blog titels

Blog

In de rioolbuis

Er is iets aan de hand met natuurliefhebbers. Hun emotionele huishouding is van slag. Zodra ze een voet in een bos zetten beginnen ze ongegeneerd te genieten. Instant geluk ervaren op basis van een paar struiken, dat is niet geloofwaardig. Óf ze liegen dat het gedrukt staat, of het zijn drama queens. Want de mens hoort helemaal niet thuis in de natuur.

Dat we ons aan het eind van de voedselketen wanen, is hoogmoed. We zijn gebouwd voor HoogCatharijnes. Daarbuiten overleven we niet. Kijk maar eens goed naar die mooie natuur. Overal beesten die elkaar opvreten, honger lijden of anderszins creperen. Een soort Oostvaardersplassen, maar dan echt. Moet je natuurlijk wel oog voor hebben. Zoals ik, tijdens mijn meditatieve snelwandeling door het Willem-Alexanderpark.

Dat is een kunstmatige heuvel waarop woningen voor tweeverdieners verrijzen. Mijn aandacht hier gaat vooral uit naar de aanleg van de riolering, op zoek naar een mooi verhaal. Maar ik heb ook oog voor het groen. Dat is namelijk nog genieters-vrij: van god verlaten greppels en plassen en sloten waarin beesten elkaar opvreten. Ongerept en rauw. Typisch een plek waar je op een exoot kunt stuiten.

Een exoot is een dierensoort die als verstekeling meegereisd is met de cokeboot uit Colombia, of ontsnapt is uit het terrarium van je neefje. Een ongewenste vreemdeling die zich hier tegoed komt doen aan inheemse flora & fauna. Inmiddels zitten onze beekjes vol bijtschildpadden, onze bomen vol krijsparkieten, onze wandelpaden vol grote boze wolven. Dus waarom geen anaconda in de greppels van Willem-Alexander. Het idee van zo’n Fremdkörper tussen onze bloemetjes & bijtjes, daar kan ik nou van genieten. Misschien omdat ik de miscasting herken.

En anders doet deze fazant dat wel. Geïmporteerd door de Romeinen is deze exoot nu vooral een vreemde eend in onze stadsbijt. Met zijn verenpracht en kuierende motoriek hoort ie thuis in zo’n 17e-eeuws schilderijtje van een herderspaartje dat de liefde bedrijft in romantisch struweel. Niet tussen de high end heimachines. Toen ik het dier wilde benaderen voor een stukje verbinding, stootte het een noodkreet uit alsof IK de exoot was. Zijn alarm werd vanuit alle hoeken van het park beantwoord. EIGEN EXOTEN EERST! klonk het overal. Eenmaal omsingeld heb ik mijn heil gezocht in een braak liggende rioolbuis – de enige natuurlijke habitat van de schrijver. Om daar eens ongegeneerd na te genieten.

In zijn loods

Wat weinig mensen weten, is dat God met het verstrijken der eeuwigheid een oude conciërge is geworden. Een sloeber met spataderen en spit die zonder veel animo een loods aanveegt, binnensmonds mopperend op de mensheid, af en toe een fluim spugend in eigen stofwolk. Not a pretty picture.

Toch is het allemaal hier begonnen, in dit duistere pakhuis. Eerst met de Big Bang, daarna de eencelligen, toen de dino’s. En uiteindelijk de mens. God heeft zich helemaal het apenlazarus gewerkt aan het leven. Maar vandaag de dag ziet geen hond hem nog staan. Genegeerd wordt ie, uitgelachen op zijn best, omdat niemand meer in hem wil geloven. Sterker, we denken dat wij hém uitgevonden hebben, in plaats van andersom. Godgeklaagd is het.

Toch begrijpt hij het allemaal wel. Vroeger was ie immers net zoals wij zijn. Vol van zichzelf, badend in een zee van ambitie. De hele dag bezig met zijn creatie. Pas toen zijn evenbeeld er een puinhoop van gemaakt had, is ie een toontje lager gaan zingen. Werd ie de bescheidenheid zelve. Om uiteindelijk een schim van zichzelf te worden.

Maar helemaal uitgespeeld is de Almachtige niet. Soms heeft hij diepe gedachten. Vooral tijdens het vegen, dan kauwt hij op de kleine lettertjes van ons contract. Op de passage waarin staat dat het leven der mensen gelijk moet zijn aan lijden. Die wil hij schrappen. Dat lijden, dat geeft alleen maar gedonder! Kijk maar naar die rotzoon van hem, die laat niets meer van zich horen! Probleem is dat het leven vaak lijden IS, zeker nu we niet meer in hem willen geloven. Kon hij de mens zijn somberheden en stommiteiten maar doen vergeten, zodat ze met een schone lei een doorstart kunnen maken. Misschien dat God dan zelf weer lol krijgt in zijn creatie.

Toegegeven, het is er nog niet van gekomen. ’t Is ook niet een echt plan, meer een voornemen. En natuurlijk weet God dondersgoed dat wij ook die tweede kans zullen verbruien. Met nieuwe somberheden en nieuwe stommiteiten. Toch vindt hij het een mooie gedachte, zo’n tweedekansknop. Daar zit meer muziek in dan in dat topzware geloof in een hiernamaals, mompelt hij terwijl ie nog een bakje inschenkt in de overigens verlaten kantine.

Eigenlijk vindt God zijn overpeinzingen op zich al indrukwekkend genoeg. Sterker, iedere keer als hij op de kleine lettertjes kauwt, hoor je hem fluiten. Licht hij even op in de loods. Wordt ie zichtbaar in zijn stofwolk. Dan sloft ie maar eens naar het toilet voor een grote boodschap, binnensmonds mopperend op de mensheid, wachtend op zijn eigen, tweede kans. Om na de bevalling een eeuwigheid zijn handen te wassen.

De conciërge
Hard werken

In de stadsboerderij

Je ziet ze wel eens langskomen op Facebook: foto’s uit verre landen waarop de stadsvernieuwing met de grootst mogelijke moeite om een huisje heen heeft moeten bouwen omdat de eigenaar ’t vertikt het pand te verkopen en te verkassen. Rare jongens, die Chinezen! denk je dan. Maar ik krijg er ook een toekomstvisioen bij.

Dat zit zo. Aangezien ik bezig ben met een autobiografische roman over een excentrieke schoolverlater-die-niet-weet-wat-ie-wil-worden, vraag ik mij regelmatig af wat ik toentertijd van mijn huidige zelf had gevonden. Vermoedelijk was ik me rot geschrokken. Wat een nukkige workaholic! Wat een kale kop! Wat een Iglobaard! Behoorlijk confronterend, zo’n fantasie. Daarbij is er geen enkele reden om aan te nemen dat ik me over NOG eens veertig jaar niet opnieuw zal rot schrikken van de dan 99-jarige Rein.

