filmtitels

Filmrecensies 1989 - 2015

De onontkoombaarheid van ware tijd

‘Real time’ heet dat, als de tijd die in een filmverhaal verstrijkt overeenkomt met de tijd in de bioscoop. Vooral bij een thriller is het een uiterst effectief middel om de kijker te betrekken bij de held, zeker als er sprake is van een ultimatum (‘Nick of Time’). Uiteraard is die ware tijd een illusie; de opnametijd van een film neemt vele malen langer in beslag. Normaal gesproken dan.

De Duitse regisseur Sebastian Schipper heeft het concept nou eens letterlijk genomen met Victoria. Hij draaide de film in één lang shot van twee uur en twintig minuten. Twee keer heeft de crew het over moeten doen; de derde versie draait in de bioscoop. Alleen al op papier een gedurfd experiment, dat effe wat meer indruk maakt dan gepolijste filmhuisdarling Birdman die de kluit belazerde met onzichtbaar aan elkaar geplakte scènes. Victoria is de real deal.

En nee, het ellenlange shot waaruit Victoria bestaat is niet statisch, net zo min als de Spaanse expat dat zelf is. Na een avondje eenzaam dansen leert ze een paar wilde gozers kennen in de straten van Berlijn. De mannen nodigen haar uit om mee ‘op pad’ te gaan. Even aarzelt ze, maar al gauw hoort ze de lokroep van avontuur – om twee uur later gezocht te worden door het complete politie-apparaat.

Wie denkt dat de real time van Victoria weer zo’n gimmick is om de aandacht van de media te trekken, wordt flink op zijn nummer gezet. Zonder montage – en dus kijkrust – ervaar je deze achtbaanrit als even onontkoombaar als het lot van de groep. Je wordt meegesleurd met hun avontuur, voelt waarom Victoria met hen het diepe in springt, begrijpt waarom ze elkaar trouw blijven als de stront de ventilator raakt. Vorm en inhoud zijn één, de gimmick is functionele techniek.

Natuurlijk kan een film met zo’n extreme continuïteit en focus niet iedere seconde boeien. Net als in het echte leven zijn er momenten van ergernis (Victoria is wel erg naïef), verveling (de geïmproviseerde dialogen zijn verre van pakkend) en uitputting (de film duurt zeker 20 minuten te lang). Maar Victoria is ook niet bedoeld voor een gezellig avondje uit. Het is een uitdaging voor de filmverkenner die eindelijk weer eens de lokroep van avontuur wil horen.

Vonnis: **** van de *****

Victoria
Gadoorgadoorgadoor

De ster die eigenlijk alleen maar wilde zingen

Het is moeilijker een slechte film van een goed scenario te draaien dan een geslaagde film op basis van een beroerd script, zegt men wel. Zo zijn er ook onderwerpen waarover je met de kwaadste wil van de wereld geen mislukte documentaire kunt maken. Amy Winehouse is er zo een. Amy staat voor authenticiteit, dat magische begrip, dikwijls gekaapt en uitgehold door het PR-wezen, maar bij haar werkelijk van toepassing en een magneet voor publiek. Miss Winehouse was een zangeres die je in je hart sloot, zelfs als haar rauwe stemgeluid je tegenstond.

Wat meehelpt is dat ze de eerste echte ster was die is opgegroeid in het telefooncameratijdperk. Er is onnoemelijk veel beeldmateriaal voor handen. Slechts een kwestie van ijver dus om hier een dijk van een docu van te maken. Maar cineast Asif Kapadia is meer dan een harde werker, getuige zijn fascinerende ‘Senna’ over coureur Ayrton Senna da Silva. Lijkt Formule I een compleet ander universum dan de jazzscene, Kapadia zag in dat zowel Winehouse als Senna over een intensiteit en roekeloosheid beschikte die tot de dood leidde. En dat is natuurlijk erg romantisch.

De documentaire-die-niet-kon-mislukken is ook bepaald niet mislukt, al brengt hij weinig nieuws omdat Amy nu eenmaal geen moordkuil van haar hart maakte. We leren haar kennen zoals we haar al kenden: Zelfverzekerd over stem en songs, lage dunk van uiterlijk. Hunkerend naar aandacht maar niet opgewassen tegen roem. Bescheiden van aard maar een luidruchtige bitch met slok op. Ene moment de hartelijkheid zelve, andere moment volstrekt ongeïnteresseerd. Hypergefocust tijdens opnamen, total loss in vrije tijd. Welbespraakt converserend maar haar Cockney koesterend. En bovenal betoverend, vooral wanneer ze zingt, met die stralende kop boven dat kinderlijke lichaampje, volgeklad met onooglijke tatoeages, afgebeuld door boulimia, crack en alcohol. Een kruitvat vol tegenstrijdigheden dat we in slow motion zagen ontploffen.

Duidelijk in de docu wordt dat Winehouse nooit in stadions had moeten optreden om hitjes af te draaien. Ze was een volbloed jazzzangeres die toevallig wereldfaam had verworven omdat ze versleten werd voor popster, maar thuishoorde in een intieme clubsfeer waar experiment en improvisatie prevaleren boven entertainment. Het was de rol van tieneridool die haar nekte.

Jammer dat regisseur Kapadia bij Amy’s desintegratie een schuldvraag suggereert. De teloorgang zou te wijten zijn aan agressieve media, een opportunistische pa en meedogenloos publiek. Onzin. Met een persoonlijkheid zoals de hare, waarbij de zintuigen wagenwijd openstaan om creatieve impulsen optimaal te benutten, ben je nu eenmaal vatbaar voor zelfdestructieve verleidingen. Amy en alleen Amy was verantwoordelijk voor haar dood. En voor de meest intrigerende stem van de afgelopen 50 jaar, die deze documentaire ook zonder beeld de moeite waard maakt.

Amy
Kindvrouwtje met de stem van een leeuwin

Stoned geluld

Bij een film over drugsgebruik is het de uitdaging om de kijker de illusie te geven dat ie zelf mee gebruikt. Slechts een enkele cineast is dat gegeven. Ex-Pythonman Terry Gilliam wist met groothoeklenzen en computer generated imagery van Fear and Loathing in Las Vegas de ultieme filmtrip te maken. Regisseur Paul Tomans Anderson (Magnolia, The Master) gebruikt een geheel ander middel dat minstens zo effectief blijkt: hij lult ons stoned. In detective Inherent Vice worden we bedolven onder een lawine van (non)informatie.

Hiermee staat de film overigens netjes in de traditie van Raymond Chandler. In de klassieke 'detective noir' raakt de kijker steevast het spoor bijster in een wirwar aan wendingen, want geschreven door een auteur die zelf evenzeer dolende was. Ook in Inherent Vice is de plot onbeduidend in haar complexiteit. De film draait om stijl. Period perfect art direction (ongeveer 1970), groovy muziek, hilarisch acteerwerk en een van de geilste seksscènes ooit. Anderson is meester in het scheppen van ondefinieerbare sfeer.

Maar stoned als we worden van de alsmaar doorlullende en blowende voice-overs, speurders, coppers, dopers, tandartsen, professionele p*ssy lickers en ander schuim, de tijd lijkt zozeer opgerekt dat we na twee en een half uur uitgeput zijn. Dat is met name te wijten aan Andersons afstandelijkheid. De ironie van zijn retro is te vet om met welk personages dan ook mee te leven, ondanks uitstekend spel van Joaquin Phoenix en Josh Brolin. Anderson mikt zelfs op de makkelijke lach met voor de hand liggende cameo’s van Benicio del Toro (Fear & Loathing) en Eric Roberts (heeft zijn Hollywoodcarrière weggeblowd). Uiteindelijk haal je overal je schouders bij op, zoals een stoner betaamt. En wordt weer eens duidelijk waarom de one liners en lustblikken van Bogart&Bacall 70 jaar na dato nog overeind staan, terwijl je Inherent Vice al in de foyer vergeten bent.

Wie per se iedere film van de geniale Paul Thomas Anderson wil zien, kan de film het best thuis bekijken onder het genot van een pond Rode Libanon. Da’s vals spelen, maar vermoedelijk klinkt het gezwam dan een stuk zinniger - zo niet kosmisch - en ziet u verbanden die de sufgelulde recensent ontgaan zijn.

