blog titels

Blog

Van de live uitzending

Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ben ik in oktober te gast bij een nieuw live televisieprogramma. De pilot laat nog even op zich wachten, maar het schijnt een nieuwe 5 Uur Show te worden. Aanleiding voor de uitnodiging is mijn debuut Coef: de weg van de waanzin. Uiteraard ben ik blij met deze extra publiciteit, wel vraag ik me af in hoeverre het tot de redactie is doorgedrongen hoe heftig mijn boek is. Een verhaal over jappenkampen, LSD-therapie en paranoïde psychoses, probeer dat maar eens hapklaar op te dienen tussen de ditjes & datjes die zo'n gezelligheidsshow kenmerken.

Meer zorgen maak ik me over het ‘live’ karakter. Want ‘live’ is toch wel heel erg live. Gelukkig heb ik de nodige ervaring opgedaan met televisie en radio, weet ik precies hoe mis het kan gaan. Zoals tijdens die radioshow, ergens eind jaren ’80, toen ik als vaste filmrecensent mijn ongezouten mening mocht ventileren. Voor de afwisseling had ik besloten een keertje niet van een netjes getypt velletje op te lezen, maar te IM-PRO-VI-SE-REN. Dat heb ik geweten. Geen zin kwam er normaal mijn strot uit. Mijn tong leek gegijzeld door mijn overbewustzijn. ‘DIT IS LIVE, REIN!’ galmde het door mijn kop. ‘DIT IS ONTZETTEND LIVE! HEEL UTRECHT KAN JE HOREN ALS JE ER NU “HE*L H*TLER” UITFLAPT! DIT GAAT HELEMAAL MIS! DIT WORDT DE AFGANG VAN JE LEVEN!!’ Op het laatste hoorde ik alleen nog de kortsluiting in mijn frontaalkwab knetteren. Toen ze mijn gehakkel eindelijk overstemd hadden met een Gouwe Ouwe was ik reeds afgedaald in de Marianentrog, om daar mijn overmoed en vermeende nonchalance in totale duisternis te vervloeken.

Uitgaande van dit worst case scenario heb ik mezelf inmiddels de nodige mediatraining gegeven voor mijn gastoptreden in oktober. Goed instuderen, die spontaniteit! En de spiekbriefjes liggen al klaar. Maar ik vertrouw vooral op Plan B. Als me gevraagd wordt hoe dat nou VOELT, zo’n boek schrijven over een GEKKE MOEDER, en ik het antwoord niet mag oplezen, zal ik overgaan op een stevige La Tourette (‘VIEZEVUILEGORETERINGJAPPEEEEEEEEEEEN!!’), die later verklaard zal worden uit Tweede Generatieproblematiek (‘kampsyndroom’ klinkt zóveel literairder dan ‘verward’), waarna ik afrond met een perfect gesimuleerde psychose, om schuimbekkend en stuiptrekkend afgevoerd te worden en plaats te maken voor een gezellig item over Zaandamse vloggers die aan politie-huggen doen. Wedden dat ik de week daarop in Heel Holland Bakt zit?

De Marianentrog
Gewoon jezelf blijven

Coef ligt in oktober in de winkel

Tot die tijd moeten jullie het doen met deze tevreden Rein en zijn verhalencollage. Dank voor het lezen van mijn schrijfsels en de vele schouderklopjes op Facebook! XR

Rein Hannik
Trots op zijn copyright tattoo

Van Le Carafon

Hij is niet meer. Rany, baas en enig personeelslid van nachttent Le Carafon. Bezweken aan longkanker, terwijl hij al jaren geleden gestopt was. Dat krijg je er nu van.

Toen ik in lang vervlogen tijden nog nachtbraakte in Utrecht, kwam ik regelmatig in zijn tent terecht. Logischerwijs bijna, want Le Carafon ging pas open als gewone kroegen hun luiken sloten. Met dat enorme traliewerk voor het raam straalde het precies het Einde der Illusies uit waarin ik me thuis voelde met een slok op. Ook werd het gemeden door studentjes, en met hen de onuitstaanbare onbezorgdheid die de Domstad teistert. Le Carafon was Utrechts remise der zuiplappen.

De meeste stamgasten stamden net als Rany uit de Antillen of Suriname, waardoor de sfeer me aan het Katendrecht van begin jaren tachtig deed denken. Niet dat blanken weggestaard werden, of freaks weggehoond. Integendeel. Zo zat er vaak een roomblanke leernicht in vol ornaat aan de bar, met zijn maatje aan een hondenriem gedwee aan zijn zijde, beiden doodserieus aan hun borrel nippend, alsof drinken hun beroep was. Alcoholisten zijn zelden levensgenieters.

Maar eigenlijk was Rany dat zelf wel. Met zijn luide stem, bulderende lach en imposante fysiek had hij alles in zich om als herbergier-from-hell te figureren in een cultfilm. De hartelijkste nachtburgemeester denkbaar, een titel waarvoor hij overigens bedankte. But make no mistake. Le Carafon was zíjn kindje, en al dat gezuip verliep ordentelijk dankzij zijn zero tolerance. Als je met dronken kop beweerde dat je te weinig wisselgeld had teruggekregen, of als je mot kreeg met een van de stamgasten, werd je subiet de tent uitgekafferd. Gelukkig kwam dat zelden voor. Terwijl Stevie Ray Vaughan uit de speakers soleerde, zo knetterhard dat alleen Rany’s bulder er bovenuit kwam, kreeg je er even het gevoel dat Het Einde der Illusies slechts een illusie was.

Hoe stoer ik daar ook aan de bar hing, Rany noemde mij steevast ‘schatje’ omdat ik altijd zo vriendelijk tegen iedereen deed. Uit zijn mond klonk dat als een macho compliment. En iedere keer als ik daar de deur uitwaggelde met een loszittend shagje in de mondhoek, net voldoende in control om mijn decorum op te houden, en verwelkomd werd door een voorzichtig zonnetje, dan wist ik dat die luttele roofbouwuurtjes misschien tien jaar van mijn gezondheid hadden weggespoeld, maar dat ze me ooit nog eens een mooie herinnering zouden opleveren. Al was het maar doordat Rany’s tent de enige kroeg is geweest waarin ik nooit een laatste ronde heb meegemaakt.

Rany droomde altijd van een stukje land in Suriname. Die illusie is een droom gebleven. Wel zijn de stamgasten nog met de pet rondgegaan voor een andere wens van hem: een Mercedes CLK cabriolet. Daar rijdt hij nu in rond aan gene zijde. Met triomfantelijke bulder.

De opvolger, Le Carafon Next Generation, rekent vast op de oude klandizie. Mij zullen ze er niet treffen. Niet alleen omdat de stamvader niet meer is, ook omdat ik nu opsta op een uur dat ik vroeger uitging. Naarstig op zoek naar Het Begin der Illusies.

Le Carafon
Het Einde der Illusies

Van de levensfilm

Sommige mensen die ternauwernood aan de dood ontsnapt zijn, beweren dat ze de hoogtepunten van hun leven aan zich voorbij hebben zien flitsen. Een afscheidsgeschenk Gods? Sinds ik van het fenomeen kennis heb genomen loop ik erover te piekeren, want zo’n resumé van je bestaan roept de nodige vragen op.