Tegen die tijd ben ik uit mijn flatje getrapt omdat de huurtoeslag is opgeheven. En heb ik mij, de maatschappij vervloekend omdat niemand mijn boeken wil kopen, teruggetrokken als kluizenaar. Ik weet ook precies waar: in de boerderij op de foto, gelegen bij de Douwe Egbertsfabriek. Deze hoeve wordt nu al ingeklemd door woekerend asfalt, drie parallelle bruggen, een megapopcornbios, een uitdijende yuppiewijk en een groeiend glaskantoor dat straks een schaduw op dit al zal werpen. Zo snoept de Toekomst iedere dag iets van het erf af.

Toch houdt de boerderij moedig stand. Ik heb dus goede hoop er in het jaar 2058 als senior kraker te zetelen. Dan zullen dagjesmensen op veilige afstand toezien hoe een uitgeteerde bejaarde met ZZ Top-baard heen en weer rent tussen methlabschuur, wietplantage en papaverkas, om af en toe met zijn dubbelloops wat hagel af te schieten op ’s lands laatste postbode, en zich ’s nachts te wijden aan wat – na zijn dood – zijn enige bestseller zal blijken: een autobiografische roman over een excentrieke schrijver-die-niet-weet-hoe-ie-kan-doorbreken. Damn. Ik heb er nu al zin an.

Boerderij
Leven in de moerassen

In de miezer

Drie maal hetzelfde schip. Links de belofte uit de brochure voor de pensionado’s. Rechts de realiteit in het kanaal bij mij voor de deur. De rechterkiek heb ik zelf geschoten vanaf de fietsbrug, vlak boven het schip, waardoor het even leek alsof ik mee voer.

Er is iets met zo’n mislukte cruise dat me mateloos aantrekt. Dat verlaten dek. Dat kille poedelbad. Dat verregende midgetgolfveldje. En, als je goed kijkt, die ene passagier met die beginnende longontsteking. Als het maar lang genoeg miezert gaat zo’n pleziervaartuig vanzelf op een spooktanker lijken. Zou er ooit een schilderij van de Oscar Wilde gemaakt zijn? The Ship of Dorian Gray?

Het lijkt mij een enorme uitdaging om aan te monsteren als gastheer-from-hell en de passagiers de tijd van hun leven te bezorgen. Ik zie de Wilde al aanmeren bij mijn prachtwijk. Eerst fungeer ik als reisgids voor een portie ‘slumming’, daarna word ik calamiteitenbegeleider omdat de hutten bij terugkomst geplunderd blijken door landrotten. ’s Avonds speel ik olijke Isaac die zijn gasten cocktails laat proeven uit Love Boat, vervolgens werp ik me op als braakcoach om de legionellasoep in goede banen te leiden. Voor het slapen-gaan lees ik de meest aansprekende rampverhalen uit de binnenvaart voor. Steward Rein wenst u alvast een onvergetelijke reis.

Oscar Wilde
Klik op de foto om hem te vergroten

Damn the torpedo's!

Het was een fijne Blitz-vakantie, maar behoorlijk Nederlands spreken doen ze er niet en je wordt uitgelachen als je een karaf zoete witte wijn bestelt.

U-Boot
This is your captain speaking

Met een hoera!-verhaal

Het krantje van mijn prachtwijk zit boordevol hoeraverhalen. Over vlekkeloos verlopen renovaties, bruisende braderieën en hangjongeren die al neuriënd zwerfvuil rapen. Eigenlijk staan we hier met z’n allen stijf van de verbinding! Als overtuigd wijk watcher weet ik beter. Sterker, ik heb een derde oog ontwikkeld voor misstanden. Maar steeds als ik me bij het gemeentelijk klachtenloket vervoeg, blijkt de voltallige afdeling met griepverlof / sabbatical / zelfmoord. Toch zal mijn wijk me ooit dankbaar zijn voor mijn waakzaamheid.

Zo heb ik, na duizenden manuren uit het raam gestaard te hebben, in de gaten gekregen dat de kade voor mijn deur misbruikt wordt als sluiproute. Geblindeerde Golfjes richting Kanaleneiland omzeilen jakkerend de spits, waarbij ze alle 30 km/u-borden negeren EN een lagere school passeren. Het wachten is op het eerste rouwbericht.

Op instigatie van bezorgde ouders heeft de gemeente een aantal verkeersdrempels opgeworpen. Daarbij lijkt ze te zijn uitgegaan van de redelijkheid van de mens en van die van de verkeershufter in het bijzonder, want de drempels zijn zo glooiend en dus schokbrekervriendelijk ontworpen, dat het een sport wordt om er zo hard mogelijk overheen te scheuren. Zelfs oma’s op e-bikes laten zich er graag even op lanceren.

Verder is er in het asfalt vóór de school in koeienletters ‘SCHOOL’ aangebracht, kennelijk in de veronderstelling dat een stadscoureur ontvankelijk is voor dergelijke signalen én dat ie op dat moment niet zitten te appen. Ook liggen er nu brailleachtige bobbeltjes die, als ze contact maken met gierende autobanden, de goede verstaander ‘zachtjesaan!’ zullen influisteren, waarop de automobilist voluit in de remmen zal gaan. Althans, dat wensdenkt de gemeente. Ik als overtuigd wijk watcher weet beter. Tijd voor een stukje burgerparticipatie!

Mijn plan is als volgt. In een Sus & Wis heb ik ooit gelezen hoe Lambiek belazerd werd door een zwendelaar die zijn fietswrak steeds zó voor passerende auto’s gooide, dat het leek alsof de bestuurder door onachtzaamheid een ongeluk had veroorzaakt. Tel uit de schadevergoeding! Dus ik dacht, als ik nu eens via een feestartikelensite een nepkind bestel, zo een in de stijl van een rubberen kip, en dat nét op het moment dat de school uitloopt onder de wielen van een scheurend Golfje werp... KABENG!! Gelijk een meute lynchende ouders op de been! Verkeershufter aan de hoogste lantaarnpaal! Onze prachtwijk autovrij! Mijn smoelwerk in een hoera-verhaal! Uitgeroepen tot Buurtpreventeur van de Eeuw!

Bij de uitvoering van dit masterplan rest mij slechts één piekerpunt: een mogelijk misverstand. Want ouders die denken dat je hun kind net onder een auto hebt geworpen, die kunnen zó impulsief reageren. Zou er al een klachtenformulier bestaan voor mensen die menen onterecht gelyncht te zijn?