*** van de *****

Inherent Vice
Slapgelulde retrosloggy

Een zieke geest in een gezond lichaam

Volgens een ongeschreven regel moet in het eerste kwart van een film duidelijk worden wat voor vlees je in de kuip hebt. Dan moet helder zijn of het een genrefilm, een persoonlijke indie of bijvoorbeeld een intellectueel experiment betreft. Met Foxcatcher lapt regisseur Bennett Miller (Moneyball, Capote) deze wet compleet aan zijn laars. Sterker, op driekwart weet je nog steeds niet waar ie heen wil. Dat ongewisse komt deels doordat het scenario is gebaseerd op feiten en dus niet ontsprongen aan het brein van een schrijver die zijn verhaal aannemelijk wil maken. Maar Foxcatcher is vooral ongrijpbaar doordat Miller alle tijd neemt om ogenschijnlijk onbeduidende gebeurtenissen uit te diepen – en daarmee onze zenuwen te slopen.

Nazaat van Amerika’s rijkste familie - binnengelopen dankzij de Burgeroorlog - mag John du Pont zich multimiljardair numero uno noemen. Diep tragisch, want hij wil zo veel meer zijn dan een erfgenaam. Hij wordt echter ingesnoerd door moederlief, een dominant fossiel waarmee hij samenwoont in een gigantisch landhuis. Recept voor perversie, megalomanie en enger zou je zeggen. John lijkt inderdaad niet helemaal te sporen. Hij heeft een tank met mitrailleur in zijn voortuin zijn, en enger, laat zich ‘Golden Eagle’ noemen, om zich op te werpen als mental coach van Amerika’s beste worstelaars, de gebroeders Schultz. Verleid door Du Ponts luxe laten zij zich inlijven door de idioot om hun kansen te vergroten op het WK en de Spelen. Een sell out die slechts tot rampspoed kan leiden.

Popcornpubliek dat gokt op een vette Hollywoodburger omdat hunk Channing Tatum er zijn spieren in aanspant, komt bedrogen uit. Foxcatcher is allesbehalve amusement. Het is ook geen conventionele thriller, want meer sprake van constante dreiging dan van spanningsopbouw. Die dreiging wordt aangezwengeld door een schitterend onderkoeld acterende komiek Steve Carell als de expressieloze John, naar de kroon gestoken door Channing Tatum en Mark Ruffalo als de broers. Foxchaser is een fascinerend experiment, voor wie het volhoudt tenminste, want na 129 minuten nekkramp bekruipt je het gevoel dat je een worstelmatch met John du Pont himself achter de rug hebt. (Met John als winnaar uiteraard, want rijker.)

***½ van de *****

Foxcatcher
Effe lekker huggen

Naadloze zelfspot

Metafilmkunst, films over het maken van films, ‘t heeft al snel iets zelfgenoegzaams. Er zijn uitzonderingen, zoals het hilarische Living in Oblivion (’95) waarin de onafhankelijke filmwereld op de hak genomen wordt. Maar de nu al gedoodverfde filmhuisdarling Birdman van Alejandro González Iñárritu toont aan hoe masturbatief dat navelstaren kan worden.

De synopsis is veelbelovend: een has been filmster die meer dan 20 jaar geleden gescoord heeft als superhero Birdman (gespeeld door Michael Keaton die meer dan 20 jaar geleden gescoord heeft als superhero Batman) probeert zich met een off-off-Broadwaystuk te rehabiliteren als acteur. Michael Keaton die de draak steekt met Michael Keaton dus.

Probleem is dat Keaton niet alleen bekend is als filmster maar ook te boek staat als gerespecteerd, intens acteur. Die zelfspot stinkt dus een beetje. Daarbij is de meedogenloze kijk die Birdman biedt op Hollywoods ego’s, frustraties en artistieke corruptie een stuk makkelijker scoren dan bijvoorbeeld het persifleren van de o zo authentieke filmhuisfilmwereld. Gelukkig worden we ook getrakteerd op enkele vette grappen (Ed Norton met erectie-‘prop’), tot de humor aan dramatiek begint te schuren. Wat wringt met de ironische personages.

Regisseur Iñárritu probeert het verhaaltje te faceliften met wat filmtrucs. Zo zit zijn camera claustrofobisch dicht op de personages, danst hij als een paparazzo om hen heen, alsof ie ons onder de neus wil wrijven dat zijn toneelstukje toch écht geen toneelstukje is. Verder last hij de scènes onzichtbaar aan elkaar waardoor de film uit één lang shot lijkt te bestaan. Een cinematografische hoogstandje, maar vooral een pretentieus stijlmiddel dat afleidt van een verhaaltje dat maar niet wil afronden.

Dus. Als de jazzy drumscore (zó NYC!) na twee uur plaats maakt voor de violen van Rachmaninof en wij geacht worden mee te leven met een bevrijde Birdman, zijn we reeds aan het wegdromen over Keaton die terugkeert als een Batman Sr. Zonder tongue in beak.

Birdman
Bat bird

Terminaal vakmanschap

Dat ik dit nog mag meemaken... Een Nederlandse love story met catchy dialogen, ideale casting en vlekkeloos acteerwerk!? Zouden we het dan tóch kunnen? Regisseur Nicole van Kilsdonk en scenarioschrijver Peer Wittenbols in ieder geval wel. Geen moment van plaatsvervangende schaamte bij deze lekker kort gesneden tragikomedie.

Gelukkig blijft er zat te ergeren over. Zo durfden de makers het niet aan om het verliefde stel gewoon verliefd te laten zijn, moest er een Vreselijke Ziekte bij gesleept worden voor de obligate portie verdieping. Verder hebben de hoofdpersonages een wel erg hoog Linda.-gehalte (Kim van Kooten als sterke, onafhankelijke vrouw met ontzettend kekke groene baan, Koen de Graeve als sullige maar geestige gevoelsman die ook nog eens oudevandagen geneest). En die dronken Polen, waarom zijn die eigenlijk in het verhaaltje geschreven?

Never mind. Wie de grauwe televisiefotografie op de koop toe neemt stuit in Onder het Hart op een paar helder schijnende koplampen in de anders zo donkere metrotunnel die Nederlandse Speelfilm heet. Er is hoop.

*** van de *****

Onder het Hart
Ware liefde oogt als horror

Bond Sr. versus Bond Jr.

Sean Connery. Daniel Craig. En vooruit, Timothy Dalton. Maar Pierce Brosnan echt niet. Die wordt nooit genoemd als favoriete James Bond. Wellicht omdat ie de dierlijke seksualiteit van zijn collega’s mist. Onzin volgens Quentin Tarantino, die met Brosnan in zee wilde voor een remake van Casino Royale. Zoals bekend is dat er niet van gekomen. Jammer, want in The November Man van Roger Donaldson bewijst Brosnan zich een keiharde Bond.

Niet dat het een echte Bondfilm is. Het gitaardeuntje ontbreekt, M & Q zijn nergens te bekennen. En Brosnan is geen 007. Integendeel, hij speelt een gepensioneerd geheim agent die de tijd doodt in een gezellig cafeetje. Tot zijn ex, ook spion én moeder van zijn dochter, wordt doodgeschoten en in Brosnans armen sterft. Waarop de pensionado de jacht opent. En hoe. KGB, CIA, alles & iedereen knalt/schopt/elleboogt ie overhoop met zijn 60+ body. Tot hij op oud-leerling Luke Bracey stuit, zijn oogappeltje van weleer.

Nooit eerder was Brosnan zo hard in een film. Alsof hij wil afrekenen met zijn brave 007-verleden. En met de nieuwe Bond, want die leerling maakt ie uit voor ‘blunt object’ – dezelfde sneer die M (Judi Dench) uitdeelde aan Daniel Craig toen deze zijn agressieve versie van Bond introduceerde. Sukkel!

De knipoog naar de 007-franchise voelt als een schop onder de gordel, ook omdat Brosnans ‘license to kill’ niet wordt goedgepraat met zwarte humor zoals in Bond het geval is. Deze secret agent is een realist, een volbloed moordenaar die zijn oogappel duidelijk maakt dat er in dit vak geen pleisters geplakt worden (‘Are you a murderer or a human being?’) om vervolgens een mes in de liesslagader van diens date te zetten. Waarmee hij onze sympathie verspeelt. Op een haar na. Over dierlijke seksualiteit gesproken…

Hoe gewaagd ook, The November Man blijft natuurlijk wel pulp. De geloofwaardigheid is nihil, de plot zakt in als een kaassoufflé en Bond-girl (!) Olga Kurylenko acteert als een muts. Maar wat worden we verwend met het vitriool van Brosnan, en met de schurken, waaronder boksersneus/hitwoman Amila Terzimehic die haar Tel Sell-messenset zo gretig in d’r medemens steekt dat de geluidseffecten ons nog lang zullen heugen.

