zoals dit kiekje met Rotterdamse vrienden na een bezoek aan de ZOO van Antwerpen, honderd jaar geleden. Overjarige snotneuzen, die het belangrijker vinden om een flauwe grap te maken over de annalen dan om hun intellect te spuien met andermans inzichten. Monty Python’s Meaning of Life zit hen in het gebeenderte. De kiek doet me gloeien van trots.

Ik beschouw mezelf als een buitengewoon somber mens. Maar ook als een die geen gelegenheid laat schieten om onbezonnen lol te maken. Om even de schater te horen galmen die onze pirouetten terugbrengt tot de klompendans die ze zo graag willen zijn. God beware me als deze post ooit tot een tegeltje wordt.

Ode aan de sukkels
Sukkels voor de ZOO

Van de live uitzending

Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ben ik in oktober te gast bij een nieuw live televisieprogramma. De pilot laat nog even op zich wachten, maar het schijnt een nieuwe 5 Uur Show te worden. Aanleiding voor de uitnodiging is mijn debuut Coef: de weg van de waanzin. Uiteraard ben ik blij met deze extra publiciteit, wel vraag ik me af in hoeverre het tot de redactie is doorgedrongen hoe heftig mijn boek is. Een verhaal over jappenkampen, LSD-therapie en paranoïde psychoses, probeer dat maar eens hapklaar op te dienen tussen de ditjes & datjes die zo'n gezelligheidsshow kenmerken.

Meer zorgen maak ik me over het ‘live’ karakter. Want ‘live’ is toch wel heel erg live. Gelukkig heb ik de nodige ervaring opgedaan met televisie en radio, weet ik precies hoe mis het kan gaan. Zoals tijdens die radioshow, ergens eind jaren ’80, toen ik als vaste filmrecensent mijn ongezouten mening mocht ventileren. Voor de afwisseling had ik besloten een keertje niet van een netjes getypt velletje op te lezen, maar te IM-PRO-VI-SE-REN. Dat heb ik geweten. Geen zin kwam er normaal mijn strot uit. Mijn tong leek gegijzeld door mijn overbewustzijn. ‘DIT IS LIVE, REIN!’ galmde het door mijn kop. ‘DIT IS ONTZETTEND LIVE! HEEL UTRECHT KAN JE HOREN ALS JE ER NU “HE*L H*TLER” UITFLAPT! DIT GAAT HELEMAAL MIS! DIT WORDT DE AFGANG VAN JE LEVEN!!’ Op het laatste hoorde ik alleen nog de kortsluiting in mijn frontaalkwab knetteren. Toen ze mijn gehakkel eindelijk overstemd hadden met een Gouwe Ouwe was ik reeds afgedaald in de Marianentrog, om daar mijn overmoed en vermeende nonchalance in totale duisternis te vervloeken.

Uitgaande van dit worst case scenario heb ik mezelf inmiddels de nodige mediatraining gegeven voor mijn gastoptreden in oktober. Goed instuderen, die spontaniteit! En de spiekbriefjes liggen al klaar. Maar ik vertrouw vooral op Plan B. Als me gevraagd wordt hoe dat nou VOELT, zo’n boek schrijven over een GEKKE MOEDER, en ik het antwoord niet mag oplezen, zal ik overgaan op een stevige La Tourette (‘VIEZEVUILEGORETERINGJAPPEEEEEEEEEEEN!!’), die later verklaard zal worden uit Tweede Generatieproblematiek (‘kampsyndroom’ klinkt zóveel literairder dan ‘verward’), waarna ik afrond met een perfect gesimuleerde psychose, om schuimbekkend en stuiptrekkend afgevoerd te worden en plaats te maken voor een gezellig item over Zaandamse vloggers die aan politie-huggen doen. Wedden dat ik de week daarop in Heel Holland Bakt zit?

De Marianentrog
Gewoon jezelf blijven

Coef ligt in oktober in de winkel

Tot die tijd moeten jullie het doen met deze tevreden Rein en zijn verhalencollage. Dank voor het lezen van mijn schrijfsels en de vele schouderklopjes op Facebook! XR

Rein Hannik
Trots op zijn copyright tattoo

Van Le Carafon

Hij is niet meer. Rany, baas en enig personeelslid van nachttent Le Carafon. Bezweken aan longkanker, terwijl hij al jaren geleden gestopt was. Dat krijg je er nu van.