Crash test voor de school
De vrijwilliger

Aan het hongerwinterkanaal

Bij een gevoelstemperatuur van -273 graden Celsius wist extreme hiker Rein Hannik zijn kadewandeling te overleven door eigen (linker)hand op te eten en borsthaar in de brand te steken. Laatste aantekening uit zijn logboek: ‘Al een kwartier geen andere wandelaars meer tegengekomen. Voel mijn krachten afnemen. Overweeg om kuit aan te vreten en baard te verbranden. Maar opgeven, dat never nooit niet! Global warming is voor mietjes!’ Diezelfde middag nog trof een jogger Hanniks lichaam aan met verschroeide kin en grote happen uit de kuiten. Zijn familie doet een beroep op fans om foto’s van Hanniks overblijfselen die op social media circuleren niet te delen, opdat hij herinnerd kan worden als de ontdekkingswandelaar die we gekend hebben.

Amundsen aan het kanaal
Klik op de foto voor de verbrande borstharen

Van Romeo

Trouwe lezers van mijn schrijfsels weten er alles van: hoe ik met plastic killerkraaien patatduiven en hun poepbombardement van mijn balkon probeer te weren. Dat heeft effect, ook omdat ik dag en nacht met een plantenspuit paraat sta. Maar mijn strategie heeft een onverwacht neveneffect gekregen. Ik ben aanstichter geworden van een onmogelijke liefde.

Hij is helemaal smoor, zij negeert hem zoals alleen plastic bitches dat kunnen. Hij probeert haar stamelend te versieren met verhalen over sappige wormen en doorzonnestjes, zij doet alsof ie lucht is. Het tafereel oogt zo hartverscheurend dat zelfs de plantenspuit nu zijn snuit houdt.

Mijn hoop is dat er een soft body versie van de killerkraai op de markt komt. Zo eentje met echte veren en lange wimpers, die steunend krast als ze de liefde bedrijft. Toch denk ik dat onze Romeo daar niet van wil weten. Dat hij van zijn killerkraai houdt zoals zij is. Afstandelijk, hard to get en zwijgzaam. Maar ook trots, standvastig en afgetraind. Voor Romeo is het juist de perfectie die van plastic is. En gelijk heeft ie. De mooiste liefde is altijd een gemankeerde.

Het verlangen
Ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me...

Van de zelfspot

Zelfspot. Misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor mijn vriendschappen. Er zit zó veel in. Humor uiteraard. Maar ook introspectie. Zelfrelativeringsvermogen. Moed. Dat maakt het tot een perfect bindmiddel voor contact. Zó uitnodigend! Maar het is evenzeer een lakmoesproef. Ga maar na: als iemand inhaakt op jouw lachwekkende ontboezeming met een eigen – liefst nog genantere – anekdote, dan schept dat meteen een band. Als de ander echter met jouw zelfgrap aan de haal gaat door hem in te koppen, dan weet je dat die persoon valse trekjes vertoont.

Hoezeer ik zelfspot ook koester, het is altijd ooit ontsprongen uit drama. Zo ook bij mij. Daarvoor moeten we terug naar 1974, toen ik als vijftienjarige met gym 4 op vakantie naar Scandinavië ging. Voor mij een enorm avontuur, want voor het eerst op pad zonder familie. Niet dat ik me thuis voelde in die klas. Met mijn piepstemmetje en anderhalve turf bungelde ik onderaan de hiërarchie – een Fremdkörper tussen die grote, sarcastische Kralingers. Maar ik vermande me. En pakte mijn koffertje.

In Zweden aangekomen gingen we voetballen. Zwemmen. Dansen op Deep Purple uit een lamme cassetterecorder. Smooowwwke on the woooaaater! Kicken vond ik dat, want swingen durfde ik als geen ander. Dus toen er gevraagd werd wie er mee wilde naar de sauna, stond ik te trappelen. In mijn zwembroekje. Maar dat was de bedoeling niet! zei de leraar. Mannen onder elkaar, die gaan nakend! Het leplazarus schrok ik me, want nog nooit bloot geweest buitenshuis. Binnenshuis eigenlijk ook niet. Broers had ik niet. Op een sportclub durfde ik niet. Ik had de naakte waarheid altijd nauwlettend weten te ontlopen.

Even later zaten er vijf blote konten op een getrapte houten bank in honderd graden Celsius. Vier stoere gozers. En één sukkeltje. Zij maar lullen. Over meiden en n*uken, terwijl ik nooit verder gekomen was dan een onuitgesproken verliefdheid. Daarna ging het over lichamen. Onze lichamen. Mijn lichaam. Mijn nog haarloze lichaampje. Die Hannepik! klonk het. Da’s net een kind! Wat ook zo was. Een androgyne pedofantasie leek ik. Al spoedig vulde de sauna zich met hoonbulders. De ene na de andere sneer vloog me om de oren. Ze konden er geen genoeg van krijgen. Afgebrand werd ik, bevriezend in die honderd graden Celsius.

Maar juist de hitte bleek mijn bondgenoot. Het is immers uitputtend honen als het zweet uit je poriën gutst. Daarbij belette dat zweet mij te voelen dat er (zoals ik later vernomen heb) van hogerhand tegen mijn schouderbladen aan gepiest werd. Ik rechtte steeds mijn rug om alles van me af te laten glijden.

Toch is er iets wezenlijks gebeurd die avond. Het leek wel alsof ik geestelijk uit mijn lichaam probeerde te ontsnappen. Om me bij hen aan te sluiten. Om met hen mee te kunnen lachen. Om me tot zelfsarcasme te verlagen. Alles liever dan me alleen op de wereld voelen. Maar het liep iets anders.

Na afloop gingen we douchen. IJskoud, zoals dat hoort. Onder de douchestraal werd ik bevangen door een bijna suïcidale rust. En maakte ik een grapje over koud water en krimpende organen. Niet bijster leuk, wel zó triomfantelijk opgehoest dat de anderen in schateren uitbarstten. Dit keer klonk hun lach anders. Alsof zij publiek waren, en ik entertainer. Ik was in charge van mijn eigen lynch mob. Machtig voelde dat.

Zo is het toch nog goed gekomen met mij. Mijn lichaam werd volwassen, als ik mijn ex-vriendinnen mag geloven (ontzettend volwassen zelfs, als ik maar lang genoeg aandrong). Zelfspot werd mijn tweede natuur, waardoor ik snel en met iedereen kan ‘bonden’. Alleen mijn onderbewustzijn is wat achtergebleven. Soms keert de sauna terug, als beerput van mijn geheugen. Bijvoorbeeld als er een boom van een kerel ongegeneerd naast me komt staan kletteren in de pisbak van de sportschool. Dan gutst het zweet weer even over mijn rug. En maak ik een grapje. Waar meestal om gelachen wordt. Want iedereen is wel eens bevroren in een sauna. Toch?