The November Man
Korting voor senioren

Internationale poldercinema

Fotograaf Anton Corbijn is een van de weinige Bekende Nederlanders die naam heeft gemaakt buiten ’s lands grenzen. Volgens liefhebbers omdat hij met authentieke, grofkorrelige stijl de mens-in-de-ster weet vast te leggen, volgens critici omdat hij sterren inpalmt met een parfum van valse bescheidenheid (‘ik kan eigenlijk helemaal niet fotograferen’) en pretentieuze plaatjes van hen schiet. Feit is dat je ’t pas gemaakt hebt als Corbijn je vereeuwigd heeft.

De fotograaf maakt ook films. Was zijn debuut Control over Joy Division-zanger Ian Curtis niet onverdienstelijk, The American met George Clooney als huurmoordenaar legde Corbijns pretenties bloot: een als genrefilm vermomde art film vol loze shots die verdieping moesten suggereren maar op de geeuwspieren werkten. Een fraaie diaserie maakt nog geen goede film.

Opnieuw heeft Corbijn een Engelstalige thriller gemaakt. Ditmaal gebaseerd op een Le Carré, maar met eigentijds sausje want terrorisme: een door de Russen gemartelde Tsjetsjeen duikt onder in Hamburg om de erfenis van zijn vader te doneren aan een controversiële islamitische humanist, op de hielen gezeten door een jihadistenjager.

Geen genrefilm, geen kunstfilm. Zelfs geen pamflet. Poldercinema. Sterft zo’n probeersel normaal gesproken een stille dood in provinciale zaaltjes, A Most Wanted Man wordt uiteraard ook buiten ’s lands grenzen vertoond – omdat het ‘een echte Corbijn’ is. Gelukkig is de fotograaf behalve bescheiden ook ambitieus: ‘Ik voel altijd de drang om nieuwe uitdagingen aan te gaan.’ Mooi moment om het hoorspel eens uit te diepen?.

Als fotograaf mist Corbijn echter de expertise om filmisch of te vertellen. Hij laat de plot van A tot Z oplepelen, bedient zich geen moment van visual story telling, een must in dit Hitchcockiaanse genre. De kijker wordt niet meegesleept, leeft met niemand mee. Erger: na een uur weet je nóg niet waar de film heen wil. Dat dit stuurloze schip zo lang blijft drijven is te danken aan het charisma van wijlen Philip Seymour Hoffman, wiens laatste hoofdrol erin beukt als een weerspannige Titanic.

Oordeel: ** van de *****

A Most Wanted Man
Nederlands filmvirus treft internationale cast

Statische beroering

Soms is de sneakvoorstelling niet zozeer een wenselijke als wel een noodzakelijke vorm van filmkijken. Zoals bij Club Sándwich, over een moeder en een zoon die op vakantie zijn. Uitkiezen op basis van de synopsis zou je deze film never nooit niet, thuis op dvd uitkijken evenmin. Alleen als je hem op je sneakbordje gekwakt krijgt en het buiten pijpenstelen giet, dan ben je bereid door te zetten. Het leuke is dat je voor die passiviteit nog beloond wordt ook.

Van de plot moet Club Sándwich het niet hebben. Een gescheiden moeder en haar zoon zijn op vakantie en doen de dingetjes die je verwacht dat een gescheiden moeder en haar zoon op vakantie doen. Beetje insmeren, beetje zonnebaden, beetje wauwelen, beetje tv kijken, beetje zwemmen, beetje eten, beetje maffen. Tijd spoelen.

Maar natuurlijk gaat de film over meer. Over een puber die worstelt met ontluikende seksualiteit en voor het eerst aan een meisje plukt, over een moeder die hem moet loslaten maar worstelt met jaloezie jegens het vakantievriendinnetje. Er wordt weinig gesproken, niets benadrukt, veel gevoeld. Onuitgesproken emoties die bezit van ons nemen doordat de Mexicaanse regisseur Fernando Eimbcke een bijzonder dwingende stijl hanteert.

Eimbcke heeft namelijk het lef om statisch te draaien. Dat wil zeggen dat ie in iedere scène slechts één onbeweeglijk camerastandpunt gebruikt en binnen een scène niet monteert. Geen ontkomen aan voor de kijker; je drijft mee met de zielenroerselen van deze wezentjes, zonnebadend op de saaiste plek ter wereld.

Natuurlijk, de statische stijltruc is allesbehalve uniek (denk Jarmusch). En Eimbcke’s droogkomische grappen ondermijnen de overigens zo subtiele toon (denk Van Warmerdam). Maar dat de regisseur zijn acteurs zó naturel weet te doseren en met zo weinig filmmiddelen zoveel effect weet te sorteren, dat maakt Club Sándwich tot een stiekeme aanrader voor filmliefhebbers – mits in een passieve bui en liefst tijdens een wolkbreuk.

Oordeel: ***½ van de *****

Club Sándwich
Goed smeren

Opgroeiende pretenties

Regisseur Richard Linklater houdt van trage films waarin veel gepraat wordt. Soms levert dat een aardig experiment op (A Scanner Darkly), vaker een gezwollen toneelstukje (Tape). Meer schrijver dan filmer dus. Desondanks probeert hij met zijn laatste productie Boyhood filmgeschiedenis te schrijven. De opnames hebben namelijk 12 jaar geduurd. Niet continu, maar geschoten in hapklare brokken. Reden: Linklater wilde de kindacteurs zichtbaar laten opgroeien in deze coming of age-film. Uniek experiment of moeilijkdoenerij? Beide, maar vooral dat laatste.

Extreme pogingen om in fictie een realistische look af te dwingen (acteurs die 25 kilo aankomen of afvallen) verdienen onze argwaan, omdat dergelijke fratsen afleiden van de plot en lonken naar ons respect. In Boyhood zorgt het verloop van de tijd dat we continu opletten hoezeer het kroost is gegroeid. Ongewenste sporen van realiteit, die lijken te ontkennen dat film nep is en nep hoort te zijn. Linklater had zich ‘gewoon’ kunnen bedienen van de digitale trukendoos, maar zo’n kunstgreep had ongetwijfeld tegen zijn artistieke inborst ingedruist.

Maar dat Boyhood is mislukt, is niet te wijten aan de overmaat aan realiteit. ‘t Is een gebrek aan charme, killing voor zo’n kabbelende coming of age film. De dialogen zijn oubollig, de regie houterig, de bijrollen zijn van karton. De licht-filosofisch bedoelde slices of life kijken alsof je 12 jaar lang over de schutting naar de buren zit te gluren; alledaagsheid slechts interessant indien eigen gezin, onverteerbaar als vreemde – en bovendien artificiële – familie. Zo kan zelfs nieuwkomer/natuurtalent Ellar Coltrane niet voorkomen dat je na 165 minuten groter groeien snakt naar wat ordinair escapisme, of natuurlijk naar de documentaire 21 Up.

Laten we er geen doekjes om winden: zonder de gimmick van 12 jaar opnametijd was deze nu al gedoodverfde filmhuisdarling het niemendalletje geworden dat het in wezen is. Wat niet wil zeggen dat Linklater niet in zijn opzet is geslaagd. Hij heeft een ontzettend trage film gemaakt waarin veel te veel gepraat wordt. Daarbij weet hij zijn Boyhood te presenteren als een kleine (lees: authentieke) film, waardoor niemand in de gaten heeft hoeveel pretentie er schuilgaat achter die valse bescheidenheid. Een 9 scoorde hij op IMDb, een staande ovatie ontving ie op Sundance. Maar volgende keer liever een écht experiment dat in een paar weken met hart & ziel uit de grond is gestampt…

Vonnis: ** (van de *****)

Boyhood
12 jaar dagelijkse sleur

Claustrofobische mokerslag

Starred Up is een gevangenisfilm. Bij dat genre denk je al snel aan ‘onterecht veroordeeld’, ‘geniale ontsnapping’ of, als het een beetje tegenzit, ‘verfilmd toneelstuk’. Niets van dat al. Starred Up mag door de eenheid van plaats dan claustrofobisch overkomen, het is allesbehalve een pretentieus praatstuk en al helemaal geen Hollywoodontsnapper. Als een cinematografische klap voor je bek, zo komt ie binnen.