Om te beginnen: wie bepaalt de keuze van de levensfragmenten? Mag je dat zelf, of liever gezegd je eigen onderbewustzijn, dat doen? Of haalt God razendsnel jouw greatest hits van de plank voor zo’n prematuur IM? Als God het voor ’t zeggen heeft is het maar de vraag of we naar die momenten moeten uitkijken, want Hij kiest geheid voor de beproevingen; de mislukkingen, de afwijzingen, de ontgoochelingen. Die hebben immers een mensch van je gemaakt.

Als we zelf mogen beslissen kiezen we natuurlijk voor onze dierbare herinneringen. Ik weet er wel een paar. Veilig op de bruinverbrande schouders van mijn vader in de branding van de Méditerranée. Die eerste echte vrijpartij in dat met zonlicht overgoten flatje. Mijn ex die zo hard om mijn rare grap moest lachen dat ze in haar broek pieste. Samen met de stiefkinderen gekke bekken trekken voor de webcam. En iedere ‘like’ die ik voor mijn schrijfsels heb gekregen en mijn zelfvertrouwen heeft gespekt. Voor een ander misschien restmateriaal van een commercial voor levensverzekeringen, voor mij onzichtbare mijlpalen die zich in me verankerd hebben.

Maar ik zit met meer vragen over het levensfilmpje. Zijn de flitsen net zo onbetrouwbaar als je geheugen dat is? Duurt de film langer als je eenmotorige vliegtuigje op tienduizend voet pech krijgt dan wanneer je plots door een tram geplet wordt? Kun je de kwaliteit van de beelden beïnvloeden door zo bijzonder mogelijk te leven? Worden zelfmoordenaars de flitsen onthouden omdat ze de kogel zelf afvuren? Krijgen blinden uitsluitend luisterfragmenten voorgeschoteld? (En hoe zit het dan met doofstomme blinden?) Zal een gesneuveld kindsoldaatje uitsluitend gruwelijke passages zien? Moet een geaborteerde foetus het doen met wat dia’s van de baarmoeder? Van die dingen.

Gelukkig zit ik er niet altijd over te piekeren. Want of er nu levensflitsen komen of niet, diep in mijn hart weet ik dat Het Einde een overweldigend gevoel van troost zal bieden. Dat is het enige waar wij stervelingen ‘recht’ op hebben, als we het ongevraagde cadeau dat Het Leven heet uit onze vingers laten flikkeren, als ware het een vettige lavalamp: de illusie dat onze fanfare in het aardse dal ergens goed voor geweest is. Om wat voor onuitspreekbare reden dan ook. Daar zijn geen greatest hits voor nodig – die bewaren we wel voor Facebook.

De onzichtbare mijlpalen
Het achterhoofd telt maar door

Zonder wapenfeiten

Eigenlijk heb je het pas écht gemaakt als er vroeg of laat een mugshot van je opduikt op internet. Zo’n politiefoto is immers het bewijs dat je ooit wilde haren hebt gehad, lang voordat je voor het grote geld bent gegaan. Frank Sinatra, Bill Gates, Al Pacino, Keanu Reeves, Woody Harrelson, ze hebben allemaal even vastgezeten toen ze nog niemand waren. Er zijn ook sterren die hun carrière juist afgesloten hebben met zo’n jailhousekiek. Nick Nolte, James Brown, Phil Spector, David Cassidy en zelfs Don McLean werden in hun midlife door de politiefotograaf vereeuwigd alsof ze na een long weekend coke snuiven hun vrouw vermoord hadden, wat soms ook het geval was.

Nee, dan uw stukjestyper. Omdat mijn naam niet verder reikt dan mijn Facebookmuur en ik niet prat kan gaan op noemenswaardige wapenfeiten, heb ik besloten de natuur een handje te helpen met deze polaroid. Nu maar hopen dat ie een eigen, roemrucht bestaan gaat leiden op internet. Aan jullie de taak er een gruwelijk misdrijf bij te bedenken.

Photoshop rebel
Photoshop rebel

En de tegenligger

Na echtscheiding en verhuizing staat ie op de derde plaats in de TOP 10 van dodelijke stressveroorzakers (CBS 1976): vakantie. Niet verwonderlijk dus dat die drie weken het slechtste in de mens naar boven halen. Althans, dat doen ze bij mij. Stikchagrijnig word ik ervan, dat gelanterfant in een land waar ze geen fatsoenlijk Nederlands spreken en je niet met guldens kan betalen. En dan dat godvergeten GENIETEN! Alsof het leven daarvoor bedoeld is!

Voor mijn ex-vriendinnen is vakantie vooral stressmaker nummer drie geworden dankzij mijn persoon. Zoals die arme P. Zij was mijn eerste echte relatie, had geen idee wat voor vlees ze in de kuip had toen we samen landjes gingen hoppen door Europa. In haar Eendje, begin jaren ’80. Oftewel B-weggetjes afwaggelen, poedelen in authentieke beekjes en kamperen waar dat ‘t minst mag.

Heel romantisch allemaal, maar na een week in een lekkend tentje word je toch behoorlijk met elkaars verbeterpuntjes geconfronteerd. Zo bleek P. erg gesloten. En ik erg extravert. Maar vooral ongenietbaar. Kicks zocht ik! Euforie! Meeslepend avontuur! Als P. zich aan mij ergerde, hield ze zich wijselijk in. Chagrijnige mannen zijn net mokkende kinderen, die moet je even laten.

Om wat stoom af te blazen mocht ik in Frankrijk achter het stuur kruipen. Ha! Ik zou haar eens laten zien hoe je met twee paardjes onder de kap heuvel-op vrachtwagens inhaalt! Sur le chemin! Nou lijkt het met zo’n opgerold canvas dak en luchtgekoeld motortje al snel alsof je door de geluidsbarrière knalt, maar ik bewees me een voorbeeldig coureur. Tot ik ons op een tweebaansweg naast een poids lourd gemanoeuvreerd had. Zo een die eindeloos lang blijkt. We kwamen er maar niet voorbij, hoeveel peentjes de paardjes en ik ook zweetten. Een monstertruck was het! Daarbij leek ie snelheid te maken om die rotHollanders eens een poepie te laten ruiken. En toen. Toen kwam die bocht. Met die tegenligger. Die de heuvel áf raasde. Mijn hart sloeg over, ik trapte het gaspedaal door de roestbodem heen, om daarna keihard op de rem stappen, waardoor het Eendje wild zwabberend en met gillende bandjes net op tijd achter de monstertruck terecht kwam.

Trillend zette ik de auto aan de kant. Zuchtte diep. Staarde naar mijn versleten gympen. Woedend was ik op mezelf. PUBER! schreeuwde het door mijn kop. MANNETJE! KAFFER! KLOOTZAK! En dat allemaal zonder kreukelzone, zonder gordels en zonder dak. Ook van P. verwachte ik de volle lading; ik had immers met haar leven gespeeld. Maar niets van dat al. Ze gaf me een zoen op mijn rechterwang. Zo teder, zo troostend, zo koesterend, dat de tranen me in de ogen schoten. Damn. Dat was wat ik al die tijd nodig had gehad. Ik hóefde van haar helemaal niet te genieten.