In die zin is dit stukje dus een lakmoesproef voor mijn Facebookvrienden. Wie reageert er met een eigen ontboezeming, wie gaat er inkoppen met een geintje over bondjes op toiletten? Ik zet de thermostaat alvast op honderd.

Het zweet
Androgyn wezentje

Voor een mensenmens

Liefst wijt ik mijn onmogelijke persoonlijkheid aan iets dat buiten mijn macht ligt. Mijn jeugd. Mijn genen. De middelbare school. Of de fijnstoffen van de rijnaken die mijn flatje passeren. Smoesjes allemaal. Ik ben geworden wie ik ben doordat ik mijzelf zo gemaakt heb: een man die de eenzaamheid opzoekt om te kunnen schrijven, maar schrijft om contact te maken met mensen die daarna weer moeten ophoepelen omdat hij anders niet kan schrijven. Een grillig wezen, maar daarom niet minder een mensenmens.

Als ik mijn dagboeken mag geloven worstel ik inmiddels zo’n vier decennia met het doseren van contact. In al die jaren is mijn levensmotto geen spat veranderd. ‘Het Is Nooit Goed’ kan er op een tegeltje boven mijn hoofdeind gekalligrafeerd worden. Mijn relaties waren niet goed genoeg, mijn vriendschappen niet, mijn familieleden niet, mijn collega’s niet, mijn buren niet. En vooral ikzelf was het niet. Eigenlijk wil ik al vanaf mijn puberteit naar Huize Zonnegloren verkassen om daar (in een aparte vleugel) mokkend mijn vlaflip leeg te lepelen. Die natuurlijk ook niet goed genoeg is.

Inmiddels begint de zon in het kanaal voor mijn flatje te zakken. En probeer ik mezelf mondjesmaat te vermenselijken in plaats van iedereen (gelijk) dood te wensen. Dat doe ik door achteloos contact meer te waarderen (small talk kan van grote waarde zijn als je maar lang genoeg monomaan hebt zitten typen). Verder is het een kwestie van oude vriendschappen reanimeren. En nieuwe vriendschappen sluiten. Dat laatste gaat echter lastig zonder kader van cursus, stamkroeg of kantoor. Gelukkig is er het vermaledijde Facebook.

Daar heb ik jaren geleden X. leren kennen. Zo op het eerste gezicht zijn we tegenpolen. Als zij van het activisme en de rechtvaardigheid is, dan ben ik meer van de apocalyps en andere common sense. Wat we gemeen hebben is een oog voor mooie dingen. Maar vooral een scherpe blik. Zelden is iets goed genoeg voor ons. Dat voelt vertrouwd, opbieden wie de meest kritische zeikerd is.

Aangezien X. in de moerassen woont moet ze voor cultuur naar de Randstad afreizen. Dan mailt ze me of ze kan komen logeren. En schiet ik gelijk in de stress. De plee ontstoppen! Het laminaat ontsmetten! De vitrage desinfecteren! Maar haar de deur weigeren, dat never nooit niet. Daarbij kan het X. geen reet schelen dat ik onbewoonbaar verklaard woon. Zolang ze maar uren met me kan kletsen. En lachen, want ook zij weet waarom Het Nooit Goed Is.

Als dank voor mijn onbeholpen gastvrijheid kreeg ik onlangs dit boekje van haar cadeau. X. weet van mijn weerzin tegen literatuur (lezen = werken) dus was ze zo verstandig om voor een minuscuul exemplaar te gaan (7 x 10 cm), slechts leesbaar met een loep en bestaand uit een paar honderd woorden. De Schrijver heet het essay. U raadt nooit wat het thema is. Inderdaad: Het Is Nooit Goed. Alsof speciaal voor mij neergepend. Tel daarbij een auteur (Giovanni Papini) die al fout was vóór de oorlog en tekeningen (van Jan Stegweg) die uitermate naargeestig ogen, en u begrijpt dat dit kleinood een gaatje brandt in mijn imaginaire boekenkast. Ieder dag werp ik er even een blik op, als bewijs dat Het Soms Goed Is. Om daarna weer mokkend naar mijn vlaflip in Zonnegloren te verlangen.

De Schrijver
Giovanni Papini's De Schrijver

Met je infuus vol epo

Het einde van sick shaming is in zicht!

Voor patiënten die zo snel mogelijk willen herstellen van hun TBC, pest of syfilis, heeft het UMC deze unieke en CO2 neutrale bromfietsbar geïnstalleerd. Sfeervol gesitueerd tegen een decor van uitgestorven woestijnplanten, en uitgevoerd met voldoende afstand tussen de buddyseats opdat u niet geconfronteerd wordt andermans gejammer, garandeert deze medibikebar dat u ook tijdens uw opname aan die o zo noodzakelijke 30 minuten beweging per dag komt. Trek aan die gele UMC-trui!

*krijgt visioen van drie nijdig trappende mannen met rode koppen die elkaar met mind power te lijf gaan*

Medibikebar
(Gespot tijdens mijn halfjaarlijkse controle voor blindheid)

Voor de EGO's

De Aldi. Ik kom er graag. Voel me er thuis zowat. Ieder bezoek maakt me ervan bewust hoezeer ik op de bodem van de maatschappij ben beland – in de tegenhanger van de golfclub zegmaar. Veel werklozen en afgekeurden zal dit besef moedeloos maken. Ikzelf kom er juist door bij mijn kracht. Het afvoerputje der supers geeft mij het idee dat alles alleen nog maar kan meevallen in het leven. Sterker, dat alles mogelijk is. Dat ik mijzelf opnieuw kan uitvinden.

Die behoefte aan een nieuwe verschijning is ook de reden dat ik mijn baard heb laten staan. Niemand vindt het een verbetering, behalve ikzelf. Omdat ik er een ander mens door lijk. Kies maar uit: een Hells Angel in ruste, een opa met platjes, een vergeten schrijver... Of gewoon een ouwe lul in de Aldi. Ik vind het allemaal best. Alles liever dan die jongere oudere die zijn studies en banen en relaties verklooide door te lang charmante grapjes aan de toog te blijven tappen. Mijn kroegtijger moest dood. Waarvan akte, al voel ik hem nog regelmatig stuiptrekken.