De 19-jarige hooligan Eric Love (Jack O’Connell) is overgeplaatst van de jeugdgevangenis naar de grotemensenbak waar zijn vader de scepter zwaait. Niet dat Eric hoeft te wennen aan de gewelddadigheid van zijn nieuwe microkosmos – het zijn eerder de macho buren die het in hun broek doen. Want deze Love is wel heel erg explosief. Ongeleide projectielen zijn bad for dope business, dus de lokale maffiabaas zet hem op de dodenlijst. Pa doet een poging om op zijn knul in te praten, maar lijkt meer katalysator dan remedie.

Regisseur David Mackenzie weet van wanten. Een visual story teller bij uitstek, heeft ie de dialogen zoveel mogelijk geschrapt of uitgebeend tot het hoogstnoodzakelijke ‘YA F*CKIN’C*NT!’, om met de camera vooral spanning te schilderen. Het geweld is ongekend ruig maar nou eens écht functioneel, de dreiging en wanhoop die van Eric uitgaan maken hem tot meest overtuigende filmpersonage in jaren. Starred Up is zo’n parel waarvan je je afvraagt of ie niet stiekem een documentaire is. Niet geschikt voor watjes, nog veel minder voor cynici.

Starred Up
In your face

Wolf uit de schaapskleren

Misdaad loont. Awel, mits verfilmd dan. Het criminele circuit garandeert de meest smakelijke scenario’s omdat misdaad gepaard gaat met conflict en conflict het zout is in de pap van ieder verhaal. Maar films met een foute ‘held’ doen het ook zo goed omdat Slecht Zijn zo lekker voelt: het is verleidelijk om je in de donkere bioscoopzaal even Scarface of Gordon Gekko te wanen.

Denk echter niet dat deze guilty pleasures zonder moeite schuldvrij ervaren kunnen worden. De filmmaker moet al het mogelijke doen om onze scrupules te smoren. Daarbij heeft hij de beschikking over een arsenaal aan trucs. Zo kan hij de psychopaat een absurdistisch gevoel voor humor meegeven (C'est arrivé près de chez vous), hem kreupelen met een empathische achilleshiel (huurmoordenaar Léon en zijn buurmeisje) of hem omringen met schurken die nóg slechter zijn en het vuile werk opknappen.

Dat laatste flikte Martin Scorsese in Goodfellas en Casino, twee zeer gewelddadige films waarin je de hoofdpersoon nooit ziet moorden. In het verlengde hiervan ligt The Wolf of Wall Street, waarin de criminelen nu eens niet gewelddadig zijn maar witteboord. Dat heeft als grote voordeel dat de filmmaker ons niet hoeft te confronteren met de slachtoffers. We kunnen, samen met de Wolf, onbeschaamd genieten van zijn foute en hilarische capriolen. Rest de vraag of we zo’n cinematografisch orgasme drie uur lang volhouden…

Eigenlijk is Jordan Belfort een welwillende vent. Getrouwd, jasje/dasje, leergierig en behept met een gezonde werkethos. Maar in de financiële wereld van New York is geen plek voor braveriken. Naaien, dat moet je je klanten, zo hard en diep en pijnlijk mogelijk. Als Jordan dan toch weer op straat komt te staan zet ie een eigen bedrijf op. Om lucht te verkopen, want daar weet ie nu alles van. Hij ronselt een dozijn losers die hij omschoolt tot Wal Street welpen, zwendelaars die via de telefoon waardeloze aandelen aan nietsvermoedende burgers slijten. Maar stinkend rijk worden is niet genoeg voor Jordan en zijn companen. Vol overgave storten ze zich in de bijbehorende life style: sex, drugs en nog veel meer van dattum. Tot er een overijverige FBI-agent roet in zijn coke komt gooien.

Een "shame on you!" en een "disgusting!" kreeg Scorsese naar het hoofd geslingerd, na afloop van de officiële voorstelling voor de Acadamy (verantwoordelijk voor de Oscars). En het waren niet alleen deze conservatieve connoisseurs die over de liederlijkheid van The Wolf vielen: bij diverse publieksvoorstellingen werd de film zeer negatief beoordeeld. Opmerkelijk, want de kassa rinkelt zoals je bij een 100 miljoen dollar-productie alleen maar kunt hopen. Of zou het komen doordat The Wolf waanzinnig populair is onder bankiers, die soms de hele zaal afhuren?

Immoreel mag The Wolf of Wall Street in ieder geval genoemd worden, om maar niet te zeggen amoreel. Het is een ode aan zonde. Aan roes, geld, dope, zwendel, lust, nog meer dope, onveilige seks, perverse luxe en ga zo maar door. Maar Scorsese filmt het met zô’n aanstekelijk enthousiasme en met zóveel humor dat je bijkans scheten moet laten van het lachen, zelfs als je dat even écht niet wil, zoals tijdens het dwergwerpen of als er een stewardess wordt aangerand. Onbetwist hoogtepunt is het gebruik van zeldzaam verdovend middel dat de Wolf dwingt tot kruipend scheuren in zijn Ferrari. Nooit eerder heeft een zaal zo hard gebulderd.

Maar drie uur lang… Je zou het ‘t director’s cut-syndroom kunnen noemen. De macht van gerenommeerde regisseurs om een film zo lang te maken als ‘t hen betaamt – terwijl zij juist de laatsten zouden moeten zijn die dat bepalen want te dicht op hun kunstwerk. Sterker nog, als The Wolf 70 jaar geleden onder een strenge studiobaas gedraaid zou zijn, was de helft eraf geknipt. Niet dat er anderhalf uur aan saai celluloid in zit, maar een komedie dwingt nu eenmaal een andere spanningsboog af dan een gangster-epos; na anderhalf uur snak je naar een adempauze om even je neus te poederen en met vernieuwde energie de rest van de filmorgie in te duiken.

Neemt niet weg dat het een genot is om, na het tenenkrommende The Aviator en het toch wat saaie The Departed, Scorsese weer eens als vanouds tekeer te zien gaan, met een Leonardo DiCaprio in de rol van zijn leven. En dat gebaseerd op de pijnlijk eerlijke bespiegelingen van een mannetje dat je op een netwerkborrel nog geen minuut zou kunnen luchten, een opportunist die zijn bijnaam van de film gejat heeft om, na het verraden van al zijn vrienden, als ‘motivational speaker’ volgende generaties van luchtbakkers gebakken lucht te kunnen verkopen: “Act as if you're a wealthy man, rich already, and then you'll surely become rich.” Don’t give up your day job, Jordan.

The Wolf of Wall Street
Kantelmomentje

De Lange Zit naar de Aftiteling

Als ‘conflict’ de kern is van een goed verhaal, dan is ‘controverse’ de belangrijkste tweede voorwaarde bij een biopic. Zo is het ondoenlijk een interessante film over Adolf Hitler te maken. Zijn misdaden tegen de menselijkheid zijn zo grotesk, dat verdieping van zijn personage geen enkele kans maakt. Sterker nog, het is taboe om een portret van de man in grijstinten te schilderen. Nog lastiger is het levensverhaal van een heilig verklaard politiek leider. Denk aan JFK, die bij analisten te boek staat als een van Amerika’s slechtste presidenten (en niet omdat hij 2000 x vreemdging), maar een halve eeuw na diens verscheiden nog steeds gezien wordt als symbool van Hoop en Integriteit. Ignorance is bliss.

In deze politiek correcte tijden zou je bijna vergeten hoe controversieel Nelson Mandela, mede-oprichter van Spear of the Nation (de gewapende vleugel van het African National Congress), ooit was. Sterker nog, de Amerikanen wantrouwden Mandela’s affiniteit met het communisme zozeer dat ze de wereldleider tot aan diens dood op de terroristenlijst hielden. Inmiddels heeft zijn uitzonderlijk charisma geleid tot een heiligverklaring die Gandhi’s reputatie als vredebrenger lijkt te verdringen. Helaas maakt dat voetstuk hem ongeschikt voor een biopic, getuige Mandela: Long Walk to Freedom.

Nelson Rolihlahla Mandela’s levensverhaal mag als bekend verondersteld worden. Geboren op het platteland van de Apartheid, weet hij zich te ontwikkelen tot advocaat en betoont hij zich een welbespraakt activist. Als hij na de slachting van Sharpeville oproept de wapens te hand te nemen en overgaat tot sabotage, wordt hij vastgezet. Onder druk van de internationale gemeenschap komt hij 27 jaar later vrij, om verkozen te worden tot president van Zuid-Afrika. Uiteindelijk valt de Nobelprijs voor de Vrede valt hem ten deel.