Die laatste twee weken van de vakantie heb ik genoten. Van het onverstaanbare Oostenrijks, het Italiaanse Monopolygeld en de Vlaamse zakkenrollers. En vooral van P. en de rust die ze uitstraalde. Maar met mij op vakantie is ze sindsdien niet meer gegaan.

De zoen
Europa hoppen met 80 per uur

Van de mondhygiëniste

‘Je gebit, dat is je uithangbord!’ Deze levenswijsheid werd ons thuis onder de neus gewreven, lang voordat we in de spiegel hadden leren kijken. Ik schrok er een beetje van, want mijn uithangbord hing wel heel erg in de picture. Een ivoren waaier leek het! Dus toen er om de hoek een orthodontist kwam wonen, lieten mijn ouders mijn overbite onmiddellijk in de beugels hijsen. Jarenlang moest ik slapen met zo’n plaatje dat aan je verhemelte plakte en naar oude mensen rook. Maar het resultaat mocht er wezen: nog voor mijn puberteit aanbrak was mijn waaier getransformeerd in een Macleans smile.

Zo veel complimentjes kreeg ik voor dat gebit dat ik reflexmatig grijnsde, ook als er weinig te grijnzen viel. Het gaf me een gevoel van macht, alsof ik een geheim wapen paraat hield achter mijn verlegen smoelwerk. Het zou ook mijn ego overeind houden toen ik jarenlang door acne geteisterd werd. En zo kon het dat er lang voor mijn ontmaagding een enorme flirt in mij ontwaakte. ‘Heeere’s Johnny!’ klonk het iedere keer in mijn hoofd als ik de kroeg toegrijnsde.

Dit allemaal tot grote ergernis van Moedertje Natuur. Die had me liever met mijn authentieke overbite laten rondlopen. Zo’n schoonheidsfoutje houdt een mens nederig. Toegegeven, hoeveel aandacht de Macleans me ook opleverde, relaties heb ik nooit niet langer dan een paar jaar kunnen volhouden. Altijd was er weer die onrust, die behoefte aan groener gras om mijn tanden in te zetten. Inmiddels ben ik de midlife gepasseerd en begint mijn inner Jack Nicholson een beetje pathetisch te klinken.

Daarbij heeft Moedertje Natuur me iets gegeven om me een toontje lager te laten zingen: parodontitis. Dat is een aandoening waardoor je tandvlees bij de geringste tandplak ontsteekt. Anders gezegd: als ik in de middeleeuwen geboren was, had ik nu met een kunstgebit gelopen (en zelfs dat niet). Gelukkig leven we in de Eeuw van de Mondhygiëniste! Al een kwart eeuw zoek ik haar elk kwartaal op, ook nu haar tandartsenpraktijk verkast is naar een dorp onder de rook van Utrecht. Uren ben ik kwijt aan wachten op streekbussen. Maar dan heb je ook wat. Bij iedere tandartscontrole kom ik glansrijk door de APK.

Maar ik ben niet alleen dol op mijn mondhygiëniste omdat ze haar werk zo goed doet. Ze is ook een ontzettend Fijn Mens. Zo iemand die je altijd complimentjes geeft, ook als je wat minder vlijtig geflost heb. Die je monsters meegeeft van vertegenwoordigers zodat je nooit meer dure tandpasta hoeft te kopen. Die op je wacht als je bus vertraging heeft of extra snel schrobt als je een bus moet halen. Ze waakt over mij. Of in ieder geval in mijn gebit.

Daarbij is zo’n schoonmaakbeurt voor mij een leerzaam moment. Want als ze met me bezig is, kan ik niet grijnzen of grapjes maken of over het leven tetteren. Dat halve uurtje ben ik de bescheidenheid zelve. Het is ook bij haar dat ik heb leren luisteren. Niet dat ze een flapuit is, maar in de loop der jaren heeft ze me een en ander toevertrouwd. Dat ze al iets van een kwart eeuw weduwe is. Dat ze drie kinderen in haar eentje heeft moeten opvoeden. Dat ze geen ruimte heeft gehad voor flirts, laat staan voor liefde. Tegen de zestig liep ze inmiddels, dus ik dacht wel eens: die is kansloos bij Cupido. Terwijl ik niet eens wist hoe ze er precies uitziet, omdat ze dat mondkapje altijd voor heeft.

Maar Moedertje Natuur neemt niet alleen, soms geeft ze wat. En nog somser geeft ze dat aan hen die dat ’t hardst verdienen. Zo vertelde mijn hygiëniste me een jaar geleden dat ze verkering heeft. Met een twintig jaar jongere vent nog wel liefst! Ze was de eerste om haar twijfels uit te spreken over de levensvatbaarheid van de relatie. Maar ze klonk zo enthousiast, zo vol vertrouwen. En met reden. Want het blijft aan. Het gaat goed. Ze is zelfs gaan samenwonen. En bij de laatste poetsbeurt meldde ze trots ze dat ze deze zomer nog in het huwelijksbootje stapt! Toen ik dát hoorde moest ik tijdens het spoelen even een traantje wegpinken.

Eenmaal buiten, wachtend bij de elektronische bushalte die altijd belooft dat de bus snel komt maar mij expres langer laat wachten (omdat dat een mens nederig houdt), onderzocht ik de oogst die ze me had toegestopt. Tandpasta, ragertjes, mondwater en… een mondkapje. Dat laatste was vast niet haar bedoeling geweest. Maar misschien wel die van Moedertje Natuur. Een hint dat ik me eens anders moet presenteren, dat ik een nieuwe profielfoto op Facebook moet plaatsen, met dat mondkapje vóór. Zodat mijn lezers die andere Rein eens leren kennen. Die er ook best wezen mag: bescheiden luisterend – als een gemuilkorfde Hannibal Lecter.

Het mondkapje
Cheese!

In de boekenwinkel

Het was de walnoot in mijn pennenbakje die me aan H. deed denken. H.-van-de-boekenwinkel. Samen met een kameraad runde hij een antiquariaat in het centrum. Dat deed ie dertig jaar lang, maar eigenlijk was hij vooral een anti-verkoper. Want klanten, daar had ie ’t land aan. Vréselijk volk vond ie dat. Domme vragen. Gezeur. Geplak. Liefst werd ie met rust gelaten, zodat hij de tienduizend boeken van zijn winkel kon herlezen, als het even kon met tienduizend glazen wijn binnen handbereik.

Toch was dat geplak deels aan hemzelf te wijten. Want H. kon enorm charmeren. Zijn onNederlandse gastvrijheid maakte het boekenwinkeltje tot magneet voor bibliofielen. Zo tegen sluitingstijd stroomde het vol intellectuelen die hun kennis der Letteren etaleerden; verkopfte, overjarige studenten die meer met boeken en schrijvers hadden dan met het leven waaruit die verhalen gedestilleerd waren. Ze ademden een lethargische passie uit.