Ik vermoed dat er ook legio vrouwen zijn die hun baard willen laten staan. In plaats daarvan houden ze op met het verven van hun grijzende lokken. Waardoor er automatisch tien kalenderjaren bijgetikt worden. Dat hebben ze ervoor over, om zich niet meer de femme fatale te hoeven voelen. Ze zijn hun film noire meer dan beu.

Wat authentiek! lees je bij dit soort metamorfoses op Facebook. Zeker. Maar de vraag is hoe Onze Lieve Heer deze mannen en vrouwen in godsnaam gaat koppelen. Want het is leuk om van jezelf te weten dat je je charmes en good looks gecamoufleerd hebt, de ander ziet je natuurlijk gewoon als een ouwe lul of dito doos. Het oog wil ook wat, om over de rest van het lichaam nog maar te zwijgen. Het is dus zaak elkaars inner slut te herkennen, dwars door die authentieke grijze haren heen.

Gelukkig is daar altijd de Aldi. Op een niveau dat de bedrijfsleiding verre overstijgt, worden er voor ons EGO’s (extra gerijpte ouderen) stilzwijgend plekken geregeld voor spontane ontmoetingen. In de meest deprimerende filialen uiteraard, omdat daar alles nog mee kan vallen en mogelijk lijkt. Een app is niet vereist, de goede verstaander herkent de locaties aan subtiele signalen. Dus. Mocht u tussen de kiloknallers, plofkippen en grabbelbakken een kroegtijger of femme fatale van weleer vermoeden, aarzel dan niet, en ga er onmiddellijk VOL mee op de bek. Want oud, dat bent u maar eenmaal in uw leven.

# YouToo

Hartje Aldi
Zoek de Hartje-borden!

...als nooit tevorenl

Nieuwjaar 2018

Voornemen:

Vaker familie opzoeken, ook al word ik dan bulderend uitgelachen om mijn wijze levensraad.

Levensraad
Zoek de zeven verschillen!

Een kerstverhaal met ballen

Uit de speakers schallen de eerste noten van La Bamba. Onder mij dansen mannen in getailleerde blouses met sleutelbeenbrede kragen en enorme okselvlekken. Dat doen ze met vrouwen in veel te wijde synthetische broeken en oversized colbertjes onder stijf gelakte coupes. Ik hang over de balustrade en tuur naar de dansvloer, als een antropoloog die vanuit een helikopter een pas ontdekte Indianenstam in het Amazonewoud bestudeert. Op veilige afstand.

De dansvloer is rond en wordt omringd door afzetpaaltjes met koordjes die de vloer de allure van een rode loper geven. In de vloer zijn spotlampen aangebracht waarvan het licht weerschitterd wordt in de bolvormige discolamp aan het koepelplafond, waardoor de bezoekers zich in een klatergouden waterval wanen. De opsmuk moet hen zaterdagnachtkoorts bezorgen.

Die hebben ze hard nodig, want verder dan wat laffe pasjes komen de meeste feestbeesten niet. Ze bewegen hun benen alsof ze pantoffels afwerpen, hun armen alsof ze een bergwandeling maken. Elkaar aankijken doen ze niet, kunnen op geen enkele gewaagde move betrapt worden. Ze dansen alsof ze staan af te wassen. Da’s disco’s dirty little secret: het is een thuishaven voor passielozen.

En waar kun je beter afwassen dan in Bristol! Er kunnen een paar duizend man in deze tempel van kitsch. En sluit de muziek naadloos aan op hun hartstocht. Het ene doodgedraaide hitje na het andere is de revue gepasseerd vanavond. Boney M, Hot Chocolate, Tavares... Herhaling, daar houden de mensen van. Vandaar ook het razend populaire ritueel bij La Bamba.

Al bij de eerste noten heeft iedereen zijn bacootje op de bar geplempt om op de dansvloer een grote kring te vormen waarbinnen vrijgezellen elkaar dansend proberen te versieren. Zonder de haarlak zou het door kunnen gaan voor een zigeunerritueel, zeker ook omdat er wel eens eentje doordraait als ie te diep gesnoven heeft. Zo is er paar jaar geleden nog een vrouw doodgeschoten, zeggen ze. En de portier, die mij met onverholen minachting binnenliet, schijnt in een Rolls te rijden. Ze geven Bristol het rouwrandje dat mij trekt.

Toch kom ik hier vooral omdat de kroegen afgeladen zijn met kerstgezelligheid. Dan is zo’n discotheek tenminste consequent in haar kitsch. Wel moet ik onvermijdelijk terugdenken aan dat ene schoolfeest waarbij ik in Travolta-outfit verschenen was. Blauw velours pak, hagelwitte blouse met soulkraag, zwarte schoenen met Italiaanse hakken en bolle neuzen. Helemaal in tune met de tijd. Voor het eerst zagen de meisjes me staan, gaven de jongens me schouderklopjes, staken de leraren hun duim omhoog. The Man was ik.

Voor één avond dan. Ik miste mijn vettige spijkergoed. Mijn houthakkersblouse. Mijn suède stinklaarzen. Ik kon het niet opbrengen, dat blitsen. Kan het nog steeds niet, me opdirken en dan onbekommerd mee hossen met de massa, op ongezouten deuntjes vol slippende drummetjes, gespeend van ieder greintje overgave. Muzak die me lijkt vast te nagelen in de tijd.

Gelukkig is er ook in Bristol wel eens een tijdloos moment. Alsof de discobol mijn gebeden heeft verhoord, galmt er opeens een unieke, hees-geile stem door de tempel: ‘Fellas, I’m ready to get up and do my thing! I wanna get into it, man, you know! Get up, get on up! Get up, get on up!’ Ik aarzel geen moment. Plemp mijn glas neer, roets de trap af, spring de vloer op. En ga dansen. Zoals ze daar nog nooit gezien hebben. Met skiënde voeten. Kronkelend bekken. Bezwerende armen. Halfgesloten ogen. Lustige grijns. En zwiepende haarslierten, die zorgen voor een fontein van zweet in het discolicht. ‘Stay on the scene! Like a sex machine!’

Al na een minuut wordt The Godfather of Soul weggedraaid. Loopt mijn machine vast. Open ik mijn ogen. De dansvloer is bijna verlaten. De paar overblijvers staan in een kring om me heen. Nemen me op. Niet met de goedkeurende glimlach van La Bamba, maar met de achterdocht van een groep antropologen die op een sjamaan is gestuit. Ik recht mijn rug. Hijs mijn spijkerbroek op. Trek mijn houthakkersblouse strak. En verlaat het lauwe afwaswater met opgeheven hoofd, terwijl achter mij een ‘Heaven must be missin’ an angel’ wordt ingezet. The Hardest Working Man in Show Business has left the building.