Regisseur Justin Chadwick was eerder verantwoordelijk voor The First Grader, het waargebeurde relaas van een zwarte analfabeet die op hoogbejaarde leeftijd weer in de schoolbanken kruipt. Was die film even oubollig als de synopsis deed vermoeden, hij had in ieder geval nog didactische waarde - op Oprah Winfrey-niveau dan. Zo niet Mandela: Long Walk to Freedom. Als voorlichtingsfilm voor middelbare scholieren, die Mandela vooral kennen als hitsong en aforisme-orakel, is hij ongeschikt want gebaseerd op autobiografie, dus per definitie discutabel. Maar dat is niet wat de film nekt.

Long Walk to Freedom kijkt als een Lange Zit naar de Aftiteling. Een zouteloos, chronologisch opgelepelde tv-film met de allure van onze poldercinema. De film schreeuwt om reliëf. Niet alleen in Nelsons persoonlijkheid – zijn enige zonde lijkt het verkiezen van zijn volk boven zijn gezin – maar ook in de verbeelding van de Zuid-Afrikaanse maatschappij. Werkelijk iedere blanke wordt afgeschilderd als Klanlid in plaats van als doodsbang burger. Verder dragen de good looks van acteur Idris Elba niet bij aan de overtuigingskracht. Nelson was nu eenmaal geen mooie jongen.

Wat meest opvalt is hoe weinig filmtijd de regisseur investeert in de decennia durende gevangenisstraf. Als Chadwick ons werkelijk inzicht had willen verschaffen in Mandela’s kracht, dan hadden we na 139 minuten celluloid dat Robbeneiland in onze beenderen moeten voelen. Maar dat had Nelson te menselijk gemaakt.

Voor een film die zo’n larger than life persoonlijkheid eer aandoet is meer afstand nodig. Kritisch inzicht. Objectief feitenmateriaal. En liefst een gewaagde invalshoek, zoals die van zijn gevallen muze, Winnie Mandela. Tot die tijd is de enige controverse de intolerantie van de heiligverklaarders. Toen een van de bioscoopbezoekers de hagiografie niet langer trok en na een uurtje zijn toevlucht zocht tot de foyer, kreeg hij een ‘racist!’ naar het hoofd geslingerd door een medesneaker. Mandela draaide zich even om in zijn mausoleum.

Mandela: Long Walk to Freedom
Wolkje melk?

Qat kauwende mokerslag

‘Waargebeurd’ is zo’n label waar producenten graag mee leuren. Het geeft een film instant body en lijkt een garantie tegen onwaarschijnlijke wendingen van luie scenarioschrijvers. Onzin natuurlijk, want als iets ongeloofwaardig is, dan is dat de realiteit wel. Een waargebeurd verhaal moet daarom toch zoveel mogelijk op een verzonnen verhaal lijken, met een hoofdpersoon die sympathiek is en niet halverwege het loodje legt. Een kwestie van zorgvuldig selecteren dus, die waargebeurdheid.

Maar wat nu als pas na de opnames blijkt dat het waargebeurde toch niet zo waargebeurd is? Dat was het geval bij Captain Phillips, gebaseerd op een bestseller van de gelijknamige schipper, over de kaping van zijn containerschuit door vier Somalische piraten in 2009. Deze Phillips schildert zichzelf af als held-tegen-wil-en-dank, een sympathieke vent die met een paar sluwe zetten zijn bemanning tegen de indringers probeert te beschermen. Alleszins aannemelijk. Toch?

Van A naar B moet zijn schip. Langs de Somalische kust. Kapitein Phillips maakt zich zorgen, want volgens recente berichten is deze route vergeven van de piraten. Aan de andere kant: er is al 200 jaar geen Amerikaans vrachtschip gekaapt. Doorvaren dus. Bliep! weerklinkt het op de radar. En jawel hoor. Een speedboot met vier piraten nadert met een rotvaart. Wegspuiten met brandslangen biedt geen soelaas. Ze enteren. Gijzelen de kapitein. Eisen een zak duiten. En dan komt ook de cavalerie nog eens aandobberen.

Het geheim van een goede thriller schuilt hem in zijn opmaat. Dat weet Greengrass als geen ander. Uitgebreid neemt hij de tijd om zowel Phillips als de Somaliërs te introduceren, schildert hun dagelijks leven zodat ze van vlees en bloed zijn tegen de tijd dat de shit de fan hits, drie kwartier later. En dat doet het. Godallemachtig, wat een dynamiek. Met zijn beruchte hand held camerawerk in een veelal claustrofobische setting duwt Greengrass ons naar het puntje van de bioscoopfauteuil waar we ‘em dan nog anderhalf uur zitten te knijpen. Een uitputtingsslag voor je zenuwstelsel.

Ook cruciaal voor de overtuigingskracht is Greengrass’ beslissing geweest om met Somalische amateurs in zee te gaan. Een televisieoproep van Tom Hanks leverde 700 gegadigden op, waaruit vier Amerikanen van Somalische afkomst werden geselecteerd. De 28-jarige Barkhad Abdi speelt hun leider zo overtuigend dat we naar documentaire lijken te kijken, mede dankzij de shockregie van Greengrass: de Somaliërs ontmoeten Hanks niet eerder dan in werkelijkheid met hun personages het geval was; op de brug, schreeuwend, schietend, intimiderend, qat kauwend. Improvisatie op z’n ruigst.

Ook Tom Hanks zelf, met zijn guy-next-door looks en subtiele acteerwerk misschien wel de minst waarschijnlijke superster ooit, overtuigt zoals alleen hij dat kan: door veel over zijn bril te spieden. Met name in de opvallend onromantische maar hardcore epiloog betoont hij zich een groot want kwetsbaar acteur en durven we eindelijk even te slikken.

Een meesterlijke genrefilm dus, deze Captain Phillips. Maar waargebeurd? De bemanning heeft haar kapitein voor de rechter gedaagd. Ze zijn woedend op de schipper, ooit te gast bij Barack Obama. Het zou aan diens arrogantie te wijten zijn dat ze in levensgevaar werden gebracht. Niet alleen weigerde hij – ondanks smeekbeden en voorschriften – om minimaal 600 mijl van de Somalische kust af te navigeren, tevens negeerde hij het protocol om zich met manschappen benedendeks op te sluiten. Last but not least was het niet de kapitein die de kapers keer op keer een hak wist te zetten, maar hoofdmachinist Mike Perry, die in de film slechts een bijrolletje toebedeeld krijgt.

Allemaal leugens! Schande! Maar relevant? Welnee. Al kwam de film uit de koker van een qat kauwende scenarioschrijver, dan nog komt Captain Phillips aan als een cinematografische mokerslag. Wel zou het aardig zijn als de remake Chief Engineer Perry getiteld wordt, mits ook deze waargebeurde Perry dan door Hanks vertolkt wordt…

Captain Phillips
Even door de wasstraat

De knagende rouw van een ranchhond

Er is een theorie die stelt dat er in ieder goed verhaal minder geslaagde – of zelfs saaie –passages moeten voorkomen om de sterke passages beter tot uiting en de lezer/kijker/luisteraar op adem te laten komen. Lijkt een wat onzinnige theorie. Immers, de meeste vertellers zijn helemaal niet in staat onze aandacht voortdurend vast te houden. Toch komt het voor dat een short copywriter, gespecialiseerd in tekst op de vierkante millimeter, een roman schrijft die de lezer uitput doordat de reclamejongen in hem op iedere regel probeert te scoren. Ook zijn er clipmakers die ieder moment van hun speelfilmdebuut indruk trachten te maken met duizelingwekkende actie. Verslaafd aan impact zou je het kunnen noemen.

Regisseur Jean-Pierre Jeunet is zo’n junkie bij uitstek. Dit visuele short copykanon kan werkelijk geen saai shot draaien. Micmacs à tire-larigot, Le fabuleux destin d'Amélie Poulain, La cité des enfants perdus, Delicatessen - bij zijn oeuvre heb je de neiging om voortdurend op de pauzeknop te drukken en je misselijk te eten aan zijn eye candy. Er is nog een reden waarom je zijn films wilt bevriezen. Ergernis. Jeunet is niet in staat te ontroeren. Zijn personages zijn gekkebekkentrekkers, karikaturen met uitvergrote emoties die je bij de eindcredits de neus uitkomen. Jeunet kortom misbruikt zijn visuele meesterschap om een autistische handicap te verdoezelen. Wat hij nodig heeft is een dosis Disney-sentiment.