Toen ik in lang vervlogen tijden nog nachtbraakte in Utrecht, kwam ik regelmatig in zijn tent terecht. Logischerwijs bijna, want Le Carafon ging pas open als gewone kroegen hun luiken sloten. Met dat enorme traliewerk voor het raam straalde het precies het Einde der Illusies uit waarin ik me thuis voelde met een slok op. Ook werd het gemeden door studentjes, en met hen de onuitstaanbare onbezorgdheid die de Domstad teistert. Le Carafon was Utrechts remise der zuiplappen.

De meeste stamgasten stamden net als Rany uit de Antillen of Suriname, waardoor de sfeer me aan het Katendrecht van begin jaren tachtig deed denken. Niet dat blanken weggestaard werden, of freaks weggehoond. Integendeel. Zo zat er vaak een roomblanke leernicht in vol ornaat aan de bar, met zijn maatje aan een hondenriem gedwee aan zijn zijde, beiden doodserieus aan hun borrel nippend, alsof drinken hun beroep was. Alcoholisten zijn zelden levensgenieters.

Maar eigenlijk was Rany dat zelf wel. Met zijn luide stem, bulderende lach en imposante fysiek had hij alles in zich om als herbergier-from-hell te figureren in een cultfilm. De hartelijkste nachtburgemeester denkbaar, een titel waarvoor hij overigens bedankte. But make no mistake. Le Carafon was zíjn kindje, en al dat gezuip verliep ordentelijk dankzij zijn zero tolerance. Als je met dronken kop beweerde dat je te weinig wisselgeld had teruggekregen, of als je mot kreeg met een van de stamgasten, werd je subiet de tent uitgekafferd. Gelukkig kwam dat zelden voor. Terwijl Stevie Ray Vaughan uit de speakers soleerde, zo knetterhard dat alleen Rany’s bulder er bovenuit kwam, kreeg je er even het gevoel dat Het Einde der Illusies slechts een illusie was.

Hoe stoer ik daar ook aan de bar hing, Rany noemde mij steevast ‘schatje’ omdat ik altijd zo vriendelijk tegen iedereen deed. Uit zijn mond klonk dat als een macho compliment. En iedere keer als ik daar de deur uitwaggelde met een loszittend shagje in de mondhoek, net voldoende in control om mijn decorum op te houden, en verwelkomd werd door een voorzichtig zonnetje, dan wist ik dat die luttele roofbouwuurtjes misschien tien jaar van mijn gezondheid hadden weggespoeld, maar dat ze me ooit nog eens een mooie herinnering zouden opleveren. Al was het maar doordat Rany’s tent de enige kroeg is geweest waarin ik nooit een laatste ronde heb meegemaakt.

Rany droomde altijd van een stukje land in Suriname. Die illusie is een droom gebleven. Wel zijn de stamgasten nog met de pet rondgegaan voor een andere wens van hem: een Mercedes CLK cabriolet. Daar rijdt hij nu in rond aan gene zijde. Met triomfantelijke bulder.

De opvolger, Le Carafon Next Generation, rekent vast op de oude klandizie. Mij zullen ze er niet treffen. Niet alleen omdat de stamvader niet meer is, ook omdat ik nu opsta op een uur dat ik vroeger uitging. Naarstig op zoek naar Het Begin der Illusies.

Le Carafon
Het Einde der Illusies

Van de levensfilm

Sommige mensen die ternauwernood aan de dood ontsnapt zijn, beweren dat ze de hoogtepunten van hun leven aan zich voorbij hebben zien flitsen. Een afscheidsgeschenk Gods? Sinds ik van het fenomeen kennis heb genomen loop ik erover te piekeren, want zo’n resumé van je bestaan roept de nodige vragen op.