Dan vond ik H. een aangename uitzondering. Alleen al omdat hij zo fysiek was. Op het liederlijke af zelfs. Een boomlange kerel die zoop als een Rus, rookte als een ketter en en passant de – bij voorkeur wat rijpere – dames het bed in praatte. H. leefde zoals hij dacht dat een schrijver dat doet. Omdat ik het winkeltje meed zijn we nooit vrienden geworden, maar als we elkaar troffen in de kroeg of op een feestje, klikte het alsof we samen opgegroeid waren. Kon hij lullen als Brugman, ik oreerde volgens hem als een predikant. Dat kwam bij mij binnen als een compliment.

H. had geen sterke persoonlijkheid. Bij de vierde fles wijn begon hij zich steevast in zijn gesmoorde ambitie te wentelen. Hij had schrijver willen worden maar was, zoals zoveel romantische lezers, meer absorbant dan scribent. Bovendien had hij ontzag voor Grote Namen. En was ie aartslui. Eén titel heeft hij eruit weten te persen. Geen Great Dutch Novel, wel een bescheiden werkje vol aardige anekdotes. Over klanten die domme vragen stellen, aan zijn kop zeuren en in de winkel blijven plakken.

Door dat imposante lichaam leek hij ondanks zijn alcoholisme onverwoestbaar. Dat was ie niet. Hij kreeg kanker. Toen bekend werd dat hij nog maar twee maanden te gaan had, besloot ik hem thuis op te zoeken. Dat voelde aanvankelijk wat onwennig, alsof ik een stamgast zonder decor van tap en kastelein had getroffen. Hij liep moeizaam met een stok vanwege uitzaaiingen in het bekken. Emmers vol morfine moest hij slikken tegen de pijn. Maar van zelfmedelijden was niets te bespeuren. Integendeel. H. weigerde zich van zijn stuk te laten brengen door de dood. ‘Ik kan het écht niet erg vinden om te sterven. Ik heb een mooi leven geleid, vol kunst en liefde.’ Die avond lulden we zoals we altijd geluld hadden. Zwarte grapjes, ongeloofwaardige verhalen en onbruikbare wijsheden. Hij praatte alsof ie op vakantie ging. Toen we afscheid namen vroeg ik of ik iets van hem ter herinnering mocht meenemen. Ik koos voor een stomme walnoot, zo een die zich maar niet laat kraken.

Wij onsterfelijken weten niet hoe het voelt om ter dood veroordeeld te zijn. Kunnen ons niet voorstellen hoe we ons zullen houden na het slechtnieuwsgesprek. Zo had niemand verwacht dat Bourgondiër H. met zijn zwak voor zwelgen zijn lot zó waardig zou dragen – of juist onwaardig, in de goede foute zin van het woord. Hij deed zich evenmin voor als een vechter, zo’n terminale die op posters gepresenteerd wordt als een krijger, met grimmige been-through-it-all-blik, alsof woekerende cellen een uitdaging zijn. H. had daadwerkelijk vrede met het tijdelijke. En hoezeer ik mij ook gezegend voel met de drive om mijn schrijfambities wél te verwezenlijken, soms zou ik al die Spartaanse ijver even willen verruilen voor de gekreupelde maar daarom niet minder zwierige wals die H. van zijn laatste twee maanden op aarde wist te maken.

De noot en de dood
De boekenwinkel

In the sequel

Het fijne aan renoveren is dat je tijdens het opruimen van je zooi op lang vergeten pareltjes uit je jeugd stuit. Zo trof ik deze aquarel uit de tijd dat ik nog Walt Disney wilde worden. De dynamiek was onmiskenbaar aanwezig, alleen de toon moest ik nog wat verfijnen. Wat een onverwachte sequel was dat geworden!

When Bambi got lynched
De passie van een kind

Versus herhaling

Dit is hem. Nee, niet dat watje bij de haard of die Louis de XIVe stoel… De vloer! Met die ruige doch warmbloedige, verweerde maar vooral doorleefde uitstraling. Zo natuurgetrouw! En zo nep, want laminaat. Natuurlijk zou ik liever een partij échte afgefikte watermolenplanken op de vloer van mijn pasgerenoveerde betonflatje leggen voor de beoogde landhuislook, maar dat mag niet van de woningbouwvereniging. En met deze Quickstep zal het evengoed een warm nest worden, waar ik mijn gasten kan voorlezen uit eigen werk.

Echter. Het probleem met laminaat is dat ik een probleem heb met laminaat. Niet omdat het nep is, maar omdat ik dat ook altijd kan zien. En zeker met dit ‘decor’ zoals dat heet. Want daar bestaan maar tien verschillende prints van. Dus tien verschillende plankjes. Dat weet ik zo precies omdat ik de fabrikant erover heb uitgehoord (tot ie de hoorn op de haak gooide). Dus ik weet nu ook al, dat als ik mijn gasten straks na de vossenjacht fêteer op een glaasje cognac en een verhaal afsteek over mijn wilde jaren als stroper, mijn blik steeds naar die vloer getrokken zal worden, WAAR IK HER EN DER VERSPREID ALLEMAAL IDENTIEKE PLANKJES ZIE LIGGEN DIE IK ER STUK VOOR STUK UIT WIL RUKKEN OM OP DE ELEKTRISCHE OPEN HAARD VAN MIJN RUSTIEKE LANDHUISFLATJE AAN GORT TE SLAAN!

Misschien ben ik toch meer iemand voor de rustieke betonlook.

Rustiek
Daar! Wéér dat patroon!

Met vetorecht

Als we de miljarden selfies op Facebook zouden moeten geloven, leidt iedereen een verschrikkelijk interessant en dynamisch bestaan. Een huiveringwekkend idee eigenlijk, al die manische positiviteit. En een aperte leugen. Want de mens moet hard knokken voor zijn dagelijkse portie geluk.

Maar vroeger, lang voordat de selfie was uitgevonden, belazerden we de kluit ook al. In de fotoautomaat. Dat was een selfiemaker pur sang, want je werd niet gekiekt met een coole party, statige Eiffeltoren of gemartelde gevangene op de achtergrond. Je moest er zélf wat van maken. Wel kreeg je carte blanche, zelfs als het voor een paspoort was. Zolang je er maar met één oor op stond en geen Lou Reed-zonnebril droeg, kon jezelf zo presenteren als je je voelde: filosofisch, macho, sexy of quasi nonchalant. De fotoautomaatkiekjes dropen van de authenticiteit. Althans, dat vonden we zelf.

Hoe anders zijn die automaten van tegenwoordig! Ze leggen je vast als een mugshot van een RAF-terrorist. Dat komt doordat zo’n apparaat precies weet welke eisen er gesteld worden aan een pasfoto. Én hij vetorecht heeft. Bij iedere opname bepaalt hij en hij alleen of jij er paspoortwaardig op staat. Dat is niet snel het geval. Je moet hoger zitten, rechter kijken, oppervlakkiger ademhalen. En vooral: NIET LACHEN. Steeds geeft ie je tegenstrijdige en vooral cryptische aanwijzingen, om na iedere klik weer meewarig de lens te schudden. Tot hij je uitgeput heeft. Dan flitst ie je zo ongenadig hard dat je een week later nóg met röntgenogen ronddwaalt. En spuugt ie eindelijk je mugshot uit.