De 12-jarige T.S. is hoogbegaafd. Daar heb je niet zo bar veel aan als je op een ranch in de middle of nowhere woont. Het weerhoudt hem er niet van een perpetuum mobilee te ontwikkelen. Sort of dan, want het apparaat werkt op magneten die na 400 jaar de geest geven. Het Smithsonian Museum of Natural History is zo onder de indruk van zijn ontwerp, dat ze hem een prijs toekennen – in de veronderstelling met een volwassene van doen te hebben. T.S. stapt op de trein richting Washington. In z’n uppie. Of reist er een geest met hem mee?

In deze tijden van eenlettergrepige titels is het aardig er een te treffen waar je halverwege over struikelt (een nachtmerrie voor appende marketeers!). Ook opmerkelijk is dat deze Frans-Canadese maar toch integraal Engels gesproken coproductie op filmdatabase IMDb te boek staat als L'extravagant Voyage du Jeune et Prodigieux T.S. Spivet in plaats van als The Young and Prodigious T.S. Spivet, of gewoon als The Selected Works of T.S. Spivet, zoals de roman heet. Een manuscript dat overigens zo ‘hot’ was dat auteur Reif Larsen een voorschot van een miljoen dollar opstreek als uitkomst van een veilingoorlog. Jeunet moet zich rijk gerekend hebben toen hij de rechten verwierf.

Dat hij als scenarist gekozen heeft voor een (onfilmische) voice-over is hem vergeven, omdat het boek haar charme vooral ontleent aan het meedenken met Spivets nerdy brein. Diens gedachtenstroom is logisch op het absurde af, waardoor juist de hem omringende wereld onwerkelijk lijkt. Jeunet schildert de microkosmos van de ranch als even benauwend als onmetelijk. Mythisch is de vader, een oercowboy zoals iedere zoon zich er een wenst; sprookjesachtig is de moeder, lekker gek maar met gebroken hartje van goud. T.S. zelf is zo cute dat ie uit een literair Disney-experiment ontsnapt lijkt.

Beetje té, fluistert ons onderbewustzijn ons in, als de geniale maar toch vooral snotneuzige T.S. zijn reistas vol onzinspulletjes propt. T.S.’ uebercuteness ervaar je gaandeweg als een overdosis sentiment dat ons moet afleiden van een gemankeerd verteltrime. Want het verhaal hobbelt, samen met TS, te lang richtingloos door. Dat komt niet door een overmaat aan loze passages (daar is Jeunet niet eens toe in staat). Manco is dat we wéten dat er Iets Ergs gebeurd is op de ranch en ons realiseren dat T.S. daarmee in de climax geconfronteerd gaat worden, maar dat niet vóelen, niet in de laatste plaats omdat T.S. omringd wordt door kolderieke figuren die iedere poging tot medeleven ondermijnen.

Dat L'extravagant Voyage du Jeune et Prodigieux T.S. Spivet toch op punten wint is te danken aan Jeunets kinderblik. Werkelijk iedere flard van T.S.’ universum oogt betoverend, tot en met de hond die zijn rouw uit door op emmers te knagen – een beeld dat door alle uebercuteness heen bijt.

The Young and Prodigious Spivet
Perpetuum mobilee op de ranch

Nihilistisch charisma

Net nu De Nederlander tot meest depressieve Europeaan is uitgeroepen trekt het kabinet 20 miljoen euro extra uit voor stimulering van de filmsector. TWINTIG MILJOEN. Nou is er niet zo veel mis met subsidiëring van kunst, mits zo’n sector zich bewezen heeft als ambitieus en inventief, oftwel internationaal onderscheidend (denk aan ons toonaangevende jeugdtheater). Maar films maken, échte films, films die je meeneemt naar een onbewoond eiland, dat kunnen we hier helemaal niet.

Wat niet zeggen wil dat we niet kunnen doen alsof. Het Nederlands Filmfestival is een populaire afwerkplek voor wederzijds schouderkloppende soapmakers die elkaar wijsmaken dat ze filmgeschiedenis schrijven. Ruimte voor zelfrelativering – laat staan zelfspot – is er in zo’n zelfgenoegzaam universum natuurlijk niet. Slechts een enkele Nederlandse regisseur realiseerde zich dat zijn films niet zo veel voorstelden. Theo van Gogh. Meer provocateur dan denker, meer recensent dan regisseur, probeerde hij toneelstukjes op te waarderen tot intense home movies met een passie die zo onNederlands was dat je zijn probeersels het voordeel van de twijfel gunde.

10 jaar na zijn dood verschijnt er weer een typische Van Gogh. Ironisch genoeg gedraaid door een filmmaker die Hollywood echt ‘gedaan’ heeft: Menno Meyjes, scenarioschrijver van Spielbergs Empire of the Sun. Een illusie armer is hij teruggekeerd voor onze schouderklopjes en om Herman Kochs bestseller Het Diner te verfilmen.

Met een beetje kwade wil zou je leraar Paul (Jacob Derwig) voor een luie psychopaat kunnen verslijten. Foute denkbeelden, foute uitspraken, fout mannetje. De misantroop mag met reden al jaren niet meer voor de klas staan. Dat hij toch gevoel in zijn donder heeft blijkt als hij er achter komt dat zijn zoon een misdaad begaan heeft. Bij de flappentapper, samen met zijn neef. De ouders van de jongens besluiten het drama te bespreken tijdens een etentje. Dan blijkt dat er zeer verschillend gedacht wordt over het plan van aanpak…

VVV-beelden van nachtelijk Mokum, een gehandycamde neukpartij en groezelshots van een pinautomaat. Zo veel mogelijk eenheid van plaats (restaurant), want in Nederland willen we altijd Herman Heijerman. Dialogen als “Jij laffe LUL!”. Meyjes kortom, laat ons iedere minuut voelen dat we naar nederfilm kijken.

En al is Kochs boek dan geen toneelstuk, sprake van een geweldige thriller is er evenmin. Zodra het telefoonfilmpje in beeld komt weten we hoe laat het is. Of zelfs dat niet. Want uiteindelijk worden we ‘verrast’ met een metamorfose van één van de vier ouders, waardoor de thriller uitglijdt in een ander genre. Een ongeschreven filmwet dicteert dat zo’n transformatie aangekondigd wordt met subtiele aanwijzingen; nu ervaren we de wending als vals spel, als een stoplap om er een eind aan te breien. Had Jiskefet niet een sketch over open eindes? Ach, leefde Theo nog maar.

Want Het Diner wil, zoals 't een echte Van Gogh betaamt, meer zijn dan een verhaaltje. De plot is vooral een kapstok voor Kochs filosofische bespiegelingen. Deze monologues intérieurs worden door Meyjes opgediend in een even onvermijdelijke als gemakzuchtige voice-over (zo kunnen we allemaal een boek verfilmen!). Vervelender is dat de contemplaties gespeend zijn van de ondefinieerbare humor die we kennen uit Kochs vroegere werk uit Borát en Jiskefet. Wat rest is een lesje provocatief nihilisme. A typical Van Gogh! zouden toeristen zeggen, als ze zo gek waren om hier naar de bios te gaan.

Wat Het Diner toch de moeite waard maakt is het spel van Jacob Derwig. Deze Derwig bewijst zich een ‘natural’, een acteur die met slechts een verveelde blik de camera weet te veroveren. Er is maar één term voor dergelijk charisma: filmster. En nee, dat indrukwekkende spel is niet te danken is aan Meyes’ acteursregie, want alle andere rollen zijn tenenkrommend. Dus. Laten ze die 20 miljoen aan Derwig geven, zodat hij kan verkassen naar Hollywood om daar in de remake te stralen. Kan ie doen wat Meyes had willen doen en wat Van Gogh had moeten doen. Ontsnappen aan onze schouderklopjes.

Het Diner
Hebben we dan eindelijk een echte filmster?

Nonchalante chemie

Je wilt een film maken. Maar je moet je behelpen met een klein budget, een vaag scenario en beroerde acteurs. Wat te doen? Je maakt een roadmovie! Decors hoef je niet te timmeren want je maakt gebruik van bestaande locaties. Een doortimmerde plot is niet vereist want zo’n reis verkoop je als metafoor voor de spirituele ontwikkeling van de held. En nevenpersonages hoeven niet echt te acteren want worden even makkelijk gedumpt als geïntroduceerd. Met de roadmovie is het altijd scoren, moet de Franse regisseur Emmanuelle Bercot gedacht hebben.