Om te beginnen: wie bepaalt de keuze van de levensfragmenten? Mag je dat zelf, of liever gezegd je eigen onderbewustzijn, dat doen? Of haalt God razendsnel jouw greatest hits van de plank voor zo’n prematuur IM? Als God het voor ’t zeggen heeft is het maar de vraag of we naar die momenten moeten uitkijken, want Hij kiest geheid voor de beproevingen; de mislukkingen, de afwijzingen, de ontgoochelingen. Die hebben immers een mensch van je gemaakt.

Als we zelf mogen beslissen kiezen we natuurlijk voor onze dierbare herinneringen. Ik weet er wel een paar. Veilig op de bruinverbrande schouders van mijn vader in de branding van de Méditerranée. Die eerste echte vrijpartij in dat met zonlicht overgoten flatje. Mijn ex die zo hard om mijn rare grap moest lachen dat ze in haar broek pieste. Samen met de stiefkinderen gekke bekken trekken voor de webcam. En iedere ‘like’ die ik voor mijn schrijfsels heb gekregen en mijn zelfvertrouwen heeft gespekt. Voor een ander misschien restmateriaal van een commercial voor levensverzekeringen, voor mij onzichtbare mijlpalen die zich in me verankerd hebben.

Maar ik zit met meer vragen over het levensfilmpje. Zijn de flitsen net zo onbetrouwbaar als je geheugen dat is? Duurt de film langer als je eenmotorige vliegtuigje op tienduizend voet pech krijgt dan wanneer je plots door een tram geplet wordt? Kun je de kwaliteit van de beelden beïnvloeden door zo bijzonder mogelijk te leven? Worden zelfmoordenaars de flitsen onthouden omdat ze de kogel zelf afvuren? Krijgen blinden uitsluitend luisterfragmenten voorgeschoteld? (En hoe zit het dan met doofstomme blinden?) Zal een gesneuveld kindsoldaatje uitsluitend gruwelijke passages zien? Moet een geaborteerde foetus het doen met wat dia’s van de baarmoeder? Van die dingen.

Gelukkig zit ik er niet altijd over te piekeren. Want of er nu levensflitsen komen of niet, diep in mijn hart weet ik dat Het Einde een overweldigend gevoel van troost zal bieden. Dat is het enige waar wij stervelingen ‘recht’ op hebben, als we het ongevraagde cadeau dat Het Leven heet uit onze vingers laten flikkeren, als ware het een vettige lavalamp: de illusie dat onze fanfare in het aardse dal ergens goed voor geweest is. Om wat voor onuitspreekbare reden dan ook. Daar zijn geen greatest hits voor nodig – die bewaren we wel voor Facebook.

De onzichtbare mijlpalen
Het achterhoofd telt maar door

En de tegenligger

Na echtscheiding en verhuizing staat ie op de derde plaats in de TOP 10 van dodelijke stressveroorzakers (CBS 1976): vakantie. Niet verwonderlijk dus dat die drie weken het slechtste in de mens naar boven halen. Althans, dat doen ze bij mij. Stikchagrijnig word ik ervan, dat gelanterfant in een land waar ze geen fatsoenlijk Nederlands spreken en je niet met guldens kan betalen. En dan dat godvergeten GENIETEN! Alsof het leven daarvoor bedoeld is!

Voor mijn ex-vriendinnen is vakantie vooral stressmaker nummer drie geworden dankzij mijn persoon. Zoals die arme P. Zij was mijn eerste echte relatie, had geen idee wat voor vlees ze in de kuip had toen we samen landjes gingen hoppen door Europa. In haar Eendje, begin jaren ’80. Oftewel B-weggetjes afwaggelen, poedelen in authentieke beekjes en kamperen waar dat ‘t minst mag.

Heel romantisch allemaal, maar na een week in een lekkend tentje word je toch behoorlijk met elkaars verbeterpuntjes geconfronteerd. Zo bleek P. erg gesloten. En ik erg extravert. Maar vooral ongenietbaar. Kicks zocht ik! Euforie! Meeslepend avontuur! Als P. zich aan mij ergerde, hield ze zich wijselijk in. Chagrijnige mannen zijn net mokkende kinderen, die moet je even laten.