Ik vermoed dat het die automaat helemaal niet om jouw perfecte paspoortsmoel te doen is. Dat hij op iets anders aast. Op je ziel. Ik denk dat hij je wil vereeuwigen zoals jij werkelijk bent. En dat is het allerlaatste wat jij van jezelf wilt zien. De fotoautomaat maakt de foto die je nooit op Facebook zal zetten. Doodzonde, want zo weet niemand wat voor beroerd leven je eigenlijk leidt. En loop jij al die herkenning mis! Facebook zou ons moeten verplichten om de pasfoto als profielfoto te gebruiken. Zodat we de wereld met z’n allen een beetje minder leuk kunnen maken. Wat zou dat een opluchting zijn.

De zielenrover
Zoek de ware Rein

In een doortochtflatje

In afwachting van de roem die mij ten deel zal vallen als schrijver, heb ik mijn keukenvloer laten egaliseren opdat ik van mijn handen – en van een bepaald orgaan – een afdruk kan achterlaten in mijn flatje, dat na mijn verscheiden zal uitgroeien tot bedevaartsoord.

leesbarenaamfoto
Klaar voor de Eeuwigheid

Met de crematorium-look

Graag even uw likes voor mijn spiksplinternieuwe inrichting. Heb ik wel verdiend. Zoals u ziet heb ik gekozen voor een strakke maar stemmige ambiance, waarbij zwartlederen zitcomfort, haagbeuken laminaat en asgrijze vitrages warmte en verdieping krijgen dankzij een nauwlettend gecomponeerde foto-impressie van watervallen en een salontafel vervaardigd van duurzaam tropisch hardhout. Ook heb ik me laten verleiden een televisie aan te schaffen (uiteraard in gelijksoortige stijl), om meer verbinding met de maatschappij te voelen. Home is where the heart is!

Hoe graag had ik dit stukje zo willen beginnen. Helaas. This is not my beautiful house. Ik leef in een leugen. Waar ik over een week alweer uit moet. Het is een zogeheten logeerwoning, waarin ik moet bivakkeren tot mijn eigen flat opgeknapt is. Alsof dat iets zal helpen.

Want waar ik ook woon, altijd oogt mijn thuis alsof er net is ingebroken. En zelfs dat niet. Komt allemaal door mijn voorkeur voor pragmatische inrichting. Lees: troosteloze meuk die je bij het grofvuil van een TBS-kliniek verwacht. Die neiging naar ongezelligheid is een keuze, zo maak ik mezelf graag wijs. In een huis dat zijn best doet zou ik me ongemakkelijk voelen. ‘Als het maar werkt’ is mijn devies. ‘Je woont in een werkhok!’ verzuchtte mijn ex toen ze na een weekendje logeren toch wel erg opgelucht was dat ze weer mocht vertrekken. Ze bedoelde natuurlijk ‘woonstudio’. Omdenken, dat geeft zoveel gemoedsrust.

Maar niet voldoende. Want de enkele keer dat er een loodgieter over de vloer komt of de laatste Jehova’s getuige zijn voet tussen de deur wringt, staat het schaamrood me op de kaken. ‘Ja, ik ben aan het opknappen,’ begin ik dan ongevraagd, ‘de vorige bewoners hebben het compleet uitgewoond!’ Vrienden ontvang ik zelden aan huis. Liever maak ik een afspraak in het café, waar ze de leuke Rein treffen, in plaats van de manisch typende mood swinger die ‘IS HET HIER GODVERDOMME NOG NIET GEZELLIG GENOEG!’ brult als zijn ex een kaarsje wil aansteken. Terwijl mijn flat volgens haar zó’n potentieel heeft. Zeeën van ruimte! Schitterend uitzicht op het kanaal! Fonkelende lichtinval!

Dus. Genoeg is genoeg. Over een week gaat het roer om. Dan moet en zal ik aarden, voor het eerst in veertig jaar. Sterker, van de woningbouwvereniging heb ik al nieuwe keukenkastjes moeten uitzoeken. En een beukenhouten aanrechtblad. En kekke douchetegels. Mijn gezelligheidsdetector sloeg uit alsof ik lamellen ophing in de living van Tsjernobyl. Jammer dan. Ditmaal zet ik door. Groots genieten ga ik van mijn nieuwe thuis. ‘Het begint al!’ hoor ik Kamagurka’s Bert zeggen.

Voor nu echter mag ik nog even mijzelf zijn in deze logeerwoning. Woonideeën opdoen. En smullen van de dure chocolade die de woningbouwvereniging heeft achtergelaten om de verbannen bewoner welkom te heten. Merci! Niet dat ik gepaaid hoefde te worden, want ik voelde me direct thuis in de crematorium-look. Alsof ik een woonmagazine ben binnengestapt, of andermans bestaan heb gekaapt. Niets dat me aan mijn eigen leven herinnert! Er hangt zelfs een onpersoonlijk luchtje. Zouden er spuitbussen bestaan met Neutrale Mensengeur, zoals ze ook nieuwe auto’s allemaal hetzelfde luchtje meegeven?

Woongenot is een keuze
Het begint al!

Van Sjors

‘NNN*UKENNNN!!’ gromde Sjors boven het zoveelste fluitje Heineken, zijn snijtanden ontblotend. Behoorlijk dreigend klonk dat, terwijl deze veertiger met zijn corduroy jasje, Rien Poortvlietsikje en dwars gekamde haar toch vooral op een leraar biologie leek. Het waren zijn ogen die afweken. Die loerden de kroeg rond als een roofdier. Niet op zoek naar iets neukbaars, maar naar iets provoceerbaars; een studentje met bekakte praatjes of een koppelbaas met sterke verhalen. Stuk voor stuk werden ze door hem op de korrel genomen. Niemand had zo’n grote lulkoekdetector als Sjors.

Zijn geld verdiende hij met olieboren in Arabië. Dat deed ie een paar maanden non-stop om er dan de rest van het jaar op te teren. In onze stamkroeg om precies te zijn. Daar zoop hij alle fluitjes op die er in het fust zaten. Toch, zat heb ik hem nooit zien worden. Sjors had geen kwade dronk nodig voor zijn misantropie.

Waarom ik hem mocht weet ik niet meer precies. Misschien omdat hij de enige van het meubilair was die nooit sociaal wenselijk probeerde te doen. Of omdat ik een oudere broer in hem vermoedde. Waarom Sjors mij mocht weet ik ook niet meer precies. Misschien omdat ik de enige stamgast was die wel eens een normaal gesprek met hem aanknoopte. Dan liet hij iets doorschemeren van de doodeenzame ziel die er achter dat sarcasme schuilging. Scheelden we meer dan twintig jaar, als we samen aan de toog hingen leken we overlevenden van eenzelfde disfunctionele familie.

Zo tegen sluitingstijd liet Sjors steevast een taxi bellen. Bestemming: Katendrecht. Want dat NNN*UKENNN!! deed ie natuurlijk niet met een vriendin, maar bij de hoeren. Eenmaal vroeg hij me mee naar de Kaap. Niet om van bil te gaan, daar was ik veel te bleu voor, maar voor een afzakkertje. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Als enige kaaskoppen belandden we in een pikdonkere Surinaamse kroeg. Was grootverbruiker Sjors hun roomblanke mascotte, ikzelf voelde me minder op mijn gemak, en probeerde die angst te overschreeuwen door de loftrompet af te steken over mijn held Chuck Berry - getetter dat normaal gesproken direct door Sjors op de korrel genomen zou worden. Maar toen mijn bravoure niet gewaardeerd werd door de clientèle en er zelfs iemand met me op de vuist wilde, hoefde Sjors slechts te grommen om de gemoederen te bedaren. We zijn heelhuids thuis gekomen.