Buiten op het Hofplein raast het verkeer rond de helverlichte fontein. Er staat een Rolls geparkeerd, scheef, op de stoep, met de ramen onder de pekelblubber. Even heb ik de neiging om achterin te stappen en me naar mijn mansion in Beech Island te laten rijden. Maar dan pak ik mijn fietsje en laat ik me verzwelgen door het zwarte gat van de Maasstad. Met nazwiepende haarslierten, dat wel.

Bristol
Bristols inner cirkel werd wel heel erg klein toen deze prille BN’er zich waagde in de klatergouden waterval van de discobol

In Gelaetsboeck

Het was de zoon van de dominee die mij het compliment gaf. Op een feestje. Hij zei dat ik oreerde als een dominee. En gelijk had-ie. Zeker met een slok op kan ik lullen als Brugman, liefst over het menselijk tekort. Zielenherder Hannik! Sinds deze eye opener wens ik mij heimelijk een kansel. Liefst in een kleine gemeenschap, zodat ik iedere ziel persoonlijk kan bereiken.

Nog niet zo lang geleden werden mijn gebeden verhoord. De globalisering transformeerde de wereld in een dorp. Tenminste, zo ervoer ik Facebook toen ik me er vestigde. Wat een knus gehucht! Iedere dag deed ik er glimlachend mijn ronde, ditjes & datjes zegenend met likes. Al mopperde ik soms als ik over de Ophef des Dags struikelde, ik bevond mij onmiskenbaar in het dorp van mijn Vader.

Dus waarom post ik dan nooit eens een mooie preek over een actuele kwestie die in Gelaetsboeck opspeelt? Iets met mens & maatschappij, ter afwisseling van mijn microkosmische bespiegelingen? Zeker in deze tijden waarin rede wordt weggehoond en emotie dicteert – een welhaast epidemische aanval op het gezonde verstand. Ik zou er iedere dag een blog aan kunnen wijden.

Maar dat doe ik niet. Want er is iets aan de hand met de goegemeente. Er lijken hier al massa’s predikanten rond te struinen. Met lichtontvlambare fakkels. En een speciale versie van de Schrift. Eentje die gecorrigeerd is. En daardoor veel preciezer dan de conventionele. Er staat exact in vermeld wat ‘goed’ is. En vooral wat ‘fout’. Van hoofddoekjes bij de politie tot geslachtsloze toiletten. Van de Witte de Withstraat tot zwartgeschminkte kinderfeestjes. Van referenda over referenda tot olifantenbeschermende olifantenjachtpartijen. Van masturberende stand-up comedians tot smeltende ijsberen. Van pianoplankende politici tot Twitterverslaafde presidenten. Werkelijk alles en iedereen wordt erin geduid. Reuze handig, zo’n leidraad richting Het Licht. Hoef je nooit te twijfelen over je pad of na te denken over je gedachtegang. Wijzen volstaat. Naar de Anderen, die nog niet gecorrigeerd zijn.

Want in het dorp zijn ook dissidente geluiden te horen. Van dwarsliggers, benieuwd naar beide kanten van het verhaal. Van ongelovigen, die geloven in de chaos der dingen, doordrongen van de gebreken der mensheid. Zij zweren bij hartelijkheid en humor, maar houden ook van kritische vragen. En geven volmondig toe het vaak niet weten. Er stroomt zelfspot door hun aderen.

Naarmate de preken der nieuwe dominees luider en talrijker worden, verstommen deze stemmen der Anderen. Slechts een enkeling waagt het nog om met een tegenargument of relativerend grapje vraagtekens te zetten bij een gecorrigeerde preek. Want vroeg of laat word je dan ontvolgd. Ontvriend. Ontmenselijkt. Of erger: voor racist versleten. Seksist. Fascist. Foob. Om uiteindelijk door Heer Suyckerbergh het dorp uitgejaagd te worden. Tot Gelaetsboeck gezuiverd is van alle tegengeluiden. En het dorp weer wordt zoals het behoort te zijn. Correct.

Ik merk dat mijn rondjes door Gelaetsboeck steeds korter worden. Mijn zegeningen vlakker. Dat ik bepaalde bewoners mijd omdat zij, ondanks hun vermakelijke ditjes & datjes, bij de minste aanleiding hun fakkel ontsteken. Dat put mij uit. Maakt me moedeloos. Misantropisch zelfs. Nog even en ik begin zelf te wijzen. Da’s vloeken in de kerk natuurlijk, dan maak ik van de Correcten mijn eigen Anderen. Terwijl we toch allen even gemankeerd zijn, met ieder zijn eigen gebruiksaanwijzing. Misschien moet mijn preek daarover gaan. Over de onvermijdelijkheid van het menselijk tekort. En de charme ervan. Desnoods voor een lege parochie. En anders voor een lynch mob.

Dominee onder predikers
De foto stamt uit 2012 en is genomen in de Utrechtse Dom

Van de RET

[Onderstaand fragment is afkomstig uit mijn roman-in-de-maak over schoolverlater Rinus in het Rotterdam van 1979. Rinus zit in een dip. Hij heeft zijn motor total loss gereden en zijn carrière van ongeschoolde baantjes ziet er al niet veel beter uit...]

Mensonterend voelt de degradatie. Als outlaw biker veroordeeld tot het olijfdrab van de RET! Tussen het grauw! De pendelaars, kantoorklerken, shoppers! En waarom brandt er altijd zo’n naargeestig licht in de tram? Zouden de ingenieurs doelbewust voor tl-buizen gekozen hebben om de reiziger te laten wegzinken in een overbelichte levensmoeheid?

Ik gluur vanuit het harde rode bankje naar mijn medemens. Zonder uitzondering asgrauwe gelaten. Alsof ze het er om doen. Wat weinigen weten is dat sommige reizigers figuranten zijn. Die moeten weifelende voetgangers lokken met hun aanstekelijke chagrijn, zodat de wagen volgepropt raakt en de ruiten beslaan. Dat oogt dynamisch.

Maar liever nog zo’n rollende depressie dan een kekke thematram. De Striptram waarop ‘TINGELINGELING!’ staat, als ware het de Pep. De Haventram met sleepbootjes dobberend op wilde baren. De Binnenstadsdagtram met psychedelische vormen. En de VVV-tram met scheef getekende diergaarde-chimps en een geknakte Euromast. Alles om te benadrukken dat een rit door de verregende havenstad toch vooral als een onvergetelijk avontuur ervaren moet worden.