Om wat stoom af te blazen mocht ik in Frankrijk achter het stuur kruipen. Ha! Ik zou haar eens laten zien hoe je met twee paardjes onder de kap heuvel-op vrachtwagens inhaalt! Sur le chemin! Nou lijkt het met zo’n opgerold canvas dak en luchtgekoeld motortje al snel alsof je door de geluidsbarrière knalt, maar ik bewees me een voorbeeldig coureur. Tot ik ons op een tweebaansweg naast een poids lourd gemanoeuvreerd had. Zo een die eindeloos lang blijkt. We kwamen er maar niet voorbij, hoeveel peentjes de paardjes en ik ook zweetten. Een monstertruck was het! Daarbij leek ie snelheid te maken om die rotHollanders eens een poepie te laten ruiken. En toen. Toen kwam die bocht. Met die tegenligger. Die de heuvel áf raasde. Mijn hart sloeg over, ik trapte het gaspedaal door de roestbodem heen, om daarna keihard op de rem stappen, waardoor het Eendje wild zwabberend en met gillende bandjes net op tijd achter de monstertruck terecht kwam.

Trillend zette ik de auto aan de kant. Zuchtte diep. Staarde naar mijn versleten gympen. Woedend was ik op mezelf. PUBER! schreeuwde het door mijn kop. MANNETJE! KAFFER! KLOOTZAK! En dat allemaal zonder kreukelzone, zonder gordels en zonder dak. Ook van P. verwachte ik de volle lading; ik had immers met haar leven gespeeld. Maar niets van dat al. Ze gaf me een zoen op mijn rechterwang. Zo teder, zo troostend, zo koesterend, dat de tranen me in de ogen schoten. Damn. Dat was wat ik al die tijd nodig had gehad. Ik hóefde van haar helemaal niet te genieten.

Die laatste twee weken van de vakantie heb ik genoten. Van het onverstaanbare Oostenrijks, het Italiaanse Monopolygeld en de Vlaamse zakkenrollers. En vooral van P. en de rust die ze uitstraalde. Maar met mij op vakantie is ze sindsdien niet meer gegaan.

De zoen
Europa hoppen met 80 per uur

Van de mondhygiëniste

‘Je gebit, dat is je uithangbord!’ Deze levenswijsheid werd ons thuis onder de neus gewreven, lang voordat we in de spiegel hadden leren kijken. Ik schrok er een beetje van, want mijn uithangbord hing wel heel erg in de picture. Een ivoren waaier leek het! Dus toen er om de hoek een orthodontist kwam wonen, lieten mijn ouders mijn overbite onmiddellijk in de beugels hijsen. Jarenlang moest ik slapen met zo’n plaatje dat aan je verhemelte plakte en naar oude mensen rook. Maar het resultaat mocht er wezen: nog voor mijn puberteit aanbrak was mijn waaier getransformeerd in een Macleans smile.

Zo veel complimentjes kreeg ik voor dat gebit dat ik reflexmatig grijnsde, ook als er weinig te grijnzen viel. Het gaf me een gevoel van macht, alsof ik een geheim wapen paraat hield achter mijn verlegen smoelwerk. Het zou ook mijn ego overeind houden toen ik jarenlang door acne geteisterd werd. En zo kon het dat er lang voor mijn ontmaagding een enorme flirt in mij ontwaakte. ‘Heeere’s Johnny!’ klonk het iedere keer in mijn hoofd als ik de kroeg toegrijnsde.

Dit allemaal tot grote ergernis van Moedertje Natuur. Die had me liever met mijn authentieke overbite laten rondlopen. Zo’n schoonheidsfoutje houdt een mens nederig. Toegegeven, hoeveel aandacht de Macleans me ook opleverde, relaties heb ik nooit niet langer dan een paar jaar kunnen volhouden. Altijd was er weer die onrust, die behoefte aan groener gras om mijn tanden in te zetten. Inmiddels ben ik de midlife gepasseerd en begint mijn inner Jack Nicholson een beetje pathetisch te klinken.