Bij Sjors wel te verstaan. Hij had een tweekamerappartementje op de Brielselaan, zo mogelijk nog deprimerender dan mijn eigen schimmelhok in Oud West. En zo apart. Nog voordat ik dronken op zijn sofa in coma viel vroeg ik hem waarom hij in godsnaam beide kamers een stofzuiger in aanslag had staan. ‘Dan hoef ik minder moeite te doen,’ antwoordde hij met een blik alsof ik naar de allerbekendste weg vroeg. Zulk een rücksichtslos doorgevoerd pragmatisme maakte een onuitwisbare indruk op me.

Nu ik mijn sporen had verdiend als kroegpuppy vroeg hij me ook een keer voor een klus. Samen met wat andere stamgasten auto’s van A naar B rijden. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Rillend van de katerpaniek zat ik de volgende dag achter het stuur, me bij iedere af te leggen meter afvragend of de auto gestolen was, hoeveel lijken en drugs er in de kofferbak lagen, of ik nog te veel alcohol in mijn bloed had en of je al rijdend een blackout kon krijgen. Helemaal niets gebeurde er. En toen ik een paar uur later een zakje zwarte centen in mijn knuist gedrukt kreeg in het crimineelste café van de Brielselaan, voelde ik me bijna een Sjors jr.

Onze stamkroeg sloot voorgoed haar deuren. Ik verloor Sjors uit het oog. Pas jaren later trof ik hem in een nieuwbakken bruin café te IJsselmonde. Hij ontblootte onmiddellijk zijn geelgerookte roofdiertanden. Wat een weerzien! Maar wat zag hij er… apart uit. Zijn dwarsgekamde haardos was gereduceerd tot enkele slierten, zijn wolvenogen staarden flets voor zich uit. Hij nipte aan zijn fluitje in plaats van het achterover te klokken. Olie boren, daar deed hij niet meer aan. Naar de hoeren ging ie evenmin meer. Hij woonde nu samen. Met een vrouw die carrière maakte. Ware liefde! Misschien had hij daarom geen zin om met haar te NNN*UKENNN!! Ik knikte begripvol. Bestelde nog een fluitje voor hem, wenste hem alle lust van de wereld en verdween voorgoed uit zijn leven.

Een Sjors geworden ben ik niet, al vermoed ik ergens een fanatiek olieboorder en notoir hoerenlopen deep down inside of me. En als ik nu foto’s van Sjors bekijk flitst het wel eens door me heen dat hij misschien vooral een triest geval was, een barfly die zijn levenslust verloor toen hij probeerde te aarden. Maar ik pas voor dat soort tijdreisarrogantie. Voor mij blijft Sjors de enige kroegwolf die twee stofzuigers in aanslag had. En gezegend was met de grootste lulkoekdetector van Rotterdam Zuid.

De stofzuigers
Sjors on a roll

Van Central Park

Central Park, New York City, ergens halverwege jaren negentig. Op een bankje zat ik, in het vroege ochtendzonnetje met mijn pocketboekje. Mijn maat lag zijn roes uit te slapen in het vlooienhotelletje, maar ik moest van mezelf zo nodig genieten. Ik zat er helemaal klaar voor, in dat zonnetje met dat boekje. Het begint al! hoorde ik mezelf iedere tien seconden denken.

Nadat ik een kwartier krampachtig in mijn boekje gestaard had kwam er een man aanlopen. Jaar of veertig was ie, rasta-look, relaxte glimlach en kuierende pas. Dat was pas iemand die genieten kon! Hij hield in toen hij mij zag zitten. Keek me opeens aan met doordringende blik – de target lock van een roofdier! flitste het door me heen. Snel drukte ik mijn neus weer in het boekje. Terwijl ik me nog zo voorgenomen had om aan mijn wantrouwende natuur te werken!

Gelukkig had hij minder last van vooroordelen. Hij sprak me aan over de Martin Amis die ik aan het lezen was, Money getiteld. We raakten in gesprek over literatuur, over het verschil tussen Engelse en Amerikaanse literatuur, het leven in The Big Apple en andere cultuurdingetjes. Hij was een bereisd man. Kende Utrecht, wist zelfs van de beruchte FEBO snackautomaat. Na een half uur kletsen nam zijn verhaal een trieste wending. Hij kampte met acute geldproblemen. Of ie een tientje van me kon lenen. Voor een paar uur, dan zou zijn broer terug zijn en kon hij het mij terugbetalen.

Ik keek hem nog eens goed aan. Wantrouwend als ik mag lijken (thuis krijgen collecteurs van het Kankerfonds geheid een taser op hun bus), dicht ik mezelf toch vooral mensenkennis toe. Een zesde zintuig voor authenticiteit zeg maar. Zo’n detail als die FEBO, dat verzin je niet! Ik WIST gewoon dat deze man deugde. Trok mijn portemonnee, wilde er tien dollar-biljet uit trekken, aarzelde even, pakte een twintigje, om dat weer terug te stoppen en uiteindelijk vijftig dollar tevoorschijn te toveren. Ik gaf hem het geld met een relaxte glimlach. Zei dat ie me die middag om vijf uur in de kroeg bij mijn hotel café kon vinden. Zóveel vertrouwen had ik in hem. En in mijn zintuig.

De man moest even slikken. Hij bedankte me, stak het biljet bij zich en vervolgde zijn pad, om zich nog even om te draaien en twee duimen omhoog te steken. Ha! Het genoegen was geheel mijnerzijds. Ik kon weer genieten van het zonnetje, en vooral van mijzelf. Dit was nou wat ze bedoelden met making a difference! Ik had iemands vertrouwen in de mensheid hersteld!

Uurtje later trof ik mijn maat in de kroeg bij het hotel. Vertelde hem mijn verhaal met enige terughoudendheid, want verwachtte de nodige scepsis en wilde dat goede gevoel nog even vasthouden. Pas na lang doorzeuren wist hij me de details te ontfutselen. ‘Vijftig dollar? VIJFTIG DOLLAR!? JIJ HEBT EEN WILDVREEMDE VIJF-TIG DOL-LAR GELEEND?!’ Zó hard moest hij lachen dat ie bijna de kroeg werd uitgezet. Vijftig dollar! Hij bleef maar doorhinniken, zeker toen ik nog even over die FEBO begon. Een loeiende cash cow, dat was ik! Zo een die de staart opsteekt om eens goed genaaid te worden! Ik mompelde iets over een zesde zintuig en bestelde boos een biertje. Maar toen de klok eenmaal vijf uur geslagen had werd ik toch wat onrustig. Kwartiertje vingertrommelen later trok ik wit weg. Om half zes werd ik zo stil dat mijn maat bijna medelijden kreeg. Geen rasta te bekennen.