In plaats van de dodenrit die het is. Onze trambestuurder jaagt zijn stalen ros ongenadig hard de stad door. De wagen reageert nukkig, stuurs, nijdig zelfs, neemt de bochten alsof hij zich niet langer door de rails laat harnassen. Een eeuw geleden zou de koetsier een hoefijzer in het gezicht hebben gekregen! Ondertussen word ik op mijn harde rode bankje heen en weer geslingerd, bid ik bij iedere zwenk dat de tram zal ontsporen en op zijn rechterzijde zal kantelen. Zodat de deuren geblokkeerd worden. En ik niet naar mijn werk hoef.

Er is nog een optie. Wat weinigen weten is dat aan het eind van de avond, als de tram op stok gaat in de remise, de lokeenden de luiken in de geribbelde wagenvloer openen. Dan dalen zij af in de SubZero, als zombies, naar een onderwereld waar we allemaal vandaan komen en ooit naar zullen terugkeren. Dus. Als ik de rit nu eens helemaal uitzit. En me onopvallend tussen hen begeef. Misschien dat ik dan kan opgaan in hun asem. Om te vervliegen, tot de rat race van het leven overgewaaid is.

De lokeend
Lijn 4 die op 13 maart 1979 uitbrandt op het Heemraadsplein tegenover mijn ouderlijk huis. De fik was veroorzaakt door kortsluiting – volgens de officiële lezing althans. (Geruchten deden anders vermoeden...)

Van de journalist

‘Een gevoel van gijzeling zegt u...’ De bedrijfsarts kijkt me aan met de blik van een bedrijfsarts die zich afvraagt waarom ie in godsnaam bedrijfsarts is geworden. ‘Is dat niet een beetje... overdreven?’ Overdreven!? schiet het door mijn hoofd. Ha! Overdrijven is misschien my middle name, maar ditmaal sla ik toch echt de spijker op zijn kop! Ik vertel de arts hoe ik iedere ochtend kokhalzend van de stress naar mijn werk ga en ter plekke pillen moet slikken tegen de paniekaanvallen. Gevangen in mijn baantje, dat voel ik me! Daarbij, als íemand weet hoe het voelt om gegijzeld te zijn, dan ben ik dat. En wel hierom.

Lang voordat ik verviel tot loonslavernij verdiende ik mijn brood als freelance journalist voor een universiteitsblad. Als columnist om precies te zijn – specialist op de 400 woorden. Voor ordinaire waarheidsvinding had ik te veel fantasie. Maar omdat we per woord betaald kregen, wierp ik me regelmatig op als schrijver van langere artikelen. Die vielen op door markante onderwerpen als ‘acupunctuur bij veeartsenij’ en ‘harddrugsgebruik onder studenten’. Mijn meest ambitieuze artikel zou gaan over studeren in de gevangenis.

Vijf gevangenen wist ik op te sporen. In drie verschillende norren. Bijster lucratief bleek mijn plan niet, want ik moest er stad en land voor afreizen. Maar dan heb je ook wat. De poorten van penitentiaire inrichtingen Norgerhaven, Bankenbosch en De Marwei openden zich voor mij. A dream come true! Zeker ook omdat het gevangenisleven me in het bloed zit. Althans, in mijn fantasie. Tijdens speelfilms als Escape from Alcatraz zit ik steevast te broeden op een schier onmogelijke ontsnapping via de stortkoker van mijn flatje. Dus toen de gevangenisdeuren zich achter me sloten, voelde het als thuiskomen.

Geen van de jongens was gehandboeid tijdens de interviews. Ook de laatste gevangene niet, die gezien de lengte van zijn straf vermoedelijk vastzat voor moord. Aan het einde van dat vraaggesprek ging het mis. Niet vanwege de moordenaar. Het was de directeur van deze zwaarbeveiligde gevangenis die de visitatieruimte binnenstormde. Een ijzervreter met pneumatische polsen! Hij smeet de deur achter zich in het slot en richtte zich tot mij. Ik zou geen toestemming gevraagd hebben! Me niet geïdentificeerd hebben! De regels aan mijn laars gelapt hebben! Hij moest en zou de tape van me krijgen. Als bij toverslag ontwaakte De Journalist in me. Mijn unieke, maatschappij ontwrichtende interview hier achterlaten!? No way! Fuck the System! Het volk heeft recht op de waarheid! ATTICA! ATTICA! ATTICA!

Wel een uur lang heeft de gijzeling geduurd. Een paspoort had ik niet bij me. Rijbewijs evenmin. De redactie opbellen was uitgesloten, die zou me nooit geloofd hebben (eindredacteur tegen collega’s, wijzend naar de hoorn: ‘Jongens, dit is Hannik die zegt dat ie is gegijzHAHAHAHAHAHAHAHAHA!’). Ik zag me al afgevoerd worden naar een celblok vol overbehaarde, anaal gefixeerde zedendelinquenten.

Uiteindelijk hebben we het bandje ter plekke afgeluisterd. Waarna ik een verklaring moest ondertekenen waarin ik de Pneumatische Polsen recht gaf op ‘correctie’. Gelukkig is mijn handtekening een soort paraaf die weer oogt als een analfabetisch kruisje. Dus Fuck the System extra diep! Ik werd de gevangenis uit geschopt. Mét bandje. Waarna mijn artikel ongecorrigeerd werd gepubliceerd. En ik dat jaar de Pulitzer...

‘Meneer Hannik?’ hoor ik de bedrijfsarts zeggen terwijl ie op het fineer van zijn bureau klopt. ‘Bent u er nog? Zullen we u maar een weekje laten uitzieken? Even bijkomen van uw ‘gijzeling’?’ Heel veel gesprekken later hoefde ik niet meer terug te komen. En nog heel veel meer gesprekken later zou ik mijzelf veertig maanden gijzelen voor het schrijven van debuut Coef. Ook vandaag zit ik weer geketend aan mijn pc om korte verhalen en een eerste roman uit mijn toetsenbord te kloppen. Terugverlangen naar een gevangenisleven zonder ooit vastgezeten te hebben, is dat een kinky variant van het syndroom van Münchhausen?

Op de foto Norgerhaven, in 1993 gemaakt door Maarten Hartman voor het U-blad

De gijzeling
Ik heb rechten!

Van Gannik

Of het nu ligt aan mijn achterbuurt, aan mijn doortochtflatje of aan mijn chagrijnige persoonlijkheid, het balkon áchter trekt duiven aan alsof het hun alma mater is. Of liever gezegd hun Dresden, want het wordt dagelijks belaagd met poepbombardementen. Terwijl ik toch degene ben die de huur betaalt, dus als er íemand zijn behoefte op mag doen ben ik dat.