Daarbij heeft Moedertje Natuur me iets gegeven om me een toontje lager te laten zingen: parodontitis. Dat is een aandoening waardoor je tandvlees bij de geringste tandplak ontsteekt. Anders gezegd: als ik in de middeleeuwen geboren was, had ik nu met een kunstgebit gelopen (en zelfs dat niet). Gelukkig leven we in de Eeuw van de Mondhygiëniste! Al een kwart eeuw zoek ik haar elk kwartaal op, ook nu haar tandartsenpraktijk verkast is naar een dorp onder de rook van Utrecht. Uren ben ik kwijt aan wachten op streekbussen. Maar dan heb je ook wat. Bij iedere tandartscontrole kom ik glansrijk door de APK.

Maar ik ben niet alleen dol op mijn mondhygiëniste omdat ze haar werk zo goed doet. Ze is ook een ontzettend Fijn Mens. Zo iemand die je altijd complimentjes geeft, ook als je wat minder vlijtig geflost heb. Die je monsters meegeeft van vertegenwoordigers zodat je nooit meer dure tandpasta hoeft te kopen. Die op je wacht als je bus vertraging heeft of extra snel schrobt als je een bus moet halen. Ze waakt over mij. Of in ieder geval in mijn gebit.

Daarbij is zo’n schoonmaakbeurt voor mij een leerzaam moment. Want als ze met me bezig is, kan ik niet grijnzen of grapjes maken of over het leven tetteren. Dat halve uurtje ben ik de bescheidenheid zelve. Het is ook bij haar dat ik heb leren luisteren. Niet dat ze een flapuit is, maar in de loop der jaren heeft ze me een en ander toevertrouwd. Dat ze al iets van een kwart eeuw weduwe is. Dat ze drie kinderen in haar eentje heeft moeten opvoeden. Dat ze geen ruimte heeft gehad voor flirts, laat staan voor liefde. Tegen de zestig liep ze inmiddels, dus ik dacht wel eens: die is kansloos bij Cupido. Terwijl ik niet eens wist hoe ze er precies uitziet, omdat ze dat mondkapje altijd voor heeft.

Maar Moedertje Natuur neemt niet alleen, soms geeft ze wat. En nog somser geeft ze dat aan hen die dat ’t hardst verdienen. Zo vertelde mijn hygiëniste me een jaar geleden dat ze verkering heeft. Met een twintig jaar jongere vent nog wel liefst! Ze was de eerste om haar twijfels uit te spreken over de levensvatbaarheid van de relatie. Maar ze klonk zo enthousiast, zo vol vertrouwen. En met reden. Want het blijft aan. Het gaat goed. Ze is zelfs gaan samenwonen. En bij de laatste poetsbeurt meldde ze trots ze dat ze deze zomer nog in het huwelijksbootje stapt! Toen ik dát hoorde moest ik tijdens het spoelen even een traantje wegpinken.

Eenmaal buiten, wachtend bij de elektronische bushalte die altijd belooft dat de bus snel komt maar mij expres langer laat wachten (omdat dat een mens nederig houdt), onderzocht ik de oogst die ze me had toegestopt. Tandpasta, ragertjes, mondwater en… een mondkapje. Dat laatste was vast niet haar bedoeling geweest. Maar misschien wel die van Moedertje Natuur. Een hint dat ik me eens anders moet presenteren, dat ik een nieuwe profielfoto op Facebook moet plaatsen, met dat mondkapje vóór. Zodat mijn lezers die andere Rein eens leren kennen. Die er ook best wezen mag: bescheiden luisterend – als een gemuilkorfde Hannibal Lecter.

Het mondkapje
Cheese!

In de boekenwinkel

Het was de walnoot in mijn pennenbakje die me aan H. deed denken. H.-van-de-boekenwinkel. Samen met een kameraad runde hij een antiquariaat in het centrum. Dat deed ie dertig jaar lang, maar eigenlijk was hij vooral een anti-verkoper. Want klanten, daar had ie ’t land aan. Vréselijk volk vond ie dat. Domme vragen. Gezeur. Geplak. Liefst werd ie met rust gelaten, zodat hij de tienduizend boeken van zijn winkel kon herlezen, als het even kon met tienduizend glazen wijn binnen handbereik.