Natuurlijk kan het geen kwaad om de filmposter op te waarderen met een Naam. Een actrice met autoriteit. Maar dan wel een betaalbare. Dan kom je al snel op een bejaarde (leeft Brigitte Bardot nog?) die er nog goed uitziet (toch maar niet Bardot) en echt kan acteren (zeker niet Bardot!). Bercot wist voor haar roadkomedie een tijdloze ster te schaken: Catherine Deneuve. Deze inmiddels 70-jarige actrice wil maar niet lelijk wil worden en loopt evenmin te schnabbelen in pulp. Gevaar is hoogstens dat haar larger than life verschijning de film doet kapsijzen. Niets is minder waar. Zelden heeft ze zo nonchalant weten te overtuigen als in Elle S’en Va.

Bettie is gedumpt door haar echtgenoot. Haar restaurant hangt tegen het faillissement aan. En haar moeder zeurt aan haar kop. La vie sucks! Dus wat doet Bettie, ze pakt de auto. En gaat rijden. Zomaar. Om sigaretten te kopen. Maar ook om zich te laten versieren in de disco. Om shag te paffen met een fossiele boer. Uit te slapen in een meubelzaak. En dan is er nog die kleinzoon. Charly. Die kent ze eigenlijk helemaal niet, maar als haar dochter Betty vraagt Charly van A naar B te brengen, dan doet ze dat. Alles kan, als je maar doorrijdt, lijkt het devies. Ze ontmoet zelfs een man. Een hele zure burgemeester, die haar maar een kwebbelkous vindt. Ah, l’amour!

Elle S’en Va begint bepaald niet bemoedigend. Gekibbel tussen Deneuve en haar bejaarde moeder proeft als kitchen sink à la française en doet je snakken naar Hollywoodiaans escapisme. Iets verderop worden onze tenen gekromd als Deneuve achter het stuur uithuilt terwijl Rufus Wainwright de Mercedes vol pathos pompt. Het lijkt wel alsof Bercot de empathie uit ons probeert te persen op een moment dat we Bettie nog helemaal niet kennen dus zeker nog niet met haar meeleven.

En er is nog veel meer mis met de film. De versierder is een karikatuur waarmee op de makkelijke lach gemikt wordt. De burgermeester is onverklaarbaar onbeschoft. De dochter is onverklaarbaar verwijtvol. En erg dwingend is het verhaaltje ook niet. Elle S’en Va kachelt maar door.

Maar Elle S’en Va kachelt wel erg lekker door. Het is een verademing La Deneuve peuken te zien bietsen in een C&W bar. Met een black-out kater wakker te zien worden naast een 100 jaar jongere geilneef. In een meubelzaak op een skai banstel haar ouderdom weg te zien snurken. Deneuve speelt Bettie met een naturel die haar tot zo’n weergaloos actrice maakt. Enige concurrentie die ze krijgt komt uit onverwachte hoek: androgyne snotneus Charly, oftewel Nemo Schiffman, oftewel haar kleinzoon. Die twee hebben een chemie die de Franse cinema even de brutaliteit geeft die ze al zo lang kwijt is. Improvisatie of subtiele acteursregie? Het geeft je het warme gevoel waarvoor je naar de bios gaat.

Elle S’en Va zal geen Palme d'Or of Oscar winnen. Daar heeft ze te weinig pretenties voor. Te weinig budget. Te weinig verhaal. Te weinig acteurs. Het is ook helemaal geen geweldige film. Maar als je bij Bettie instapt, blijf je wel de hele rit achterin zitten. Filters paffend, kind’ren meppend en cocktails zuipend, als een Thelma zonder Louise.

Elle s'en va
Thelma & kleinzoon

De gewichtsloze traan

Een man en een vrouw, ex-lovers, zitten vast in een gezonken onderzeeër op de bodem van de oceaan. Slechts één duikpak-met-ingebouwde-zuurstoffles rest hen. Hoe terug te zwemmen naar het platform? Ze nemen een extreme beslissing: hij krijgt het pak, zij laat zich… verdrinken. Hun hoop is dat haar afsterfproces zodanig vertraagd wordt door de lage watertemperatuur dat reanimatie mogelijk is. Makkelijker gezegd dan gedaan. Als de duikboot volloopt raakt zij in paniek. En verdrinkt. Bijna even panisch zwemt hij met haar lichaam naar het platform. Daar blijkt haar pols nul komma nul. Hij defibrilleert haar. Geen effect. Handmatige reanimatie. Helpt ook niet. Nogmaals. Geen effect. Een laatste poging, met de moed der wanhoop en vooral der liefde…

Deze scène uit The Abyss (’89) van James Cameron staat te boek staat als een van de meest intense én romantische momenten uit de recente filmgeschiedenis. Een scène die je doet afvragen waarom er niet vaker gebruik gemaakt wordt van de simpele, maar o zo effectieve oerangsten die een mensvijandig universum als de diepzee of de ruimte oproept. Met name het aantal ruimtevaartfilms is met de hand te tellen. Science fiction zat, maar een realistische ruimtevaartfilm?

Grootste struikelblok is het overtuigend verbeelden van gewichtsloosheid. In Apollo 13 bediende men zich van een Boeing die steeds duikvluchten maakte, waardoor de acteurs aan boord steeds een minuutje gewichtsloos werden. Maar wát als je de film buiten een ruimtevoertuig wilt laten afspelen? De ironie wil dat het ruimtefilmgenre op de kaart gezet wordt door een Mexicaanse filmhuisregisseur: Oscardarling Gravity van Alfonso Cuarón is een mijplaal in digitale animatie.

De synopsis houden we zo kort mogelijk, want spoilers liggen op de loer als zwarte gaten. Nadat hun shuttle onherstelbaar beschadigd is zweven een man (George Clooney) en een vrouw (Sandra Bullock) in hun pak door de ruimte. Een naburige, verlaten raket van de concurrentie moet uitkomst bieden. Echter, slechts één van de twee ruimtepakken is voorzien van aandrijving en voldoende zuurstof. Tijd voor extreme beslissingen.

Het door Cuarón zelf geschreven Gravity kwam tot stand na een jaren durende productiehel. Eerst moest hij wachten tot James Cameron (yep, die van The Abyss) de digitale filmtrukendoos voldoende had ontwikkeld om de complexe dynamiek van gewichtsloosheid realistisch te verbeelden. Vervolgens moest Cuarón de gezichten van zijn live acterende sterren implementeren in de digitale ruimtehelmen, waarbij het invallende licht moest corresponderen met dat van de digitale omgeving (satellieten, sterren en aarde). Volgt u het nog? Cuaróns inspanningen hebben vruchten afgeworpen: Gravity is een visueel meesterwerk geworden.

Vanaf het eerste ogenblik oogt het als een giftig soort eye candy. Met name de buitenscènes zijn - mede dankzij de (nu eindelijk eens functionele) 3D en de minieme montage - adembenemend. Samen met Bullock worden we rondgeslingerd door het Grote Niets, happend naar zuurstof die bijna op is, grijpend naar grip die buiten bereik is. We knijpen ‘em tot onze bioscoopfauteuil zeikend is van het klamzweet.

Minstens zo belangrijk als deze manipulatie is de naturelle dialoog. Cuarón, bekend van charmante filmhuishit Y Tu Mamá También, heeft wijselijk geïnvesteerd in de vermenselijking van deze larger than life filmsterren/astronauten. Hij laat ruimte-ijzervreter Clooney er op los wauwelen als een kantoorklerk, terwijl girl-next-door Bullock piept als een lab rat die fobisch is voor veldwerk. Binnen een paar minuten sluiten we deze menschen in ons hart, en als er een traan uit Bullocks oog naar de camera zweeft moeten we - tussen alle paniek door – toch even slikken.

Dat Gravity ons niet de tranen-met-tuiten bezorgt die het toch veel minder subtiele The Abyss uit ons wist te trekken, is te wijten aan de spanningsopbouw. Cuarón verschiet te vroeg te veel kruit. En al worden we nog even gemindfuckt door een door Clooney eigenhandig geschreven sleutelscène, diep in ons hart verwachtten we dat de doorstane doodsangsten beloond worden met een andere wending – zo een die je tranen door de bioscoopzaal doet zweven…

Gravity
...en dan weer rustig uitademen...