Omdat me de lust ontbreekt om elk decennium het balkon te schrobben, heb ik een paar jaar geleden de balustrade uitgerust met plastic stekels die een veilige landing onmogelijk maken. Helaas joeg het concentratiekampsfeertje vooral mijn dates weg. Daarbij bleken de tiewraps en de siliconenkit waarmee ik ze verankerd had (de stekels, niet de dates), gevoelig voor de elementen die het balkon teisteren, waardoor er steeds meer stekels op het binnenplaatsje belandden. Nota bene tussen het zwerfvuil, waar ik altijd zo op mopper! Het was dus wachten op een buurtkind dat met doorboord oog de flat bij elkaar zou krijsen, waarop woedende ouders een lynchpartij richting kaaskop ‘Rrrien Gannik-van-vier-hoog’ zouden organiseren. Ik zie dat soort dingen aankomen.

Toen de laatste stekels bij een renovatie geruimd waren (de man van de woningbouwvereniging: ‘U gaat er nu toch wel wat van maken hè’), moest ik me behelpen met een plantenspuit. Een pro-actief offensief werd dat! Iedere keer als ik in ninja-zwart trainingspak met super soaker in ambush style over de keukenvloer naar het raam kroop, volgden de duiven mijn guerrilla met de blik die je verwacht bij het intakegesprek in het Pieter Baan Centrum. Ik heb nog overwogen de plantenspuit met accuzuur te vullen voor een doortastender effect, maar dan zou er beneden natuurlijk weer een kind gaan zeuren over een gesmolten gezichtje. Onze flat lijkt soms één lange klaagmuur.

Lang verhaal kort, ik ben nu voor duurzaam gegaan. Drie kraaien van onverwoestbaar hardplastic met bad ass uitstraling. Zij zullen de duivenformaties verjagen met hun boze oog. Althans, dat beweert de website. Vanmorgen zag ik alweer een duif tegen een van mijn killerkraaien aanschurken. Misschien moet ik ze met een vislijn dreigend laten wippen of er naargeestige geluiden bij maken. Feit is dat ik tot nu toe de enige ben die zich het leplazarus schrikt, steeds als ik een blik uit het keukenraam werp. Een Gannik-verschrikker, zou daar een markt voor bestaan?

Rhe Birds
Gannik en zijn trawanten

Door de pony

Zoals gewoonlijk was mijn vraag weer eens veel te pragmatisch voor de geestelijke gezondheidszorg: is het mogelijk om mij onder hypnose terug te brengen naar het jaar 1979, naar het toilet van Café Sjaan op de ’s Gravendijkwal te Rotterdam om precies te zijn? Op die manier kan ik een gedetailleerde indruk krijgen van het toenmalige uitgaansleven, waardoor ik de couleur locale van mijn nieuwe roman een nóg waarachtiger uitstraling kan meegeven. Mentale research, zeg maar. Briljant idee vond ik zelf.

De hypnotherapeute, met zwartgeverfde pony en dichtgeplamuurde groeven, type ‘meesteres-voor-provinciale-parenclubs’, keek me aan met zo’n blik van christustepaardhebikweer. Terwijl het toch flink googlen was geweest naar een certified peut. De meesten beloven je een vorig leven terwijl ik al zo’n moeite met het huidige heb, of beschikken niet over de vereiste papieren. Ik mocht blij zijn dat ik tussen de wichelroedelopers zeggen & schrijven één hypnotiseuse trof met diploma en no-nonsense houding. En pony dus.

Uitgerekend zij reageerde vol onbegrip op mijn voorstel om samen het Rotterdamse uitgaansleven van de vorige eeuw in te duiken. Ik haastte me eraan toe te voegen dat ik mogelijk ook op wat jeugdtrauma’s zou stuiten. (Dat klonk wat sociaal wenselijker.) Maar toen ik begon te raaskallen over mijn gekke moeder die LSD-hypnose heeft gekregen van professor Bastiaans en toen terug moest naar het jappenkamp en daar bijna in gebleven is, onderbrak de therapeute me streng. Ze drukte me op het hart dat hypnose zoals je die op tv ziet, met idioten die als kippen gaat kakelen, theatrale onzin is. ‘Toneelhypnose’ noemde ze dat. Of me dat duidelijk was. Ik knikte bedrukt. En werd richting sofa gedirigeerd, alsof ik al in trance verkeerde.

Liggen, dat lukte me nog wel. Maar toen moest ik van haar ook nog eens ontspannen. Op commando. Eerst mijn ene been, daarna het andere. Ledemaat voor ledemaat, orgaan na orgaan. ‘CONCENTREER JE!!’ beet ze me toe als ik weer eens in een ‘planking’ schoot. Waarom kon ze me niet gewoon instralen, zoals echte hypnotiseurs dat doen! Ze zette een metronoom aan die me deed denken aan de klok van mijn oma die naar spruitjes en grijs gehakt stonk, details uit 1979 waar ik helemaal niet aan herinnerd wilde worden. Ik wilde naar de wc! ‘CONCENTREER JE!!’ klonk het weer.

Dus ik in mijn geheugen op zoek naar de plee van Café Sjaan. Kon hem met geen mogelijkheid vinden. Logisch, want daarvoor wilde ik nu juist in trance! Bovendien begon ik me zorgen te maken of ik misschien zo’n geval was dat extreem vatbaar is voor hypnose. Stel dat er diep weggestopte shit in me naar boven zou komen, met die zwartgeverfde pony naast me! Dat zou blijken dat mijn ouders me als peuter hebben laten ombouwen omdat ze liever een zoon wilden, dat ik door aliens ontvoerd ben voor spermatologisch onderzoek of dat ik door gymnasium 3 gegangbanged ben na het volleyballen! Of last but not least: dat ik opeens op de plee van Sjaan zit om daar voor eeuwig in de hypnose te blijven hangen! ‘CONCENTREER JEEE!!’

Niets gebeurde er. Helemaal niets. Ik heb daar drie kwartier liggen zweten zonder ook maar een pleeborstel voor de geest te kunnen halen. Het bleef duister in mijn bovenkamer. Geen uitstraling zonder instraling, dat was duidelijk. Nog geen portie provinciale SM kon ervan af. Ik voelde me bekocht met deze slappe hap. Morgen maar eens googlen naar een krachtiger therapie. Iets met een paardenmiddel. De zoon van Bastiaans, was die niet ook psychiater?

De instraling
Disclaimer: de foto is niet genomen tijdens de hypnosesessie, 
maar nagespeeld met een erkend wichelroedeloopster