Toch was dat geplak deels aan hemzelf te wijten. Want H. kon enorm charmeren. Zijn onNederlandse gastvrijheid maakte het boekenwinkeltje tot magneet voor bibliofielen. Zo tegen sluitingstijd stroomde het vol intellectuelen die hun kennis der Letteren etaleerden; verkopfte, overjarige studenten die meer met boeken en schrijvers hadden dan met het leven waaruit die verhalen gedestilleerd waren. Ze ademden een lethargische passie uit.

Dan vond ik H. een aangename uitzondering. Alleen al omdat hij zo fysiek was. Op het liederlijke af zelfs. Een boomlange kerel die zoop als een Rus, rookte als een ketter en en passant de – bij voorkeur wat rijpere – dames het bed in praatte. H. leefde zoals hij dacht dat een schrijver dat doet. Omdat ik het winkeltje meed zijn we nooit vrienden geworden, maar als we elkaar troffen in de kroeg of op een feestje, klikte het alsof we samen opgegroeid waren. Kon hij lullen als Brugman, ik oreerde volgens hem als een predikant. Dat kwam bij mij binnen als een compliment.

H. had geen sterke persoonlijkheid. Bij de vierde fles wijn begon hij zich steevast in zijn gesmoorde ambitie te wentelen. Hij had schrijver willen worden maar was, zoals zoveel romantische lezers, meer absorbant dan scribent. Bovendien had hij ontzag voor Grote Namen. En was ie aartslui. Eén titel heeft hij eruit weten te persen. Geen Great Dutch Novel, wel een bescheiden werkje vol aardige anekdotes. Over klanten die domme vragen stellen, aan zijn kop zeuren en in de winkel blijven plakken.

Door dat imposante lichaam leek hij ondanks zijn alcoholisme onverwoestbaar. Dat was ie niet. Hij kreeg kanker. Toen bekend werd dat hij nog maar twee maanden te gaan had, besloot ik hem thuis op te zoeken. Dat voelde aanvankelijk wat onwennig, alsof ik een stamgast zonder decor van tap en kastelein had getroffen. Hij liep moeizaam met een stok vanwege uitzaaiingen in het bekken. Emmers vol morfine moest hij slikken tegen de pijn. Maar van zelfmedelijden was niets te bespeuren. Integendeel. H. weigerde zich van zijn stuk te laten brengen door de dood. ‘Ik kan het écht niet erg vinden om te sterven. Ik heb een mooi leven geleid, vol kunst en liefde.’ Die avond lulden we zoals we altijd geluld hadden. Zwarte grapjes, ongeloofwaardige verhalen en onbruikbare wijsheden. Hij praatte alsof ie op vakantie ging. Toen we afscheid namen vroeg ik of ik iets van hem ter herinnering mocht meenemen. Ik koos voor een stomme walnoot, zo een die zich maar niet laat kraken.

Wij onsterfelijken weten niet hoe het voelt om ter dood veroordeeld te zijn. Kunnen ons niet voorstellen hoe we ons zullen houden na het slechtnieuwsgesprek. Zo had niemand verwacht dat Bourgondiër H. met zijn zwak voor zwelgen zijn lot zó waardig zou dragen – of juist onwaardig, in de goede foute zin van het woord. Hij deed zich evenmin voor als een vechter, zo’n terminale die op posters gepresenteerd wordt als een krijger, met grimmige been-through-it-all-blik, alsof woekerende cellen een uitdaging zijn. H. had daadwerkelijk vrede met het tijdelijke. En hoezeer ik mij ook gezegend voel met de drive om mijn schrijfambities wél te verwezenlijken, soms zou ik al die Spartaanse ijver even willen verruilen voor de gekreupelde maar daarom niet minder zwierige wals die H. van zijn laatste twee maanden op aarde wist te maken.

De noot en de dood
De boekenwinkel

In the sequel

Het fijne aan renoveren is dat je tijdens het opruimen van je zooi op lang vergeten pareltjes uit je jeugd stuit. Zo trof ik deze aquarel uit de tijd dat ik nog Walt Disney wilde worden. De dynamiek was onmiskenbaar aanwezig, alleen de toon moest ik nog wat verfijnen. Wat een onverwachte sequel was dat geworden!

When Bambi got lynched
De passie van een kind