De viking en de rat

Geen genre zo saai als de sportfilm. Da's deels te wijten aan de magere plotjes, maar vooral aan de afhankelijkheid van actieregie. Actie in films lijdt aan metaalmoeheid; zowel de ervaren filmkijker als de gamegeneratie raakt sneller gedesensitiseerd dan actieregie zich kan ontwikkelen. Nog even en we raken immuun voor adrenaline.

Van alle sportfilms zijn autoracefilms het saaist. Hun helden zitten immers ook nog eens verschanst in een bolide en zijn vermomd met integraalhelm en anti-brandblaarbivak. Onmogelijk emoties van hun smoelen af te lezen. Wat ons rest zijn beelden van heel snel schakelende racehandschoentjes, nerveuze pitstops en kilometerslange bandensporen. En – met een beetje mazzel – een fotogeniek ongeluk.

Gelukkig heeft regisseur Ron Howard helemaal niets met autosport. Reden dat hij voor Formule I project Rush viel was dat scenarioschrijver Peter Morgan met het script wapperde. Morgan had hem eerder verwend met de hogedrukpandialogen van Frost/Nixon, dus Howard voelde aan zijn klompen dat de wereldkampioenschappen gereduceerd zouden worden tot decor van het ware intrige: de rivaliteit tussen race-legendes James Hunt en Niki Lauda.

Grotere verschillen in persoonlijkheid en uiterlijk waren nauwelijks denkbaar. Een blonde Britse circuitviking annex playboy met een racelust die aan doodswens schuurt. En een Oostenrijks overbite, bijgenaamd De Rat, die Formule I als wetenschap benadert en met zijn botte uitspraken een nachtmerrie voor de pr. Het zijn deze James Hunt en Niki Lauda die het circuit van ’76 domineren. Gezonde competitie, totdat Lauda op de beruchte Nürburgring een ongeluk krijgt en deels verbrandt. Kans op genezing wordt ingeschat op een paar procent, maar enkele weken later zit hij al weer in zijn racekuipje. Na de vlammenzee wacht hem een nieuwe uitdaging op het circuit van Tokyo: een wolkbreuk. En een vastberaden Hunt.

Rush kijkt als een jongensboekfilm verkleed als kostuumdrama. Zo’n verkleedpartij leidt altijd een beetje af van de plot, zeker als het de potsierlijke mode van de seventies betreft (van sleutelbeenbrede kragen tot uitgeharde haarlak). Kijkers die de jaren zeventig bewust hebben meegemaakt zullen reflexmatig de props op periodezuiverheid checken. Mag de pret niet drukken.

Want we worden vooral meegezogen in deze buddy movie van kettingrokende en serieneukende topsporters. Kenmerk van het genre is dat tegenpolen met elkaar opgescheept raken om uiteindelijk, tegen wil en dank, te verbroederen. Hier moest de film de waarheid behoorlijk geweld aandoen, want volgens de geschiedenisboekjes klikte het direct tussen Hunt en Lauda. Er was helemaal geen sprake van persoonlijke rivaliteit, zoals Rush suggereert, slechts van professionele. Rush is dus zoiets als een JFK waarin Kennedy de aanslag overleeft. Maar wat hebben we liever, onderhoudende leugens of waarheidsgetrouwe verveling?

En gelukkig lijkt het niet waargebeurde behoorlijk waargebeurd door de casting. Zelden in een biopic werden er zulke goed gelijkende en overtuigend spelende acteurs ingezet. Chris Hemsworth, bekend van actiespektakel Thor, lijkt een kloon van womaniser Hunt, terwijl Daniel Brühl, die doorbrak met het hartverscheurende Good Bye Berlin, nog meer Lauda is dan Lauda zelf. Daarbij neemt Howard de tijd om van de racers mensen te maken. Zo moet Hunt vóór iedere race even kotsen van de spanning en leren we een kwetsbare Lauda kennen achter de botte boer die geschiedenis heeft geschreven.

Rush is een lekkere film, zelfs voor sportfilmhaters. Toch zouden we graag zien dat in de director’s cut nog even alle racescènes weggeknipt worden en de film een nieuwe titel krijgt: Hunt/Lauda. Met hogedrukpandialogen in de kantine van de Nürburgring.

Rush
Regenbanden zijn voor sissies

Kaping als reality tv

Dat er nog geen films gemaakt zijn over moderne piraten is minder verwonderlijk dan je in eerste instantie zou denken. Dreiging met bazooka’s, entering, gijzeling, verzet, ontbering en bevrijding op een onvoorspelbare oceaan garanderen weliswaar adrenaline, maar schipkapingen zijn vooral situaties waarin angst en machteloosheid regeren - soms jarenlang. Onmacht doet het nooit goed in Hollywood, want is onAmerikaans.

Maar eindelijk komt er dan een, wat later dit jaar, de eerste Hollywoodfilm over een scheepskaping: Captain Philips van Paul ‘Bourne’ Greengrass en met Tom Hanks. De ironie wil echter dat de onbekende Deense regisseur Tobias Lindholm, co-scenarist van Thomas Vintenbergs Jagten, de kop afbijt met een non-budget film over hetzelfde onderwerp. Kapringen (Kaping) heeft bovendien een originele invalshoek: de kunst der onderhandeling.

Veel waard is de Deense MV Rozen niet. Noch de lading, noch het vrachtschip zelf. Dat is ook niet waarvoor ze gekaapt wordt. De Somalische piraten eisen losgeld voor de bemanning. Niet dat die wat voorstelt: een zooitje ongewassen kinkels. Maar wel Peters ongewassen kinkels. Peter is CEO van de rederij. Een volbloed zakenman, een kei in onderhandelen, zoals we even meekrijgen tijdens een confrontatie met Japanse zakenpartners. Maar onderhandelen over mensenlevens is even wat anders dan handjeklap over aandelen. Toch? Peter zal dat ondervinden tijdens zijn telefonisch contact met Omar, een zelfverklaarde mediator die de kapers ‘vertegenwoordigt’ in vloeiend Engels. Een waardig tegenstander. Omar stelt dat de Somaliërs een somma van 15 miljoen dollar eisen. Peters startbedrag is 250 mille. Voordat ze een beetje tot elkander komen verstrijken er maanden. De spanning stijgt en de kapers dreigen de kok te executeren. Peter weigert toe te geven. Tot er een schot klinkt.

Filmliefhebbers die gruwen van Hollywoods overproductie en trukendoos kunnen hun hart ophalen aan Kapringen. De film kijkt als non-budget reality tv. Een vieze boot met vieze kajuit vol vieze mannen. Een claustrofobische theatersetting die extra benauwt doordat de camera bovenop de personages zit. De intimidatie door de grillige kapers, het klamzweet en de frustratie van de bemanning, je kunt het bijna proeven. Zelf de entering is niet gefilmd om ons toch vooral in die kleine ruimte te houden.

Daar staat tegenover de psychologische gevangenis van CEO Peter. Maandenlang verblijft hij in het o zo comfortabele kantoor en weet hij zich gesteund door zijn vrouwtje, maar zijn geest wordt volledig in beslag genomen door de zorg voor zijn mensen – ook als ongeduldige zakenpartners hem onder druk zetten. Steeds weet hij het hoofd koel te houden, blijft hij zijn opponent respectvol bejegeningen: “Hi Omar, how are you?” “I’m fine Peter, thank you.” Peter is een antiheld zoals we ze zelden meemaken, indringend vertolkt door Søren Malling.

Helaas is dat niet voldoende. Door de overkill aan hyperrealisme en vooral door het uitblijven van een catharsis, ervaar je Kapringen vooral als een uitputtingsslag. Zelfs de comic relief, zoals verbroedering met de kapers tijdens het vangen van vis, riekt naar Stockholmsyndroom. Maar genadeslag is een even onnodige als voorspelbare knauw aan het eind. Alsof de auteur ons wil straffen voor al te veel – Hollywoodiaans – optimisme en behoefte aan escapisme.

Zo komt het dat we stiekem toch uitkijken naar die andere piratenfilm. Natuurlijk, Captain Phillips zal vet geproduceerd zijn en vol trucs zitten om onze adrenaline rond te doen pompen. Maar dat mag. Want Captain Phillips is gebaseerd op heel erg waargebeurde feiten, terwijl regisseur/scenarist Tobias Lindholm de ellende van Kapringen onbeschaamd uit zijn duim heeft gezogen.

A Hijacking
Wachten op de knauw