Gods wegen wegen zijn echter ondoorgrondelijk, om maar niet te spreken van onzorgvuldig, zo zou een paar dagen later blijken toen mijn reisgenoot wat traveller’s cheques inwisselde bij een bank. Direct nadat hij de transactie voltooid had siste hij mij in de mijn oor: ‘Wegwezen hier!’ Drie blokken snelwandelen verderop legde hij me uit wat er aan de hand was. De bankemployee had hem – je verzint het niet – honderd dollar te veel uitbetaald. Honderd dollar! Goddelijke interventie! ‘Maar,’ wierp ik tegen met een frons, ‘moet dat straks niet uit de zak van die slordige bankemployee komen? Of erger: wordt ie nou niet ontslagen? Zijn huis uit gezet? Central Park in gejaagd!?’ Welnee. Volgens mijn maat was het risico geheel voor de bank. En hij kon dat weten, want had ooit bij het grenswisselkantoor gewerkt. ‘Werd je daar niet ontslagen?’ probeerde ik nog. ‘Niet zeuren!’ was het antwoord. Ik hield mijn smoel al, zeker toen hij me een vijftig dollar-biljet toestopte. Pleister op mijn hevig bloedende zelfdunk.

Uitgegeven heb ik het biljet nooit, al brandt het soms in mijn zak. Het voelt als behekst. Steeds als ik het in de bus van de kankercollectant wil stoppen, gaat er een alarmbel af in mijn kop. Want wij stervelingen mogen dan graag een verschil willen maken, Onze Lieve Heer is toch vooral van het natuurlijk evenwicht. Geheid dat als ik die vrijwilliger de dag van zijn leven bezorg, er elders op aarde iemand luid loeiend genaaid wordt.

De FEBO-man van Central Park
Iedere gelijkenis met de persoon op de foto berust op louter toeval. Grapjes worden niet op prijs gesteld.

En zijn geheim

Iedere keer als het treinverkeer lam ligt denk ik even aan Leo. Dat is nogal eens het geval, terwijl ik Leo maar eenmaal ontmoet heb. Op de slotavond van mijn stamkroeg in Rotterdam–Zuid. Leo was een twee meter lange gozer in een veel te nieuw spijkerpak achter zo’n meekleurende bril die je een ziekelijke oogopslag geeft. Hij hield zijn schouders opgetrokken en huiverde steeds, alsof hij zich chronisch onbehaaglijk voelde.

Hij vertelde me dat ie, net als ik, vegetariër was. Niet omdat hij zo van dieren hield, maar omdat ie het een smerig idee vond om dierenlijken te eten. Dat sprak me wel aan, deze lugubere variant! Dus toen de kroeg haar deuren sloot, ging ik op zijn uitnodiging in om bij hem nog een pintje te vatten.

Zijn huis was een vrijstaand kraakpand aan het spoor en bestond bijna geheel uit een werkplaats volgestouwd met elektronica, met in een hoekje een slaapzak en een koffiezetapparaat. Leo was specialist op het gebied van plus & min, zo vertrouwde hij me toe, en werd door de Spoorwegen regelmatig ingeschakeld bij complexe problemen. Daar verdiende hij zijn geld mee. Maar zijn passie lag elders.

Hij was namelijk anarchist. Het ontregelen van de maatschappij, dat was zijn ding. Afbreken die corrupte structuren! Ik keek er niet van op, want eind jaren zeventig beweerde zo’n beetje iedere snotneus dat. Alleen was Leo helemaal niet punk. Hij was een échte anarchist – zo een die erover nadacht! En belangrijker: hij had een boek liggen waarin uitgelegd werd hoe je een bom kon maken. Tegenwoordig weet zo’n beetje ieder huishouden-met-internetaansluiting dat wel, toentertijd moest je voor zo’n handboek heel wat tweedehandsboekenkrochten afstruinen en tussen de Mein Kampfs grabbelen. Het was de eerste keer dat ik even slikken moest.

Leo had een lading hasj liggen, want dat ontregelde natuurlijk ook. Hij stopte zijn waterpijp vol en ik lurkte stoer mee, al kon ik eigenlijk niet goed tegen een ontregeld brein. En door dat bommenboek zat ik er niet echt ontspannen meer bij. Leo evenmin. Hij zei dat ie ergens enorm mee zat, zonder te willen vertellen waarmee. Steeds als ik er naar vroeg, trok hij zijn schouders op en huiverde hij. Waardoor ik het nog meer op mijn heupen kreeg. Zou ie wat crimineels op zijn lever hebben? Iemand koud gemaakt hebben, met een elektrische stoel? Mensenvlees eten? De Spoorwegen willen opblazen? Hoe langer ik naar die zelfkleurende bril keek, hoe meer ik een psychopaat zag zitten. Ik probeerde in te schatten of de deur elektronisch vergrendeld was en de ramen onder stroom stonden.

Pas toen er een liter klamzweet over mijn ruggenwervels gegutst was, kwam het hoge woord eruit. Hij was homo, en dan zo een die uitsluitend op hetero’s valt. Ik weet niet meer of ik opgelucht was, of teleurgesteld. Want hoe vaak ontmoet je iemand die Het Systeem wil opblazen? Ik wees hem vriendelijk af, want zelf zo’n hetero die niet op homo’s valt. Maar sinds die nacht denk ik iedere keer als er ergens een trein strandt vanwege een ‘technisch defect’, dat Leo opnieuw afgewezen is. En hij het Systeem even wil laten voelen dat hij tot veel meer in staat is…

De anarchist
Een man met een geheim

voor 2016!

Nieuwjaar 2016
Een jaar vol uitdagingen

Van het troosteloze plein

Iedere ochtend als ik naar de sportschool fiets zie ik hem staan. Op het opgeleukte en daardoor troosteloze pleintje. Bewegingloos, de armen langs het lichaam, hoofd opgeheven, turend naar iets ondefinieerbaars. Bijna als de Februaristaker. Een stil protest tegen de klompendans des levens?

De eerste keer dat ik de Staker daar trof dacht ik: o jee, dat is er weer een. Onze buurt trekt nu eenmaal zonderlingen aan. Alleen al rond mijn blok zwermen er drie. Een werkloze Druipsnor die geen rijbewijs heeft dus met zijn seventies Ford maar heen en weer over de kade kachelt, blauwe walmen uitbrakend. De Klokkenluider, compleet met bochel en Beatles-coupe, die zijn boodschapjes doet in een onderbroekloze legging. En de Capuchon, een zwerver gehecht aan anonimiteit maar vooral aan zijn (vermoedelijk al jaren geleden ingeslapen) Yorkshire, die hij steevast achter zich aan sleept. Tot slot kunnen oplettende lezertjes in het halfschemer hun scribent ontwaren, snelwandelend langs het zwarte water van het kanaal, bij iedere scooteruitlaatknal melding makend van vuurwerkoverlast.

Maar de Staker, die is anders. Ongenaakbaar, zoals hij daar staat. Passerende bouwvakkers kloppen op hun voorhoofd, burgers versnellen hun tred. Het deert hem niet. Hij merkt het niet eens. Ikzelf negeer hem omdat ik niet wil dat hij denkt dat ik denk dat hij een zonderling is. Daarbij, hij lijkt eerder in trance dan krankzinnig. Alsof hij op een teken wacht, een signaal aan de hemel. Op kerstavond hoop ik hem er weer te treffen, samen met de drie zonderlingen uit het oosten, wachtend op een illegale Hongaarse vuurpijl die ons troosteloze pleintje oplicht tot het wonder dat iedereen erin kan ontdekken die maar even durft op te houden met dansen.

Mooie staking, beste lezer!

De Staker
De macht van de eenzame staker

Van de herrietent

Ze had lang vet haar, hoge jukbeenderen en miste een snijtand. Vooral dat laatste vond ik waanzinnig sexy. Halverwege de twintig was ze, op een leeftijd dat verval nog voor intrigerend kan doorgaan. Vermoedelijk was die tand er ooit uitgeslagen door een diender, want Yvette was a wild one. Ze woonde in een zwartgeverfd kraakpand, gebruikte speed, at rauwe knoflook, en ging met Jan en Alleman naar bed. Natuurlijk had ze wel een vriend, een boomlange boer uit de Achterhoek die knetterhard gitaar speelde voor halvolle zaaltjes.

Yvette flirtte graag met mij. Niet alleen omdat ik iets van vijf jaar ouder was, me vaderlijk opstelde en daarmee een zekere afstand bewaarde (mijn manier van hard to get), maar ook omdat ik rare grapjes maakte, een faux pas in de grimmige undergroundscene. Als ze diabolisch naar me lachte met haar hoge jukbeenderen had ik zin om even Jan en Alleman te zijn.

Dat had ik zeker toen ik haar die avond met mijn wijnhoofd tegenkwam in de herrietent. Ze was in gezelschap van haar vriend en van haar moeder, volgens de geruchten net zo’n mannenverslindster als dochterlief. Indruk maken op Yvette met wise cracks kon ik wel vergeten in de pokkenherrie. Bovendien stond haar boomlange boer in mijn licht, zijn tong afdalend in haar mond om te bewijzen dat hij meer had dan een harde gitaar. Geen enkele keer lachte ze naar mij. Haar moeder des te meer. Die had beide snijtanden nog, maar kon in de onderbelichte bar doorgaan voor een reuze spannende milf. Ik besloot tot mijn meest bizarre strategie ooit: ik liet me versieren door de moeder om de aandacht te trekken van de dochter.

De kater waarmee ik de volgende ochtend ontwaakte in haar suburb was van de gemeenste soort – de zelfhaatkater. Maar nog voordat ik mezelf kon vervloeken viel mijn oog op het lijstje op haar nachtkastje, waarin een foto van haar dochter, diabolisch lachend met missende snijtand – hetzelfde portret dat ik die nacht op zijn smoel had willen leggen omdat het mijn viriliteit ondermijnde. Na een korte stop op het toilet haastte ik mij, een oprotei naar binnen schrokkend, richting vrijheid terwijl de moeder me een onverstaanbaar telefoonnummer nariep. Zelden liet een tram zo lang op zich wachten.

Blijkbaar had ik toch iets goed gedaan die nacht én was dat onmiddellijk doorgebrieft, want diezelfde avond nog trof ik Yvette in het café met een wel heelveelbetekenende lach om haar jukbeenderen. Zou dit mijn Jan & Allemanmoment worden? Dan moest eerst die boomlange boer het veld ruimen, dacht ik als aspirant diabool. En besloot tot mijn meest overmoedige strategie ooit: ik stelde voor om een potje handje te drukken. Zogenaamd om de kater te verdrijven, maar eigenlijk om mijn alfapositie op te eisen. Zwaar gebouwd als de boer was ik niet, maar drie maal per week met dumbells sjouwen in het krachthonk had me toch een paar knappe biceps opgeleverd. Deze jongen zou dat varkentje wel even wassen! Ik rolde mijn mouw op, spuugde in mijn handpalm en spande mijn spieren aan, onderwijl glurend of ik Yvette’s volle aandacht had.

De doffe dreun waarmee de rug van mijn hand luttele seconden later op het cafétafeltje terecht kwam, werd slechts overstemd door de diabolische schater van Yvette. Natuurlijk lag het niet aan mijn mannelijkheid maar aan de kater, de valse techniek van de boer en de stand van Saturnus. Niettemin had ik me gedegradeerd van intrigerende filf tot wannabe macho. Terwijl de boer triomfantelijk zijn tong in de nahikkende Yvette liet afglijden, vertrok ik met de Noorderzon, ingedeukt ego tussen de benen geklemd. Het was de laatste keer dat ik Yvette zou zien.

In levende lijve dan. Soms google ik haar wel eens. Ze is makkelijk te vinden, want heeft carrière gemaakt als kunstenares. Op elke foto staat ze met die diabolische lach, al hebben de wilde jaren hun sporen achtergelaten – alsof ze naast die snijtand ook de rest van haar gebit is kwijt geraakt. Ik hoop dat zij ook nog wel eens naar mij gluurt. En dan hunkert naar de inmiddels grootvaderlijke biceps van haar favoriete filf, nog steeds niet helemaal hersteld van de toen zo scheef hangende Saturnus.

NB! De jongeman op de foto is niet gePhotoShopt, maar kampt met een genetische afwijking waardoor zijn rechterarm ‘dubbelgespierd’ is, hetgeen hem tot wereldkampioen arm wrestling heeft kunnen maken.

De filf
Rechtsdragend

Van de valse noot

Auto-tune pitch correcting plug-in heet de software. Daarmee kun je valse zangklanken loepzuiver laten klinken. Doet het ook real time, dus nooit meer afgaan tijdens een dronken karaoke. Ik had er goud voor gegeven toen ik nog optrad met mijn bandje. Want ik kon dan aardig componeren, mijn zang klonk nooit echt strak, ook niet na tienduizend keer een cd’tje inzingen. Doorslag gaf een video van een van mijn optredens, gemaakt door een vriend die me er nog regelmatig mee blackmailt. Exit singer/songwriter Rein.

Soms heb ik er spijt van dat ik mijn stembanden aan de wilgen gehangen heb. Zingen is zó veel lekkerder dan schrijven. En laten we wel wezen, er zijn legio popsterren – van Lana del Rey tot Nick Cave – die zich nooit hebben laten weerhouden door een zelfkritisch oor. Of kan het ze gewoon niks schelen? Afgunst Rein, allemaal afgunst!

Overigens had de auto-tune pitch correcting plug-in geen enkele kans gemaakt bij de keizerin van de valse noot, Florence Jenkins. Begin vorige eeuw veroverde deze volstrekt talentloze, maar vermogende sopraan de klassieke podia door het muzikale wereldje van Philadelphia te financieren. Florence zong niet een beetje vals, nee, ze zong BIANCA-CASTAFIORE-GLASBARSTEND-VALS. Een monument van valsheid was ze.

Volgend jaar wordt er een speelfilm over haar gemaakt door regisseur Stephen Frears. Dus voordat ik weer eens keihard in de lach schiet bij 00:11 van bijgevoegde opname, laat ik mezelf dan inpeperen dat zij straks door Meryl Streep vereeuwigd wordt, terwijl ik met mijn plug-in onder de douche sta te blèren.

Tip: zet het volume voluit: Florence op YouTube

Naam Foto
GLASBARSTEND VALS